Panorama

Blad 
 van 2380
Records 926 tot 930 van 11897
Nummer
1914, nr.06, 5 aug. 1914
Blad
09
Tekst
groote moeilijkheid is, dokter, hoe zul je je theorie in practijk brengen?” „Ja, alles is gereed, behalve een object voor de toepassing,” antwoordde dokter Feit, een lange, scherpzinnig uitziende man. „Het zal niet gemakkelijk zijn iemand te vinden, die bereid is zich aan een proefneming te onderwerpen, die zoo’n groot gevaar meebrengt. Het zou kunnen eindigen ....” Hij brak plotseling af meteen welsprekende handbeweging. „We hebben niet veel tijd te verliezen,” zei nu Gros, een hard werkende medische student, met een energieke uitdrukking op het gelaat. „Onze patiënt kan zoo spoedig herstellen, dat hij sterk genoeg zal zijn om naar een Sanatorium te worden vervoerd.” „Ik zag hem gisteravond nog,” antwoordde Feit, „maar hij maakte op mij niet den indruk spoedig te zullen herstellen. Misschien zal hij over een week wat beter zijn. Wat wij noodig hebben is iemand wiens verdwijnen geen argwaan zal opwekken bij familieleden of vrienden. Als het ergste mocht gebeuren, zou het een volkomen verdwijning moeten wezen,” besloot hij grimmig. „Het is een gevaarlijke onderneming, Feit; ik heb evenwel beloofd je te helpen en ik zal mijn woord houden. Ik zal mijn oogen goed openzetten in het gasthuis. We krijgen vaak verloopen sujetten in behandeling. Als ik er zoo een kan overhalen voor een paar honderd gulden de proefneming op hem te doen, dan zal ik hem hier brengen.” „Laat het aan mij over, de zaak uit te leggen,” hernam Feit. „Gooi jij eenvischje uit en zie of er een bijt. Laat mij dan dadelijk weten, dat je iemand hebt.” „Reken er op,” antwoordde Gros. „Ik zal geen tijd verliezen. Zoodra jij van de zaak een grondige diagnose hebt, zullen we kunnen voortgaan.” „Juist zoo! Ik zal geen fout maken, Gros,” zei de dokter, toen zijn vriend opstond en afscheid nam. Vier dagen later had Gros zijn mannetje in het hospitaal uitgekozen. Het was een ongunstig type, daarheen gebracht met een gebroken arm. Verheugd een middel te hebben de waakzame politie, die hem wegens inbraak op de hielen zat, te verschalken, had hij het gasthuis opgezocht als een toevlucht. Gros was, onder belofte van de striktste geheimhouding, van den man te weten gekomen, dat deze zijn gebroken arm en een wond aan het hoofd had opgeloopen ten gevolge van een val door een zolderluik in het huis waar hij had ingebroken. Op den dag dat de man uit het gasthuis ontslagen zou worden, vervoegde zich Gros bij hem. „Zou je tweehonderd gulden willen verdienen?” „Ik zou zoo zeggen van ja!” — „Welnu, je kunt het geld dezen dag krijgen als je met mij meegaat.” „Wat heb je met me voor, meester?” vroeg de man voorzichtig. „Twintig gouden tientjes worden niet voor niemendal gegeven.”^ — „Heb je vrouw en kinderen?*' „Nee!” — „Des te beter. Luister goed! Als je mijn aanbod aanneemt, zul je geen gevaar meer loopen voor zoover de politie betreft. Een dokter van mijn kennis heeft jou noodig om te slapen in het béd van een patiënt lijdende aan...” „Een soort van verwisseling, meneer?” „Noem het zoo, als je wilt. Ik waarschuw je vooruit dat je leven gevaar loopt. Daartegenover staat dat, loopt alles goed af, je geen vrees meer voor de politie behoeft te hebben en je 200 gulden rijker bent.” „Wat moet ik doen, meester?” „Dat zal mijn vriend je vertellen. Stap met mij in een rijtuig. Hier, dat is voor jou,” ging Gros voort, hem een tientje in de hand stoppende. „Akkoord,” zei de man; „je bent een kerel, dat ben-je! Denk er] om, dat ik de zaak nog niet heb aangenomen ; — niet voordat ik weet wat het is.” — „All right I Kom mee!” Een oogenblik later zat het zonderlinge paar in een rijtuig dat hen naar dokter Feit bracht. De dokter was hen wachtende :hij had van Gros telefonisch bericht ontvangen, dat ze komen zouden. Gros legde zijn vriend de zaak uit en toen wendde deze zich tot den man: „Een patiënt van mij is stervende aan cholera. Ik geef je 200 gulden als je dadelijk na zijn dood in zijn bed gaat liggen. Om zekere redenen, waarover ik niet uitwijden kan, geloof ik dat je herstellen zult, als je de ziekte mocht overerven. Allé ’N OOLIJKE FOTO VA De lustige directeur van het E TE SCHEVENINGEN zeer internationaal gezelschap, N DE ARTISTEN VAN HET CABARET ARTISTIQU Cabaret, de heer Max van Gelder (te paard) aan het hoofd van zijn mogelijke voorzorgen zullen genomen worden om dit te voorkomen. Ik zal je persoonlijk behandelen.” — „’t Lijkt me niet erg,” antwoordde de man niet op zijn gemak. „De politie zit je op de hielen, zooals je weet. Ik geef je een kans om te ontsnappen.” De man bromde wat en schudde met zijn hoofd. „Zeg drie honderd gulden,” ging Feit voort. „’t Is geen zuivere koffie,” zei de man gemelijk. „Goed,” hernam de dokter. „Je slaat een middel af om je leven te beteren. Welnu, dan zal ik je wat vertellen. Ik heb je reeds vroeger ontmoet! Ja, ik herinner het mij zeer goed. Een half jaar geleden kwam ik ’s avonds laat van een patiënt langs den Zeedijk, toen een troepje dronken gespuis daar een agent aanviel. Ik liep er haastig op af, om den man bij te staan, maar het was te laat, een der schurken had hem een doodelijken slag op het hoofd toegebracht. Toen er hulp kwam, waren ze allen verdwenen. De agent stierf aan de bekomen wonde. De schuldigen werden niet gevat; ik had evenwel den man gezien die den slag toebracht en .....” De ongelukkige voor hem was bleek geworden en veegde zich het zweet* van het voorhoofd. „Het was een moord,” ging de dokter rustig voort: „En ik weet dat jij de man was. Wat zal het nu zijn, geef je je aan mij of aan de politie over?” De man kreunde. DE ROBBENJACHT OP DE FRIESCHE WADDEN. Doordat het Rijk premie’s voor het dooden van robben heeft uitgeloofd is er zeer veel animo voor de jacht op dit zeer schadelijke gedierte, dat heele slachtingen aanricht onder de bot en ook de netten van de visschers verscheurt. De bijgaande foto’s geven een denkbeeld van deze zeer eigenaardige jacht „Ik stem toe! Geef me driehonderd pop en ik zal stom zijn als een visch als u het ook is.” „Zeer goed!” De dokter haalde driehonderd gulden aan bankpapier uit zijn portefeuille en gaf dit aan den man. Deze stak het geld in zijn zak. Een uur later arriveerden ze aan het huis van den choleralijder en werd de man in diens bed gelegd, zooals de dokter gezegd had. „Nou, amice, wat wed je dat onze man morgen alle symptomen van de cholera zal vertoonen?” zei Feit tot zijn vriend en assistent, toen ze de ziekekamer verlaten hadden. „Je weet absoluut zeker, dat de zieke niet aan de cholera lijdende was?” De dokter lachte. „Waarde collega, er was geen sprake van cholera, slechts een geringe aanval van cholerine. Ik heb hem naar mijn huis laten vervoeren, dat hij binnen enkele dagen wel genezen verlaten zal. Ik wil slechts proefondervindelijk bewezen zien of deze man enkel door suggestie ziek kan worden.” „Ik wil geen enkele weddenschap aangaan,” zei Gros, „want ik ben overtuigd dat suggestie heel wat bewerkstelligen kan. Toch geloof ik dat onze bandiet zich weinig om cholera bekommeren zal en je niets bijzonders bij hem zult bemerken.” „We zullen zien,” antwoordde de dokter kalm. „Ik zou gaarne zien, dat je van avond den patiënt bij mij thuis ging bezoeken, om te zien, hoe het met hem gesteld is. Kom het mij morgen eens vertellen. Ik blijf hier om op onzen schelm te letten; hij moest eens de plaat willen poetsen....” „Nou, dan ga ik. Ik ben nieuwsgierig hoe de zaken morgen zullen staan. Goedenavond!” Den volgenden morgen tegen tien uur keerde Gros terug. Dokter Feit ontving hem in opgewonden stemming. „Het is maar goed, dat je niet gewed hebt,” riep hij uit. „Onze man hier is werkelijk ziek. Hij heeft alle symptomen van cholera: hevige pijnen, verschrikkelijke .... Wat is er?” „Hemelsche goedheid,” barstte de ander los, „wat hebben we gedaan .... Uw patiënt heeft cholera!” „Ónmogelijk!” hijgde Feit vol schrik. „Ik zeg je, hij heeft ’t! Denk je dat ik werkelijke cholera niet herkennen kan. Ik was er al niet gerust op, toen ik hem gisteravond zag. Vanmorgen was er geen twijfel meer!” „Het is vreeselijk,” zuchtte Feit. „We kunnen nu niets ongedaan maken. Onze schurk hier is het meest belangrijk; hij is een slachtoffer van onze proefneming. We zullen kosten noch moeiten sparen om hem te redden.” Hij deed zooals hij gezegd had en na een hardnekkig gevecht met den dood, slaagde hij er in den man te behouden. Ook de ander herstelde. Den misdadiger werd niet verteld, dat ze nimmer voornemens geweest waren hem in het bed van een werkelijken choleralijder te leggen. De man hield trouwens zijn mond, doch was overtuigd dat hij de ƒ500, die hij kreeg in plaats van de beloofde som, wèl verdiend had. De beide doctoren waren voorgoed genezen van het nemen van dergelijke proefnemingen. „Drommels!” zei Gros op een keer, „als onze bandiet eens gestorven was.” Feit floot zacht voor zich heen. „’tWas op ’t kantje af, amice!” Een Gevaarlijke Proefneming
PDF
Nummer
1914, nr.06, 5 aug. 1914
Blad
10
Tekst
De verschillende hoofd-officieren van het Servische leger. De verschillende uniformen in Oostenrijk. Van links naar rechts: Ulanen van de Landweer, Oostenr. Landweer, Bosnische jager, Oostenr. Jager, Oostenr. Landweer Bosn. Jager, Hong. Infanterist, Tiroolsch Keizergardist, Bosn. Inf., Hong. Honvet Inf, Hong. Huzaar, Landweer Huzaar, Hong. Jager, rijdende Jager, Boh. dragonder en Ulaan. Z~AorIog — schrikaanjagend woord, in onze gedachten onafscheidelijk verbonden aan rampen. Pas is er een Balkangeschil opgelost, waarvan het oproerig Albanië nog een product is, of wederom broeit er in dezelfde landstreek wat, en wordt een der landen, Servië, dat pas de wapenen heeft opgeborgen, uitgedaagd tot een nieuwen strijd. Al is ook het enthousiasme bij de Serviërs groot, toch blijkt wel uit de ontvangen telegrammen, dat het moeite kost de reserve bij elkander te krijgen. Het is dan ook geen wonder, dat de lust ontbreekt wederom ten strijde te trekken. Een groote menschenmenigte brengt de koninklijke familie, die zich op het balcon van het Slot te Belgrado bevindt, een ovatie. Wie zal het winnen, was een van de eerste vragen, bij de ontvangst der eerste oorlogsberichten en wij gelooven wel, wanneer er aan Servië geen hulp wordt geboden, dat Oostenrijk de zege zal behalen, ofschoon wij er direct aan moeten toevoegen, dat Servië in den laatsten tijd zijn oorlogs-materiaal reusachtig heeft uitgebreid. Het is evenwel te wenschen dat het niet tot een zege komt, doch dat het geschil op de een of andere wijze spoedig vredelievend mag worden opgelost. Europa blijft dan bewaard voor al de schrikwekkende gevolgen van een wereld-oorlog, die slechts ellende met zich brengen zal. De betoogingen te Berlijn ten gunste van Oostenrijk. De enthousiaste menigte voert de portretten met zich Het vervoer per trein van de Oostenrijksche Infanterie, van keizer Wilhelm en keizer Franz Joseph. De verspreiding van extra-edities van de couranten te Berlijn. De brug nabij Semlin, die de beide Donau-oevers verbindt, welke brug men nu in de lucht heeft laten vliegen. De menschenmassa, die voor de Banc de France te Parijs staat te wachten om haar geld terug te halen. DE OORLOG TUSSCHEN OOSTENRIJK EN SERVIË
PDF
Nummer
1914, nr.06, 5 aug. 1914
Blad
11
Tekst
DE HOOFDPERSONEN. Keizer Franz Joseph. Prins Alexander van Servië. De Koning van Italië. Graaf Berchtold. (foto Kosel). KEIZER FRANZ J OSEPH v. Oostenrijk is in 1848 aan de regeering gekomen. Er zijn onder zijn bewind reeds verscheidene oorlogen gevoerd. Oostenr. werd beroofd van zijn Italiaansche bezittingen, doch heeft zich daarvoortrachtenschadeloos te stellen door het nemen van Bosnië en Herzegowina. In de proclamatie die deze grijze keizer bij het uitbreken van den oorlog uitvaardigde begon hij met te zeggen, dat hij gedacht had zijn laatste jaren in vrede te mogen doorbrengen, doch dat het niet zoo heeft mogen zijn. — Keizer WILHELM II. De Duitsche Keizer heeft met het oog op de oorlogsberichten zijn reis afgebroken en is uit Bergen in Noorwegen, waar hij gaarne vertoeft, teruggekeerd. Duitschland heeft aan Rusland de vraag gesteld of Rusland mobiliseerde, waarop een toestemmendantwoord isontvangen. De Keizer heeft daarop Duitschland in oorlogstoestand verklaard. — Koning PETER van Servië is in 1903 na den moord op Koning Alexander en Koningin Draga, op den Servischen troon gekomen. Gedurende geruimen tijd weigerden de Europeesche landen de terugkeer op den troon van het huis Karageorgewitsch, waartoe Koning Peter behoort, te erkennen, maar door toedoen van Rusland, is deze boycott opgeheven. Ook in Frankrijk is Koning Peter zeer gezien, omdat hij in 1870 in het Vreemdenlegioen heeft meegevochten. — De Kroonprins van Servië, Prins ALEXANDER is 26 jaar oud en bij zijn landgenooten zeer gezien. Zijn oudere broeder, Prins George, heeft een zeer besproken jeugd achter zich; o.a. werd hij op 18-jarigen leeftijd uit een concertKeizer Wilhelm II. PRÉSIDENT POINCARÉ BIJ DEN TSAAR VAN RUSLAND. Het is wel eigenaardig dat wij op deze pagina, waarop wij de portretten geven van de hoofdpersonen in het Servisch-Oostenrijksche conflict bovenstaande foto kunnen plaatsen van het bezoek dat Président Poincaré aan Rusland bracht en van welk bezoek hij zoo overhaast is moeten terugkeeren vanwege de internationale verwikkelingen, niet het minst door de houding van Rusland veroorzaakt. Freiherr von Gieslingen. zaal te Belgrado geworpen, omdat hij met ledige champagneflesschen naar den dirigent zat te gooien. In 1908 heeft hij afstand van den troon gedaan en werd hij opgevolgd door Prins Alexander, die zich zeer onderscheiden heeft in den oorlog tegen de Turken. — DE TSAAR VAN RUSLAND, speelt een groote rol in dit politieke drama. Het is wel eigenaardig dat juist deze Vorst, die dikwijls de Vredes» Tsaar werd genoemd, nu eigenlijk de oorzaak is van de internationale verwikkelingen.— DE KONING van ENGELAND, George V, zal ofschoon de innerlijke toestand van zijn rijk op het oogenblik niet te rooskleurig is, door zijn verbintenissen in de Entente cordiale toch wel genoodzaakt zijn mede in te grijpen. — De koning van Italië, VICTOR EMMANUEL III, bevindt zich in een zeer moeilijke positie. Door zijn contracten met Oostenrijk en Duitschland moet hij met de politiek van de Triple Alliantie meegaan doch daarhij getrouwd is met een dochter van Koning Nikatavan Montenegro zal hem dit niet makkelijk vallen. — Président POINCARÉ v. Frankrijk, heeft zijn reis bekort om zoo spoedig mogelijk te Parijsterug te zijn. — Gen. BOZA JANKOWITSCHstaat algemeen bekend als de leider van de GrootServische beweging. — Graaf BERCHTOLD, de Oostenrijksche minister van buitenl. zaken die het ultimatum aan Servië heeft gesteld is ongeveer vijftig jaar oud en heeft zijn geheele leven in diplomatieken dienst doorgebracht. — FREIHERR V. GIESLINGEN is de Oostenrijksche gezant te Belgrado die de Servische nota in ontvangst nam. — Koning Peter van Servië. De Koning van Engeland. Generaal Boza Jankowitsch. (foto Boedeker). Graaf v. Forgach. Mr. PASITCH, de Servische minister van buitenl. zaken, is iemand die zoo onbetaalbaar is voor zijn land, dat. hij zoowel onder het huis Obrenovitch heeft kunnen werken als onder het huis Karageorgewitch. — FRANZ FREIHERR CONRAD VON HöTZENDORF isChef van den Oostenrijkschen Generalen staf.—GRAAFVON FORGACH, vroeger Oostenrijksch gezant te Belgrado, is de eigenlijke samensteller van het ultimatum. Freiherr v. Hötzendorf. Mr. Pasitch.
PDF
Nummer
1914, nr.06, 5 aug. 1914
Blad
12
Tekst
EEN GOEDMOEDIG KOMPLOT NAAR HET ENGELSCH VAN HOÜGHTON TOWNLEY VERKORTE INHOUD VAN HET GEDEELTE UIT DE VORIGE NUMMERS. Eveline Blount, een knap doch arm meisje, wordt door Mr, Michael Fordyce, lid van het Lagerhuis en door Jack Tenterden, zoon van kolonel Tenterden, bemind. Zij zeif heeft echter nog absoluut geen idee naar wien haar hart neigt. Door bemiddeling van Jack werd Eveline bij de Tenterdens te logeeren gevraagd en Jack zelf begeleidde haar naar zijn familie. Onderweg stelt hij haar op de hoogte van den toestand bij hem thuis: Zijn vader, hoewel zelf geloovend dat alles terecht zal komen, heeft te veel gewaagd met zijn speculaties en dreigt geruïneerd te worden en als dit gebeurde zou Jack den moed missen Eveline te vragen. Op Dippingdene, het landgoed van de Tenterdens aangekomen, verneemt Jack dat zijn vader juist den dag te voren een boerderij heeft verkocht voor 20.000 gulden omdat hij contanten noodig had. De effecten waren geborgen in de brandkast. Voor dit geld wilde de kolonel weder Rubber-effecten koopen en om dit te verhinderen neemt Jack in overleg met zijn moeder en zijn zuster het besluit de effecten ’s nachts uit de brandkast te nemen en te bewaren tot na de crisis. Het plan zou worden uitgevoerd alsof een werkelijke dief zich door inklimming toegang had weten te verschaffen, ’n Schroevendraaier en een stallantaarn zullen zijn hulpmiddelen zijn bij het plan. De stemming was dien avond zeer gedrukt en Eveline was blij dat zij zich eindelijk alleen op haar kamer bevon^j waar zij vanaf het balcon een prachtig uitzicht had op het park. Plotseling werd haar aandacht getrokken door een kleinen lichtcirkel op het grasperk en zag zij Jack nader komen en het raam beneden haar kamer binnenklimmen. Zij begreep niets van het geval en legde zich spoedig ter ruste. Den volgenden morgen kwam men tot de ontdekking dat er ingebroken was — de effecten waren verdwenen. De kolonel was radeloos en Eveline voelde zich doodongelukkig. Jack was ploiseling in haar achting gedaald. De politie werd van de inbraak in kennis gesteld en het onderzoek, geleid door een detective, ving aan. Ik ben blij ’t te hooren, vader!” „Ach, jongen, ’t is genade I’t Beteekent het verschil tusschen armoede en weelde.” De speculant verdween weer en Jack ging naar den detective kijken, die een onderzoek voor den stal deed. Hij volgde liet juiste spoor en vond het gereedschap dat voor de inbraak gebruikt was. De detective had spoedig bemerkt dat deze inbraak niet het werk was van een beroepsmisdadiger; het venster was niet van buiten, maarvan binnen geopend; het gereedschap was een gewone schroevendraaier geweest. Het gat in de latafel was ook veroorzaakt door een eenvoudig werktuig. Mevrouw Tenterden verscheen nu in de hal. „Jack, zou het niet beter geweest zijn, de meisjes naar de kerk te vergezellen. Die man wantrouwt je. Je moet niet zooveel belangstelling toonen!” „All right, moeder, maar bet ergert me als ik dienidioot zoo dwaas aan het werk zie ” Zooals vanzelf spreekt,had de ervaren detective een spoor gevonden, dat aan den amateur-inbreker volkomen ontsnapte. Hij had in de zachte aarde van het bloemperk en op verschillende andere plaatsen rondom het huis driehoekige indrukken ontdekt, ais van den voet eener stallantaarn. Ze toonden aan,waar deze was neergezet en nu was hij op zoek naar die lantaarn. Eveline had besloten zich voor ’t oogenblik van eenig oordeel te onthouden. Het was de eenige manier om kalm te blijven. In houding noch gelaat liet ze iets blijken van hetgeen er in haar omging en Jack meende haar nog nooit zoo bekoorlijk gezien te hebben, terwijl ze naar de kerk gingen. Een half uur later had de detective zijn voorloopig onderzoek geëindigd en deelde den kolonel tot diens schrik mede, dat de diefstal geschied was door een der huisgenooten en wel door iemand die zich toegang verschaffen kon tot de stallen. Hij had een lantaarn gevonden, benevens een stukje verbrand paardehaar, dat gediend had om de lantaarn te bedekken en een schroevendraaier die juist paste op de indrukken in het houtwerk. Hij toonde voorts aan dat het blind onmogelijk van buiten kon zijn opengebroken, zonder een groot deel van het houtwerk te beschadigen. De indrukken der voetstappen in het bloemperk waren van een middelmatige grootte en dezelfde in drukken werden gevonden bij de staldeur en op het pad dat n$ar de voordeur liep. De dief, na zijn werk gedaan te hebben, was door de voordeur het huis ingegaan en was zonder twijfel een der huisgenooten. De kolonel riep zijn vrouw en te zamen hielden ze een conferentie in de bibliotheek. Mevrouw Tenterden weigerde natuurlijk de dienstboden ter verantwoording te roepen. Terwijl ze beraadslaagden kwam een heer op een motorfiets de laan oprijden. Toen de kolonel hem zag, rende hij het huis uit. Het was Eckstein, de bankier van den kolonel, „Wel?” riep de kolonel, zonder zich den tijd te gunnen zijn bezoeker te groeten. „Wel?” riep deze terug met een breeden lach. „De hausse is begonnen. Ik dacht, ik moest eens even hierheen om u te waarschuwen, ’t Was een benarde tijd, geachte kolonel! Kom morgenochtend eens naar de stad en u zult iets zien, wat u geen tweede maal in uw leven zien zult. De lui zijn dol willig.” „Ik zal er zijn! Nou, u zult geld verdienen deze week 1” „En u ook! Zoo voort! Neen, dank u, ik kom niet binnen, ’k moet weer gauw naar het kantoor.” „Wat denk je deze week over te kunnen sturen, Eckstein, als ’t niet te veel gevraagd is.” Eckstein hield drie vingers omhoog. „Drie ton! Wat een geluksvogel bent u. Een echte geldmaker. „En wat geeft het u?” „U weet, beter dan ik ’t zeggen kan, wat het voor mij, Eckstein, beteekent! U zult voor Zaterdag een paar ton kunnen beleggen. En voor het eind van de maand . „Ja?” viel de kolonel nieuwsgierig in. „Zal ’t een millioen zijn!” „Weet ge ’t zeker?” „Zoo zeker alsof je ze in Consols belegd had. Niets kan de „hausse” meer tegenhouden. Daarna komen de Amals!” „Goeie hemel! ” riep de kolonel uit, terwijl zijn bezoeker lachend afscheid nam en haastig wegreed. De Poolsche schilder Kossak, die geruimen tijd aan het Duitsche Hof vertoefde, doch onlangs hiervan afscheid heeft genomen vanwege zijn Poolsche neigingen, heeft in dien laatsten tijd een schilderij vervaardigd van den Duitschen Kroonprins, een charge uitvoerende aan het hoofd van het regiment te Danzig, waarvan hij toen Kolonel was. Na de spanning der laatste weken kwam de reactie, de kolonel wankelde het huis in. Zijn vrouw, die het gesprek gehoord had, wachtte hem op in de hal. Hij naderde haar met uitgestrekte armen en barstte tot haar verwondering in tranen uit, maar het waren tranen van vreugde. De moeilijke strijd was voorbij. De uitkomst had zijn verwachtingen niet teleurgesteld, De diefstal van die enkele duizenden guldens was nu van ondergeschikt belang geworden. De detective die even was opgewandeld, terwijl de kolonel met zijn bankier in gesprek was, kwam nu terug. Mevrouw Tenterden stelde voor alle onderzoek uit te stellen tot den volgenden dag, doch de kolonel gaf er de voorkeur aan de zaak af te handelen. De detective stelde voor over een half uur terug te komen en wandelde heen, terwijl hij peinzend op zijn potlood beet. Aan het eind van de laan keerde bij om en keek naar het huis, mompelende: „Ja, het is de zoon, en, ... de moeder weet het! Dit is een van die gevallen, waarin het beter is de wet er buiten te laten. Een arrestatie zou hier slecht opgenomen worden.” VI. Het goede nieuws, dat de kolonel ontvangen had, bleek ondanks de inbraak, op de geheele huishouding een gunstig gevolg te hebben. De eenige op wie dit geen invloed scheen te hebben was Eveline, ze klaagde over hoofdpijn. Jack was zeer bezorgd en teleurgesteld. Ze vroeg naar haar kamer te mogen gaan en alleen te zijn. Ze scheen zich zeer ellendig te gevoelen. Ze besloot den volgenden morgen naar huis terug te keeren. Mevrouw Tenterden raadde haar aan nog wat te blijven. Ze zou op het rustige land spoediger beter zijn dan in de stad. „Je hebt nog niets van de mooie omstreken gezien,” ging ze voort; „en Jack blijft de geheele week nog hier.” Eveline bleef echter vastbesloten naar huis te gaan. Den volgenden ochtend kwam er een telegram voor haar. Het was van Fordyce: „Verneem uw terugkeer hedenochtend. Zal voor rijtuig zorgen aan trein 11.53. Verheugd u weder te zien.” Jack’s mededinger had veel angst uitgestaan en was nu vast besloten aan de onzekerheid een einde te maken. Eveline moest hem zeggen of zij genegen was op zijn aanzoek in te gaan, Mijnheer Fordyce was een man met een groote dosis eigenwaarde, die bijna de grens van eigenwaan naderde. Hij had zich een lady Fordyce gekozen en verwachtte dat de gelukkige deze eer ten volle zou waardeeren. Als Eveline zich de vrijheid veroorloofde om buiten de stad te gaan logeeren en zich te doen begeleiden door zoo’n pedant luitenantje, dan werd het tijd voor hem baar in kennis te stellen met de eervolle plannen die hij met haar voor had. De kolonel zelf bracht Eveline naar Londen terug, Jack geheel terzijde stellende, alsof diens gevoelens tegenover de gast van geen belang waren. Blijkbaar scheen de oude man geen flauw vermoeden gehad te hebben van Jack’s voornemens ten opzichte van juffrouwBlount. Zooals demeeste vaders was hij blind voor de hartewenschen van zijn zoon. Aan het Paddington-station wachtte mijnheer Fordyce Eveline op en was zeer verheugd haarterug te zien keeren in meerrespectabelgezelschap. Hij was voornemens geweest zich in al zijn trots en waardigheid voor te doen, doch hiervoor was nu geen aanleiding. Hij had zijn zuster meegebracht, die in het rijtuig wachtte. Hij deed dit niet, omdat hij op het gezelschap zijner zuster zoozeer gesteld was, maar om Eveline een lesje te geven in behoorlijkheid en haar te doen gevoelen dat het niet paste met een jongeman te reizen zonder een chaperone. Er heerschte echter een zekere gedwongenheid gedurende den rit en Eveline voelde een verlichting. toen lady Fordyce het verlangen te kennen gaf aan een groot magazijn in Bondstreet te worden afgezet. De kolonel had zich nauwelijks den tijd gegund van, Eveline afscheid te nemen. Hij was verlangend om het laatste nieuws omtrent de beurs te vernemen en kocht aan een kiosk eenige kranten. Eckstein kwam met denzelfden trein en de beide mannen spoedden zich in een taxi naar de City. Onderwijl reed Eveline met Fordyce door het Hydepark. Fordyce gedroeg zich zeer beschermend tegenover haar, waaruit Eveline begreep, dat het onvermijdelijke huwelijksvoorstel niet lang meer op zich zou laten wachten. Hij trachtte haar hand te vatten, terwijl hij de reisdeken over haar knieën legde. „Eveline, ik heb mij zeer ellendig gevoeld deze week.” „Dat spijt mij!” „Je weet waarom ik getelegrafeerd heb en waarom ik je nu afhaalde? Ik kon niet langer wachten!” Er was nu geen ontkomen aan wat ze zoo lang gevreesd had. Doch deze knappe, ernstige man had zich steeds loyaal en kiesch tegenover haar gedragen en zij had hem eerder slecht behandeld. „Eveline, je kent, vermoed ik, mijn wensch. Wil je mijn vrouw worden?” Geen antwoord, alleen een groote bleekheid die haar gelaat overtoog. (Slot volgt).
PDF
Nummer
1914, nr.07, 7 aug. 1914
Blad
01
Tekst
[ IN DIT NUMMER BEVINDT ZICH OP DE BLADZIJDEN 4 EN 5 EEN OORLOGSKAART 7 AUG. 1914, 2E JAARG. DIT nummer kost 7*/2 CENT N°. 7A UITGAVE VAN A. W. SIJTHOFF’S UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ, LEIDEN Redactie en Administratie: DOEZASTRAAT 1 - Telefoonnummer 1 ABONNEMENTEN PER JAAR /5.2O FRANCO AAN HUIS BEZORGD lillllB Panorama LUIT.-GENERAAL C. J. SNIJDERS, OPPERBEVELHEBBER VAN LEGER EN VLOOT Speciale opname voor Panorama door J. B. Hijmans, den Haag.
PDF
Blad 
 van 2380
Records 926 tot 930 van 11897