Panorama

Blad 
 van 2380
Records 876 tot 880 van 11897
Nummer
1914, nr.02, 8 juli 1914
Blad
11
Tekst
PANORAMA „Ik zal het vragen aan het mannetje in de maan, hi, hi, hi!” grinnikte de vent. Er zat niets anders op. Ik moest mee, willens of onwillens en bracht den nacht op het politiebureau door. Den volgenden dag, Zondag, hoopte ik gehoord te worden, doch die hoop bleek ijdel. Mijn armoedige kleeding, mijn dikke lip en uitgeslagen tanden, gevoegd bij mijn schorre stem, ten gevolge van het schreeuwen dat ik achter de groentenkar had moeten doen, schenen aan mijn verzekeringen van onschuld slechts negatieve kracht bij te zetten. Den volgenden dag hoopte ik evenwel op vrije voeten te worden gesteld. Doch voor die volgende dag aanbrak, wachtte mij nieuwe beproevingen; werd een nieuwe schakel aan mijn lijdensketen gesmeed. Ik had natuurlijk aan de politie mijn waren naam, EduardRogmans, opgegeven Op Zondagmiddag werd mij toegestaan wat op de binnenplaats te wandelen, en hier ontmoette ik tot mijn groote vreugde mijn compagnon van deafgeloopen week, Jakcb Plug. Vol blijdschap ging ik hem te gemoet, ezel die ik was; maar in plaats van hulp bracht die ontmoeting mij nog grooter moeilijkheden. „Dat is ’m 1” riep Rooie Jaap uit, naar mij wijzende. „Dat is die vervloekte schurk, Kobus de Vos. Hij was het die mij al het geld gegeven heeft. En zoo waar ik hier voor jullie sta,” zei hij tegen de suppoosten, „heb ik de geheele week voor hem gewerkt en hij betaalde mij mijn loon ujt in gouden vijfjes, heeren, maar ik wist niet dat ze valsch waren.” „Valschl” herhaalde ik, „wat bedoel je?” vreezende dat er nog meer onaangenaamheden zouden komen. De politieagenten lachten. „Hij weet van niksl De stumperd!” „Deze beschuldigt je,” zei nu een onder-inspecteur, „dat je hem gein hebt om valsch geld uit te geven l” „Valsch geld?” riep ik ve waardigd uit. „Ik, valsch geld uitgeven? Dat heb ik nog noc daan. Ik heb nog nooit valsch geld in mijn bezit gehad.” „Zoo, z mompelde de inspecteur toen wenkte hij een paar agenten om n zakken te onderzoeken en daar kwam het gouden vijfje te voorset dat Rooie Jaap me den vorigen dag had laten houden en datnublee? valsch te zijn Ik was verstomd van schrik. Het viel me nu op de Jaap me meermalen met gouden vijfjes terugbetaald had. Hij behoorde blijkbaar tot een bende valsche munters en had mij gebruikt als werktuig om het valsche geld kwijt te raken. Groote goedheid 1 en nou beschuldigde dat schoelje mij het hoofd van het complot te zijn. Het duizelde mij. Ik wist niets te zeggen en liet mij zonder protest weer in de cel opsluiten. Onderwijl dit met mij voorviel, was mijn vrouw, ongerust over mijn stilzwijgen, Zondagmorgen thuis gekomen. Ze kwam natuurlijk voor een gesloten deur. Met behulp van een der buren kon ze evenwel haar woning betreden. Aanvankelijk verwonderd, veranderde nu haar verwondering in schrik. In de brievenbus zaten kranten, brieven en drukwerken van de geheele week. Vreemd I Doch weldra kwam ze tot vreeselijker ontdekking. Op de slaapkamer gekomen, zag ze op de waschtafel mijn bril liggen, doch verder geen enkel spoor van mijn dierbaar persoontje. De kleerenkast stond op een kier, ze deed de deur ervan open en vond mijn kleeren in een hoop op den grond. Schreiende en vervuld van de vreeselijkste vermoedens liep ze naar de buren, die zich haastten een agent te halen. Deze was spoedig ter plaatse. Een onderzoek in loco werd ingesteld, waarbij mijn laatst gedragen kleeren voor den dag kwamen. Van mijn ondergoed was geen spoor te vinden, wel mijn overhemd en daaraan kleefden bloedvlekken. Mijn vrouw was der wanhoop nabij, haar ergste vermoedens bleken waarheid te zijn. Ik was vermoord! Geen twijfel meer! Nu kwamen de buren ook met mededeelingen. Ze herinnerden zich den vorigen Maandag in den schemer een man het huis te hebben zien uitkomen. Het was iemand geweest van middelbare grootte, armelijk gekleed; met een lichte sportpet op. De politieman stond even in gedachten verzonken, eensklaps klaarde zijn gezicht op en riep hij uit: „ik heb den man!” Mijn vrouw bleef echter ontroostbaar. Ze was vast overtuigd, dat ik vermoord was, hoewel de buren hun best deden haar moed in te spreken. Ze telegrafeerde naar mijn broer en de andere familie en nam dankbaar het aanbod der buren aan om dien dag en den nacht bij hen te blijven. Den volgenden morgen moest ik, Eduard Rogmans, alias Kobus de Vos, inbreker en valsche munter, voor den hoofdcommissaris verschijnen, doch juist toen ik werd binnengeleid, trad er een inspecteur naar voren met de mededeeling dat de beschuldigde verdacht werd van een nog vee! ernstiger misdaad. Een zekere Eduard Rogmans, die (zeer verdacht 1) beklaagde beweerd had zelf te zijn, was sedert een week spoorloos verdwenen, onder omstandigheden die er op wezen dat hij gruwelijk vermoord was. De beklaagde, Kobus de Vos, was gezien, terwijl hij Rogmans’ woning verliet op den dag dat deze laatste verdwenen was. De Vos was voorts op heeterdaad betrapt, terwijl hij bezig was bij zijn slachtoffer in te breken, blijkbaar met het doel om de sporen van zijn misdaad uit te wisschen. En toen hij gevangengenomen werd, droeg beklaagde Rogmans’ ondergoed dat hier en daar.met bloed spatten bedekt was. Al de andere kleederen van den vermoorden man waren gevonden, eveneens met bloed bevlekt, G. HENKES. DOOR HET IJS GEZAKT. (foto Couvee). GERKE HENKES. Den 25en Juni herdacht de kunstschilder Gerke Henkes te Voorburg zijn 70en verjaardag. In „Pulchri”, waar een eere-tentoonstelling van zijn werken wordt gehouden, werd de jubilaris door den voorzitter van het genootschap toegesproken en werd hem een lauwerkrans aangeboden. Op deze eere-tentoonstelling zijn heel wat mooie doeken te bewonderen waarvan wij hier, bij het portret van den jubilaris, een tweetal reproduceeren. f/oZo J. B. Hijmans). ffaMilffliiÉMbfc* O. HENKES. „SANS AD1EUX.” (foto Couvee) in den hoek van een kleerenkast. De inspecteur vroeg nog vierentwintig uur verdaging om nadere onderzoekingen te doen. Neen, maar! Daar was nu toch het eind van weg l Was i k nu gek of al die lui rondom me? Beschuldigd je zelven ter dood te hebben gebracht .... Ik was dood en ik leefde nog.... Een levende zelfmoordenaar .... Een levend lijk.... Een ... ik duizelde .... De groote dosis verstand die ik bezit, liet me finaal in den steek. En toen ik er eindelijk weer wat van teruggevonden had, zat ik weer in mijn cel. Dien avond*stonden de kranten vol van het geval. Fotografen hadden kiekjes van mij genomen. En al was ik als Eduard Rogmans nog niet beroemd, als Kobus de Vos was ik eensklaps berucht geworden. ïk had het opgegeven mijzelven vrij te pleiten, alles wat ik hiertoe aanvoerde, werd als een nieuw bewijs van schuld aangemerkt, zoodat ik eindelijk op geen enkele vraag meer antwoord gaf. Zoowel de commissaris als de rechter van instructie zagen in mij een verstokten misdadiger en met deze gunstige aanbeveling der beide magistraten werd mijn zaak naar de openbare terechtzitting verwezen. Er waren verscheidene personen aanwezig: journalisten, fotografen enz. Vooraan zat die vervloekte Rooie Jaap, als voornaamste getuige, ook mijn vreuw was aanwezig in diepen rouw. In het eerst zag ik niemand, ik was versuft en keek niemand aan. Ook mijn vrouw keek voor zich, het was haar onmogelijk den moordenaar van haar geliefden man aan te zien. Toen echter mijn zoogenaamd zondenregister werd voorgelezen, begon mijn vrouw te snikken. Ik keek op; dat geluid kende ikI Was dat mijn vrouw? Het gemis van mijn bril belette me haar duidelijk te zien, maar de liefde vergist zich niet. Ik boog me voorover en riep vol verrassing: „Mariel” Mijn vrouw zag mij aan, verwonderd eerst, daarna in blijde herkenning de armen naar mij uitstrekkende viel ze onder den uitroep: „Eduard 1” bewusteloos in de armen van een paar toesnellende politiebeambten. Dat gaf een consternatie! Een der aanwezige reporters vloog de deur uit en telefoneerde naar zijn redactie een sensationeel bericht: De weduwe was met den moordenaar geconfronteerd en had haar liefde voor hem niet verborgen kunnen houden. Het was duidelijk dat niet diefstal maar verboden liefde de drijfveer van de misdaad was geweest. Onderwijl dit belangrijke bericht zijn weg naar de zetterij vond, was mijn vrouw uit haar bewusteloozen toestand ontwaakt en werd de zaal weer binnengeleid. „Wie is u, mevrouw?” vroeg de president. „Ik ben mevrouw Rogmans,” antwoordde zij. „En wie is deze beschuldigde?” vroeg hij weder. „Dat is, hoe vreemd hij er ook uitziet, mijn echtgenoot.” De president keek nadenkend voor zich. „Een zeer zonderling geval,” begon hij eindelijk. „Beklaagde is Kobus de Vos, beschuldigd de moordenaar te zijn van Eduard Rogmans. Deze dame zegt te zijn mevrouw Rogmans, dus de weduwe van den vermoorden man en tevens de echtgenoote van den beschuldigde, Kobus de Vos. Het is duidelijk dat we hier te doen hebben met een geval van bigamie, en dat getuige moet worden in hechtenis genomen als medeplichtige van den moordenaar”. „Ik geloof, Edelachtbare,” begon nu de inspecteur die het onderzoek geleid had, „dat ik de zaak kan uitleggen. Het lijkt mij toe dat er geen moord heeft plaats gehad, maar dat Rogmans en De Vos één en dezelfde persoon is. Ik verzoek u de zitting eenige uren op te heffen, opdat ik mij de noodige inlichtingen zal kunnen verschaffen.” De president knikte en ik werd zoolang in een andere kamer gelaten, waar ik mijn vrouw kon ontmoeten. Hier legde ik haar alles uit. Het was zoo klaar als de dag. Alleen de kwestie van het valsche geld kon ik niet verklaren en aangezien Jacob Plug, alias Rooie Jaap, toen hij zag dat de zaken een keer namen, kans had gezien zijn biezen te‘pakken, werd mijn kosteloos logies nog met eenigen tijd verlengd. Dat was vervelend! Eindelijk werd ik opnieuw voorgebracht. De president was spinnijdig. „Dat dwaze uitstapje van jou,” zei hij streng, „heeft de politie en justitie heel wat last en noodeloos werk bezorgd. Ik hoop echter dat je wat wijzer geworden bent en in het vervolg dergelijke kwajongensstreken aan verstandiger menschen zult overlaten.” Die beleedigende opmerking over mijn gebrek aan verstand heb ik natuurlijk met een hooghartig stilzwijgen beantwoord. Dat was toch boter aan de galg gesmeerd. Ik heb mij evenwel ernstig voorgenomen mij nooit meer met philanthropie in te laten. Ik zal wel op een andere manier beroemd worden.
PDF
Nummer
1914, nr.02, 8 juli 1914
Blad
12
Tekst
HET 300-JARIG BESTAAN VAN DE UNIVERSITEIT TE GRONINGEN HET COLLEGE VAN CURATOREN DER GRONINGSCHE UNIVERSITEIT. Van links naar rechts: Mr. H, Binnerts; Jhr. Mr. Dr. E. Tjarda van Starkenborgh Stachouwer; Mr. C. C. Geertsema (president); Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman; Mr. J. Linthorst Homan en Mr. B. ten Bruggen Cate, secretaris bij het College van Curatoren. (foto Joel de Lange). DE SENAAT VAN HET GRONINGSCHE STUDENTENCORPS „Vindicat atque Polit”, dat 4 Februari 1915 honderd jaar zal hebben bestaan. Van links naar rechts: F. G. Scheltema, assessor I; H. van Wageningen, ab-actis; M. J. Bos, rector; T. D. Zijlker, fiscus; N. G. Bouma, assessor II. (foto A. S. Weinberg). Van 29 Juni tot 4 Juli is te Groningen gezamenlijk herdacht en feestelijk gevierd het 300-jarig bestaan der Universiteit en het 100-jarig bestaan van het Studentencorps. De feestelijkheden werden behalve door H.M. de Koningin en Z.K.H. Prins Hendrik ook bijgewoond door een groot aantal oud-studenten, eere-doctoren, binnen- en bhitenlandsche professoren, kortom door geleerden uit alle deelen van de wereld. De stad was feestelijk versierd en des avonds schitterend geïllumineerd. Groningen heeft op een waardige wijze feest gevierd. In ons vorig nummer hebben wij reeds een serie foto’s gegeven van de maskerade: „Het teekenen.van den Vrede te Munster”; hierbij geven wij nog een aantal speciale opnamen van de Vereenigde Fotobureaux, betrekking hebbende op de feestelijkheden die hebben plaats gehad. De promotie van H.M. de Koningin tot doctor honoris causa in de Letteren. H.M. de Koningin verlaat de Universiteit. De rectormagnificus, prof. dr. H. J. Hamburger. De aankomst van de Koninklijke gasten te Groningen. Minister Cort van der Linden verlaat de Nieuwe Kerk na de plechtigheid van het promoveeren der eere-doctoren.
PDF
Nummer
1914, nr.02, 8 juli 1914
Blad
13
Tekst
een paar minuten en dan .... Arthur Karelsen slaakte een zucht van blijde verwachting. Nog eenige oogenblikken en Nellie, zijn lieve, mooie Nellie zou in zijn armen rusten en duizenden vragen doen over zijn spoedige en onverwachte wederkomst in het vaderland en hem natuurlijk tevens zachte verwijten maken over zijn stilzwijgen gedurende zijn afwezigheid, wat haar zoo onbegrijpelijk had toegeschenen en zooveel verdriet had gedaan. De huisknecht had de kamer verlaten om juffrouw Sprenger DE FEESTEN TE GRONINGEN. H.M. de Koningin en Z.K.H. Prins Hendrik bezichtigen vanaf het balcon van het stadhuis de maskerade. tante zelf.” „Kijk, dat zegt mijnheer Holt ook. Het is voor hem gemaakt, weet u,” babbelde Teddy voort. „Kent u mijnheer Holt? Hij is erg leelijk, maar heel lief tegen mij. ik ben heelemaal niet bang voor hem.” „Wie. . ..” „Mijnheer Holt heeft mij laatst een groote doos met soldaten gegeven en paarden en tante Nellie krijgt zooveel mooie schitterende steenen!” „Maar wie is mijnheer Holt?’ Arthur’s stem klonk hemzelf schor en vreemd in de ooren. Een vreeselijk vermoeden snoerde hem bijna de keel dicht. Teddy’s kin deroogen keken met verwondering omhoog naar het plotseling verbleekte gelaat van den man. „Mijnheer Holt? Wel, die gaat trouwen met tante Nellie, Arthur boog het zwartgelokte hoofd over de in een breede vergulde lijst gevatte fotografie en drukte een kus op de lachende lippen van het bekoorlijke meisjesbeeld. Een nevel kwam hem voor de oogen; tranen van geluk verduisterden zijn blik. Ze was het zoo sprekend, dit meisje, zijn meisje, in haar witte japon, met haar bruine oogen en donkere, mooi gewelfde wenkbrauwen ; de lippen half geopend en in het ceintuur een paar donkere rozen. Wat had hij haar zóó dikwijls gezien! De deur achter hem werd geopend, Arthur keerde zich snel om, doch het was niet het meisje dat hij verwachtte, maar een kleine jongen, in een donker fluweel pakje met kanten kraag, die de kamer’binnentrad. „Dag, mijnheer, hoe maakt u het,” zei de kleine, op beleefden maar kinderlijk aarzelenden toon. „Dag, beste jongen! Hoe heet je?” „Teddy! O, kijkt u naar mijn tante Nellie? Is ze niet mooi?” Arthur voelde zich dadelijk door die woorden tot den kleinen snuiter aangetrokken. Hij had vroeger meermalen gehoord van Nellie’s kleine neefje en boog zich nu tot het kind over om een kus te drukken op het naar hem opgeheven gelaat. „Het portret is heel mooi,” antwoordde hij, „en toch niet half zoo mooi als De studentensociëteit „Mutua Fides” feestelijk versierd. te melden, dat er een heer was die verzocht had haar te spreken en die beleefd doch beslist geweigerd had zijn naam te zeggen; en de door de zon gebruinde bezoeker verheugde zich reeds over het gezicht dat het met ongeduld verbeide meisje zetten zou, ais ze hem zag. Ze bleef lang weg; enfin, het was toch ook wel prettig eens even alleen te zijn in deze kamer met haar welbekende meubelen, de schilderijen aan den wand, de bloemen in de vazen, die hem alle spraken van Nel, zijn veelbeminde Nel. En zie, daar was een portret van haar, dat hij nog nimmer gezien had, een portret dat eerst kortgeleden scheen gemaakt te zijn. De Groningsche vischvrouwen die H.M. een typisch-traditioneele hulde brachten. H.M. moest n.1. onder een feestelijk versierden hoepel doorgaan. Een prachtige fontein, die des avonds was verlicht, verhief zich op de Vischmarkt. weet-u! En dan mag ik meerijden als haar page en bloemen strooien. Vind-u dat niet leuk?” „Nel, o Nellie!” snikte de jongeman. Het meisje dat hij zoo trouw en teeder beminde, had niet een enkel jaar op hem kunnen wachten! Een oogenblik later stond Arthur buiten, de frissche lucht verkoelde zijn verhit voorhoofd. Hij had nog slechts één wensch: weg, weg hiervandaan, opdat hij niet ontmoeten zou het meisje, waarnaar zijn hart zoo verlangd had. Weg, opdat hij niet verplicht zou zijn tot een vormelijken handdruk, waar hij zooveel meer verwacht had. Te laat! Een groep buitenlandsche professoren op weg van het Stadhuis naar de Academie. De nieuw-benoemde eere-doctoren verlaten de Nieuwe Kerk. TE LAAT
PDF
Nummer
1914, nr.02, 8 juli 1914
Blad
14
Tekst
EEN GOEDMOEDIG KOMPLOT NAAR HET ENGELSCH VAN HOUGHTON TOWNLEY beminden ze baar en ieder was zich overtuigd, dat zij hem nemen Wat Eveline zelf dacht, was voor van hen; Mr. Michael Fordyce, lid van het Lagerhuis, aan geen twijfel onderhevig. Hij was er zeker van en zijn familie eveneens, dat geen meisje zou weigeren lady Fordyce te worden. Michael was knap van uiterlijk, bekwaam en een zeer geziene persoonlijkheid en hij had besloten te trouwen. Eveline Blount was mooi, welopgevoed en arm — en ze was nog ongehuwd. Daarom was hij voornemens haar ten huwelijk te vragen, als hij den tijd geschikt achtte. Het meisje had nog geen vermoeden naar wien haar hart neigde. Jack Tenterden, zoon van kolonel Tenterden, den ,,financier,” zooals hij gaarne genoemd werd, mocht zij gaarne, hoewel hij geen schitterende partij was. Er was een zekere vertrouwelijkheid tusschen hen, hoewel er van een huwelijk nog nooit sprake was geweest. Doch nu had jack weten te bewerkstelligen, dat zij uitgenoodigd werd eenige dagen bij hem thuis te komen logeeren. De beide medeminnaars bekommerden zich niet in het minst om elkander om de eenvoudige reden, dat ze van elkanders bestaan geen flauw begrip hadden. Eveline was slank en lenig, een Saksisch type met zwaar goudblond haar en rosé teint, een toonbeeld van gezondheid. Haar donker blauw mantelpak deed haar welgemaakte vormen goed uitkomen en stond haar zeer elegant, ondanks den eenvoudigen snit. Op het perron van het Paddingstonstation volgde zij den kruier, die haar koffer droeg, toen iemand haar linkerarm aanraakte. ,,Juffrouw Blount !” ,,Mijnheer Fordyce. Hoe leuk dat ik u hier ontmoet l” Aangenaam verrast stond ze stil, juist op het oogenblik dat een wandelstok door de menigte werd heengestoken en haar rechterarm aanraakte. Ze keerde zich snel om. „Jack... Jij?” ,,’k Was bang dat ik je missen zou; heb gerend om hier te zijn ... o, pardon, ik dacht dat je alleen was.” „Mijnheer Tenterden mag ik u mijnheer Fordyce voorstellen?” „Mijnheer Fordyce, luitenant Tenterden 1” De beide mannen bogen stijf en Eveline’s gelaat kleurde van genoegen. Haar schrandere blauwe oogen keken van den een naar den ander met een tinteling van pret, want mijnheer Fordyce scheen als ’t ware in steen veranderd en Jack was min of meer verlegen dat een vreemde getuige was geweest van zijn familiare begroeting. Hij was niet geheel zeker of zoo iets wel paste aan een soldaat en gentleman. „Ik kwam om u een goede reis te wenschen,” zei Fordyce afgemeten. ,,O, hoe lief van u en hoe knap dat u den juisten trein raadde!” „Er gaat slechts één geschikte trein,” onderbrak Jack een beetje gedachteloos, „een afsotfuwelijke dienstregeling. Ik begreep dat je den namiddagtrein zoudt nemen, vroeg verlof en holde hierheen. Ik kan je nu zelf thuis brengen.” „Ik ga eenige dagen bij de familie Tenterden doorbrengen,” verklaarde Eveline aan Fordyce. „En we reizen prettig samen,” ging Jack voort. „Ik had gedacht u van eenigen dienst te kunnen zijn,” merkte Fordyce koel op, „maar ik houd u slechts op. Goede reis!” Mijnheer Fordyce legde zijn hand in die van het meisje en keek haar aan maar zag niets bemoedigends in Eveline’s oogen; toch was ze eenigszins bezorgd, omdat hij zoo zonderling en gedwongen deed. Liefde verhoogt niet de waardigheid van den man. Ze kon ’t niet verdragen, dat hij verstoord was, bedeesd beantwoordde zij den druk zijner vingers en stond hem toe dat hij haar hand een oogenblik langer vasthield. Jack bracht haar in de coupé, hij lichte haar bijna op, — Fordyce zag het — hij legde geheel beslag op haar, hoewel de trein nog lang niet vertrok. „Zoo’n militaire geurmaker!” mompelde Fordyce woedend, terwijl hij terugging. * * ♦ Ze hadden een coupé voor hen beiden, en Jack stelde den heer Fordyce buiten gevecht met de woorden: „ziezoo, nu zijn we alleen!” Toen na een pauze, gedurende welke de blos op Eveline’s wangen dieper werd: „je weet zeker waarom je thuis gevraagd bent?” Het schip de „Omdat ik een lieve en geziene gast ben in je vaders huis, -en je moeder en zuster sterven van verlangen mij in Dippingdene te zien,” lachte Eveline. „Heel aardig, maar toch de plank mis!” Het tweetal ging zeer amicaal met elkander om en hij had al meermalen, om een militairen term te gebruiken „een bestorming gewaagd.” t Jack had Eveline eens in zijn armen gedrukt en zij had hem dezen onvoorzienen aanval vergeven, omdat hij iets stamelde van de „liefste, kranigste meid van de wereld.” Door een flankbeweging vermeed Eveline nu een toespeling op het delicate onderwerp. Ze deed een massa vragen betreffende zijn huisgenooten. „O, ze zijn allen gezond en wel, dank je, behalve moeder» Zij is een beetje zwaarmoedig.” „Dat spijt mei” „Ja, ’t is een lamme geschiedenis, ’t Is vadersspeculaties! ’’ Toen met een onverschillig schouderophalen: „Rubber!” „Is hij aan het geld maken?” „Maken? Maken ? Hij verliest alles. Al wat we hebben I” Ze ontdekte een schaduw op zijn beweeglijk knap gelaat en begreep dat de crisis ernstig was. „Ik ben blij dat je mij dit vertelt!” „Ik vond dit het best, ingeval je moeder straks mocht vinden .... je begrijpt wel.” SHACKLETON’S ZUIDPOOLTOCHT. „Endurance”, waarmede Shackleton zijn nieuwe ontdekkingstocht naar de Zuidpool zal maken, is de vorige week in de Theems aangekomen. „Terneergeslagen? ” „Ja en abstract. Ze tiekt het zich zeer aan. Vader is luchthartig. Hij zegt, ’t komt alles tienvoudig terecht. De rijzing zal spoedig beginnen. Verleden week vroeg hij mij, hoe ik mij zou gevoelen als de zoon van een millionnair. Hij gelooft maar steeds dat alles terecht komt. Maar’t zal niet I Dat beteekent afscheid nemen van Dippingdene. Ik zou ook den dienst moeten verlaten ... en dan zou ik geen moed hebben om ... dat is .. Zij vermeed den smeekenden blik van zijn bedroefde oogen en keek het venster uit, met hoogrooden blos. „Er zou voor mij een beroerde tijd aanbreken,” ging hij voort, En nu begon de jongeman aan zijn sympathieke toehoorster zijn hart te luchten over de moeilijke familieomstandigheden, ten gevolge van zijns vaders speculaties; en Eveline leerde het huis waar ze eenige dagen zou doorbrengen gedurende deze korte reis beter kennen, dan zij in een maandelijksch verblijf aldaar had kunnen leeren. II. Dippingdene was een aangenaam, ouderwetsch landgoed van groote uitgestrektheid, dat geen gepensionneerd kolonel had kunnen bewonen zonder een groot privaat vermogen. De Tenterdens waren eens zeer rijk geweest. De omringende landerijen hadden aan de familie behoord erï het huis was gebouwd door den overgrootvader van den huidigen bewoner. Zijn voorvaderen hadden in het leger gediend uit zuiver vaderlandsliefde. Sommigen van hen waren speculanten geweest, doch waar ze hun familiezwak kenden, hadden ze zich steeds kunnen beperken tot wat de voorzichtigheid (foto Newspaper Ill.j. gebood. Jack’s vader evenwel was ijdel en roekeloos en beschouwde zichzelf als een man van ondervinding op financieel gebied. * De kolonel stond zijn gast op te wachten in de vestibule. Hij was een rijzig, knap, luchthartig en spraakzaam man, die een groote gelijkenis had met zijn zoon. Eveline zag hem voor het eerst en niets in zijn houding deed bespeuren, dat hij in haar iets anders zag dan een gewone logée. En hij zag er ook volstrekt niet zwaarmoedig uit. Toen .zij de hal doorliep, om de dames te gaan begroeten, hoorde zij hem tot Jack op triomfantelijken toon zeggen: „Ze zijn een zestientje de hcogte in. Ik zei ’t wel. ’t Begint! Ja, ik wist ’t.” Jack antwoordde met een gebrom en mompelde iets van verkoopen. „Verkoopen, jongen? Verkoopen? Ik moet juist bijkoopen. Ik heb een duizend gulden winst als er geen reactie komt.” Jack had geen hoofd voor zaken en kon niet begrijpen dat een hersteld verlies een winst beteekende; de kolonel was evenwel blij alsof hij tot onverwachten rijkdom gekomen was. „Altijd hetzelfde!” zuchtte mevrouw Tenterden, toen zij haar zoon omarmde. „Het helpt niet of je er iets van zegt.” Ze zei het luid genoeg om door den kolonel verstaan te worden. „Ach, als vrouwen slechts een beetje meer vertrouwen, een beetje kijk op de toekomst en een profetischen blik hadden dien wij mannen bezitten .... Maar we vervelen u met onze zakenbesprekingen, juffrouw Blount. Duizendmaalpardon! Je zult zeker juffrouw Blount wel goed installeeren, Isabell Ik weet niet welke kamer je haar geven wilt, maar ik zou zeggen die boven de hal, die heeft een mooi uitzicht.” „Ja, lieve, jal” antwoordde mevrouw Tenterden. De kolonel hield ervan alles te regelen met „een kijk op de toekomst en een profetischen blik,” maar zijn vrouw had gewoonlijk de zaken reeds geregeld vóór hij er kennis van kreeg of zelfs vóór hij het vermoedde. „Ik zal u de kamer geven, waar mijn man van sprak, omdat het onze favoriet is. Men heeft daar een prachtig gezicht en een aardig zitje op het balkon.” Isabel, Jack’s zuster, een roodwangig mollig jong meisje, nog met hangend haar, vatte Eveline beet en vloog met haar de trappen op, terwijl mevrouw Tenterden langzaam volgde. Jack vluchtte door de eerste deur om te ontkomen aan de „rubberpraat”. Hij was het ontgroeid om stil te luisteren naar verhalen van plantages die bestemd waren schatten van rubber voort te brengen. Ze hadden allen die verhalen al zoo vaak gehoord en hun vertrouwen was verdwenen. * De opgeruimdheid van den kolonel was min of meer gemaakt. In werkelijkheid zat hij in angst. Met voorgewende zorgeloosheid luisterde hij angstvallig naar de telephoon, ten volle overtuigd, dat hij zich te ver gewaagd had en gevaar liep geruïneerd te worden. De komst van Eveline Blount gaf de familie een weinig afleiding. De zenuwen waren ten uiterste gespannen, doch de plichten des gastvrijheid noodzaakten hen hun zorgen te verbergen. De kolonel bood zich aan als Eveline’s gids en nam haar een uur na haar komst mede om haar het landgoed te laten zien, onder de wandeling luchthartig met haar pratende over plannen en veranderingen, die hij voornemens was uit te voeren. Jack was in dien geestestoestand, waarin de mensch liefst alleen is. Hij had tijdens de afwezigheid zijns vaders een gesprek met zijn moeder en zuster in de bibliotheek. Zij vertelden hem dat de toestand gevaarlijk dreigde te worden en Jack besloot voor de honderdste maal, dat hij op de een of andere wijze moest ingrijpen. Toen zag hij zijn moeders roodgeschreide oogen, wat hem in woede deed ontsteken. Hij stond op en liep de kamer op en neer, de handen in de zakken, zijn knap gelaat mismaakt door ergernis. ?,U zegt hij heeft de boerderij Hythe verkocht met land en al?” „Ja voor twintigduizend gulden. Lord Marchway heeft haar gisteren gekocht voor zijn zuster die weduwe geworden is. Hij zegt dat het meer rente opbrengt dan staatspapieren ; en wijl je vader dringend om het geld verlegen is, heeft Marchway gisteren de effecten gebracht, ze liggen in de brandkast 1” (Wordt vervolgd.)
PDF
Nummer
1914, nr.03, 15 juli 1914
Blad
01
Tekst
15 JULI 1914 N°. 3 2E JAARGANG PANORAMA UITGAVE VAN A. W. SIJTHOFF’S U ITGEVE RS-M AATSCHAPPIJ Redactie en Administratie: DOEZASTRAAT 1 - Telefoonnummer 1 - LEIDEN PRIJS BIJ NUMMERVERKOOP 1O CENT. VOOR BELGIË 20 CENTIEMEN (foto W. Lindelauf Heerlen) plas by de hoeve „£)e ftoesch” naby Heerlen (Gimburg) Oe eerste prijs van onzen ‘Totografiewedstrijd-'NatuuFopnamen (Oe volledige uitslag wordt in het volgend nummer bekend gemaakt)
PDF
Blad 
 van 2380
Records 876 tot 880 van 11897