|
..........:..- • ' .............PANORAMA .•" .......
natuurlijk mee. Schrijf mij dikwijls in je nieuwe vaderland
en als na jaren je geschiedenis vergeten is, kom dan naar
den ouden man terug. Ik zou mijn kind graag nog bij me
hebben als ik sterf. Mijn eenzaamheid is verschrikkelijk.”
Paul Herder sprak geen woord. ...
Eenige jaren zijn voorbijgegaan. Regelmatig komen er
uit Amerika brieven voor den ouden man van het eenzame
huis in de duinen. En als de maan haar zilveren glans over
duin en dal spreidt, strompelt de oude man zijn tuin in en
met het gelaat in de richting der zee mompelt hij met trillende
stem: „Lize, mijn lieveling, tot weerziens!”
EEN PAS ONTDEKT STUK VAN v. DIJCK.
In de omstreken van Keulen is een schilderstuk gevonden, dat door verschillende
specialiteiten, waaronder de expert Max Roses, is erkend als
een van de jeugdwerken van Van Dijck uit het jaar 1618.
Waarom ze nieuwsgierig was
Edmond Hiller, een schrijver van naam, wilde
zijn studeerkamer binnentreden, doch bleef
onaangenaam verrast op den drempel staan.
Met moeite hield hij een uitroep van verontwaardiging
in: daar zat voor zijn bureau
Margaretha Verlaan, zijn vertrouwde secretaresse,
en las met aandacht een brief, door hem zelf dien
morgen geschreven, omdat hij den inhoud ervan geheim had
willen houden. Hij beminde het meisje en daarom deed het *
hem leed een dergelijk misbruik van vertrouwen bij haar
te ontdekken. „Zóó, is dat de
manier waarop je mijn goed geloof
in je beloont?” vroeg hij
eindelijk. Het meisje sprong verrast
op, terwijl een blos van
schaamte hals en wangen kleurde.
„Ik ben ten zeerste gegriefd
door uw laakbare handelwijze,
juffrouw Verlaan,” vervolgde hij.
Geen antwoord, het tikken der
pendule verbrak alleen de stilte.
„Misschien beoordeel ik u verkeerd,
juffrouw, en ... en heeft
u bij.... bij vergissing een verkeerden
brief geopend 1”
Zijn stem was minder hard,
maar beefde van aandoening.
„Kom nu, een korte verklaring
maakt de zaak misschien duidelijk.
Heb-je nu niets te zeggen?”
Zij schudde haar hoofd.
„Dus je opende opzettelijk
den brief, omdat je lezen wilde
wat ik voor je geheim gehouden
had ?”
„Ja!” Haarstem klonk nauwelijks
hoorbaar.
„Ik ben zeer in je teleurgesteld!
Heb je den brief geheel gelezen ?”
„Neen !”
„Lees hem mij dan voor van
het begin tot waar je gebleven
bent.”
Zij nam den brief op en las
met haperende stem:
„Mijn liefste Marie! — Eindelijk
na een paar vervelende
maanden zal ik weer spoedig bij
je zijn. Het lot is mij niet erg
gunstig, kind, en jou evenmin.
Het huwelijk is een heilige instelling,
inderdaad, en ongeacht
wat het brengt, geluk of tegenspoed,
blijft ware liefde trouw en is tegen alles bestand.
En zeker, een liefde ais de jouwe is onvergankelijk.
Wat de geldelijke aangelegenheid betreft, geloof ik op het
rechte spoor te zijn. Willems dochter zal binnenkort opgespoord
worden en haar wettelijk erfdeel opeischen, doch
hierover schrijf ik je in een volgenden brief meer.
Ik heb, geloof ik, dezer dagen, een ontdekking gedaan.
De laatste twee jaar ben ik onwetend in zeer nauwe betrekking
geweest met . . . .”
Ze hield op met lézen.
„Heb-je tot zoover gelezen!”
„Bij alles wat mij heilig is, dat is alles wat ik gelezen
heb, mijnheer Hiller!” kreet Margaretha. Het was slecht,
misdadig ! Ik weet ’t! Maar u kunt niet begrijpen waarom
ik ’t deed, en ik kan, ik durf fiet u niet zeggen !”
„O, zeg, dat je mij vergeeft!” snikte ze.
„Er is weinig te vergeven, kind,” zei hij op vaderlijken
toon. „Nou, huil maar niet meer. We zullen er niet meer
over spreken en opnieuw beginnen. Eerlijk en oprecht.
„O, de Hemel zegene u,” antwoordde Margaretha met
gesmoorde stem. „Wilt u mij voortaan weer vertrouwen,
mijnheer Hiller ?”
„Ja, ja, volkomen.”
Hij trad op haar toe en gaf haar de hand.
„Ik heb u vandaag niet meer noodig, juffrouw Verlaan.
Ga maar een wandeling doen. Tot morgenochtend !”
Een oogenblik later had het meisje hem verlaten.
Edmond Hiller was drie en veertig jaar oud. Zijn ruime
middelen veroorloofden hem op royalen voet te leven, en
aan zijn liefde voor sport, kunst en literatuur te voldoen.
Hij was nog vrijgezel en leefde in zijn nette villa in volmaakte
afzondering.
Twee jaar geleden had hij Margaretha Verlaan in dienst
genomen als zijn secretaresse en sedert was hij haar gaan
beminnen met al de liefde van zijn groot, eerlijk hart. Weinig
bekend met de psyche der vrouw, meende hij dat zij, het
vijf en twintigjarig meisje, hem beschouwde als een
goeden, vaderlijken vriend. Bovendien had hij kort geleden
iets ontdekt omtrent haar familiebetrekkingen, hetgeen
hem als man van eer gebood elke gedachte aan een
huwelijk met haar uit zijn gedachten te bannen.
Hij was droevig gestemd over Margaretha’s gedrag van
dien dag en vroeg zichzelf af wat haar er toe verleid had
een brief te lezen, die niet voor haar oogen bestemd was.
Weken waren voorbijgegaan, toen op een namiddag
Hiller zijn secretaresse verzocht haar schrijfmachine te
sluiten en op zijn studeerkamer te komen.
„Kind, ik heb je een geschiedenis te vertellen, die jou
betreft. Ga zitten en luister 1”
Margaretha gehoorzaamde, verwonderd en nieuwsgierig.
„Twintig jaar geleden,” begon Hiller, „stierf mijns vaders
neef, Willem, nalatende zijn vrouw en een vijfjarig dochtertje.
Mijn achterneef was laat getrouwd, maar had een
aanzienlijk vermogen verdiend in den theehandel. Zijn
laatste woorden tot mij en mijn zuster Marie waren : „ik
beveel mijn geliefde vrouw en dochter in jullie zorg aan.
Mocht de kleine ook haar moeder verliezen, dan willen
jelui wel voor haar zorgen. Een gedeelte van mijn fortuin
heb ik afgezonderd voor haar opvoeding, waaraan de meeste
zorg moet worden besteed. Wat jé ook doet, Edmond,”
zei hij tot mij, „zorg er vooral,voor dat mijn kleine meisje
BOBBY EN BABY.
Bovenstaand aardig tafereeltje, genomen in de City van Londen, laat zien hoe door een Engelschen agent het
verkeer ter wille van „het kind” werd stopgezet.
DE BLOEM VAN ÉÉN NACHT.
De Cereus nicticalis, een cactus-soort uit Mexico, die slechts een paar jaar
gedurende enkele nachtelijke uren bloeit ’s Avonds ontluiken de groote,
raaie bloemen, den volgenden ochtend zijn ze reeds verschrompeld. Onze foto
is genomen in de Rotterdamsche Diergaarde waar de bloem veler aandachttrok.
f;
eenmaal gelukkig trouwt en dat ze vooral niet huwt met
iemand die te veel met haar in jaren verschilt.”
„Een jaar na Willems dood vernamen we tot onze verwondering
dat zijn vrouw opnieuw ging trouwen. De man,
met wien zij in het huwelijk trad, was evenwel een schurk.
Hij noodzaakte haar het vermogen dat ze mee ten huwelijk
bracht in zijn handen te geven. Daarna verliet hij haar.
Gewonde trots en schaamte bracht Willems vrouw er toe
alle banden met haar familie te verbreken en spoorloos te
verdwijnen. Eerst geruimen tijd geleden vernamen we, dat
zij een jaar na haar verdwijnen gestorven was. Van het
kind was echter geen spoor meer te vinden.
„Voor twee jaar ongeveer kwam ik evenwel tot de ontdekking,
dat het kind nog leefde maar een anderen naam droeg,
ïk liet het meest uitgebreide onderzoek instellen en kwam
hierdoor te weten, dat haar stiefvader eveneens was overleden.
Nu stelde ik alle pogingen in het werk om ter wille
van het kind beslag op het vermogen te leggen. De schurk
had de helft ervan verkwist, er bleef evenwel nog ruim twee
ton over. En nu mijn kind,” eindigde Hiller, zich naar haar
toebuigende, „kun je nu raden, dat jij ... . jij... .”
Het meisje viel voor hem op de knieën en snikte.
„Ja, kindlief, jij bent Willems dochter. God zegen je !
Je heet niet Margaretha Verlaan, maar Louise Winter. Ik
durfde het je niet eerder te zeggen, maar vermoedde¥het
reeds lang te voren. Nu heb ik zekerheid. Ik wilde eenige
weken geleden je den brief niet laten lezen, omdat ik toen
nog niet alle bewijzen bijeen had.”
Het meisje weende nog steeds.
„Wees stil, kind,” ging hij
vertroostend voort. „Ja, ik weet
dat je levensweg zeer moeilijk
geweest is.
Later kun je me je geschiedenis
wel eens vertellen. En
als ik wist.... als ik durfde ....
dan vroeg ik je om je verdere
leven aan mijn hoede toe te
vertrouwen .... De liefde die
ik reeds lang voor je gevoel,
lieveling,..... maar..... verschil
ia leeftijd, ik weet het,. . .
ik beloofde het Willem ....
toch geloof ik. dat hij mij zijn
toestemming niet zou onthouden
hebben. Hij . ...”
„IK .... ik dacht,” viel het
meisje hem eensklaps in de rede,
„dat .... dat je iemand anders
liefhad.
Je schreef immers aan....
aan .... Marie.”
„Ja aan mijn zuster, die spoedig
gaat trouwen,” antwoordde
hij, terwijl hij haar beide handen
greep.
„Ik kon het niet verdragen,
de gedachte dat. ... O, ik kan
het niet zeggen.
Ik moest het weten, moest
zekerheid hebben en daarom las
ik den brief....”
„Dus dacht je dat ik ging
trouwen ? En dat deed je verdriet?
Je houdt dus van me,
liefste ?”
„Al — zoo — lang!” fluisterde
zij.
Hij sloot haar in zijn armen.
„Uit de duisternis in het
licht,” prevelde hij.
|