|
EEN GOEDMOEDIG KOMPLOT NAAR HET ENGELSCH VAN
HOUGHTON TOWNLEY
TOM
VERKORTE INHOUD VAN HET GEDEELTE UIT DE
VORIGE NUMMERS.
Eveline Blount, een knap doch arm meisje, wordt door Mr. Michael
Fordyce, lid van het Lagerhuis en door Jack Tenterden, zoon van kolonel
Tenterden, bemind. Zij zelf heeft echter nog absoluut geen idee naar wien
haar hart neigt. Door bemiddeling van Jack werd Eveline bij de Tenterdens
te logeeren gevraagd en Jack zelf begeleidde haar naar zijn familie.
Onderweg stelt hij haar op de hoogte van den toestand bij hem thuis:
Zijn vader, hoewel zelf geloovend dat alles terecht zal komen, heeft te veel
gewaagd met zijn speculaties en dreigt geruïneerd te worden en als dit
gebeurde zou Jack den moed missen Eveline te vragen. Wanneer zij beiden
op Dippingdene, het landgoed van de Tenterdens aankomen, doet de
kolonel zeer opgewekt omdat de aandeelen iets gerezen zijn. De overige
familie is echter nog zeer bedrukt en als de kolonel Eveline het landgoed
laat zien, bespreekt Jack met zijn moeder en zijn zuster Isabel den toestand.
Zij zien in dat deze onhoudbaar is. Jack verneemt dat zijn vader juist den
dag te voren een boerderij heeft verkocht voor 20.000 gulden omdat hij
contanten noodig had. De effecten waren geborgen in de brandkast.
Voor dit geld wilde de kolonel weder Rubber-effecten koopen en om dit te
verhinderen neemt Jack in overleg met zijn moeder en zijn zuster het besluit
de effecten ’s nachts uit de brandkast te nemen en te bewaren tot
na de crisis. Het plan zou worden uitgevoerd alsof een werkelijke dief
zich door inktimming toegang had weten te verschaffen, ’n Schroevendraaier
en een stallantaarn zullen zijn hulpmiddelen zijn bij het plan.
De stemming was dien avond zeer gedrukt en Eveline was blij dat zij
zich eindelijk alleen op haar kamer bevond waar zij vanaf het balcon een
prachtig uitzicht had op het park. Plotseling werd haar aandacht getrokken
door een kleinen lichtcirkel op het grasperk en zag zij Jack nader
komen en het raam beneden haar kamer binnenklimmen. Zij begreep
niets van het geval en legde zich spoedig ter ruste. Den volgenden morgen
kwam men tot de ontdekking dat er ingebroken was — de effecten waren
verdwenen. De kolonel was radeloos.
Ie deed de gewone vragen maar op zeer gedwongen
toon. Ze boog zich teeder over
haar echtgenoot. „Het is
een vreeselijk verlies,
John! Trek het je echter
niet te veel aan. De
politie....” „Ja! Waaraan dacht ik
eigenlijk? Wat zijn we hier allen en
doen niets?” riep de kolonel uit. Hij
voelde zich weer militair, en stond
opeens kaarsrecht. „De telefoon!”
Mevrouw Tenterden en Jack stonden
aan weerszijden van het toestel, terwijl
de kolonel de politie opbeide en haar
met den diefstal in kennis stelde.
De kolonel ging vervolgens naar de
bibliotheek en raapte alle papieren op
die over den grond verspreid lagen,
waarbij Jack hem assisteerde, door
de papieren die zijn vader reeds bijeengegaard
had weder op te nemen en te
laten vallen.
Hij hoorde ondertusschen tot zijn
ontsteltenis zijn vader vertellen, dat de
effecten reeds opgevorderd waren door
zijn bankier en dat indien de markt
nog een percent zakte zij geruïneerd
zouden zijn. Jack hoopte dat dit wat
overdreven was, doch gevoelde zich
verre van gerust. Zijn voornemen was
geweest te verhinderen dat er nog
meer geld werd gewaagd, niet zijn
vader te berooven van fondsen, die
hij reeds had moeten afgeven.
Eveline was zeer bleek en kalm,
toen zij naar beneden kwam. Jack
groette haar aan de trap.
„Afschuwelijke geschiedenis, Eveline!
Je behoeft niet bang te zijn, maar er
is ingebroken.” Toen op zachten toon:
„Je behoeft je er niet ongerust over
te maken, hoor! Vader is zeer ontsteld,
natuurlijk, maar ’t is beter er
geen notitie van te nemen. Kijk, hier
is het raam waardoor de schurk naar
binnen geklommen is.”
De verschrikte blik, waarmede ze
keek, werd door Jack verkeerdelijk
gehouden voor een uiting van vrouwelijke
vrees voor dieven.
„Wees niet bevreesd. Het is gebeurd.
Het geld was toch verloren gegaan op
de beurs.”
De kolonel, aangespoord door zijn
vrouw, maakte bij het ontbijt slechts
een korte opmerking over den diefstal.
„We moeten onze gast niet verschrikken
John,” had mevrouw Tenterden gezegd.
Hij vroeg als eenig antwoord of de kranten er al waren.
De toestand van de markt was nu voor hem van meer
belang, dan het verlies van twintig duizend gulden.
Ondertusschen werd er getelefoneerd dat de politie op
weg was en het ontbijt verliep in groote haast.
Jack voelde zich niets op ziin gemak. Eveline trachtte
haar onaangename gedachten te verzetten. Ze vermeed
Jacks blik en praatte met Isabel, die op raad van haar
moeder naar de dorpskerk zou gaan. Isabel vroeg aan
Jack haar te vergezellen, maar deze verontschuldigde
zich met de bewering dat hij de politie inlichtingen zou
moeten geven.
Eveline voelde zich zeer ongelukkig. Alles wees op een
verschrikkelijke ontknooping.
Jack was plotseling van zijn voetstuk gevallen. Toch
was haar afgod nog niet verpletterd. Haar liefde was
veranderd in vrees, en ofschoon zij dapper streed om
alles in zijn voordeel uit te leggen, haar gezond verstand
vond slechts een vreeselijke verklaring, nl.: Jack was
’s nachts ingebroken en had zijn vader bestolen.
Maar waarvoor? De kolonel had schertsenderwijs gesproken
over zijns zoons schulden. Maar die konden niet
zoo dringend zijn, neen, niets wettigde een dergelijke
afkeurenswaardige dwaasheid.
Hoe meer ze er over nadacht, hoe verwarder het haar
werd. Het was toch niet denkbaar, dat Jack verstandig,
moedig, edel als hij was, vol liefde voor zijn moeder en
zuster en .. . ja, ook voor haar, zich aan zulk een misdaad
zou schuldig maken.
En waarom had hij juist dezen avond uitgekozen. Was
zij misschien de onbewuste oorzaak van zijn dorst naar
geld? Had hij overdacht dat een huwelijk op zijntrakte.
ment onmogelijk was?
Haar overpeinzingen werden onduldbaar en ze ontsnapte
zoo spoedig mogelijk onder voorwendsel zich te gaan
kleeden voor het kerkbezoek.
Onderwijl was de politie gearriveerd. Toen ze de dogcart
zag aankomen met een politie-inspecteur en een ernstig
in het zwart gekleeden detective, had ze het wel kunnen
uitschreeuwen.
Ze wist dat het haar plicht was naar beneden te gaan
en alles te vertellen wat ze wist, desnoods Jack te ontin
bovenstaand fraai damesportret heeft de graveur Dickinson op uiterst verdienstelijke wijze een
schilderij van den Engelschen schilder G. Romney weergegeven. Romney, die in 1734 geboren werd,
was een tijdgenoot van Reynolds en Gainsborough en een waardig evenknie van dezen zijn landgenooten.
maskeren. Het was vreeselijk te bemerken dat ze hem
liefhad en te weten dat hij haar onwaardig was. Waarom
had hij die dwaasheid begaan. Ja, het was een dwaasheid.
Een daad gedaan in een oogenblik van ondoordachtzaamheid.
Hij kon dit niet met voorbedachten rade gedaan
hebben, want dat zou een laagheid geweest zijn. Het
pijnigde haar hart en het was troost voor haar te bedenken,
dat Jack haar nog niet gevraagd had zijn vrouw
te worden.
In het zoeken naar excuus, bedacht ze dat Jack meende
recht op het geld te hebben, nu zijn vader het aanwendde
voor speculaties. Maar dat was laf, onvergeeflijk.
Zou ze hem vertellen, dat ze hem op het balkon gezien
had en hem om uitlegging vragen, of niets zeggen en de
zaken afzien?
VI.
De plaatselijke politie-inspecteur, die den kolonel kende,
was zeer opgewonden en ongeschikt voor het onderzoek.
De detective die hem vergezelde, een eenigszins norsch
man, was beter voor de taak berekend. De sleutel zat nog
in de kluis en het beschadigde venster toonde voldoende
waar de dief was binnengekomen.
Voor den inspecteur was alles duidelijk.
„Mist u nog meer behalve de effecten, kolonel?” vroeg
de man zijn onmisbaar notitieboekje voor den dag halende.
„Neen, da’s juist het merkwaardige. En ’t is gelukkig
ook, want deze plank lag vol met scrips zooals u ziet —
al mijn rubbershares.”
Dit scheen den inspecteur van weinig belang, hij
noteerde alleen dat de dief de obligaties had meegenomen.
De detective echter bromde de eerste vraag in
zijn baard: „Wist iemand dat u obligaties had?”
„Alleen de huisgenooten en natuurlijk ook lord Marchway
van wien ik ze ontvangen heb. Ik weet niet of hij
er andere lieden over gesproken heeft. De verkoop van de
boerderij had inderhaast plaats. Ik had geld noodig voor
dekking en nam de obligaties om provisie te vermijden.”
„Juist,” merkte de detective op. „Dus verschillende
menschen moeten er kennis van genomen hebben. Heeft
u gasten in huis?”
„Alleen een jonge dame, een vriendin van mijn vrouw F”
„Gehuwd of ongehuwd!”
„O, ’t is nog een jong meisje!”
„Ongehuwd,” viel Jack in, die een
weinig ter zijde stond.
De inspecteur en de detective gingen
de hal in en bteven daar eenige o ogenblikken
fluisterend beraadslagen met
het gevolg, dat de inspecteur vertrok
de zaak in handen van den detective
latende.
„Kunnen we u nog met iets van
dienst zijn?” vroeg de kolonel.
„Kan ik u nog helpen,” voegde
Jack er haastig bij.
„Dank u, heerenl Het best is mij
alleen te laten en mij vrij te laten
rondwandelen. Stuur uw bedienden en
óók de familieleden zooveel mogelijk
naar de kerk.”
De kolonel vertrok maar Jack weifelde
en bleef bij de deur wat rondloopen,
een liedje fluitende en doende, alsof
hij geen notitie van de detective nam.
Deze laatste maakte niet de minste
haast. Hij liep klaarblijkelijk de zaak
te overdenken; sleep een punt aan
zijn potlood; bekeek de platgetrapte
bloemen in het perk, in ’t bijzonder
eenige hyacinten met de oogen van
een kenner en keerde zich ten laatste
naar het venster. Hij beet nadenkend
op zijn potlood en bekeek de indruksels
der voeten met alle aandacht.
„Ahl” murmelde hij en haalde zijn
notitieboekje voor den dag, toen bleef
hij weer nadenkend staan, steeds op
zijn potlood bijtende. Zijn oogen gingen
vervolgens naar het raam, hij bezag
de krassen, liep onhandig over de
voetindruksels en examineerde de beschadigingen
aan het houtwerk aangebracht.
Hij bemerkte dat de ernstigste
beschadigingen zich daar bevonden,
waar ze het minste nut deden. De
inbreker moest in zijn vak een groote
knoeier geweest zijn. Hij naderde met
de oogen zoo dicht mogelijk het kozijn,
zoodat zijn neus er bijna mee in aanraking
kwam. Hij kon nu in het
vensterglas de terugkaatsing zien van
Jack, die, met den rug naar hem
gekeerd aan de voordeur stond.
De jongeman stond fluitende naar
de wolken te kijken, maar onderwijl
trachtte hij tersluiks naar den detective
te gluren, tot hij opeens diens gelaat
in het vensterglas zag. Een weinig bevangen stapte
hij het huis in.
De detective wandelde naar de andere zijde van het
gebouw, ook daar vond hij voetstappen, altijd dezelfde en
van één persoon.
De krantenjongen kwam in de oprijlaan aan en de
kolonel hem ziende van uit de bibliotheek, liep hem te
gemoet en greep haastig de kranten. De diefstal had nu
voor hem alle belangstelling verloren, de fondsenmarkt
nam al zijn aandacht in beslag. Hij verdween in zijn
kamer en spoedig hoorde Jack hem verschillende uitroepen
van vreugde slaken, waarvan Jack de reden echter
niet begreep.
„Ah! Juist! Ik zei ’t wel! Ik wist het!” riep de
kolonel. „Ik voorzag het al een maand geleden.”
Hij verscheen in de deuropening zijn gelaat rood van
opwinding.
„Jack ze gaan de hoogte in! Zei ik ’t niet? ’t Gaat
beginnen!” (Wordt vervolgd).
|