Panorama

Blad 
 van 2380
Records 911 tot 915 van 11897
Nummer
1914, nr.05, 29 juli 1914
Blad
06
Tekst
HET CAILLAUX-PROCES TE PARIJS MEVROUW CAILLAUX VOOR DE RECHTBANK. Eindelijk is het proces tegen Mevrouw Caillaux, die den directeur van de Figaro» Calmette, heeft doodgeschoten» voor de rechtbank gekomen. Op het oogenblik dat wij dit onderschrift schrijven voor deze hoogst belangrijke foto, waarop wij de beklaagde en haar echtgenoot beiden in de gerechtszaal zien, is het vonnis nog niet te gissen. Meer en meer blijkt in dit proces welk een belangrijke rol de politiek in het drama Caillaux-Calmette heeft gespeeld. Ais verdediger van Mevrouw Caillaux treedt op Mr. Labori, wiens naam onafscheidelijk verbonden is aan de Dreyfus-zaak. (foto Henri Manuel). Links op de foto Mevrouw Caillaux in de bank der beklaagden. — ....... ........... - ............... ..... -................ Rechts in het midden op de foto, Caillaux, die het woord voert. Vóór haar Mr. Labori. 1111 Mr. ALBANÉL, de voorzitter van het Hof. Mr. HERBAUX, de procureur-generaal. (foto Henri Manuel). DE CEL. VAN MEVROUW CAILLAUX, (de tweede deur van links op de foto). (foto Henri Manuel). CAILLAUX (rechts op de foto) met Ceccaldi op weg naar het Gerechtshof. MEVROUW CAILLAUX. (foto Henri Manuel). Mr. LABORI, de verdediger van Mevrouw Caillaux. (foto Henri Manuel).
PDF
Nummer
1914, nr.05, 29 juli 1914
Blad
07
Tekst
HUERTA, EX-PRESIDENT. Eindelijk schijnt Huerta voor den drang van hoogere machten te zijn gezwicht en is hij afgetreden als President van Mexico. Al verdwijnt met hem een der hevigste onruststokers toch zal de vrede in dit land nog wel verre zijn. HET ULSTER-VRAAGSTUK. Ten einde tot een oplossing van het Home Rule-Ulster vraagstuk te komen, heeft de Koning van Engeland een conferentie gehouden met de leiders van verschillende partijen. Op onze foto ziet men twee leden voor Ierland Mr. Redmond (links) en Mr. Dillon op weg naar Buckingham Palace. DE MOORD TE SERAJEWO. Daar de vermoedelijke troonopvolger van Oostenrijk-Hongarije nog te jong is om den zeer belangrijken post van inspecteurgeneraal van het leger te vervullen, wordt hiervoor genoemd aartshertog Frederik, hertog van Teschen, die 58 jaar oud is. PRINS HENDRIK IN RUSLAND. Na het bezoek in Kopenhagen is Prins Hendrik naar St.-Petersburg vertrokken, heeft vandaar uit een uitstapje naar Moskou gemaakt en is toen naar Stockholm vertrokken. Onze foto geeft het vertrek uit St.-Petersburg. L’affaire.... Het schijnt dat het Buitenland zich nog meer interesseert voor het proces Caillaux dan de Parijzenaars. Voor hen is hef geen wereldschokkend iets. Autobandieten, millioenen roovende vrouwen, bij-dehandjes, genre Mme Steinheil, daarvoor interesseert zich de doorsnee-man, maar ... L’affaire Caillaux, dat is „politique”. En „politique” nou ! .. . . * * * Ik geloof dat wat ik achter dat woordje zou willen zetten een goede verdedigingkan zijn voor den Franschman, die veel meer interesse heeft voor het bezoek van Poincaré aan den Czaar, en meer geïmponeerd wordt door de „groote” politiek dan door de kleine in het genre als hier bedoeld. * * * Niet alleen President Poincaré bezocht het Czarenhof, ook Prins Hendrik was er heen. En 'f zijn aardige kieken, die wij hier brengen, waarop de Prins bij zijn aan wal gaan, de Holfandsche officieren door den Czaar begroet en onze Jantjes, gekiekt op desfoepvan hef Volksgebouw te St.-Petersburg, zijn afgebeeld. ♦ * * DE NEDERLANDSCHE ZEEOFFICIEREN IN RUSLAND. Tijdens het bezoek van Prins Hendrik zijn de zeeofficieren, die de reis met Z*. K. Hoogheid hebben meegemaakt, aan den Czaar voorgesteld, welk oogenblik op onze foto in beeld wordt gebracht. ONZE JANTJES IN St.-PETERSBURG. Dat onze matrozen het in St.-Petersburg wel naar den zin gehad hebben toont ons deze foto, die genomen is voor het Volksgebouw te St.-Petersburg ter gelegenheid van het bezoek van Z. K. H. Prins Hendrik aan Rusland. DeKoning van Engeland heeft gemeend, dat ’t tijd werd om den dreigenden burgeroorlog in Ulster door een samenbrengen der partijleiders in zijn Paleis, te bezweren. Of hef hem gelukken zal ? .... „De Koning kan geen kwaad doen,” zegt de Engelsche grondwet. Laten wij hopen, dat de resultaten dezer samenkomst „grondwettelijk” zullen blijken te zijn. ♦ * * Mexico en Oostenrijk. In beide landen kookt het. En al is de Zuid-Amerikaansche Staaf uit zijn aard nog woeliger dan de Zuid-Europeesche, een benijdenswaardig ambt is den nieuwen militairen inspecteur nu niet bepaald op de schouders gelegd. Huerta treedt voorloopig van hef politiek tooneel, aartshertog Frederik gaat zijn rol weer spelen, ondanks zijn bijkans 60 jaren. * * * Tot slof een vreugdig feest. Zooals België en vooral de Vlamingen het zoo uitmuntend weten te vieren. Hoe aardig sluiten de jonge feestgangers en feestgangsfers zich in den stoet aan. Daar zit de enfrain reeds in, noodig voor de glorierijke optochten, waardoor onze Zuidelijke naburen zoo bekend en beroemd zijn. PRESIDENT POINCARÉ IN RUSLAND De hooge bezoeken volgen elkander in St.-Petersburg op. Nauwelijks is Prins Hendrik vertrokken of de Czaar ontvangt bezoek van President Poincaré. Op onze foto ziet men den Czaar met zijn gast op weg naar de residentie „Peterhof”. HET BELGISCH NATIONAAL. FEEST. Telken jare wordt te Antwerpen het Belgisch Nationaal feest met grooten luister gevierd. Het feest werd dit jaar o.a. gevierd met een prachtigen schooloptocht, waarvan wij een klein gedeelte in beeld brengen, alsmede door een plechtig feest in de groote Feestzaal der stad Antwerpen HET WERELD-PANORAMA
PDF
Nummer
1914, nr.05, 29 juli 1914
Blad
08
Tekst
HET MEDAILLON liep het haastig voorbij, toen drong me iets in mij op mijn schreden terug te gaan en het op te rapen. Vaak denk ik nog na wat het leven vooi mij geweest zou zijn als ik op dien regenachtigen dag had doorgeloopen en het onaanzienlijke pakje niet van de morsige straat had opgeraapt. Toen ik thuis kwam en het pakje opende, zag ik dat het geld bevatte, vijfduizend gulden, vier bankjes van duizend en de rest aan klein bankpapier. Er was naam noch adres bij en dus schoot mij niets anders over dan op te letten of er in de dagbladen een advertentie over verschijnen zou; in stilte hopende dat dit niet het geval mocht zijn. Doch alles wat men graag wenscht gebeurt maar niet altijd. Zoo was het hier ten minste, want reeds den volgenden dag las ik een advertentie, waarin den vinder van het pakje verzocht werd dit te willen terugbezorgen bij mevrouw Perrin. Ik begaf mij naar het aangewezen adres en bevond dat mevrouw Perrin nog een jonge vrouw was, niet ouder dan vijf a zes en twintig jaar. Ze woonde zeer bescheiden, was in het zwart gekleed en had een knap gezicht, dat echter zeer bleek was en waarop zorg en kommer hun stempel hadden gedrukt. Ze bezat een lijst met de nummers der bankbiljetten, zoodat geen twijfel kon ontstaan en ik haar zonder bezwaar het geld overhandigde. Ze bedankte mij op hartelijke wijze en meenende dat dit niet genoeg was, wilde ze- mij een briefje van vijf en twintig als fooi geven. Ik wees dit van de hand, misschien omdat ze jong en mooi was. Een mensch is altijd meer of minder romantisch tegenover een bevallige jonge vrouw. „U begrijpt waarschijnlijk niet wat dit voor mij beteekent,” zei ze. ,,Ik ben pas kort geleden weduwe geworden en dit is het geld eener levensverzekering, dat ik ontvangen had. Als het geld niet in goede handen gevallen was, zou ik wanhopig geweest zijn.” Er kwamen tranen in haar oogen, die ik graag weg had willen kussen. „Een reden te meer om niets van u aan te nemen/2 zei ik haastig. „Wacht even,” zei ze toen. „U moet ten minste iets ter gedachtenis van mij aannemen. Als ik maar iets wist van eenige waarde.” Ze verliet de kamer en ik peinsde ondertusschen er over hoe iemand zoo zorgeloos kon wezen om vijfduizend gulden te verliezen. Na een paar minuten kwam ze terug met een klein gouden medaillon. „Dit werd mij eens gegeven door een oud vriend,” zei ze, „neem het nu van mij als een bewijs van mijn dankbaarheid.” LOTGEVALLEN VAN EEN STANDBEELD. Het ruiterstandbeeld van Koning Willem III, dat op het College-plein te Dublin staat, heeft meer mishandelingen dan eenig ander monument in het Vereenigd Koninkrijk ondervonden. Het werd in 1710 opgericht en is van ijzer gemaakt, met een omkleedsel van lood. Natuurlijk was dit standbeeld een voorwerp van haat voor de Katholieken, en zelfs de Protestantsche studenten van het college hadden er een hekel aan, misschien omdat het met zijn rug naar het Universiteitsgebouw stond. Tweemaal ’s jaars, op de verjaardagen van den slag van de Boyne en Koning Willem’s geboortedag werd het monument schoongemaakt, gewit en met een rooden mantel en een oranjesjerp versierd, terwijl er een bos klaver onder de pooten van het paard werd gelegd. Op die dagen werd ieder, die niet nederig zün hoed afnam als hij het standbeeld voorbij kwam, onbarmhartig geslagen en geschopt; maar gedurende de andere 363 dagen van het jaar werd het met slijk en vuil van allerlei soort besmeerd. Den 27en Juni 1710 werd het standbeeld van zijn koninklijk zwaard en den maarschalksstaf beroofd. De schuldigen, drie studenten van het college, werden veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf of een boete van £ 100; als ook om een half uur voor het standbeeld te staan met het volgende opschrift: „Ik sta hier omdat ik het standbeeld van onzen roemrijken bevrijder, Koning Willem, verminkt heb”. Vier jaar later was de maarschalksstaf weer weggenomen, maar de schuldige werd niet ontdekt. In 1798 beproefde Watty Cox, een schrijver, het hoofd van den Koning af te vijlen, maar zooals een spotvogel zeide: „Het innerlijk gehalte weerstond de snoode poging van den letterkundigen schrijver”. Een schilder, die voorgaf dat hem was opgedragen het beeld gedurende den nacht te schilderen, werd door een nachtwacht geholpen om zijh ladder er tegenaan te zetten en besmeerde het geheele beeld met vet en teer. Na den emmer aan een strop om den hals van Zijne Majesteit gehangen te hebben, klom de man bedaard de ladder af en liep heen. Dit gebeurde in 1805. In de maand April 1836 liet men het standbeeld in de lucht springen en werden de ledematen van den Koning en zijn ongelukkig paard in alle richtingen verstrooid. Een belooning van £ 100 werd voor de ontdekking der schuldigen uitgeloofd, maar te vergeefs; daarna werd het weer behoorlijk hersteld en op zijn oude plaats gezet. Tijdens het burgemeesterschap van Daniël O’Connel werd het gebronsd, en nu is het een sieraad van de stad in plaats van een schande. Dat wilde ik niet weigeren. Ik nam het medaillon dus aan en bevestigde het aan mijn horlogeketting. Het bracht mij evenwel geen geluk aan, integendeel scheen van af dit oogenblik het ongeluk mij te achtervolgen. Alle soorten van tegenspoed volgden elkander op: ziekten en sterfgevallen in mijn naaste familie, persoonlijke teleurstellingen: eindelijk failleerde de firma waarvoor ik werkte en nadat ik tevergeefs opnieuw werk gezocht had, en gebrek mij te wachten stond, deed ik wat reeds zoo menigeen voor mij gedaan had: ik pakte mijn biezen en ging als landverhuizer naar de Kaap. Dat gebeurde drie jaar nadat ik de bankbiljetten gevonden had. Al die jaren had ik van mevrouw Perrin niets meer vernomen. ïn Afrika scheen dezelfde kwade genius mij te achtervolgen, anderen gelukte het spoedig een betrekking te krijgen, terwijl ik zonder succes rondslenterde, het weinige geld wat mij nog over bleef, dagelijks ziende slinken. Eindelijk kwam ik aan in een mijnwerkersplaatsje, Harmersdorp genaamd, naar den man die hier de grootste mijn bezat. Eenige jaren tevoren was deze man daar aangeland armer nog dan ik, doch Fortuna was hem zeer gunstig geweest. Na drie jaren was hij door een voorspoedige exploratievan ’n rijke diamantmijn millionnair geworden. Met mij was dat evenwel nog lang niet het geval. Goed geteld bedroeg mijn geheele vermogen ongeveer negen en twintig gulden. Op een dag, na wederom tevergeefs werk gezocht te hebben, stapte ik teleurgesteld de eenige herberg van het plaatsje binnen. De gelagkamer was ledig, want de mijnwerkers hadden hun dagtaak nog niet geëindigd. ïk hurkte neer op een leegen ton en vroeg om een borrel. Juist op dat oogenblik trad een man van omstreeks vijf en dertig jaar, als mijnwerker gekleed, de herberg binnen. Hoe het kwam weet ik niet meer, maar binnen vijf minuten stonden we tegenover elkander met onze jassen uit. Het was geheel mijn schuld en de eenige verontschuldiging die ik had, was dat de kastelein hem het eerst bediende en hij bij het aannemen van zijn gelag toevallig tegen mijn arm stootte. Ik was door al mijn tegenspoed in zeer slechte stemming en daardoor zeer ruw tegen hem. Hij daarentegen scheen bijzonder goed gehumeurd te zijn, doch juist daardoor werd ik nog meer geprikkeld en ik vloog op hem af. Nou, de — ontmoeting duurde niet lang. Hij was veel sterker dan ik, en zoo koel als een komkommer, terwijl ik blind van woede was. Enfin, ik kreeg een pak slaag, zóó gevoelig, dat ik door den herbergier naar bed moest worden gebracht, daarbij tot mijn groote vernedering geholpen door mijn vrijgevigen tegenstander. Twee dagen later, na mijn gehavende plunje wat in orde te hebben gebracht, huurde ik een paard om naar een twintig mijlen verwijderd liggende boerderij te rijden, waar mij gezegd was dat werk te vinden was. Onderweg ontmoette ik mijn tegenstander uit de herberg. Ik had hem sedert niet meer gezien. Nu was ik kalm genoeg om te erkennen, dat ik mij schandelijk had aangesteld. ,,Ik geloof dat ik gek was een paar dagen geleden,” zei ik tegen hem. „Ik heb ten volle verdiend wat ik gekregen heb.” „Zoo,” zei hij droogjes, „je leek het anders niet. De zaak is dat het in een ruw land als dit verkeerd is om gauw boos te worden. Dan loop je de kans een blauwe boon in je maag te krijgen.” Het leek mij niet geschikt om excuus te maken en daarom hield ik mijn mond. Na mij eens van terzijde te hebben aangezien, ging hij op vriendelijker toon voort: „Waarom deed je dat? Was je dronken?” „Nee, gek!” antwoordde ik kort. ,,Zeker een harden tijd doorgemaakt?” MELKTIJD”. (foto Ch. Schouten)
PDF
Nummer
1914, nr.05, 29 juli 1914
Blad
09
Tekst
...........................-'.r..........................'..... ..........—...... PANORAMA .........• ................................... ............. „Ja, erg hard!” „We hebben allen onzen moeilijken tijd door te maken, vriend,” ging hij voort. „Je moet je hoofd niet verliezen. Wat ga je nauw uitvoeren ?” „Ik ga naar Smits’ farm om werk te zoeken,” antwoordde ik. „Ik moet denzelfden weg, we zullen eenige mijlen samenrijden als je het goedvindt. Maar je moet me beloven niet weer op te stuiven als een paar dagen geleden. Je sloeg me een leelijk blauw oog en ik verdiende het niet eens!” Het was onmogelijk om tegen dien goedgehumeurden kerel onaangenaam te zijn, daarom nam ik zijn aanbod met blijdschap aan. „Zeker je liefje in Holland achtergelaten,” ging hij even later voort met een spottenden blik op het damesmedaillon dat aan mijn horlogeketting hing. Natuurlijk ontkende ik dit en vertelde hem toen de geschiedenis van het gevonden pakje en hoe de weduwe Perrin mij uit dankbaarheid dit medaillon gegeven had» Eindelijk bereikten we het punt, waar onze wegen zich scheidden. ,,Nou, het ga je goed,” zei hij mij zijn hand toestekende. „Als we elkander weer eens ontmoeten, zal ik oppassen dat ik niet tegen je arm stoot.” Een half jaar ging voorbij in eentonigheid. Ik had werk gevonden op de boerderij van Smits en hoewel de verdiensten niet groot waren, ik was ten minste onderdak en Smits was geen slechte baas. Op een dag was ik mijn middagslaapje aan het doen in de schaduw van een hooischelf, toen ik eensklaps ontwaakte door het geluid van stemmen dicht bij mij. Ik opende moeizaam mijn oogen en zag mijn ouden GEMENGD KOOR ,,A CAPELLA” DIRIGENT: C. J. NOGAREDE. ROTTERDAM Dit uit een 40-tal geoefende zangeressen en zangers bestaande Koor, behaalde in zijn nauwelijks 2-jarig bestaan, op de laatste wedstrijden te Rotterdam en Dordrecht 2 eerste prijzen, 3 eerste eereprijzen, den lauwerkrans voor de beste uitspraak, benevens de eere-medaille van H. M. de Koningin. Voorts werden concerten, zoowel in als buiten de stad gegeven, die door de pers zeer werden geroemd, (foto C. ƒ, L. Vermeulen). „Hij is nog niet wakker,” zei haar metgezel. „Jawel,” riep ik uit, opkrabbelende, „en erg blij je te zien.” „Kent u mij nog?” vroeg de jonge dame. „Ik zie dat u mijn medaillon nog draagt.” Het was mevrouw Perrin, doch in plaats van vier jaar ouder, leek ze wel vier jaar jonger. Ze zag er zoo gelukkig uit, dat ik nauwelijks kon gelooven dat zij en de in het zwart gekleede droevig uitziende weduwe een en dezelfde persoon was. tegenstander tegenover mij staan, die mij met glimlachend gelaat aanzag. Hij zag er nu echter geheel als een heer uit en naast hem stond een jonge dame in rijkostuum. ,Ik geloof niet dat hij ons een van beiden herkend heeft,” zei de dame. „We zijn pas zes weken getrouwd,” zei zij, „en gij zijt de eerste dien we bezoeken sedert we in Kaapland zijn.” Ik meende nog half te droomen, want ik kon mij op dit oogenblik onmogelijk indenken, wat de man, met wien ik had getwist, uit te staan had met mevrouw Perrin. „Weet je nog wel dat je mij de geschiedenis vertelde van de verloren bankbiljetten?” zei haar echtgenoot. „Mevrouw Perrin en ik waren speelkameraden van onze vroegste jeugd af. Later scheidde het noodlot ons —en ik verliet het land. Had ik u een half jaar geleden niet ontmoet, dan zou ik nimmer vernomen hebben, dat ze weer vrij was. Toen ik dit heuglijk nieuws hoorde, reisde ik naar Holland, zocht mijn oude jeugdvriendin op en trouwde haar.” „En dat zijn we alles aan u verplicht,” zei ze metschitterende oogen. „We kwamen zoo spoedig mogelijk hierheen, om u van ons geluk deelgenoot te maken.” „Dat is heel lief van u,” zei ik, „maar,” vervolgde ik mij tot hem wendende, „wie voor den drommel is u eigenlijk?” „Ik!” riep hij lachend uit, „wel ik ben Willy Harmer, de eigenaar van de diamantmijnen hier en als ik naar het vaderland terugkeer, moet jij hier mijn vertegenwoordiger worden.” Dat was het begin van mijn geluk, dat zijn oorsprong vond op een regen achtigen dag in het oprapen uit het straatslijk van een klein pakje. IN HET FORT KRAYENHOFF. Generaal Krayenhoff In aansluiting met het portret van Generaal C. R. T. Baron Krayenhoff, dat wij in ons vorig nummer plaatsten, geven wij hierbij een tweetal foto’s van het fort waar hef stoffelijk overschot van den Generaal bijna driekwart eeuw heeft gerust. Hef fort zal worden gesloopt en wederom gaaf dus een bijzonderheid van Nijmegen verdwijnen. Met genoegen immers toonde men u altijd, daar in het Westen, aan den Waaloever dit fort, ontworpen door den man, wiens naam het droeg en wiens gebeente aldaar was begraven. Wel was hef oud en vervallen, maar voor den vreemdeling die Nijmegen bezocht, had het daardoor des te meer aantrekkelijkheid. DE GEDENKSTEEN IN HET FORT. Het stoffelijk overschot van Baron Krayenhoff wordt uit hef fort gebracht. De aankomst op „Rustoord ”; achter de baar volgen de vertegenwoordigers van de regeering, alsmede de familieleden.
PDF
Nummer
1914, nr.05, 29 juli 1914
Blad
10
Tekst
< DE DOOFSTOMMEN-INRICHTING TE ROTTERDAM j» | door JULES H. WOLF -------------—------------------ | = =L .................... . ............................................................................. ................ .... Buste van David Hirsch, stichter der inrichting. leerlingen der Doofstommen-Inrichting met het onderwijzend personeel. M et belangstelling heb ik bovengenoemde inrichting bezocht .... en met verbazing heb ik gezien wat daar van absoluut doofstomme kinderen gemaakt wordt! En reeds aan ’t begin van mijn opstel moet ik dan ook hulde brengen aan het onderwijzend personeel voor het enorme geduld, om datgene te bereiken wat het doel der inrichting is: doofstommen zoodanig het spreken te leeren, dat zij in ’t familie- De en maatschappelijk leven zich met hunne medemenschen kunnen onderhouden! De methode die voor het leeren spreken gevolgd wordt is de spreekmethode, n.1. het leeren afzien van de lippen, welke methode door David Hirsch in ons land voor goed werd ingevoerd, nadat ze door Amman reeds vóór anderhalve eeuw in toepassing was gebracht doch weldra in vergetelheid geraakt was. David Hirsch die als privaatonderwijzer, ten huize van den toenmaals te Rotterdam wonenden Dr. Polano (later Professor te Leiden) kwam om diens beiden doofstommen kinderen volgens Hirsch’ methode het spreken te leeren en verder op te voeden, wist een kringetje van doofstomme leerlingen om zich te verzamelen en ten slotte zóóveel belangstelling voor het doofstommen-onderwijs op te wekken, dat op zijn initiatief de Doofstommen-Inrichting opgericht en den 23en Mei 1853 geopend werd. Dat was voor Hirsch, die er directeur van werd, wellicht de schoonste dag van zijn leven. Hij was een uitstekend doofstommen-onderwijzer en wist zijne medewerkers met geloof en vertrouwen in zijne methode te bezielen. Door zijn buitengewone energie en groote werkkracht wist hij zooveel belangstelling in alle kringen der maatschappij voor het doofstommenonderwijs op te wekken, dat binnen korten tijd de Rotterdamsche Inrichting zoowel in het binnen- als in het buitenland als een modelschool voor Doofstommen werd aangemerkt, zelfs was ’t aan Hirsch te danken dat België, Engeland en Italië de spreekmethode hebben ingevoerd. Hij overleed den 2en Februari 1895, diep betreurd door al zijn leerlingen en oud-leérlingen, waarvan het beste bewijs gegeven werd, toen zijn oud-leerling Eduard Polano aan zijn graf, onder indrukwekkende stilte, een treffende en duidelijk uitgesproken lijkrede hield, waarin hij Hirsch huldigde voor alles wat hij voor de doofstommen gedaan had. Hirsch werd als directeur opgevolgd door den heer I. Bikkers, die ook zéér veel voor den bloei der inrichting gedaan heeft. De derde directeur der Doofstommen-Inrichting was de heer A. F. Fehmers, die, toen hij den len September 1913 als directeur aftrad (helaas wegens gezondheidsredenen), 50 jaar aan de school verbonden was. Heel, heel veel heeft hij voor het doofstommenonderwijs en voor de inrichting gedaan. Zijn nagedachtenis — de heer Fehmers is kort na zijn aftreden overleden — zal dan ook ongetwijfeld bij allen, die gedurende dien langen tijd aan de inrichting geweest zijn, in hooge eere worden gehouden. Zijn opvolger werd zijn broeder, de heer P. J. Fehmers, die thans ook reeds circa 40 jaar aan de DoofstommenInrichting verbonden is. De Fröbelklasse. En Iaat ik thans van de Inrichting en het onderwijs wat gaan vertellen. De inrichting, gelegen aan de naar Amman genoemdeAmmanstraat, bestaat uit een groot gebouw met vele fanke, luchtige, goed verlichte schoollokalen en een zeer grooten tuin waarin de kinderen in groepen eenige malen per dag spelen. Er zijn circa 160 kinderen, voor de helft jongens en voor de andere helft meisjes, van 3 tot 16 jaar. Twee leerlingen zijn er van 18 en 19 jaar, maar dat is een uitzondering. Zonder de geringste overdrijving kan men bewezen dat deze twee leerlingen slachtoffers zijn vah het ontbreken van leerplicht voor doofstommen. Het wordt trouwens meer dan tijd dat leerplicht voor doofstommen, die b.v. in Denemarken reeds vanaf 1807 bestaat, ook in ons land wordt ingevoerd. Die leerplicht Het eerste onderwijs in het leeren spreken, schrijven en afzien van de lippen. zou dan, volgens de deskundigen, toepasselijk zijn op kinderen van 6 tot 17 jaar,. want het ontbreken er van heeft tot gevolg dat de kinderen dikwijls een paar jaar te laat op school komen, doordat de ouders hunne misdeelde kinderen vertroetelen en niet willen afstaan, en daardoor te laat inzien dat zij hunne lievelingen naar een Doofstommenschool moeten zenden, willen zij hen tot nuttige leden der Maatschappij zien worden. De Inrichting heeft ten doel onderwijs te geven aankinderen die de gewone lagere school niet kunnen volgen wegens doofheid en de daaruit voortvloeiende nadeelige gevolgen van spraak en ontwikkeling, hetzij deze doofheid geheel of gedeeltelijk is. Er zijn n.1. ook kinderen die slechts half doof zijn, waardoor voor hen de beteekenis van het gesprokene grootendeels verloren gaat omdat zij de klank-elementen, die in de woorden voorkomen, niet genoegzaam herkennen kunnen. Ook die kinderen moeten methodisch spreken leeren en aflezen (afzien) van de lippen. Iets soortgelijks doet zich voor met kinderen die goed hooren en niet spreken kunnen, die men hoorstommen noemt. Deze kinderen vormen aan de Inrichting een afzonderlijke klasse; zij blijven daar ongeveer twee jaar om spreken te leeren, en gaan daarna naar de gewone school. Sedert October 1912 is aan de Inrichting een fröbelklasse verbonden. Het Bestuur werd door een artikel in de Gids van Frof. H. Burger op het fröbelonderwijs voor doofstommen opmerkzaam gemaakt en besloot in navolging der Amsterdamsche Inrichting, David Hirsch met zijn eerste twee leerlingen, Eduard en Marianne Polano. die dat ook sedert een paar jaar in toepassing brengt, tot de oprichting eener fröbelklasse. ïn deze klasse bedoelt men oog en hand te ontwikkelen en daarmee ook het verstand. Daar hebben ze ook reeds afzien-oefeningen van doodeenvoudige woordjes en hééle kleine zinnetjes. Van de fröbelklasse gaan de kleintjes naar de klasse waar de eerste spreekoefeningen gehouden worden (zooals onze foto duidelijk in beeld brengt), waarbij spreken, afzien, lezen en schrijven tegelijk onderwezen worden. In een volgende klasse wordt het onderwijs in het spreken voortgezet en vervolgens zoo in iedere klasse, zelfs in alle vakken zooals aardrijkskunde, teekenen, geschiedenis, handwerken, kostuumnaaien, gymnastiek, enz., met dien verstande dat bij het onderwijs van deze vakken steeds het aanleeren der taal op den voorgrond treedt. In de hoogere leerjaren volgen de leerlingen alleen ’s morgens het gewone onderwijs. ’s Middags, van 2 tot 7 uur, leeren zij beroepen aan op werkplaatsen in de stad, Deze beroepen zijn: meubelmaker, schoenmaker, wagenmaker, horlogemaker, bakker, zincograaf, stoffeerder, goudsmid, drukker, enz. Sommige meisjes bezoeken een modeatelier om er het modevak te leeren. Alle deze leerlingen leeren op kosten der Inrichting een vak en als ze op 16-jarigen leeftijd de school verlaten is er een goede grondslag gelegd voor hun toekomst om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien en staan zij in de maatschappij niet zoo hulpeloos als zij anders zouden hebben gedaan. Behalve leerlingen uit Rotterdam zijn er ook vele kinderen uit andere plaatsen, uit alle standen, die aan de Inrichting onderwijs genieten. Deze worden door de inrichting uitbesteed in gezinnen die volgens stand en godsdienstige gezindte doorhet Bestuur in overleg met de ouders gekozen worden. Over die pleeghuizen, die in alle opzichten uiterst gunstig bekend staan, wordt door of vanwege het Bestuur voortdurend een nauwgezet toezicht gehouden, alles tot heil en in het belang der kinderen. • En dat alles is het zegenrijk werk van David Hirsch 1 Zijn oud-leerlingen vooral hebben dat begrepen en het waardeerende hebben zij ter gelegenheid van den lOOen gedenkdag zijner geboorte (23 Mei 1913) als een eeuwig blijvende hulde aan hun grooten weldoener, daarvan blijk gegeven door de stichting van een fonds ten behoeve van bejaarde, behoeftige doofstommen, en hebben die stichting de „David Hirsch-Stichting” genoemd. Moge de geest van Hirsch blijven voortleven in de Inrichting die zooveel aan hem te danken heeft en waaraan hij een groot deel van zijn leven besteedt heeft. En moge zijn nagedachtenis ook hen bezielen die thans met zooveel liefde en geduld zijn arbeid voortzetten! De ontslag-klasse 1914. In ’t midden de directeur de heer P. J. Fehmers
PDF
Blad 
 van 2380
Records 911 tot 915 van 11897