|
EEN GOEDMOEDIG KOMPLOT NAAR HET ENGELSCH VAN
HOUGHTON TOWNLEY
beminden ze baar en ieder was
zich overtuigd, dat zij hem nemen
Wat Eveline zelf dacht, was voor
van hen; Mr. Michael Fordyce,
lid van het Lagerhuis, aan geen twijfel
onderhevig. Hij was er zeker van en zijn
familie eveneens, dat geen meisje zou
weigeren lady Fordyce te worden.
Michael was knap van uiterlijk, bekwaam en een zeer
geziene persoonlijkheid en hij had besloten te trouwen.
Eveline Blount was mooi, welopgevoed en arm — en ze
was nog ongehuwd. Daarom was hij voornemens haar ten
huwelijk te vragen, als hij den tijd geschikt achtte.
Het meisje had nog geen vermoeden naar wien haar
hart neigde. Jack Tenterden, zoon van kolonel Tenterden,
den ,,financier,” zooals hij gaarne genoemd werd, mocht
zij gaarne, hoewel hij geen schitterende partij was. Er was
een zekere vertrouwelijkheid tusschen hen, hoewel er van een
huwelijk nog nooit sprake was geweest. Doch nu had
jack weten te bewerkstelligen, dat zij uitgenoodigd werd
eenige dagen bij hem thuis te komen logeeren.
De beide medeminnaars bekommerden zich niet in het
minst om elkander om de eenvoudige reden, dat ze van
elkanders bestaan geen flauw begrip hadden.
Eveline was slank en lenig, een Saksisch type met
zwaar goudblond haar en rosé teint, een toonbeeld van
gezondheid. Haar donker blauw
mantelpak deed haar welgemaakte
vormen goed uitkomen en stond
haar zeer elegant, ondanks den
eenvoudigen snit.
Op het perron van het Paddingstonstation
volgde zij den kruier,
die haar koffer droeg, toen iemand
haar linkerarm aanraakte.
,,Juffrouw Blount !”
,,Mijnheer Fordyce. Hoe leuk dat
ik u hier ontmoet l”
Aangenaam verrast stond ze stil,
juist op het oogenblik dat een
wandelstok door de menigte werd
heengestoken en haar rechterarm
aanraakte. Ze keerde zich snel om.
„Jack... Jij?”
,,’k Was bang dat ik je missen
zou; heb gerend om hier te zijn ...
o, pardon, ik dacht dat je alleen
was.”
„Mijnheer Tenterden mag ik u
mijnheer Fordyce voorstellen?”
„Mijnheer Fordyce, luitenant
Tenterden 1”
De beide mannen bogen stijf en
Eveline’s gelaat kleurde van genoegen.
Haar schrandere blauwe
oogen keken van den een naar den
ander met een tinteling van pret,
want mijnheer Fordyce scheen als
’t ware in steen veranderd en Jack
was min of meer verlegen dat een
vreemde getuige was geweest van
zijn familiare begroeting. Hij was
niet geheel zeker of zoo iets wel
paste aan een soldaat en gentleman.
„Ik kwam om u een goede reis
te wenschen,” zei Fordyce afgemeten. ,,O, hoe lief van
u en hoe knap dat u den juisten trein raadde!”
„Er gaat slechts één geschikte trein,” onderbrak Jack
een beetje gedachteloos, „een afsotfuwelijke dienstregeling.
Ik begreep dat je den namiddagtrein zoudt nemen, vroeg
verlof en holde hierheen. Ik kan je nu zelf thuis
brengen.”
„Ik ga eenige dagen bij de familie Tenterden doorbrengen,”
verklaarde Eveline aan Fordyce.
„En we reizen prettig samen,” ging Jack voort.
„Ik had gedacht u van eenigen dienst te kunnen zijn,”
merkte Fordyce koel op, „maar ik houd u slechts op.
Goede reis!”
Mijnheer Fordyce legde zijn hand in die van het meisje
en keek haar aan maar zag niets bemoedigends in Eveline’s
oogen; toch was ze eenigszins bezorgd, omdat hij
zoo zonderling en gedwongen deed. Liefde verhoogt niet
de waardigheid van den man. Ze kon ’t niet verdragen,
dat hij verstoord was, bedeesd beantwoordde zij den
druk zijner vingers en stond hem toe dat hij haar hand
een oogenblik langer vasthield.
Jack bracht haar in de coupé, hij lichte haar bijna op,
— Fordyce zag het — hij legde geheel beslag op haar,
hoewel de trein nog lang niet vertrok.
„Zoo’n militaire geurmaker!” mompelde Fordyce woedend,
terwijl hij terugging.
* *
♦
Ze hadden een coupé voor hen beiden, en Jack stelde
den heer Fordyce buiten gevecht met de woorden: „ziezoo,
nu zijn we alleen!”
Toen na een pauze, gedurende welke de blos op Eveline’s
wangen dieper werd: „je weet zeker waarom je thuis
gevraagd bent?”
Het schip de
„Omdat ik een lieve en geziene gast ben in je vaders
huis, -en je moeder en zuster sterven van verlangen mij
in Dippingdene te zien,” lachte Eveline.
„Heel aardig, maar toch de plank mis!”
Het tweetal ging zeer amicaal met elkander om en hij
had al meermalen, om een militairen term te gebruiken
„een bestorming gewaagd.” t
Jack had Eveline eens in zijn armen gedrukt en zij
had hem dezen onvoorzienen aanval vergeven, omdat hij
iets stamelde van de „liefste, kranigste meid van de
wereld.”
Door een flankbeweging vermeed Eveline nu een toespeling
op het delicate onderwerp. Ze deed een massa
vragen betreffende zijn huisgenooten.
„O, ze zijn allen gezond en wel, dank je, behalve
moeder» Zij is een beetje zwaarmoedig.”
„Dat spijt mei”
„Ja, ’t is een lamme geschiedenis, ’t Is vadersspeculaties! ’’
Toen met een onverschillig schouderophalen: „Rubber!”
„Is hij aan het geld maken?”
„Maken? Maken ? Hij verliest alles. Al wat we hebben I”
Ze ontdekte een schaduw op zijn beweeglijk knap
gelaat en begreep dat de crisis ernstig was.
„Ik ben blij dat je mij dit vertelt!”
„Ik vond dit het best, ingeval je moeder straks mocht
vinden .... je begrijpt wel.”
SHACKLETON’S ZUIDPOOLTOCHT.
„Endurance”, waarmede Shackleton zijn nieuwe ontdekkingstocht naar de Zuidpool zal maken,
is de vorige week in de Theems aangekomen.
„Terneergeslagen? ”
„Ja en abstract. Ze tiekt het zich zeer aan. Vader is
luchthartig. Hij zegt, ’t komt alles tienvoudig terecht. De
rijzing zal spoedig beginnen. Verleden week vroeg hij mij,
hoe ik mij zou gevoelen als de zoon van een millionnair.
Hij gelooft maar steeds dat alles terecht komt. Maar’t zal
niet I Dat beteekent afscheid nemen van Dippingdene.
Ik zou ook den dienst moeten verlaten ... en dan zou
ik geen moed hebben om ... dat is ..
Zij vermeed den smeekenden blik van zijn bedroefde
oogen en keek het venster uit, met hoogrooden blos.
„Er zou voor mij een beroerde tijd aanbreken,” ging
hij voort,
En nu begon de jongeman aan zijn sympathieke toehoorster
zijn hart te luchten over de moeilijke familieomstandigheden,
ten gevolge van zijns vaders speculaties;
en Eveline leerde het huis waar ze eenige dagen zou doorbrengen
gedurende deze korte reis beter kennen, dan zij
in een maandelijksch verblijf aldaar had kunnen leeren.
II.
Dippingdene was een aangenaam, ouderwetsch landgoed
van groote uitgestrektheid, dat geen gepensionneerd kolonel
had kunnen bewonen zonder een groot privaat vermogen.
De Tenterdens waren eens zeer rijk geweest. De omringende
landerijen hadden aan de familie behoord erï het
huis was gebouwd door den overgrootvader van den
huidigen bewoner.
Zijn voorvaderen hadden in het leger gediend uit zuiver
vaderlandsliefde. Sommigen van hen waren speculanten
geweest, doch waar ze hun familiezwak kenden, hadden
ze zich steeds kunnen beperken tot wat de voorzichtigheid
(foto Newspaper Ill.j.
gebood. Jack’s vader evenwel was ijdel en roekeloos en
beschouwde zichzelf als een man van ondervinding op
financieel gebied. *
De kolonel stond zijn gast op te wachten in de vestibule.
Hij was een rijzig, knap, luchthartig en spraakzaam man,
die een groote gelijkenis had met zijn zoon. Eveline zag
hem voor het eerst en niets in zijn houding deed bespeuren,
dat hij in haar iets anders zag dan een gewone
logée. En hij zag er ook volstrekt niet zwaarmoedig uit.
Toen .zij de hal doorliep, om de dames te gaan begroeten,
hoorde zij hem tot Jack op triomfantelijken toon
zeggen:
„Ze zijn een zestientje de hcogte in. Ik zei ’t wel.
’t Begint! Ja, ik wist ’t.”
Jack antwoordde met een gebrom en mompelde iets
van verkoopen.
„Verkoopen, jongen? Verkoopen? Ik moet juist bijkoopen.
Ik heb een duizend gulden winst als er geen
reactie komt.”
Jack had geen hoofd voor zaken en kon niet begrijpen
dat een hersteld verlies een winst beteekende; de kolonel
was evenwel blij alsof hij tot onverwachten rijkdom gekomen
was.
„Altijd hetzelfde!” zuchtte mevrouw Tenterden, toen
zij haar zoon omarmde. „Het helpt niet of je er iets
van zegt.” Ze zei het luid genoeg om door den kolonel
verstaan te worden. „Ach, als
vrouwen slechts een beetje meer
vertrouwen, een beetje kijk op
de toekomst en een profetischen
blik hadden dien wij mannen
bezitten .... Maar we vervelen u
met onze zakenbesprekingen, juffrouw
Blount. Duizendmaalpardon!
Je zult zeker juffrouw Blount wel
goed installeeren, Isabell Ik weet
niet welke kamer je haar geven wilt,
maar ik zou zeggen die boven de
hal, die heeft een mooi uitzicht.”
„Ja, lieve, jal” antwoordde
mevrouw Tenterden. De kolonel
hield ervan alles te regelen met
„een kijk op de toekomst en een
profetischen blik,” maar zijn
vrouw had gewoonlijk de zaken
reeds geregeld vóór hij er kennis
van kreeg of zelfs vóór hij het
vermoedde.
„Ik zal u de kamer geven, waar
mijn man van sprak, omdat het
onze favoriet is. Men heeft daar
een prachtig gezicht en een aardig
zitje op het balkon.”
Isabel, Jack’s zuster, een roodwangig
mollig jong meisje, nog met
hangend haar, vatte Eveline beet
en vloog met haar de trappen op,
terwijl mevrouw Tenterden langzaam
volgde. Jack vluchtte door
de eerste deur om te ontkomen
aan de „rubberpraat”. Hij was
het ontgroeid om stil te luisteren
naar verhalen van plantages die
bestemd waren schatten van rubber
voort te brengen. Ze hadden allen
die verhalen al zoo vaak gehoord en hun vertrouwen
was verdwenen. *
De opgeruimdheid van den kolonel was min of meer
gemaakt. In werkelijkheid zat hij in angst. Met voorgewende
zorgeloosheid luisterde hij angstvallig naar de
telephoon, ten volle overtuigd, dat hij zich te ver gewaagd
had en gevaar liep geruïneerd te worden.
De komst van Eveline Blount gaf de familie een
weinig afleiding. De zenuwen waren ten uiterste gespannen,
doch de plichten des gastvrijheid noodzaakten hen
hun zorgen te verbergen. De kolonel bood zich aan als
Eveline’s gids en nam haar een uur na haar komst mede
om haar het landgoed te laten zien, onder de wandeling
luchthartig met haar pratende over plannen en veranderingen,
die hij voornemens was uit te voeren.
Jack was in dien geestestoestand, waarin de mensch
liefst alleen is. Hij had tijdens de afwezigheid zijns vaders
een gesprek met zijn moeder en zuster in de bibliotheek.
Zij vertelden hem dat de toestand gevaarlijk dreigde te
worden en Jack besloot voor de honderdste maal, dat hij
op de een of andere wijze moest ingrijpen.
Toen zag hij zijn moeders roodgeschreide oogen, wat
hem in woede deed ontsteken. Hij stond op en liep de
kamer op en neer, de handen in de zakken, zijn knap
gelaat mismaakt door ergernis.
?,U zegt hij heeft de boerderij Hythe verkocht met
land en al?”
„Ja voor twintigduizend gulden. Lord Marchway heeft
haar gisteren gekocht voor zijn zuster die weduwe geworden
is. Hij zegt dat het meer rente opbrengt dan staatspapieren ;
en wijl je vader dringend om het geld verlegen is, heeft
Marchway gisteren de effecten gebracht, ze liggen in de
brandkast 1” (Wordt vervolgd.)
|