Panorama

Blad 
 van 2380
Records 881 tot 885 van 11897
Nummer
1914, nr.03, 15 juli 1914
Blad
02
Tekst
DE POPPENKAST ■/ > 'ongens, de poppenkast speelt”. Deze uitroep, — ik herinner hem me nog uit mijn jeugd — deed ons spel en leeren vergeten en ijlen naar de plaats waar de onvergetelijke Jan Klaassen ons kinderen met zijn potsierlijke gebaren vermaakte. Want een poppenkast was in onze jeugd een heerlijk ding. Met volle overgave van onze kinderharten leefden wij mede met de lotgevallen v$n „Jan” en zijn vrouw Katrijn. Hoe vol en onbevangen klonk onze lach om de malle bokkensprongen die de poppen maakten! Helaas! Onze jeugd is voorbij en met haar ook haar genoegens. Maar ziet, de poppenkast schijnt onvergankelijk, want voor eenigen tijd werden wij weder evenals in onze kinderjaren, zij het dan ook op meer officieele wijze door uitnoodigingskaarten en advertenties, uitgenoodigd ter bijwoning van het spel van Jan Klaassen. SCÈNE UIT HET EERSTE BEDRIJF. (foto's Vereenigde Fotobureaux.) Natuurlijk hebben wij hebben we ons Zondag penkast. „Een vroolijk spel vol ernst eenige kostelijke uren bezorgd. van de uitnoodiging gaarne gebruik gemaakt en 5 J uli opgemaakt om te gaan naar de Popdoor Bernard Canter, heeft ons dien middag Over de opvoering zelve, die door prachtig het bruiloftsfeest, en Spiritio geeft hem dien. Jan Klaassen wil er iets heel fantastisch in hebben, „iets ongelooflijks”, een vrouw, die haar man niet bedriegt, „een heel nieuw genre op ’t moderne tooneel”. Spiritio geeft dan de kern van ’t nieuwe stuk aan. Rooie Hein lokt Jan Klaassen nu mee naar de herberg en Duit en Gezag, procureur en deurwaarder komen op, om Pierlala op bizonder geestige manier zijn laatste bezittingen „in naam der wet' te ontfutselen, totdat Jan Klaassen die machthebbers op leuke manier wegjaagt, de bruiloftstoet opkomt, er spelletjes gespeeld worden, de bruid op den woonwagen klopt en Jan Klaassen weer komt, die zegt, dat het vandaag vertoonde stuk den strijd tusschen liefde en goud verbeeldt. Dan wordt met de vermakelijke vertooning in de inmiddels opgeslagen poppenkast een begin gemaakt, waarvan het einde is, dat Pierlala, verlaten geliefde, dood gevonden wordt in ’t riet, waarna Clasina, Jan Klaassen’s dochter, die ’t goud voor Pierlala verkoos, uitroept: „Goud brengt geen heil en liefde brengt slechts smart, vaarwel.... ik sterf aan een gebroken hart”. Jan Klaassen doorsteekt den bewerker van al dit onheil, Berlino, den parvenu. HET BRUIDSPAAR. „Poppenkast”. DANS UIT ..POPPENKAST”. weer werd begunstigd, zullen we hier niets zeggen. Alleen — ter verduidelijking van onze foto’s — zullen wij in ’t kort even den inhoud weergeven. Het stuk speelt op het landgoed van Amiante. Daar staat de woonwagen van Jan Klaassen, die straks door Amiante zal worden uitgenoodigd voor haar en haar dochter, de bruid, bruidegom en feestelingen een vertooning te geven in de poppenkast, die op de speelplaats zal worden opgericht. Voordien zien wij Spiritio, den dood, uit den grond oprijzen. Pierlala nadert tot de plek dezer verschijning in zijn pierrot-costuum met gekalkt gelaat en bloemen. Het toonbeeld van den onpractischen, zorgeloozen, droefgeestigen droomer. Hij zingt, zich begeleidend op de guitaar, vluchtige melankolieke liedekens, totdat J an Klaassen vloekend uit zijn woonwagen komt. J an Klaassen’s samenspraak met Pierlala en Spiritio is op sommige plaatsen voortreffelijk van ironie en galgenhumor. Hij zegt tot den Dood, dat hij juist van pas komt. Jan Klaassen heeft namelijk een nieuwen tekst noodig voor De edelvrouw inviteert dan ook de kunstenaars aan den bruiloftsdisch, en allen trekken naar het landgoed tot besluit. Zooals gezegd: dit stuk heeft ons eenige aangename uren bezorgd. Het is vol geestige pittige en leuke wendingen, terwijl de muziek, gecomponeerd door Leo Ruygrok, en de dansen, ingestudeerd door B. Leefson Jr., het stuk op prettige wijze verlevendigende. Niet het minst evenwel werkte de omgeving er toe mede tot het verkrijgen van een intiem en gezellig geheel. Dit is nog eens iets anders dan ’s winters in een vollen schouwburg te zitten. Hier in een gezellig villatuintje, met als door de natuur gevormde amphitheatersgewijze opklimmende steenen banken, wordt je vanzelf in een sprookjes- ^temming gebracht. De zon scheen vroolijk door de boomen en ’n zoete geur van bloemen en planten kwam op den adem van een zomerwindje op je toe. Werkelijk, het was een middag van groot genot.
PDF
Nummer
1914, nr.03, 15 juli 1914
Blad
03
Tekst
=UIT HET = VOLLE LEVEN Prof. Dr. J. J. BLANKSMA, die benoemd is tot opvolger van Professor Franchimont als Hoogleeraar in de organische scheikunde te Leiden. De foto stelt Prof. Blanksma voor in zijn laboratorium in het Oost-Indische Huis te Amsterdam. (foto Rootmeyer) H ET BAKKERS WJSSELSCH I LD. Op de bakkerij-tentoonstelling ,,I. B. A." is ook uitgestald het zilveren wisselschild, aangeboden aan de Vereen. „De Voorzorg” ter gelegenheid van haar 70-jarig bestaan. Het schild is vervaardigd door de Gouden Zilverfabr. vh.J. A. A. Gerritsen, teZeist. C. G. FRENTZEN. t Op 68-jarigen leeftijd is te Scheveningen overleden de heer C. G. Frentzen, in leven Directeur der Naaml. Venn. A. W. Sijthoffs Uitgevers-Mij. te Leiden. De overledene was Lid van de Maatschappij voor Letterkunde en het Historisch Genootschap te Utrecht. (foto v. d. Stok) PROFESSOR BOLLAND EN ZIJN COLLEGIANTEN. Ter gelegenheid van zijn 60en verjaardag is aan Professor G.J.P. J. Bolland (op onze foto de eerste heer van rechts, voorste rij) door zijn collegianten een diner aangeboden. Het ligt in de bedoeling hem een door den schilder Veth vervaardigd schilderij aan te bieden. (foto Bongenaar) A. J. C. DE WOLF, te Etten-Leur, die op Vrijdag 10 Juli jl., onder zeer veel blijken van belangstelling zijn gouden jubileum als Gemeente-ambtenaar en zijn 40-jarig jubileum als Secretaris der Gemeente Etten-Leur herdacht. Mr. a. van der hoeven, lid van den Rotterdamschen gemeenteraad en wethouder aldaar, is tot lid der Eerste Kamer van de Staten Generaal gekozen, ter voorziening in de vacature, ontstaan door het overlijden van den heer J. D. Baron van Wassenaer van Rosande. Jhr. C. H. A. VAN DER WIJCK + Te Baarn is de vorige week overleden Jhr. C. H. A. van der Wijck, oud-gouvemeur-generaal van Ned. Indië, oud-lid van de Eerste Kamer, ridder-grootkruis in de orde van den Ned. Leeuw en bezitter van verscheidene buitenlandsche ordeteekenen. (foto Grün). HET SPOORWEGONGELUK TE HOEK VAN HOLLAND. Verleden week had te Hoek van Holland een Spoorwegongeluk plaats met den D-trein, waarbij eenige personen gekwetst werden. De locomotief passeerde met een vaart van 60 K.M. het plaatskaarten-bureau en bleef in het tweede lokaal steken. EERE-AVOND JACQ. BLAZER. De populaire kapelmeester van het Casino te Rotterdam is de vorige week gehuldigd ter gelegenheid van zijn 40-jarig jubjlé als musicus. 1. Jacq. Blazer. 2. en 3. Mevr. en de heer Soesman, dir. Casino. 4. de Haan, adm. Casino. 5. Willy Koster, impres. Casino. 6. Mevrouw Blazer. 7. Albert Bol. (foto Wolf).
PDF
Nummer
1914, nr.03, 15 juli 1914
Blad
04
Tekst
® ® ® © (§) ® ® O! DIE VROUWEN! ® ® ® (§) ® ® ®
PDF
Nummer
1914, nr.03, 15 juli 1914
Blad
05
Tekst
^^^^^an ik u dienen, tante ?” ,,Rapen ? Neen dank je, Francina !” Verbeeldde ik het mij nu, of huiverde tante Emma? „Ze zijn uit mijn eigen tuin, tante. < Laat me je eens helpen !” Tante’s antwoord 1 was kort en beslist. „Neen, Sien, heusch niet. Ik kan er de lucht en het gezicht niet van verdragen sedert.... maar dat zal ik je straks Wel eens vertellen, na het diner!” Toen de maaltijd geëindigd was en we aan de theetafel gezeten waren, herinnerde ik tante Emma aan haar belofte. Ze dacht even na en vertelde het volgende : Het zal met November een jaar geleden zijn dat ik van Amsterdam naar Nijmegen reisde om eenige weken bij mijn zuster Coba te gaan doorbrengen. Te Utrecht stapte een heer en dame uit, die de reis van Amsterdam mee ge maakt hadden en bleef ik alleen in de coupé over. ïk wenschte mijzelf geluk dat ik alleen bleef, toen op het laatste oogenblik een net gekleede jonge man de reeds gesloten coupé-deur openrukte en tegenover mij plaats nam. Het was zeker aan mijn gezicht te zien, dat ik het vervelend vond gestoord te worden, ten minste de jonkman maakte zijn excuus door te zeggen : „Het spijt mij dat ik u lastig val!” „O, in het geheel niet,” antwoordde ik koeltjes en opende een nummer van „Panorama” datik aan de kiosk gekocht had. „Neem mij niet kwalijk, maar kunt u mij zeggen waar de trein het eerst stopt?” Op deze directe vraag, hoe dwaas ik die vond, kon ik het antwoord niet schuldig blijven en zei dus: „Te Arnhem, geloof ik 1” „Werkelijk, dat is een heele rit, dank-u.” Het rhythmische schudden van den trein maakte mij slaperig, en ik soesde blijkbaar in. Eensklaps werd ik door een schok wakker en zag dat de jonge man mij met doordringenden blik zat aan te staren. Ik schrikte op. „Het wordt zachtjes aan tijd voor den lunch,” merkte hij op. Tegelijkertijd haalde hij met groote moeite een bol voorwerp uit een zijner zakken te voorschijn. Ik keek er met verwondering naar. Het was een groote rauwe knolraap! Uit een anderen zak nam hij een mes en sneed van den knol een langen reep af. In de grootste verbazing zat ik een en ander aan te zien. Plotseling zegt hij : „Eet op I” en houdt mij de afgesneden knolschijf voor. Sprakeloos staarde ik hem aan. „Hoor je me niet! Eet op 1” Ik werd bleek van schrik. „Excuseer me,” stamelde ik, „maar ik heb al gegeten.” „Al had je vijftigmaal gegeten, je zult dit toch opeten.” Hij was bepaald schrikwekkend om aan te zien. Zijn oogen rolden door zijn hoofd. Lieve hemel! Ik zat tegenover een volslagen gek ! Allerlei verhalen kwamen mij voor den geest van reizigers die in den trein door krankzinnigen overvallen waren. Eén ding was mij duidelijk : ik moest dien man trachten te kalmeeren, zoo min mogelijk tegenspreken. „Dank-u ! Ik heb in het geheel geen honger .... nou .... een klein stukje dan 1” „Neen, oude dame! Geen klein stukje, de geheele raap moet je opeten voor we in Arnhem zijn, ten minste als je er DE MODE «N FRANKRIJK. Bij het fraaie bruidscostuum dat wij hierboven afbeelden, geven wij op deze pagina nog een paar nieuw-modische toiletten, die gedragen werden bij de wedstrijden te Auteuil en Longchamps. prijs op stelt er levend aan te komen. Hoe eerder dat je dus begint, hoe beter.” Het was vreeselijk! Wat was nu te verkiezen : de dood door het eten van een knolraap, of de dood door het mes van een moordenaar? Ik klemde mijn lippen opeen om niet te schreeuwen. Waar .... o, waar was toch de noodrem ? „Kom schiet op,” begon hij weer. „Ik zou je wel helpen, maar ik heb juist voor ik in den trein stapte er al een opgegeten. Hij smaakte mij bijzonder.” Ik beet een klein stukje af. Als je nog nooit rauwe knolrapen geproefd heb, dan kun je je niet verbeelden hoe vreeselijk mij dit tegen stond. De man zag het ontsteld gezicht dat ix zette. „Het is een heerlijke vrucht, net ananas ! Als je ze opgegeten hebt, zul je er spijt van hebben, dat je niet meer krijgt. Kom, schiet een beetje op !” De gek hield geen moment zijn oogen van mij af. „Je eet niet hard. Zeker een copieus ontbijt gehad! Enfin, dan moet u dit schijfje eens proeven !” „Dank je, heusch, ik kan niet ! Ik word ziek 1” Hij zag mij met een waanzinnigen blik aan, terwijl hij zijn mes door de lucht zwaaide. „Eet dit 1 Het is uitstekend voor de spijsvertering en het voedzaamste wat je ter wereld eten kunt.” Ik huilde bijna. „Ik kan niet meer. Ik heb geen honger!” „Juist een reden om dit op te eten,” zei hij. „Nog maar een uur en we zijn te Arnhem. Maak dus voort. Ik zal over het vervolg maar kort zijn. „Ik ben bezig een boek te schrijven over het nut van het eten van knolrapen,” begon de gek We§r. „De knolraap is heerlijker dan druiven en voedzamer dan melk en eieren./ Ik kreunde. „Wat! Heb je daar „Panorama” ? Daar heb ik juist een artikel in geschreven over de bereiding van knolrapenmelk.” Hij wees met zijn vingers naar een pagina in het tijdschrift en om hem niet nog meer op te winden, keek ik er in, maar ziek naar lichaam en geest zag ik niets dan sterretjes mij voor de oogen dansen. Zouden we dan nooit te Arnhem aankomen ? De gek scheen intusschen tot kalmte te zijn gekomen. Hij zat stil in zijn hoekje voor zich uit te staren. Ik durfde mij niet verroeren, om niet opnieuw zijn aandacht te trekken. Eindelijk ! Eindelijk, voelde ik de remmen werken, de trein ging langzamer. Ik keek steelsgewijs uit het raampje, de hei had plaats gemaakt voor huizen. Den hemel zij dank! Er was redding nabij! Ik beefde, toen de man oprees. Hij nam zijn wandelstok uit het rek, keek uit het venster, liet met een slag het portierraam zakken en maakte aanstalten om het portier te openen. De trein stoomde het perron binnen. De man opende de coupé, stapte op de loopplank, toen keerde hij zich naar mij toe, nam beleefd zijn hoed af en zei op volmaakt kalmen doch eenigszins spottenden toon : „Mevrouw, ik dank u wel voor uw welwillendheid. Door het opeten van die knolraap heeft u mij in staat gesteld een weddenschap van 25 pop te ’winnen ! Nogmaals zeer verplicht en tot wederdienst gaarne bereid.” En voor de trein stilstond was hij het perron opgevlogen, bij een troepje jongelui beland en met deze in de menigte verdwenen. Ik begon te roepen : „Help, politie!” Een drom menschen verzamelde zich voor mijn coupé en het afschuwelijkste was, dat iedereen wij voor gek hield. Nu zul je toch wel begrijpen dat ik knolrapen voor goed heb „tegengegeten”. EEN STUDENTENSTREEK
PDF
Nummer
1914, nr.03, 15 juli 1914
Blad
06
Tekst
® @ @ ® ® © @ WET EN PRACTIJK ® @ @ @ @ @ @ De onbewoonbaar verklaarde woning van Nomdo Versluys van terzijde gezien. ie wel eens graag den heirweg verlaat om langs binnenpaden of ongebaande wegen zijn doel te bereiken, ziet meer merkwaardigheden dan de wandelaar, die bij uitgaven van den A. N. W. B. of bij Baedecker zweert. Een voorbeeld-als bewijs. Wandelende van Papendrecht, den dijk langs, sloegen wij een zijweg in en marcheerden toen dwars door het weiland, waar de sporen der boerenwagens de richting aanwezen naar het idyllisch gelegen dorpje Wijngaarden. Onder den rook van dit dorpje, nog op Papendrechtsch grondgebied aan den zooeven aangeduiden „weg”, die de Matena’sche Scheikade heet, staat een flinke boerenwoning Daarnaast, vóór men aan deze hoeve komt, ziet men een stulp, opgetrokken van oude dunne planken. Deze planken grot, met een oppervlakte van ongeveer 8 vierkante meter, en een hoogte van slechts 2'/2 meter heet sinds 1912 in officieele wetstaal: eene onbewoonbaar verklaarde woning. De soliede plank, waarop die woorden zijn geschilderd, doet nuttiger werk dan den enkelen voorbijganger vertellen, wat deze, ook zonder uitdrukkelijke mededeeling wel ziet. Die plank bedekt de „dépendance” van het zooeven beschreven logies. Deze „dépendance”, een smal loodsje aan den voorkant met jute lappen gesloten, was oorspronkelijk de woning van het gezin, dat nu het onbewoonbaar verklaarde „perceel” bewoont; nu dient ze tot bergplaats. Het gezin van Nomdo Versluys is er sinds wel op vooruitgegaan! We wandelden met een inwoner van Papendrecht; Versluys stond voor zijn huis. De eenstemmigheid van zijne en onze overtuiging dat ’t warm was gaf gelegenheid tot een gesprek. Een sigaar maakte den bewoner van het huis, dat naar wet en recht geen huis meer is, spraakzaam. NomdoVersluysis op zijne wijze een filosoof. Voor zeven jaren was hij gerechtelijk uit zijn huis — de boerenwoning naast zijn stulp — gezet; hij had n.1. door tegenslag in zaken zijn huur niet kunnen betalen. Al zijn biggen waren gestorven; dat was de eerste oorzaak van zijn verval. Hij had toen lang gezocht naar een andere woning, doch zonder resultaat. Zijn vak — hij handelt in biggen, kippen, konijnen, honden enz. — eischt, dat hij buiten woont, in de vrije natuur. Toen sloeg hij. die nooit timmeren had geleerd, zijn schuurtje op. Dan zaten zijn vrouw en kinderen ten minste droog. Maar toen ’t winter zou gaan worden, toen moest een ietwat dichter gebouwd verblijf verrijzen. En Nomdo timmerde blijmoedig zijn betere woning, waarin hij nu sinds zeven jaar huist.. Hij, zijn vrouw en acht kinderen, waarvan er nu twee „onder de menschen” Versluys met vrouw en drie van zijn acht kinderen zijn, leven daar in pais en vree en in volkomen gezondheid. Man, vrouw en kroost, bij onze visite liepen er drie rond- terwijl de jongste in de bedstede sliep, zien er blozend uit, zien deplaise de met alle hygiëne spottende omstandigheden. We mochten gerust binnenkomen. Een gedeelte van de „kamer” is ingericht tot slaapstede. Vader en moeder slapen op de bovenste, de kinderen op de onderste krib. En, een compliment aan de huivsrouw van Versluys, het laken dat eene hoeveelheid stroo dekte, was hagelwit. Moeten we van het meubilair nog iets zeggen? Of van het venster, dat een oppervlakte heeft van ongeveer een kwart van een vierkanten meter? We kwamen weer buiten. Voor één van zijn honden, vertelde Versluys, had men een honderd gulden geboden. Op onze opmerking dat we dan dat dier maar zouden hebben verkocht, antwoorden hij: kan je begrijpen. Voor een paar jaar heeft-i wel tweehonderd gulden voor me verdiend met mollenvangen. En woordelijk zei Nomdo: „daardoor ben ik er bovenop gekomen!” Wij zeiden al, dat de man filosofisch is aangelegd. „Kan je zoo ’t kostje ophalen?” vroegen we. „Nou”, zei hij, „dat loopt wel. Heb je een dubbeltje te min, dan ben je arm, heb je een dubbeltje te veel, dan ben je rijk. Maar ik kom er dan toch.” Het polderbestuur en de gezondheidscommissie te Sliedrecht hebben al bij herhaling gepoogd, aan den „ondragelijken toestand” een einde te maken. Het heet nu, dat deze lichamen zich opnieuw tot den Raad van Papendrecht zullen wenden met verzoek maatregelen te nemen om het gezin van Versluys van de Matena’sche Scheikade te verwijderen. Allicht eischt de wet, dat dit geschiedt. Maar zal ’t baten ? Versluys zal enkele meters verder een nieuwe woning timmeren; de vliet geeft hem bruikbaar water, versche lucht heeft hij in overvloed en zijne behoeften en die van de zijnen, zijn niet heel groot. Dan zullen er weer een paar jaar voorbijgaan en een nieuwe plank „onbewoonbaar verklaard” zal wel weer goede diensten bewijzen. Of er dan geen oplossing is? Er zijn er wel twee. Als de gemeente Papendrecht het huis koopt — en voor duizend gulden is dit te koop — waarover wij het in den aanvang hadden en het Versluys voor een kleinigheid van f 1.— of 1.25 verhuurt, dan kan hij zijn stulp verlaten en dan is aan de eischen van de woningwet voldaan. En de andere oplossing? Wij, — niet-verantwoordelijke menschen — wij mogen het wel zeggen: Men kan ten opzichte van Versluys ... vergeten dat de „woning” onbewoonbaar is verklaard. Gezien hoe de gezondheid in zijn gezin triomfen viert, kan men de officieele eischen der hygiëne ... vergeten. „Gevels aan de Hoogstraat te Rotterdam”. Hiernevens een tweetal foto’s van geveltjes, die op ’t punt staan onder sloopershanden te vallen: In gevolge Raadsbesluit zullen deze huisjes plaats moeten maken voor een aan te leggen straat. Het zijn geveltjes van het „Heilige Geest- of Oude-Vrouwenhuis’’ welk huis, na aan zijn oorspronkelijk doel te zijn onttrokken, gediend heeft voor belasting-bureaux der gemeente Rotterdam. (foto's Nijhott).
PDF
Blad 
 van 2380
Records 881 tot 885 van 11897