|
HET PLAN VAN BOB EN HOE 'T AFLIEP
liilhiotli IhlHHlillIlllililtUHtfl!! Hltlliil iifi »U i tllilIlilhhru llill llhu.HlfPÊ
familie Brouwer zat vereenigd rondom de
ontbijttafel; namelijk de heer en mevrouw
Brouwer, de zes dochters en het jongste lid
der familie Johannes Robertus Brouwer, bij
verkorting ,,Bobby” genoemd, een vlegel van
veertien jaar.
De pater familias was bezig een sneetje brood benevens
den inhoud van zijn lijfblad te verslinden; mevrouw’s
geest was in stilte ijverig doende een
middel te bedenken haar steeds stijgende
uitgaven met haar stationnair blijvende
inkomsten in overeenstemming te brengen
en de jongedames, behalve Kitty de oudste,
babbelden vroolijk over allerlei onderwerpen,
onbewust van de financieeie
moeilijkheden der familie.
Eindelijk legde de heer Brouwer zijn
courant neer, dronk in één teug zijn
koffiekop leeg en keek steelsgewijs naar
zijn oudste dochter.
„Wat ben je stil, Kitty,” zei hij.
„Heeft de kapitein niets gezegd gisteravond?
Dat valt me tegen! Ik ga langzamerhand
denken dat hij maar wat met
je speelt!”
„Daar is hij de man niet naar,” antwoordde
Kitty min of meer scherp.
Kapitein Grootveld, de man die het
onderwerp van het gesprek uitmaakte, was
een veel besproken persoon in den familiekring
der Brouwers. Ze wisten echter weinig
meer van hem dan dat hij kort geleden
uit Indië was teruggekeerd en daar de
Militaire Willemsorde had verdiend. Hij
zelf bewaarde hierover steeds een zorgvuldig
stilzwijgen. Een toevallige kennismaking
met de familie Brouwer had geleid
tot een wederkeerige vriendschap.
De kapitein bezocht de familie bijna
dagelijks, en hoewel hij blijkbaar „vues”
had op de oudste dochter des huizes,
had hij toch nog geen enkele maal door
woord of daad te kennen gegeven dat
hij ernstige huwelijksplannen koesterde.
Waar men een militair allerminst van
blooheid verdenken mag, was dat toch
zeker geen bemoedigend verschijnsel, dat
de familie dan ook gaandeweg vrij sceptisch
begon te beoordeelen.
Daar kwam bij, dat de dagelijksche
bezoeken van den kapitein en vooral zijn
tegenwoordigheid bij de familiemaaltijden
een beduidende opvoering van het toch
reeds krappe famüiebudget beteekenden.
Dit laatste ontlokte den heer des huizes
de volgende opmerking:
„Wat het ook zijn moge, ik hoop dat
hij ons spoedig zijn voornemen duidelijk
zal maken, want hij wordt ons wel wat
duur.”
Deze onbillijke uitval van haar vader
joeg het meisje een blos van schaamte
en verdriet op de wangen, en de blikken
van haar zusters maakten haar verlegenheid
nog grooter.
Zenuwachtig brak ze een sneetje brood
aan stukken en toen de kwelling haar
onhoudbaar werd, vloog ze op en vluchtte
de kamer uit.
„U was wei wat al te ruw tegen Kit,” merkte Bob op
met een wijsheid boven zijn jaren. „Meisjes zijn erg gevoelig
als d’r galant niet spreken wil, en bovendien ’t is
niet haar schuld.”
„Zeg, kwajongen, jij behoeft mij de les niet te lezen,
begrepen?” zei Papa streng. „Ik ben mans genoeg om
mijn eigen zaken te behandelen 1 Bovendien,” ging hij
verontschuldigend tot de overige leden van het gezin
voort, „ik maak er haar geen verwijt over; doch de
kapitein zal zich spoedig moeten verklaren of ik zal genoodzaakt
zijn hem te verzoeken zijn drukke visites te
staken.”
Bobby zei niets meer, maar toen het ontbijt was afgeloopen,
sloop hij stilletjes naar boven, naar de kamer van
zijn oudste zuster. Voor de deur wachtte hij even, als
onzeker hoe te zullen handelen; toen deed hij resoluut de
kamerdeur open. Hij vond zijn zuster bitter schreiende
voor haar ledikant met het gelaat in het hoofdkussen.
Hij liep naar haar toe en legde zijn hand op haar
schouder.
\ „Kitty, schei uit, meid!” zei hij. „De kapitein is een
eerlijke kerel. Hij zal je zeker wei vragen als je maar
geduld «hebt. En dan is vader blij als er een bruiloft in
’t zicht is. Wat ik niet snap is, waarom hij er zoolang
mee wacht. Het is zoo dood gemakkelijk! Je gaat naast
het meisje zitten, neemt haar hand en — klaar is Kees!
Ik zou wel willen dat hij ’t mij liet doen, als hij er te
bang voor is.”
Kitty droogde haar betraand gelaat en keek haar neuswijze
broertje glimlachend aan.
„Je bent een goede jongen, Bobby!” zei ze haar arm
om hem heen slaande en hem hartelijk kussende.
„Da’s in orde, Kit! Maar daar behoef je me niet voor
te zoenen. Jij bent mijn eigen zuster weet-je, en daarom
WATERVAL BIJ LAWANG (JAVA).
Een der schoonste watervallen op Java, in de nabijheid waarvan zich het heel gunstig bekende herstellingsoord
„Songo-Riti” bevindt In de warme moessons een uitspanningsplaats voor de Soerabajanen. (Photo Charls&Co., Bandoeng)
is het mijn plicht je te helpen. Kijk, ik had zoo gedacht:
als ik hem zie, zal ik hem zeggen, dat hij een groote
ezel is, of zoo iets. Dan zal hij natuurlijk naar reden
luisteren, als ik zoo tegen hem spreek, want we zijn
vreeselijke dikke vrinden!”
„Doe dat als je blieft niet,” zei Kitty verschrikt, terwijl
ze opstond en haar broer in een stoel duwde. „Het
is niets voor jou, om je daarmee te bemoeien, werkelijk.
Je bent.... je bent er nog wel wat te jong voor, heusch!”
„Da’s mooi, om me zoo te vernederen, als ik je helpen
wil!” riep Bob boos uit.
„Ach, je begrijpt me verkeerd. Wel, als je me dan
helpen wil, zeg hem dan eens toevallig, denk er om, heel
toevallig, hoor, dat ik .... wel een beetje van hem houd.
Da’s alles. En als hij me vóór Zaterdag er over spreekt,
dan krijg je een gulden in je spaarpot!”
„Akkoord, Van Putten!” riep Bobby uit. „Laat hem
maar aan mij over. Ik zal hem wel aan het verstand
brengen dat zulke koopjes als jij niet eiken dag te krijgen
zijn.
Nou, begin in vredesnaam niet van voren af aan,”
ging hij voort, toen hij zag dat een nieuwe tranenvloed
langs Kitty’s wangen begon te stroomen, „want dat vind
ik erg vervelend!”
De klok in de vestibule speelde kwart voor negenen en
waarschuwde hem dat het tijd was om naar school te
gaan. Hij vloog dus de trap af, pakte zijn schoolboeken
en stoof het huis uit.
De school lag slechts vijf minuten van zijn huis verwijderd,
hij liep daarom nog een straatje om. Terwijl hij zoo
doelloos aan het slenteren was, schoot hem een prachtig
plannetje te binnen. Hij herinnerde zich dat hij gisteren
woedend geweest was, toen hij zag, dat Tom, dat uilskuiken,
met zijn uitverkoren schoolvriendinnetje gewandeld
had en begreep dat groote menschen zoo
iets in veel erger mate ondervonden.
„Als ik hem maar jaloersch kon maken,”
zei hij halfluid. „Ik geloof dat hij
zus in veertien dagen getrouwd had. Er
moest iemand anders wezen om Kit ’t
hof te maken. Ha, ik weet al wat! Neef
Herman kan ’t zijn! ’n Knappe kerel en
een mooi uniform. En hij kan zoo leuk
kletsen. Ja, ja, die moet ’t wezen. Ik zal
hem een briefje sturen!”
Hij ging een boekwinkel binnen en
vroeg om een prentbriefkaart. Hij haalde
een potlood voor den dag en bleef toen
even nadenkend staan.
„Hoe spel je „parteklier” ?*■vroeg hij
aan den bediende.
„Parteklier? Particulier bedoel je zeker!
Wel, p-a-r-t-i-c-u-l-i e-r.”
„O, ja, natuurlijk! Och, als je veel
aan je hoofd heb, vergeet je wel eens van
die kleine dingen.”
Nu schreef hij het volgende briefje:
„Kom vandaag ons bezoeken. Zeer particulier.”
Robert.
„Dat zal ’t hem wel doen,” mompelde
hij; toen vroeg hij om een postzegel en
zocht in zijn zakken naar vijf centen, den
prijs van de briefkaart en postzegel. Hij
vond slechts met groote moeite een drietal
centen en eenige halve centen.
„Het spijt me dat ik je halve centen
geven moet,” zei hij verontschuldigend
tegen den winkelbediende, „maar ’t is al
wat ik op ’t oogenblik heb. Ik heb een
heeleboel geld te vorderen, maar ik kan
het nog niet loskrijgen.”
Hij verliet den winkel en wierp nog
gauw den brief in een hulpbus zonder de
minste gewetenswroeging.
Nou ja, er zou eerst wel wat voor hem
opzitten, enfin, dat kon hem minder
schelen, als de kapitein zijn zuster maar
vroeg.
Bovendien, voor een gulden moet je
wat over hebben en wie weet hoe dankbaar
de ouwe heer hem later was.
Na schooltijd liep hij nog een straatje
om en toen hij eindelijk thuis kwam,
zag hij den kapitein in den tuin op zijn
bank zitten. Hij was alleen. Op een
waanwijze jongensmanier stapte hij op
hem af.
,tGoeie middag, kap’tein,” zei hij, terwijl
hij zijn boeken op de bank wierp en met
zijn handen in de broekzakken voor
Grootveld ging staan. „Je bent net de
man, dien ik noodig heb. Beestachtig
fijn Weer vandaag, is ’t niet? Mijn zuster
mag je wel lijden, geloof ik. Ze vindt je
een afschuwelijk goeie kerel, ja, werkelijk.
Nou, ik mag je ook wel, maar ik ben geen
meisje, aan mijn opinie heb je dus niks!”
De kapitein keek hem doordringend aan.
„Wat zeg je? Meen je dat... dat je zuster van me
houdt?”
„Natuurlijk! Alle meisjes trouwen graag, heusch waar!
En zij ook, hoor! Wil ik je wat zeggen, kapitein! Ik
geloof dat je bang bent van zus!”
Grootveld lachte goedgehumeurd.
„Je bedoelt toch niet dat ze genoeg van mij houdt,
om met me te willen trouwen ? Dit is juist wat ik graag
zou willen weten,” zei hij.
„Wat drommel, kap’tein, waarom heb je het haar dan
niet gevraagd? Ik wed, dat ze je om je hals vliegt, als
je over trouwen praat.”
„Ik heb er niet veel hoop op, Bob.”
„Ik wel,” antwoordde Bob, „maar dan zul je je moeten
haasten, want er komt vandaag iemand hier. Een vreeselijk
knappe kerel, pas uit Indië terug, ’t Is nog een verre
neef van me. Ze zijn hier allemaal dol op hem!”
De kapitein bromde.
„Kun jij ’thaar niet eens vragen, Bobby?” begon hij
eindelijk. „Ik heb ’t nog nooit bij de hand gehad en
bovendien ken jij Kitty beter dan ik.”
„Wat? Nee hoor, dat gaat niet. Maar je bent toch wel
moedig, is ’t niet? Anders zou je toch de Willemsorde
|