|
DE WRAAK VAN EEN VRIJGEZEL
tijd in den
elkan»
heer Herman Huy was vrijgezel en niet
onbemiddeld. Iedereen begrijpt wat dit
zeggen wil. Kort geleden had hij een kleine
villa gehuurd in het aardige dorpje Plaswijk.
Een dergelijken bewoner moest men op prijs
stellen en het duurde dan ook niet lang of
hij was gemeenteraadslid en kerkvoogd van de kleine
dorpskerk.
Nu telde Plaswijk onder haar kleine bevolking niet
minder dan zes ongetrouwde dames, allen min of meer
op de namiddaghoogte van heur jeugd, dat wil zeggen,
tussehen de vier en de vijf kruisjes. De heer Huy was
ook een eindje in de veertig, overigens een nette verschijning.
Hij stond met gezegde dames dan ook op zeer
goeden voet. Hij dineerde bij mevrouw Smuts, een weduwe;
speelde tennis met juffrouw Van Heel; fietste met juffrouw
Evers; dronk thee bij mevrouw Stenfert,
eveneens een weduwe; ontbeet bij juffrouw
Verlint en repeteerde voor een dorpsconcert
met juffrouw Los.
Het was een zonnige tijd! Doch niets is
bestendig hier beneên. Aan den helderen
hemel van Plaswijk verscheen een wolkje,
iets grooter dan een manshand: een meisje
van ruim twintig jaar, met gouden lokken
en blauwe o ogen was organiste geworden
van het kerkje te Plaswijk.
De zes mededingsters, overtuigd van de
waarheid van het spreekwoord ,,eendracht
maakt macht”, sloten een of- en defensief
verbond en bezwoeren plechtig den handel
en wandel van de nieuw aangekomene
nauwkeurig te bespieden.
„Hij bracht haar gisteravond thuis,”
rapporteerde juffrouw Van Heel, terwijl ze
bij mevrouw Stenfert op theevisite kwam.
„Juffrouw Evers vertelde me,” zei nu
mevrouw Stenfert, „dat hij aan haar deur
een geheelen tijd bleef praten.”
Juffrouw Van Heel stond op en vertrok.
In de dorpsstraat komt ze juffrouw Verlint
tegen, die haar zonder verdere inleiding
toeroept: „Ze zijn beiden in de kerk. Zij
zit te oefenen en hij zit in de bank en
luistert. Juffrouw Los heeft ze gezien.”
„En juffrouw Evers vertelde aan mevrouw
Stenfert, dat ze gisteravond een geheelen
tuin stonden te praten met de hoofden vlak bij
der,” vertelde juffrouw Van Heel.
„Ik zal er dominee over spreken,” zei nu juffrouw
Verlint op beslisten toon. „ïk ga naar mevrouw Smuts
en zal haar vragen of het onze plicht niet is er dominee
mee bekend te maken.”
„Hemelsche goedheid!” riep mevrouw Smuts uit, toen
ze het verschrikkelijke nieuws hoorde. „Ik had er geen
flauw vermoeden van.”
„Geen van ons,” viel juffrouw Verlint in, „totdat we
het met eigen oogen zagen. Je ziet hoe licht men zonder
het te weten, een adder aan zijn borst koestert.”
Mevrouw Smuts deelde dienzelfden avond aan juffrouw
Los mede, dat ze heusch'niet kleingeestig of preutsch
was, maar om zich maar in het
halfdonker achter een heg te laten
zoenen, neen, dat was infaam!
Jammer genoeg was dominee
ziek; er werd dus door de zes
dames een vergadering belegd,
waar als punt van behandeling
ter tafel kwam: „wat zullen we
doen?”
Juffrouw Verlint wilde den
dominee een langen brief schrijven,
toen juffrouw Evers opmerkte:
„Waarom schrijven we niet aan
die deern ?” Dat sloeg in, en
aldus werd besloten.
Het was geen aardig briefje.
Het bevatte een scherpe afkeuring
van wat de schrijfsters noemden
„een schaamteloos gedrag”, en
voorts den eisoh dat de schuldige
haar leven zou beteren en niet
verder aanstoot geven, vooral met
het oog op de slechte werking
die haar ergerlijk voorbeeld op de
dorpsbewoners zou kunnen teweegbrengen.
Het eenige goede van het epistel
was, dat het onderteekend was,
nog wel door alle zes dames. Nadat
de brief gesloten en geadresseerd
was aan mejuffrouw Schild, Kerkstraat
10, werd hij door het gezamenlijke
gezelschap op de post
gedaan.
Johanna Schild zong een vroolijk
liedje van blijmoedigheid en
geluk, toen de postbode den volgenden
morgen den brief bracht.
Het dienstmeisje nam dezen aan en de kamerdeur
openende, riep ze: „Juffrouw, een brief!”
„O, dank je wel,” antwoordde juffrouw Schild verheugd.
met snellen blik het adres bekijkende. Het schrift
kwam haar echter onbekend voor. Ze sneed nu den brief
open en begon te lezen; doch wat is dat? Een gloeiende
blos overdekte haar gelaat, dat onmiddellijk daarop zeer
bleek werd. Tranen kwamen haar in de oogen.
„Die varkens I” riep ze uit. Akelig, hatelijk tuig!”
*
* *
Herman Huy stond voor den spiegel en bekeek met
voldoening zijn beeltenis.
„Niet slecht ” mompelde hij. „Menige jonge snuiter
heeft al grijs haar! Ik geloof dat ze niet ouder dan
EEN
Deze foto
BUITENVERBLIJF VAN MARIE-LOUISE TE VERSAILLES.
heeft in onzen Fotografie-wedstrijd „Natuuropnamen” een 3en prijs behaald.
{foto J. Mast. Gent).
vier
lief.
het
dat
en twintig is, doch — wat hindert dat, als zij mij
... Waarom ben ik toch zoo dwaas! Ik durf niet
minste of geringste tegen haar te zeggen, uit vrees
ze mij uitlacht. Wat! wie voor den drommel komt
me nou storen?”
„Mijnheer, juffrouw Schild wil u spreken.”
„Sapperloot,” mompelde Huy, „wat zal dat zijn?”
Johanna Schild kwam de kamer binnen, zenuwachtig,
en Huy zag dat ze zeer ontdaan was.
„Goeien morgen,” riep hij opgeruimd uit, terwijl hij
haar een hand toestak. „Wat een prachtige morgen! Ga
zitten, dit is de gemakkelijkste stoel.”
„Mijnheer Huy,” begon Johanna, diep ademhalende, „ik
vrees dat ik op dit oogenblik vreeselijk tegen de conventie
zondig, maar ik ben zeer bedroefd en u is zoo
IN DEN VIJVER.
Deze foto heeft in onzen Fotografie-wedstrijd „Natuuropnamen” een 3en prijs behaald.
(foto P. v. Tol, 's-Gravenhage).
vriendelijk voor mij geweest, gedurende den tijd dat ik
hier ben. Dominee is ziek en ik heb niemand om mij te
helpen, daarom kom ik tot u, zooals ik tot mijn vader
ga,an zou!”
Herman Huy’s gelaat betiok lichtelijk.
„Ik beschouw het als een eer, juffrouw Schild, en zal
zeer verheugd zijn, u op een of andere wijze van dienst
te kunnen zijn.”
„Welnu dan,” ging Johanna voort, „ik ontving van
morgen dezen brief en kom u vragen wat ik doen moet ”
Herman Huy nam den brief aan en begon te lezen.
Hij kleurde, terwijl de aren op zijn voorhoofd opzwollen
van ingehouden woede.
„Wat ’n tuig!” bromde hij.
„Nietwaar? Zijn ’t geen varkens?” zei Johanna.
Huy wendde zich plotseling tot haar.
„Wil je wel gelooven, dat ik dat lasterpak
heel dankbaar ben, daardoor krijg ik nu
moed om , ...”
„U moet weten,” onderbrak Johanna
hem met een gedwongen lachje, „ik vind
het zoo onaangenaam voor Willem. Hèm
had ik eigenlijk) den brief moeten sturen,
maar hij is zoo driftig, dat ik dit niet durfde
doen. Hij zou met den eerstvolgenden trein
hierheen gekomen zijn en het geheele dorp
overhoop hebben gehaald.”
De brief viel uit Huy’s handen op den
vloer. Hij raapte hem bedaard op en zei op
zijn gewonen toon:
„Wie is Willem?”
„Hoe dom van mijl” Johanna bloosde.
„Het is mijn verloofde. Hij is op kantoor,
maar heeft nog geen positie, de arme jongen.
Daarom moeten we wachten. Ik heb niemand
anders sedert mijn tante stierf en ben
arm, daarom was ik blij de betrekking hier
te krijgen, om een beetje te kunnen sparen!”
„Hij is een bofferd!” zei nu Huy. „Je
bent waard dat er op je gewacht wordt,
juffrouw Schild.”
Hét was zijn eerste compliment aan haar.
Johanna bloosde opnieuw.
„Willem is ’t,” antwoordde zij. „En wat
dunkt u van den brief, mijnheer Huy. Moet
ik er op antwoorden of hem negeeren?”
„Wil je hem mij geven?”
Johanna keek verrast op.
„Natuurlijk graag! Alleen zou ik niet gaarne willen,
dat u er onaangenaamheden door ondervond.”
„Dat zal niet. Natuurlijk kunt u een dergelijk epistel
onbeantwoord laten; nochtans — zou ’t niet kwaad zijn
deze .... individu’s een lesje te geven.”
„Wat wilt u doen?” vroeg Johanna nieuwsgierig.
„Dat weet ik nog niet. Maar u kunt gerust zijn, ik
zal niets doen wat u of uw verloofde, de heer —?”
„Splinter!” vulde zij aan.
„De heer Splinter zoudt afkeu ren.”
„O, dat weet ik,” zei Johanna opstaande. „Ik zal hem
alles vertellen! Ik ben u zeer verplicht!”
„De verplichting en de eer is geheel aan mijn zijde,”
antwoordde Huy, terwijl hij de
deur opende en haar uitliet. In
de kamer terugkeerende keek hij
nog eens in den spiegel.
„Ouwe gekl” mompelde hij
nederig.
Een klein briefje gleed met
zacht geritsel in debus bij juffrouw
Van Heel, die juist in de gang
zijnde het geluid hoorde, naar
de bus liep, den brief er uit nam,
opende en las:
„Wacht U in het moerbeibosch
morgen te 3.30.
H. H.”
„Goeje hemel,” riep ze uit.
Toen stopte ze het briefje
haastig weg.
„Er is slechts één H. H. in
Plaswijk, die mij dit zou kunnen
zenden,” fluisterde zij opgewonden.
„Hij vlucht zeker tot mij
om van die heks bevrijd te
worden.”
Het moerbeibosch bevond zich
in een dal ongeveer een mijl van
Plaswijk verwijderd.
Mejuffrouw Van Heel besteedde
den volgenden morgen een geheelen
tijd met het kiezen van
haar toilet. Eindelijk was de keus
gemaakt; een zwarte strooien
hoed met muurbloemen voltooide
het, en te drie uur precies verliet
ze haar woning.
|