|
groote moeilijkheid is, dokter, hoe zul je je
theorie in practijk brengen?”
„Ja, alles is gereed, behalve een object
voor de toepassing,” antwoordde dokter Feit,
een lange, scherpzinnig uitziende man. „Het
zal niet gemakkelijk zijn iemand te vinden,
die bereid is zich aan een proefneming te onderwerpen, die
zoo’n groot gevaar meebrengt. Het zou kunnen eindigen ....”
Hij brak plotseling af meteen welsprekende handbeweging.
„We hebben niet veel tijd te verliezen,” zei nu Gros,
een hard werkende medische student, met een energieke
uitdrukking op het gelaat. „Onze patiënt kan zoo spoedig
herstellen, dat hij sterk genoeg
zal zijn om naar een Sanatorium
te worden vervoerd.”
„Ik zag hem gisteravond
nog,” antwoordde Feit, „maar
hij maakte op mij niet den
indruk spoedig te zullen herstellen.
Misschien zal hij over
een week wat beter zijn. Wat
wij noodig hebben is iemand
wiens verdwijnen geen argwaan
zal opwekken bij familieleden
of vrienden. Als het
ergste mocht gebeuren, zou
het een volkomen verdwijning
moeten wezen,” besloot hij
grimmig.
„Het is een gevaarlijke
onderneming, Feit; ik heb
evenwel beloofd je te helpen
en ik zal mijn woord houden.
Ik zal mijn oogen goed openzetten
in het gasthuis. We
krijgen vaak verloopen sujetten
in behandeling. Als ik er
zoo een kan overhalen voor
een paar honderd gulden de
proefneming op hem te doen,
dan zal ik hem hier brengen.”
„Laat het aan mij over,
de zaak uit te leggen,” hernam
Feit. „Gooi jij eenvischje
uit en zie of er een bijt.
Laat mij dan dadelijk weten, dat je iemand hebt.”
„Reken er op,” antwoordde Gros. „Ik zal geen tijd
verliezen. Zoodra jij van de zaak een grondige diagnose
hebt, zullen we kunnen voortgaan.”
„Juist zoo! Ik zal geen fout maken, Gros,” zei de
dokter, toen zijn vriend opstond en afscheid nam.
Vier dagen later had Gros zijn mannetje in het hospitaal
uitgekozen. Het was een ongunstig type, daarheen gebracht
met een gebroken arm. Verheugd een middel te hebben
de waakzame politie, die hem wegens inbraak op de
hielen zat, te verschalken, had hij het gasthuis opgezocht
als een toevlucht. Gros was, onder belofte van de striktste
geheimhouding, van den man te weten gekomen, dat deze
zijn gebroken arm en een wond aan het hoofd had opgeloopen
ten gevolge van een val door een zolderluik in
het huis waar hij had ingebroken.
Op den dag dat de man uit het gasthuis ontslagen zou
worden, vervoegde zich Gros bij hem.
„Zou je tweehonderd gulden willen verdienen?”
„Ik zou zoo zeggen van ja!” — „Welnu, je kunt het
geld dezen dag krijgen als je met mij meegaat.”
„Wat heb je met me voor, meester?” vroeg de man
voorzichtig. „Twintig gouden tientjes worden niet voor
niemendal gegeven.”^ — „Heb je vrouw en kinderen?*'
„Nee!” — „Des te beter. Luister goed! Als je mijn
aanbod aanneemt, zul je geen gevaar meer loopen
voor zoover de politie betreft. Een dokter van mijn
kennis heeft jou noodig om te slapen in het béd
van een patiënt lijdende aan...”
„Een soort van verwisseling, meneer?”
„Noem het zoo, als je wilt. Ik waarschuw je vooruit
dat je leven gevaar loopt. Daartegenover staat dat,
loopt alles goed af, je geen vrees meer voor de politie
behoeft te hebben en je 200 gulden rijker bent.”
„Wat moet ik doen, meester?”
„Dat zal mijn vriend je vertellen. Stap met mij
in een rijtuig. Hier, dat is voor jou,” ging Gros voort,
hem een tientje in de hand stoppende.
„Akkoord,” zei de man; „je bent een kerel, dat ben-je!
Denk er] om, dat ik de zaak nog niet heb aangenomen ; —
niet voordat ik weet wat het is.” — „All right I Kom mee!”
Een oogenblik later zat het zonderlinge paar in een
rijtuig dat hen naar dokter Feit bracht. De dokter was hen
wachtende :hij had van Gros telefonisch bericht ontvangen,
dat ze komen zouden. Gros legde zijn vriend de zaak uit
en toen wendde deze zich tot den man: „Een patiënt van
mij is stervende aan cholera. Ik geef je 200 gulden als je
dadelijk na zijn dood in zijn bed gaat liggen. Om zekere
redenen, waarover ik niet uitwijden kan, geloof ik dat je
herstellen zult, als je de ziekte mocht overerven. Allé
’N OOLIJKE FOTO VA
De lustige directeur van het
E TE SCHEVENINGEN
zeer internationaal gezelschap,
N DE ARTISTEN VAN HET CABARET ARTISTIQU
Cabaret, de heer Max van Gelder (te paard) aan het hoofd van zijn
mogelijke voorzorgen zullen genomen worden om dit te
voorkomen. Ik zal je persoonlijk behandelen.” — „’t Lijkt
me niet erg,” antwoordde de man niet op zijn gemak.
„De politie zit je op de hielen, zooals je weet. Ik geef
je een kans om te ontsnappen.”
De man bromde wat en schudde met zijn hoofd.
„Zeg drie honderd gulden,” ging Feit voort.
„’t Is geen zuivere koffie,” zei de man gemelijk.
„Goed,” hernam de dokter. „Je slaat een middel af
om je leven te beteren. Welnu, dan zal ik je wat vertellen.
Ik heb je reeds vroeger ontmoet! Ja, ik herinner
het mij zeer goed. Een half jaar geleden kwam ik ’s avonds
laat van een patiënt langs den Zeedijk, toen een troepje
dronken gespuis daar een agent aanviel. Ik liep er
haastig op af, om den man bij te staan, maar het was
te laat, een der schurken had hem een doodelijken slag
op het hoofd toegebracht. Toen er hulp kwam, waren ze
allen verdwenen. De agent stierf aan de bekomen wonde.
De schuldigen werden niet gevat; ik had evenwel den
man gezien die den slag toebracht en .....”
De ongelukkige voor hem was bleek geworden en veegde
zich het zweet* van het voorhoofd.
„Het was een moord,” ging de dokter rustig voort:
„En ik weet dat jij de man was. Wat zal het nu zijn,
geef je je aan mij of aan de politie over?” De man kreunde.
DE ROBBENJACHT
OP DE FRIESCHE
WADDEN.
Doordat het Rijk premie’s voor
het dooden van robben heeft
uitgeloofd is er zeer veel animo
voor de jacht op dit zeer schadelijke
gedierte, dat heele slachtingen
aanricht onder de bot en
ook de netten van de visschers
verscheurt. De bijgaande foto’s
geven een denkbeeld van deze
zeer eigenaardige jacht
„Ik stem toe! Geef me driehonderd pop en ik zal stom
zijn als een visch als u het ook is.”
„Zeer goed!”
De dokter haalde driehonderd gulden aan bankpapier
uit zijn portefeuille en gaf dit aan den man. Deze stak
het geld in zijn zak. Een uur later arriveerden ze aan
het huis van den choleralijder en werd de man in diens
bed gelegd, zooals de dokter gezegd had.
„Nou, amice, wat wed je dat onze man morgen alle
symptomen van de cholera zal vertoonen?” zei Feit tot
zijn vriend en assistent, toen ze de ziekekamer verlaten
hadden. „Je weet absoluut zeker, dat de zieke niet aan
de cholera lijdende was?”
De dokter lachte.
„Waarde collega, er was geen
sprake van cholera, slechts een
geringe aanval van cholerine.
Ik heb hem naar mijn huis
laten vervoeren, dat hij binnen
enkele dagen wel genezen
verlaten zal. Ik wil slechts
proefondervindelijk bewezen
zien of deze man enkel door
suggestie ziek kan worden.”
„Ik wil geen enkele weddenschap
aangaan,” zei Gros,
„want ik ben overtuigd dat
suggestie heel wat bewerkstelligen
kan. Toch geloof ik
dat onze bandiet zich weinig
om cholera bekommeren zal
en je niets bijzonders bij hem
zult bemerken.”
„We zullen zien,” antwoordde
de dokter kalm. „Ik
zou gaarne zien, dat je van
avond den patiënt bij mij
thuis ging bezoeken, om te
zien, hoe het met hem gesteld
is. Kom het mij morgen eens
vertellen. Ik blijf hier om
op onzen schelm te letten;
hij moest eens de plaat willen
poetsen....”
„Nou, dan ga ik. Ik ben
nieuwsgierig hoe de zaken morgen zullen staan. Goedenavond!”
Den volgenden morgen tegen tien uur keerde Gros
terug.
Dokter Feit ontving hem in opgewonden stemming.
„Het is maar goed, dat je niet gewed hebt,” riep hij
uit. „Onze man hier is werkelijk ziek. Hij heeft alle
symptomen van cholera: hevige pijnen, verschrikkelijke
.... Wat is er?”
„Hemelsche goedheid,” barstte de ander los, „wat
hebben we gedaan .... Uw patiënt heeft cholera!”
„Ónmogelijk!” hijgde Feit vol schrik.
„Ik zeg je, hij heeft ’t! Denk je dat ik werkelijke cholera
niet herkennen kan. Ik was er al niet gerust op, toen ik
hem gisteravond zag. Vanmorgen was er geen twijfel
meer!”
„Het is vreeselijk,” zuchtte Feit. „We kunnen nu niets
ongedaan maken.
Onze schurk hier is het meest belangrijk; hij is een
slachtoffer van onze proefneming. We zullen kosten noch
moeiten sparen om hem te redden.”
Hij deed zooals hij gezegd had en na een hardnekkig
gevecht met den dood, slaagde hij er in den man te
behouden.
Ook de ander herstelde.
Den misdadiger werd niet verteld, dat ze nimmer
voornemens geweest waren hem in het bed van een
werkelijken choleralijder te leggen.
De man hield trouwens zijn mond, doch was overtuigd
dat hij de ƒ500, die hij kreeg in plaats van
de beloofde som, wèl verdiend had.
De beide doctoren waren voorgoed genezen van
het nemen van dergelijke proefnemingen.
„Drommels!” zei Gros op een keer, „als onze
bandiet eens gestorven was.”
Feit floot zacht voor zich heen.
„’tWas op ’t kantje af, amice!”
Een Gevaarlijke Proefneming
|