Panorama

Blad 
 van 2380
Records 921 tot 925 van 11897
Nummer
1914, nr.06, 5 aug. 1914
Blad
04
Tekst
HET PLAN VAN BOB EN HOE 'T AFLIEP liilhiotli IhlHHlillIlllililtUHtfl!! Hltlliil iifi »U i tllilIlilhhru llill llhu.HlfPÊ familie Brouwer zat vereenigd rondom de ontbijttafel; namelijk de heer en mevrouw Brouwer, de zes dochters en het jongste lid der familie Johannes Robertus Brouwer, bij verkorting ,,Bobby” genoemd, een vlegel van veertien jaar. De pater familias was bezig een sneetje brood benevens den inhoud van zijn lijfblad te verslinden; mevrouw’s geest was in stilte ijverig doende een middel te bedenken haar steeds stijgende uitgaven met haar stationnair blijvende inkomsten in overeenstemming te brengen en de jongedames, behalve Kitty de oudste, babbelden vroolijk over allerlei onderwerpen, onbewust van de financieeie moeilijkheden der familie. Eindelijk legde de heer Brouwer zijn courant neer, dronk in één teug zijn koffiekop leeg en keek steelsgewijs naar zijn oudste dochter. „Wat ben je stil, Kitty,” zei hij. „Heeft de kapitein niets gezegd gisteravond? Dat valt me tegen! Ik ga langzamerhand denken dat hij maar wat met je speelt!” „Daar is hij de man niet naar,” antwoordde Kitty min of meer scherp. Kapitein Grootveld, de man die het onderwerp van het gesprek uitmaakte, was een veel besproken persoon in den familiekring der Brouwers. Ze wisten echter weinig meer van hem dan dat hij kort geleden uit Indië was teruggekeerd en daar de Militaire Willemsorde had verdiend. Hij zelf bewaarde hierover steeds een zorgvuldig stilzwijgen. Een toevallige kennismaking met de familie Brouwer had geleid tot een wederkeerige vriendschap. De kapitein bezocht de familie bijna dagelijks, en hoewel hij blijkbaar „vues” had op de oudste dochter des huizes, had hij toch nog geen enkele maal door woord of daad te kennen gegeven dat hij ernstige huwelijksplannen koesterde. Waar men een militair allerminst van blooheid verdenken mag, was dat toch zeker geen bemoedigend verschijnsel, dat de familie dan ook gaandeweg vrij sceptisch begon te beoordeelen. Daar kwam bij, dat de dagelijksche bezoeken van den kapitein en vooral zijn tegenwoordigheid bij de familiemaaltijden een beduidende opvoering van het toch reeds krappe famüiebudget beteekenden. Dit laatste ontlokte den heer des huizes de volgende opmerking: „Wat het ook zijn moge, ik hoop dat hij ons spoedig zijn voornemen duidelijk zal maken, want hij wordt ons wel wat duur.” Deze onbillijke uitval van haar vader joeg het meisje een blos van schaamte en verdriet op de wangen, en de blikken van haar zusters maakten haar verlegenheid nog grooter. Zenuwachtig brak ze een sneetje brood aan stukken en toen de kwelling haar onhoudbaar werd, vloog ze op en vluchtte de kamer uit. „U was wei wat al te ruw tegen Kit,” merkte Bob op met een wijsheid boven zijn jaren. „Meisjes zijn erg gevoelig als d’r galant niet spreken wil, en bovendien ’t is niet haar schuld.” „Zeg, kwajongen, jij behoeft mij de les niet te lezen, begrepen?” zei Papa streng. „Ik ben mans genoeg om mijn eigen zaken te behandelen 1 Bovendien,” ging hij verontschuldigend tot de overige leden van het gezin voort, „ik maak er haar geen verwijt over; doch de kapitein zal zich spoedig moeten verklaren of ik zal genoodzaakt zijn hem te verzoeken zijn drukke visites te staken.” Bobby zei niets meer, maar toen het ontbijt was afgeloopen, sloop hij stilletjes naar boven, naar de kamer van zijn oudste zuster. Voor de deur wachtte hij even, als onzeker hoe te zullen handelen; toen deed hij resoluut de kamerdeur open. Hij vond zijn zuster bitter schreiende voor haar ledikant met het gelaat in het hoofdkussen. Hij liep naar haar toe en legde zijn hand op haar schouder. \ „Kitty, schei uit, meid!” zei hij. „De kapitein is een eerlijke kerel. Hij zal je zeker wei vragen als je maar geduld «hebt. En dan is vader blij als er een bruiloft in ’t zicht is. Wat ik niet snap is, waarom hij er zoolang mee wacht. Het is zoo dood gemakkelijk! Je gaat naast het meisje zitten, neemt haar hand en — klaar is Kees! Ik zou wel willen dat hij ’t mij liet doen, als hij er te bang voor is.” Kitty droogde haar betraand gelaat en keek haar neuswijze broertje glimlachend aan. „Je bent een goede jongen, Bobby!” zei ze haar arm om hem heen slaande en hem hartelijk kussende. „Da’s in orde, Kit! Maar daar behoef je me niet voor te zoenen. Jij bent mijn eigen zuster weet-je, en daarom WATERVAL BIJ LAWANG (JAVA). Een der schoonste watervallen op Java, in de nabijheid waarvan zich het heel gunstig bekende herstellingsoord „Songo-Riti” bevindt In de warme moessons een uitspanningsplaats voor de Soerabajanen. (Photo Charls&Co., Bandoeng) is het mijn plicht je te helpen. Kijk, ik had zoo gedacht: als ik hem zie, zal ik hem zeggen, dat hij een groote ezel is, of zoo iets. Dan zal hij natuurlijk naar reden luisteren, als ik zoo tegen hem spreek, want we zijn vreeselijke dikke vrinden!” „Doe dat als je blieft niet,” zei Kitty verschrikt, terwijl ze opstond en haar broer in een stoel duwde. „Het is niets voor jou, om je daarmee te bemoeien, werkelijk. Je bent.... je bent er nog wel wat te jong voor, heusch!” „Da’s mooi, om me zoo te vernederen, als ik je helpen wil!” riep Bob boos uit. „Ach, je begrijpt me verkeerd. Wel, als je me dan helpen wil, zeg hem dan eens toevallig, denk er om, heel toevallig, hoor, dat ik .... wel een beetje van hem houd. Da’s alles. En als hij me vóór Zaterdag er over spreekt, dan krijg je een gulden in je spaarpot!” „Akkoord, Van Putten!” riep Bobby uit. „Laat hem maar aan mij over. Ik zal hem wel aan het verstand brengen dat zulke koopjes als jij niet eiken dag te krijgen zijn. Nou, begin in vredesnaam niet van voren af aan,” ging hij voort, toen hij zag dat een nieuwe tranenvloed langs Kitty’s wangen begon te stroomen, „want dat vind ik erg vervelend!” De klok in de vestibule speelde kwart voor negenen en waarschuwde hem dat het tijd was om naar school te gaan. Hij vloog dus de trap af, pakte zijn schoolboeken en stoof het huis uit. De school lag slechts vijf minuten van zijn huis verwijderd, hij liep daarom nog een straatje om. Terwijl hij zoo doelloos aan het slenteren was, schoot hem een prachtig plannetje te binnen. Hij herinnerde zich dat hij gisteren woedend geweest was, toen hij zag, dat Tom, dat uilskuiken, met zijn uitverkoren schoolvriendinnetje gewandeld had en begreep dat groote menschen zoo iets in veel erger mate ondervonden. „Als ik hem maar jaloersch kon maken,” zei hij halfluid. „Ik geloof dat hij zus in veertien dagen getrouwd had. Er moest iemand anders wezen om Kit ’t hof te maken. Ha, ik weet al wat! Neef Herman kan ’t zijn! ’n Knappe kerel en een mooi uniform. En hij kan zoo leuk kletsen. Ja, ja, die moet ’t wezen. Ik zal hem een briefje sturen!” Hij ging een boekwinkel binnen en vroeg om een prentbriefkaart. Hij haalde een potlood voor den dag en bleef toen even nadenkend staan. „Hoe spel je „parteklier” ?*■vroeg hij aan den bediende. „Parteklier? Particulier bedoel je zeker! Wel, p-a-r-t-i-c-u-l-i e-r.” „O, ja, natuurlijk! Och, als je veel aan je hoofd heb, vergeet je wel eens van die kleine dingen.” Nu schreef hij het volgende briefje: „Kom vandaag ons bezoeken. Zeer particulier.” Robert. „Dat zal ’t hem wel doen,” mompelde hij; toen vroeg hij om een postzegel en zocht in zijn zakken naar vijf centen, den prijs van de briefkaart en postzegel. Hij vond slechts met groote moeite een drietal centen en eenige halve centen. „Het spijt me dat ik je halve centen geven moet,” zei hij verontschuldigend tegen den winkelbediende, „maar ’t is al wat ik op ’t oogenblik heb. Ik heb een heeleboel geld te vorderen, maar ik kan het nog niet loskrijgen.” Hij verliet den winkel en wierp nog gauw den brief in een hulpbus zonder de minste gewetenswroeging. Nou ja, er zou eerst wel wat voor hem opzitten, enfin, dat kon hem minder schelen, als de kapitein zijn zuster maar vroeg. Bovendien, voor een gulden moet je wat over hebben en wie weet hoe dankbaar de ouwe heer hem later was. Na schooltijd liep hij nog een straatje om en toen hij eindelijk thuis kwam, zag hij den kapitein in den tuin op zijn bank zitten. Hij was alleen. Op een waanwijze jongensmanier stapte hij op hem af. ,tGoeie middag, kap’tein,” zei hij, terwijl hij zijn boeken op de bank wierp en met zijn handen in de broekzakken voor Grootveld ging staan. „Je bent net de man, dien ik noodig heb. Beestachtig fijn Weer vandaag, is ’t niet? Mijn zuster mag je wel lijden, geloof ik. Ze vindt je een afschuwelijk goeie kerel, ja, werkelijk. Nou, ik mag je ook wel, maar ik ben geen meisje, aan mijn opinie heb je dus niks!” De kapitein keek hem doordringend aan. „Wat zeg je? Meen je dat... dat je zuster van me houdt?” „Natuurlijk! Alle meisjes trouwen graag, heusch waar! En zij ook, hoor! Wil ik je wat zeggen, kapitein! Ik geloof dat je bang bent van zus!” Grootveld lachte goedgehumeurd. „Je bedoelt toch niet dat ze genoeg van mij houdt, om met me te willen trouwen ? Dit is juist wat ik graag zou willen weten,” zei hij. „Wat drommel, kap’tein, waarom heb je het haar dan niet gevraagd? Ik wed, dat ze je om je hals vliegt, als je over trouwen praat.” „Ik heb er niet veel hoop op, Bob.” „Ik wel,” antwoordde Bob, „maar dan zul je je moeten haasten, want er komt vandaag iemand hier. Een vreeselijk knappe kerel, pas uit Indië terug, ’t Is nog een verre neef van me. Ze zijn hier allemaal dol op hem!” De kapitein bromde. „Kun jij ’thaar niet eens vragen, Bobby?” begon hij eindelijk. „Ik heb ’t nog nooit bij de hand gehad en bovendien ken jij Kitty beter dan ik.” „Wat? Nee hoor, dat gaat niet. Maar je bent toch wel moedig, is ’t niet? Anders zou je toch de Willemsorde
PDF
Nummer
1914, nr.06, 5 aug. 1914
Blad
05
Tekst
niet gekregen hebben.” „Ja, maar daar is een heel ander soort van moed noodig, Bob 1 Doch de gong luidt, laten we naar binnen gaan.” II. „Ben jij ’t kap’tein ? Ik wist wel dat je de orde niet voor niks gekregen had,” fluisterde hij. Toen geraakte hij door pijn weer buiten kennis. * * * DE ENGELSCHE VLOOTREVUE TE SPITHEAD. De vorige week heeft te Spithead de Engelsche vlootrevue plaats gehad. Wij geven hiervan een foto, genomen van een der oorlogsschepen. Zooals men ziet biedt deze foto een combinatie van de meest moderne oorlogswerktuigen zoowel in het water als in de lucht (foto Newspaper lil) Het plan van Bobby liep niet zoo prachtig af als hij gehoopt had. Om te beginnen weigerde Kitty beslist hem hierin behulpzaam te zijn; en toen later neef Herman arriveerde en bemerkte dat hij in het minst niet verwachtwerd toonde deze de noodlottige briefkaart. Er zat voor Bobby niets anders op dan te bekennen. Papa merkte op dat het weer eens een schelmstuk was van dien verduivelden kwajongen en mama zette haar boosheid in daden om, door den zondaar naar bed te sturen en de deur van zijn kamer af te sluiten. Nochtans had Bob gelegenheid gevonden neef Herman even te spreken en hem de reden van zijn schrijven mee te deelen. Hij vroeg hem om zijn medewerking, hetgeen hem door neef Herman op stelligen toon beloofd werd. Eenmaal die belofte gekregen hebbende, ging hij met den heldenmoed van een martelaar naar bed. Neef Herman beantwoordde volkomen aan de beschrijving door Bob van hem gegeven. Hij was een knap militair en werd dan ook, zoodra hij de huiskamer binnentrad door al zijn nichten, behalve Kitty, bestormd. Hij daarentegen werkte zich uit de groep jonge meisjes los en richtte zich juist overeenkomstig Bobs plan tot Kitty, toen de kapitein de kamer binnentrad. Op den drempel bleef hij staan en keek den jongen luitenant met de grootste verbazing aan. Deze zag op, eveneens verbaasd, toen liep hij vol blijde verrassing met uitgestrekte hand op Grootveld toe. „Wel waarde vriend, wie zou gedacht hebben u hier weer te zien.” Toen zich tot de verwonderde familieleden wendende, zei hij: „Deze man heeft bij een vijandelijken overval, met het grootste gevaar, mij het leven gered!” In de opgewondenheid van het oogenblik had Herman heelemaal zijn belofte aan Bob vergeten. Ondanks het uitdrukkelijk protest van Grootveld begon hij aan de aandachtig luisterende familieleden te vertellen, welk een held deze in Indië was geweest en hoe hij de Militaire Willemsorde verdiend had. Grootveld was nu opeens ook hier de held van den dag. Papa Brouwer haalde een fijne flesch te voorschijn om deze op de gezondheid van den kapitein te ledigen, toen opeens de kreet „brand, brand!” door het huis klonk. z De geheele familie vloog verschrikt de gang in, waar de dienstboden verward door elkander liepen. Daar kwam opeens het linnenmeisje de trap afstormen. „De brand is in de kamer van jongenheer Bob!” riep ze ademloos uit. „Hemelsche goedheid,” kreet nu mevrouw. „Hij is opgesloten De sleutel hier is hij!" Met een sprong was de kapitein bij haar en rukte haar den sleutel uit de hand. Hij vloog bij drie treden tegelijk de trap op en verdween in de dikke rookwolken die de bovenverdieping reeds vulden. Zien kon hij niets meer, maar hij hoorde Bob om hulp roepen en hem wanhopig tegen de gesloten kamerdeur trappen. Grootveld riep hem toe moed te houden, hij kwam'om hem te redden ; en zich geen tijd gunnende om in den verstikkenden rook, die het portaal vulde, naar het sleutelgat te zoeken, viel hij als een wild beest met al zijn zwaarte tegen de deur aan, die met luid gekraak opensprong. Dikke rookwolken deden hem een opgenblik terugdeinzen, een oogenblik slechts, want waar was Bob? Van alle zijden naderden vurige tongen, doch Bob zag hij niet. Hij liet zich snel op de knieën vallen en begon haastig langs den vloer te zoeken en ja, daar vlak bij zijn bed was de jongen neergevallen. Zijn kleeren brandden reeds. Instinctmatig greep hij den knaap, sprong on en liep de trap af en den tuin in. Zijn haar en wenkbrauwen waren verbrand en zijn gelaat was verschroeid, doch hij lette daar niet op. Voorzichtig legde hij den bewusteloozen knaap in het gras en begon met een paar haastig aangebrachte sjaals zijn brandende kleeren te blusschen. De vlammen die uit het raam van zijn slaapkamer sloegen, verlichtten zijn gelaat. Een oogenblik sloeg hij de oogen op en glimlachte zwakjes. ..MEIMAAND”. Deze foto behaalde in onzen Fotografie-Wedstrijd (Natuuropnamen) een Vierden prijs. (foto PK. Vrijman, Rotterdam). Drie dagen zijn voorbijgegaan. Bobby ligt gezwachteld en verbonden in de woning van den kapitein. Kitty zit bij het bed van haar broer en als Grootveld de kamer binnentreedt, geeft ze hem een wenk om stil te zijn. „Hij slaapt!” zegt ze op fluisterenden toon, terwijl ze opstaat en zich naar het raam begeeft. De kapitein sluipt op zijn teenen achter haar aan, „Er wordt algemeen geloofd, dat hij lezende in slaap gevallen is, met de kandelaar vlak bij zijn bedl” zegt hij zacht en vervolgt dan: „De dokter heeft mij zooeven verteld, dat er voor zijn oogen niet het minste gevaar bestaat.” „Goddank 1” mompelde het meisje verlucht. Eenige seconden van drukkende stilte, toen stak Grootveld zijn hand in een zijner vestzakjes en haalde er een fraaien diamanten ring uit. „Wil jij je met de zorg van dezen ring belasten, Kitty,” vroeg hij. „\k ben bang, dat ik hem verliezen zal als ik hem nog langer bij mij houd.” Ze hield den ring voorzichtig in haar hand, terwijl ze hem bekeek met een blos van geluk op het gelaat. „Wil je hem dragen?” ging hij voort. „Wil je hem altijd dragen?” De blik dien ze hem toewierp, verdreef zijn laatste twijfel, hij overwon zijn schroom en haar naar zich toehalende, kuste hij haar op de lippen. Juist op dit oogenblik klonk er een schaterlach van onder de dekens. „Wat! Slaap je niet?” riep de kapitein uit. Bob rees met eenige moeite op. „Wat voor dag is het nu vandaag, Kit?” vroeg hij ondeugend. „Vrijdag, jongenlief. Waarom vraag je dat?” „Dan moet je betalen, alsjeblieft! Je hebt me een gulden beloofd, als hij je vroeg vóór Zaterdag. Enne.... ik geloof wel dat ik hem verdiend heb.” Sen mooie uitvinding Z eer ten nadeele van het corps inbrekers, is er door dokter Hannach te Berlijn een apparaat uitgevonden, dat bij inbraak of brand op afdoende wijze alarmeert. Met dit apparaat is door den uitvinder zelf dezer dagen een demonstratie gegeven, ten kantore van de firma Mendes de Jong & Co., St-Agnietenstraat 4, te Amsterdam, die bereids de vertegenwoordiging voor Nederland en Koloniën heeft aanvaard. „The Electric Eye” is een automatisch alarmtoestel, welks werking op een geheel nieuw principe berust, n.1. de overbrenging van elke lichtbron, als b.v. van een aangestoken lucifer, lantaarn of zaklamp, door de lucht, geheel draadloos naar een apparaat dat in de te bewaken ruimte is aangebracht, zonder dat de dief daar eenig vermoeden van heeft. Nadat die ontvanger het licht, hoe zwak dit ook zij, heeft opgenomen, hetgeen oogenblikkelijk geschiedt, wordt er een signaal doorgegeven naar een willekeurige plaats, waar op een schakelbord hoorbaar en zichtbaar het onraad gemeld wordt. Ook bij brandgevaar zal het toestel van onschatbare waarde blijken, omdat reeds bij de eerste ontvlamming in het bewaakte vertrek, gewaarschuwd wordt. Bij afwezigheid verbindt men het toestel met de telefoon, hetgeen gemakkelijk te bewerkstelligen is. Een apart signaal meldt dan, bij onraad, het feit rechtstreeks aan de telefoniste, waarna het ontbieden van hulp, het werk van een oogenblik is.
PDF
Nummer
1914, nr.06, 5 aug. 1914
Blad
06
Tekst
BIJ ONZE STRANDKIEKEN TERUG VAN EEN ZEILTOCHTJE. (foto P. Boom). zitten volop in het badseizoen. De vacanties zijn aan den gang. Aan de stations, die, niet ver van de badplaatsen gelegen, daarvoor in aanmerking komen, ziet men dagelijks heele families, in het wit en andere helle kleuren gedost, de kinderen met de onmisbare emmertjes en schopjes gewapend, in de treinen neerstrijken. Welk een aantrekkingskracht oefent die groote, koele zee toch uit op het dan zacht-aan gestoofde menschdom. En naast verkoeling, wat biedt zij ook tevens een fraai afwisselend schouwspel. Wat een water, wat een water. (En dan te bedenken, dat men nog alleen maar het bovenste ziet!) Hoe schoon bij uitnemendheid is het wisselend spel van het daglicht, blauw, grijs, groen en zilver over den geweldigen plas, en vooral onvergelijkelijk * is de zonsondergang als een laaiend vuur over het water. En die fijne, zilte heete lucht, hoe heerlijk licht doet ze ons ademen, hoe manhaftig verbrandt zij de facies tot ze bruin als chocolademelk zijn. Die bruinheid komt natuurlijk niet ineens opzetten, eerst houdt zij voorbereidende oefeningen op ons. Zoo begint ze eerst met ons te roodaarden; de huid van de eenigszins weeke bleeke gezichten wordt glanzend rood; dan komen er op het vel blaasjes en beursigheidjes op de manier zooals olie uit geverfde planken gepieterd wordt, dan eerst treedt de waarachtige bruinheid in. En het is niet onvermakelijk de dames, die vroeger zich met uitgespreide parasols de gevoelige teint beschutten, thans met het gelaat moedwillig naar de zon te zien gekeerd, met het kennelijk doel toch maar vooral zoo gauw mogelijk gebruineerd te zijn. En dat krijgen ze ook gedaan. De lucht en de zee zijn om dezen tijd in hun volle kracht; ze weten dat het in het seizoen is, en gedragen zich daarnaar; voor de menschen, die zoo op hen gesteld zijn, dat ze er hun woonhuizen in stad en te lande voor in den steek laten, hebben ze ook wat over. De zee is goedig, moederlijk-goedig. Als je haar zoo stil '■'r 8$ in de zon ziet liggen luieren, zou je niet zeggen dat ze op andere tijden zoo op haar poot kan spelen. Ze is nu mak, en weet wat er van haar verlangd wordt. Zachtzinnig speelt zij met de kinderen. Ze is als een lam. Kijk dien kleinen jongen op onzen kiek; die wordt door zijn oudste zusje aan moeder Zee gegeven om wat met hem te spelen. En kijk me op onzen anderen kiek die scheepjes eens balanceeren. De sterke zee duwt ze een beetje op en neer als babies, die ze zachtjes op haar schoot laat paartje-rijden. Wat een bedrijvigheid dagelijks aan het strand! Als in een heel groot bijenpark. Met die vele, vele honderden badstoelen bij elkaar lijkt het daar werkelijk wel een beetje op. En de prettige ongegeneerdheid, die er heerscht, vooral op de kleinere badplaatsen. Het moet al een heel stijve Stastok van een vader zijn als hij op zijn minst zijn jas niet uittrekt, en zijn overhemdsmouwen tot zijn ellebogen ophijscht om de kleuters te helpen bij het graven van een fort, met singels van een volledig DE EERSTE STAP IN DEN GROOTEN PLAS. (foto Boedecker). J De dirigent-directeur van het Lamoureux-orkest te Scheveningen, de heer Camille Chevillard, (links op de foto) in gesprek met den heer B. Goldbeck, directeur.-gen. der mij. „Zeebad Scheveningen”. (foto Wolf). gezien, die te keer gingen, of, gilden als magere varkens. De het „pootjes-wasschen”, het zijn wordt. Maar, jongen, zoo’n zitje in een badstoel» terwijl de heerlijke zeelucht je zalig-frischjes afwaaiert is iets, wat je, zooals men dat noemt, ook niet weg moet poetsen. Zoo’n strandstoel is een heele knussigheid, een heele rust, je voelt je er zoo in thuis, hè. , Zie b.v. op een van deze kieken den heer Camille Chevillard, dirigent van het Lamoureux-orkest, gezellig in zijn Scheveningschen badstoel zitten praten met den heer Goldbeck, den directeur der maatschappij ,,Zeebad Scheveningen”.. .. zoo’n badstoel, Scheveningsch of Zandvoortsch, of Noordwijksch of waar ook aan onze westerstranden is het toppunt van zalige gezelligheid. Toen wij dit schreven, was het zomersch. Toen de foto’s geniet waterschap, of van een ander min of meer gecompliceerd bevloeiingswerk. Het is een gezwoeg, en een gelach, een drukte en een pret in die kleine familie-kampementen geflankeerd door badstoelen, waarin ma’s, oma’s en tantes als ze wakker zijn zich onledig houden met verbieden of boeken lezen, terwijl, zooals op een van onze kieken, de vader voor zijn huppeldepuppen zijn beste beentje, of liever gezegd, allebei zijn beste beentjes vóórzet en ze een kuil graaft van wat ben je me. En dan het vertrekken en aankomen van de zeilscheepjes, die tegen zoogenaamde-civiele prijzen den dagjesmenschen de illusie van een zeereis geven. Door struische mannetjes-putters van zeelui worden ze er heengebracht of afgehaald; het laatste is op een van onze kieken te zien. Deze juf houdt zich bedaard, vindt het een heel gemak, zoo’n levenden draagstoel onder zich te hebben, maar ik heb ze van mijn leven met permissie, haar nek werd omgedraaid, en die zeiltochtjes, het graven, het zwemmen en baden, de genoegens in de uren waarin beweging gezocht „EEN KOSTBAAR VRACHTJE” (foto Wolf). nomen werden, minder. Maar regen en wind komen daar juist een klein beetje de pret verstoren. Hopen we dat als dit nummer van,,Panorama” uitkomt, het zomersche weer zich opnieuw hersteld heeft, en voor een poosje. Het doet een mensch deugd. Bovendien, wat is slecht weer niet een enorme schade voor de badplaatsen zelve en de ondernemers van verschillende inrichtingen, die kosten noch moeiten sparen om den badgasten het verblijf zoo aantrekkelijk mogelijk te maken. Een slecht seizoen is voor vele menschen een niet te overkomen schade. Men heeft slechts te bedenken dat bij gunstig weer Scheveningen jaarlijks tot 35.000 badgasten herbergt; Zandvoort ongeveer 11.000 onderdak verschaft; dat Noordwijk het laatste jaar er 6300 gastvrijheid verleende enz. enz. Het is als een ontzaglijk leger, dat met zijn trits van bagagewagens jaarlijks daar naar den westelijken waterkant trekt. En niet slechts landslieden vormen dat leger, ook vreemdelingen, vooral Duitschers treffen we aan. Het is alsof in den hitte-tijd de bevoiking van steden en platteland, zoodra de felle zon haar kracht op hun body eens beproeft, ijlings opbreekt en samenstroomt aan den oever van het koele en onafzienbare watervlak. Maar, zooals we boven zeiden daar is allereerst voor noodig echt-zomersch weer. OUD EN JONG VERMAKEN ZICH AAN HET STRAND.
PDF
Nummer
1914, nr.06, 5 aug. 1914
Blad
07
Tekst
HET WERELD-PANORAMA EEN AANSLAG. Op den Khedive van Egypte, Albas Hilmi, is een dezer dagen een aanslag gepleegd, die gelukkig geen ernstige gevolgen heeft gehad. HET EUCHARISTISCH CONGRES TE LOURDES. Te Lourdes is een dezer dagen een Eucharistisch congres gehouden, waarbij o.a, ook een processie is gehouden naar de bekende Wondergrot te Lourdes. Op bovenstaande foto ziet men de legatie van den Paus en de hooge geestelijken. De toestand is zorgwekkend. . . Dat is de ondertoon, welke de geheele buitenlandsche nieuwsreeks ons deed hooren, van den dag af waarop ons laatste overzichtje verscheen tot op heden. Op andere bladzijden hebben wij u de voorbereidselen, die den oorlog voorafgingen en de eerste gebeurtenissen getoond en ook in beeld gebracht hoe Nederland rustig doch zelfbewust de maatregelen nam ter verdediging van zijn neutraliteit. Deze bladzijde vertoont daardoor uit den aard slechts enkele momenten, die het publieke leven over onze grenzen typeerden. Het Wereldpanorama geeft weer in een heterogene menging de meest uiteenloopende momenten bijeen: de nieuwe President van Mexico, de plechtigheden in Lourdes, het bezoek van den Londenschen Lord-Mayor aan zijn Brusselschen collega, den aanslag op den Khedive, de jongste vorstelijke verloving (jongste in de rij der gebeurtenissen, niet om den leeftijd der geëngageerden l) Wij hebben ze hier bijeen gebracht. Maar over al die evenementen is niet veel meer te zeggen, dan in de onderschriften is vermeld. De toestand is zorgwekkend.... Dies hebben wij voor andere zaken niet zooveel aandacht. Tot het volgend nummer dus. En dan beginnen met: De zonne brak weer door! DE LORD-MAYOR VAN LONDEN heeft een bezoek gebracht aan Brussel. Op onze foto links den burgemeester v. Londen T. v. Sittard Bowater, rechts d. heer Max, burgem. v. Brussel. ’N OPZIENBARENDE VERLOVING. De schoonvader v. d. ex-koning v. Portugal, Prins Willem v. Hohenzollern, heeft zich verloofd met prinses Aldegonde, oudste dochter van den Koning van Beieren. Prins Willem is 50 jaar en Prinses Aldegonde, 44 jaar. SPORT-PANORAMA CARBAJAL, de nieuwe president van Mexico, die, naar verluidt, geheel bereid is zijn plaats af te staan aan generaal Carranza, den leider der opstandelingen in Mexico. ROEIEN. Door de heeren R. W. Peereboom (boeg), H. Fuhrkop, G. Evelein, G. Wachwitz en H. Meyer (stuurman) is op één dag 80 K.M. geroeid, waarvan 25 K.M. over zee. Van Haarlem is men gegaan over IJmuiden, Zandvoort, Noordwijk aan Zee (waar men wegens opgekomen onweer moest landen), naar Noordwijk-Binnen en vandaar door de Schie naar Haarlem terug. ZOMERKAMPEN. Onlangs zijn de zomerkampen van den Nederlandschen Gymnasiasten-Bond begonnen. De kampdagen worden grootendeels doorgebracht met sport, wandel- en fietstochten. ENGELSCHE PADVINDERS IN DEN HAAG. De vorige week hebben Engelsche Padvinders een bezoek gebracht aan den Haag. De verschillende spelen, die door hen beoefend worden, zooals boksen, schermen, turnen, enz. zijn op bovenstaande foto in beeld gebracht. (foto J, B. Hijmans) DOODGEVALLEN. Een fransche dame v. 22 jaar, die met een parachute uit een aeroplane wilde dalen, is van een hoogte van 425 meter doodgevallen. ENGELSCHE PADVINDERS IN DEN HAAG. Onder verwijzing naar nevenstaande foto geven wij nog een kiek v. d. Engelsche Padvinders bij hun bezoek aan den Haag. Indien ’t weer gunstig is, wordt de maaltijd in de open lucht gebruikt, rondom het vuur, waarop zij bereid is. (fotoJ. B. Hijmans).
PDF
Nummer
1914, nr.06, 5 aug. 1914
Blad
08
Tekst
•oning mat!” Het spel was geëindigd en een algemeen gemompel brak los. „Tsal Burger Robespierre heeft minder geluk in het schaakspel dan in andere, grootere spelen.” „Wie is dit jongmensch, dat hem reeds tweemaal overwonnen heeft? Ik heb hem hier nog nooit gezien.” De eerste spreker trok de schouders op. Wat stelde hij belang in een vreemdeling, terwijl iedere dag nieuwe slachtoffers eischte in zijn vriendenkring. Bovendien Robespierre sprak. „Kom, een nieuwe partij! Het is al lang geleden, dat ik zulk een vaardig tegenstander vond.” De tengere jongeling tegenover hem keek op zijn uurwerk en schudde ontkennend met het hoofd. „Komaan, je zult mij toch niet durven weigeren?” De nadruk op het woordje mij en de toon van gezag die uit de woorden klonk, deed den jongeling inzien, dat hij verstandig deed met toe te geven. Met schijnbaren tegenzin voldeed hij aan den geuiten wensch. „Kijk; ik wil dit op het spel zetten!” Een geklikklak van geld en eenige goudstukken verhuisden van Robespierre’s beurs naar de marmeren tafel. „Neen, neen, ik wil den burger niet berooven,” zei het jongmensch met een aanmatiging, die den machtigen man tegenover hem half vermaakte en half ergerde. „Maar als ik het geluk heb, dit nieuwe spel te winnen, dan wil de burger mij misschien wel het genoegen doen mij zijn handteekening te schenken. Hiervoor wil ik gaarne spelen.” „Akkoord 1” bromde Robespierre onverschillig en met zijn gedachten afwezig. Hij had een nieuw spel voorgesteld, om nog eens gelegenheid te hebben, dit broekje tegenover hem zijn waanwijsheid betaald te zetten. In de stormachtige politiek van die dagen was zijn onverschilligheid en koelbloedigheid spreekwoordelijk, maar als schaakspeler had hij zijn zwakheden en de grootste ervan was, dat hij geen meerdere hierin erkennen wilde. De nacht was voor een groot deel verstreken, maar het café de la Régence was nog steeds gevuld met gasten. Misschien was iedereen bevreesd dat hij moeilijk zou kunnen slapen; want het getal van verdachten dat eiken dag naar de gevangenissen en vandaar naar de rechtbanken gevoerd werd om ten slotte onder de guillotine het leven te eindigen, werd steeds grooter. Zoo zelfs dat de beruchte vrouwen, die haar tijd breiende rondom het schavot doorbrachten er over klaagden, dat het zoo vervelend was, iederen dag hetzelfde. In het café was het in allen geval genoeglijk en men had daar een zeker gevoel van veiligheid, waar niemand aan iets anders scheen te denken, dan zichzelven en anderen te vermaken en aangenaam te zijn. Zelfs met den dictator scheen dit het geval te zijn. Het eerste gloren van den naderenden dag was door de vensters zichtbaar. Voorovergebogen over zijn schaakbord zat daar Robespierre; Jacobijnen en verdachten schenen vergeten te zijn. Zijn vreedzaam duel met den jongeling tegenover hem scheen al zijn gedachten in beslag te nemen. „De jongen speelt of zijn leven er van afhangt,” meenden sommige toeschouwers. De starre blik van den jongeling was geen oogenblik van het bord af. Hij bemerkte niets van zijn omgeving; slechts sommige oogenblikken sloeg hij een koortsachtigen blik op de klok. Twee uur! — Drie uur! DE GROOTVORSTINNEN VAN RUSLAND. Onlangs is door de hoffotografen Boissounas en Eggler een foto vervaardigd van de grootvorstinnen van Rusland, van welke foto president Poincaré bij zijn bezoek aan St.-Petersburg een exemplaar heeft ontvangen. Van links naar rechts: grootvorstin Marie, geb. 14 Juni 1899; grootvorstin Tatiana, geb. 29 Mei 1897; grootvorstin Anastasia, geb. 5 Juni 1901; grootvorstin Olga, geb. 3 November 1895. het rijden der karren naar het schavot weer op de Place du Palais Royal een Straks zou beginnen. Er klonk buiten rumoer. Och, niets bijzonders: slechts een troepje dronken patriotten schreeuwden: „Weg met de aristocraten!” Maar het rumoer deed Robespierre onaangenaam aan. Hij schrikte op; misschien slechts doordat hij te zeer in gedachten gezeten had; misschien ook bekroop hem een voorgevoel van den dag waarop luide zou klinken: ..Weg met Robespierre.” Het volgende oogenblik was hij weer zichzelve, inwendig Begin Juli werd door de firma S. Fick, Stoomkoffiebranderij, Tabaks- en Sigarenfabriek te Oosterhout het 75-jarig bestaan barer zaken gevierd. Tevens was het 50 jaar geleden dat de Chef-boekhouder, de heer E. v. Rijthoven, zijn intrede deed bij genoemde firma. Bij gelegenheid van dit dubbel jubileum werd aan het personeel een feestmaaltijd aangeboden in Hotel Koppelpaard alwaar ook bovenstaande foto werd genomen. Als hooge bijzonderheid mag wel worden opgemerkt dat de firma S. Fick reeds 13 gouden jubilarissen onder haar personeel had. Een achttal is nog steeds werkzaam en hunne uitstekende gezondheid en werklust doet voorzien, dat de meesten van hen het diamanten jubileum zullen bereiken. Op de foto is de chef-boekhouder in het midden (X) gezeten. Verder op de tweede rij verschillende der gouden jubilarissen, eenige van hen getooid met de hun toegekende decoratie (Oranje-Nassau). In onze veelbewogen tijden, waarin conflicten tusschen werkgevers en werknemers aan de orde van den dag zijn, strekt zulk eene reeks van jubilarissen zoowel patroons als werklieden tot eere. boos, dat zijn zenuwen hem zulke parten speelden. Om zijn ergernis te verbergen deed hij haastig een zet — te haastig. Eenige oogenblikken later klonk de van opgewondenheid schorre stem van zijn partner: „Schaakmat!” en voor de derde maal had de dictator verloren. „Je vroeg me daar straks om een autograaf, is ’t niet?” vroeg Robespierre, zijn ongeluk in het spel met filosofische kalmte opnemende. Er klonk een geritsel van papier, dat de jongeling met voorgewende kalmte uit zijn zak haalde en zijn tegenpartij aanbood. Onverschillig nam Robespierre het op, de pen in de hand houdend, gereed om op het aan hem gericht verzoek te voldoen. Plotseling, met een blik waarvoor reeds zoo menigeen gesidderd had: „Wat! Je durft me te bedriegen? Durft mij onder de oogen te komen met een bevel tot in-vrijheid-stelling van een vervloekten aristocraat? Bij een volgenden keer,” ging hij op sarcastischen toon voort, „zou ik je aanraden het papier dichtgevouwen te overhandigen, dat is — veiliger. Zulke grapjes, als ze bekend worden, kosten menschenlevens!” „Ik heb altijd gehoord, dat de dictator een man van zijn woord was,” antwoordde de jongeling stoutmoedig. De onverstoorbaarheid in den toon en de houding van het jongmensch maakte meer indruk op Robespierre, dan een welsprekend pleidooi zou hebben gedaan. Een oogenblik later staarde de jonge man, nog half ongeloovig over het bereikte succes, op den naam „Robespierre”, die hem vertelde dat hij een gevaarlijk en wanhopig spel gewonnen had. „Ik wensch je geluk met je handigheid, burger,” zei de gevreesde man ten slotte. „Geen burger — burgeres!” kwam er zacht doch beslist van de lippen van den ander. Overgrootmoeder ziet nog steeds op haar nakomelingen neer van den wand der schilderijenzaal. De schilder heeft zijn best gedaan in het gelaat de onbeteekenende uitdrukking neer te leggen, die mode was in zijn tijd. Dit is hem niet gelukt, want nog ziet men in de donkere oogen waarmee ze, zou men meenen, naar overgrootvader aan de overzijde kijkt, zulk een stoutmoedigheid en in de vastopeengeklemde lippen een vastberadenheid, dat we leeren begrijpen met welk een moed zij eenmaal vocht tegen Robespierre om het leven van haar geliefden echtgenoot. Onze GravurenCollectie. Wij wijzen er nogmaals op dal alle platen in onze nummers voorkomende, legen den prijs van 5 cent verkrijgbaar zijn. Wil men dus de een of andere plaat (b.v. de voorpagina van hel vorig nummer) in een lijst zetten, dan is het niet noodig het nummer uit elkander te nemen: men kan elke plaat afzonderlijk bekomen. Lijsten zijn door ons in verschillende grootten verkrijgbaar gesteld. SCHAAKMAT
PDF
Blad 
 van 2380
Records 921 tot 925 van 11897