|
EEN WEDERZIJDSCH INCOGNITO
'a,” zei miss Slingsby, „het gezelschap in dit pension is zéér gemengd.’1
„Dit is zoo,” stemde miss Minnifer toe, met een sentimenteel stemmetje.
Miss Fairfax, uitgestrekt op de sofa, zuchtte droevig. Zij leed eiken
dag aan hoofdpijn en dan die zoutelooze babbelpraatjes te moeten
aanhooren, dat was een onduldbare kwelling.
Ze dutte een weinig in en in dien half slapenden, half wakenden
toestand zag ze voor zich een knap, gebronsd mannengelaat met
bruin krullend haar en een paar eerlijke, vriendelijke oogen.
Eensklaps schrok ze weer wakker. Miss Slingsby ging nog steeds voort met haar
chronique scandaleuse.
„Ja de heeren hier, fi donc! Dat is een allegaartje. Daar heb je bij voorbeeld den jongen
Revel, diens vader of grootvader was een politieagent.”
„Wat?”
„Ja hij heeft het mij zelf verteld,” ging miss Slingsby triumfantelijk voort. „En toen
ik hem vroeg wat hij zelf deed, zei hij mij dat hij melkboer was. Stel je voor m-e-l~k-b-o-e~r !
Hij en zijn broer hebben een melkinrichting.”
Miss Fairfax was nu opeens klaar wakker.
„Hoor je dat, miss Fairfax? Mijnheer Revel
is een melkboer 1 Hoe grappig !”
„Zoo,” antwoordde miss Fairfax, „ik zie
hierin niets bijzonders of grappigs. Ik ben
overtuigd dat mijnheer Revel een zeer respectabele
melkboer zal zijn. De melkhandel
is overigens niet in het minst belachelijk,
; integendeel!”
„Het spijt mij dat ik er over gesproken
heb !” zei nu miss Slingsby met voorgewende
- onverschilligheid. „Ik wist natuurlijk niet,
dat u bij den melkhandel betrokken waart.”
Miss Slingsby hield niet van miss Fairfax.
Mijnheer jRevel mocht zich evenwel in haar
bijzondere belangstelling verheugen. Miss
Fairfax mat haar tegenstandster met een
koelen blik.
„Ik ben evenmin betrokken, bij melk die
per pint verkocht wordt, als bij paardenvleesch
per pond verkrijgbaar,” antwoordde ze kalm.
Miss Slingsby lachte zuurzoet, want ver
in het mistige verleden lag een alleronaangenaamste
herinnering aan vader Slingsby,
paardenbiefstuk en paardenlappen afwegende
in een klein slagerswinkeltje in Southport, de
geboorteplaats van den rijkdom der Slingsby’s.
„Hoe weet je dat Mijnheer Revel soldaat
geweest is?” klonk miss Minnifer’s stemmetje.
„Hoe ik dat weet?” herhaalde miss Slingsby
snibbig. „Wel, ik zag het aan zijn houding en
hij heeft het mij zelf verteld. Hij sprak laatst
over de garde 1 Ik weet zeker zijn broer heeft
hem vrijgekocht om hem in den melkhandel
te nemen.”
Na deze mededeeling zweefde miss Slingsby
de kamer uit en liet miss Fairfax aan haar
gedachten over.
De zoon van een politieagent, ex-gardist, nu
in den melkhandel Kan de waarheid wel
verborgen blijven voor de praatzucht in het
pension van een klein badplaatsje? Doch wat
deed het er toe ? Als hij in den melkhandel
was, was zij immers in staat hem weg te
rukken uit de sfeer van pintjes melk en
pondjes boter.
Ze werd uit
door de komst
gedachten.
Een blos bedekte haar bekoorlijk gelaat
en ze bemerkte dat haar hoofdpijn eensklaps
verdwenen was.
Hij trad op de sofa toe met den regelmatigen
stap, die den militair doet kennen.
„Heeft u lust een wandeling te maken,” vroeg hij, na belangstellend naar haar hoofdpijn
te hebben geïnformeerd. „Het is een heerlijke avond.”
Miss Fairfax aarzelde een oogenblik; haar hart klopte geweldig. Toen stemde ze toe.
De maan scheen helder over het strand.
„Laat ons hier even gaan zitten 1”
Miss Fairfax, hoewel uiterlijk kalm, hield de hand op haar hart om het luide kloppen
te bedwingen, want haar metgezel was plotseling wonderlijk stil geworden.
Eindelijk sprak hij. Het was niet veel wat hij zei, en hetgeen hij zei was erg onbeholpen.
Zijn vrouw herinnert zich thans nog slechts een door de maan beschenen strand en
stamelend uitgesproken zinnen.
„Ik ben slechts een arme gouvernante,” stamelde zij als antwoord op zijn aanzoek.
Toen hield hij haar handen zoo vast, dat ze haar pijn deden. Doch deze lichamelijke
pijn werd overheerscht door een groot zielegeluk, terwijl ze met betraande oogen over
de belichte zee staarde. Nadat zij een half uur in stil geluk daar gezeten hadden, begon
hij eindelijk : „Ik ben niet heel rijk, liefste.”
„Dat hindert niet! ïk zal je helpen in je zaken. Ik kan boekhouden en zal mij op
allerlei wijzen nuttig trachten te maken 1” Hij keek haar in de grootste verwondering aan.
„Mijn zaken ? Wat voor zaken ?” vroeg hij.
„Wel, in de melkzaak,” antwoordde miss Fairfax, door haar tranen heen lachende.
„Wat zeg je daar ? In de melkzaak ? Wie heeft je dat wijsgemaakt ?”
„Miss Slingsby 1”
„Neen maar, die is goed 1” Hij schaterde het uit. „Neen, ik ben geen melkboer, hoewel,”
voegde hij er aan toe, „ik toch erkennen moet dat ik eigenaar ben van een boerderij met
melkinrichting.”
„Wat is dan je beroep?” vroeg het meisje blozende. — „ïk ben soldaat geweest I”
„Miss Slingsby zegt, je was bij de garde en bent daaruit vrijgekocht.”
„Vrijgekocht ? Ha, ha, ha 1”
„Ben je dan niet vrijgekocht?” — „Welneen, ik nam mijn ontslag!”
„Ontslag?” — „ja, ik was kapitein bij de garde,” legde hij uit, „maar werd plotseling
(foto J. R. van Nijendaal)
„LENTEZON”
Deze foto heeft in onzen Fotografie-Wedstrijd Natuuropnamen een tweeden prijs behaald.
(Wijk bij Duurstede)
haar overpeinzing gewekt
van het onderwerp harer
erfgenaam van onzen familietitel en bezittingen.” — „Maar.... wie ben je dan?’
„Mijn naam is: Frederik Revel, oud-kapitein bij de garde, thans pair van he1
vereenigde koninkrijk, beter bekend als Lord Beauregard en baron Whittlesea.” Miss
Fairfax staarde hem met open mond aan. „En ik dacht dat je een melkboer was!”
Revel’s oogen schoten vol tranen, hij sloot het meisje in zijn armen. „Ik zou bijna
wenschen het te zijn I” Toen ging hij opgewekt voort: „En jij, liefste, moet dadelijk
je betrekking opzeggen, dan kunnen we zoo spoedig mogelijk trouwen.”
„Mijn betrekking opzeggen ?” — „Ja, zei je niet, dat je gouvernante was?”
„Neen, Fred, ik ben slechts erfgename 1”
„Wat! de dochter van Lord Fairfax?” riep hij uit, „maar waarom geef je je hier in dit
pension uit voor een gouvernante ?”
„Om dezelfde reden als Lord Beauregard zich uitgeeft voor een melkboer. Ik wilde
mijn vermogen ontvluchten,” zei het meisje zich tegen hem aanvlijende.
„En ik mijn adellijke bruid,” viel hij lachend in.
„Fred, miss Slingsby zei, je vader was een politieman !”
„Ja, twee van mijn voorvaderen waren
constabels l”
„Waren ze dat?”
„Ja; de een was constabel van Frankrijk
en de ander constabel van den Tower,”
DE SPION
3apo!eon zat te schrijven in zijn
tent. Hetstrenge, ondoordringbare
gelaat had nu een grimmige
uitdrukking, die aan
degenen, die hem mochten
storen, niet veel goeds beloofde.
De Franschen hadden het dien dag zwaar
te verantwoorden gehad.
,,Ze sterven niet gemakkelijk, die Spanjaarden,”
mompelde de keizer,
Het was laat in den middag in het najaar
van 1808. Op het Spaansche Schiereiland
woedde de krijg op moorddadige wijze.
Krats, krats! ging de pen van den keizer
over de dicht beschreven depêches. Stilte
heerschte rondom, slechts verbroken door
den eentonigen stap van den schildwacht
voor de tent, den zwakken klank van een
commando in de verte, een vloek of een
lach.
„Werda!” klonk het op eens uit den mond
van den schildwacht. Napoleon keek verstoord
op.
De sjako in de hand, met kletterende
sporen trad maarschalk Ney de tent binnen.
Schitterend soldaat, volhardend, met een
lichaam hard als staal, onvatbaar voor de
vermoeienissen van den krijg, onbereikbaar
voor het doodelijk lood. Maarschalk Ney,
de „held van honderd gevechten” stond
voor zijn keizer,
„Zie je niet, dat ik druk bezigben, Ney?”
„Sire, het is soms noodzakelijk om blind
te zijn I”
Een nauwelijks merkbare glimlach verscheen
op Napoleon’s gelaat.
„Wel?”
„Een Spaansche spion. Sire, is in de
loopgraven gevangen genomen.”
„Ah! Papieren?”
„Ja, Sire! Uw depêches, gisteravond aan
generaal Soult gezonden, waren in zijn bezit.
Zonder twijfel werd de ordonnans gedood.”
„Dat is de risico van den krijg, Ney. Wie vond hem?” Ney boog zich tot Napoleon
over, fluisterde dezen iels in het oor en lachte,
„Ongelooflijk, Ney 1”
„In den krijg is niets ongelooflijk, Sire.”
„Zend den soldaat en den spion bij mijI” Maarschalk Ney verdween, om eenige
oogenblikken later terug te komen met een jong soldaat en den spion tusschen zijn
bewakers. Napoleon zond de laatsten weg. De spion droeg de uniform van een fransch
jager. Zijn gelaat was knap, maar zeer bleek. Hij wist weik lot hem wachtte. Napoleon
keek hem doordringend aan met een blik, welke ieder imponeerde, die met den grooten
keizer in aanraking kwam.
„Je naam?” vroeg Napoleon aan den soldaat. „Charles Emille, van uw hoogheids
Keizerlijke Garde!”
„Waar vond je den spion?” —■ „In de loopgraaf, die gisteren gegraven is. Hij moet
zich daar den laatsten nacht verborgen hebben. In de opwinding van den strijd
van heden liet hij zich in ’t Spaansch eenige woorden ontvallen. Toen sprongen we
op hem toe en namen hem gevangen,”
„In orde!”
„Wel, spion,” ging Napoleon nu tot den ander voort op ijzig kalmen toon, „je
spreekt Fransch? Heb je iets te zeggen?” De spion zweeg, doch ademde zwaar.
„Geef me je papieren 1” Een bevende hand wees naar Ney.
„Ik heb ze hier!” Ney legde ze voor den keizer neer.
„Heb je den ordonnans, die deze papieren droeg, gedood?” De spion huiverde.
„Neen, Sire!” kwam het nauwelijks hoorbaar van zijn lippen.
„Hoe dan?” —< „Hij viel van zijn paard, door een schot in het hart getroffen. Ik was
vlak bij, liep naar hem toe en maakte mij er meester van.”
„En toen?” — „Ik vond mijn weg naar de fransche loopgraven,”
„Zoo,” antwoordde de keizer, „en geheel zonder hulp! Ha, waarde spion, je hebt
ze niet zonder hulp verlaten, wel?” Hij lachte grimmig. „Jé weet wat spionnen te
|