|
BLINDER EIFER SCHADET NUR!
TRAGI-KOMISCHE LOTGEVALLEN VAN EEN PHILANTROOP. (Blinde ijver schaadt slechts).
gjeg nu niet dat ik een ezel ben, want wat
mij gebeurd is, kan iedereen overkomen.
Je moet weten, ik ben journalist. Nu is
het een beetje mode onder kranten- en
boekenschrijvers om zich met het leven der
arme volksklassen bekend te maken. De
een gaat daarvoor den boer op, de ander huurt een
achterkamertje in een volksbuurt. En ze worden daardoor
allen beroemd.
Ik wou ook ereis beroemd worden! En waarom ik niet?
Toen ik nu eenigen tijd geleden las, hoe Querido in
de Jordaan te Amsterdam gewoond had en daarover een
boek had geschreven, was mijn besluit genomen: ik zou
zijn voorbeeld volgen, wat zeg ik: verbeteren zou ik ’t.
De gelegenheid bood zich spoedig aan. Mijn vrouw ging
met de kinderen eenige weken uit logeeren en nu was
voor mij de tijd daar om mijn plan ten uitvoer te
brengen.
Als mijn vrouw weer thuis kwam, was ik beroemd,
stond mijn portret in ,,Panorama” met een vleiende
beschrijving van mijn leven in de binnenlanden van
Amsterdam.
Zorgvuldig maakte ik de noodige toebereidselen en toen
ik eindelijk in den avond mijn woning uitsloop zou mijn
bloedeigen moeder mij niet herkend hebben. Mijn nette
colbertpakje had ik verwisseld voor een afgedragen spulletje
een paar dagen te voren aan een stalletje op de
Nieuwmarkt gekocht. ïk was eerst wel een beetje huiverig
om het aan te trekken, maar ik ben niet gewoon de dingen
half te doen, en ik vind dat je voor je eigen beroemdheid
wel wat over mag hebben. Mijn broek was me te
wijd, doch dat was niemendal, die haalde ik zelf wat in,
waarbij ik het geluk had mijn duim open te halen aan
een verroeste naald. Daarna schminkte ik mijn gezicht,
legde mijn bril op de waschtafel (ik ben een beetje
bijziende moet je weten) en toen ik eindelijk in den
spiegel keek, bemerkte ik met voldoening hoe goed mijn
uiterlijk er zich toe leende om voor een schurk door
te gaan.
Zooals gezegd, sloop ik ongemerkt mijn woning uit,
deed de voordeur op slot en stak den sleutel in
mijn zak.
Toen ging ik op zoek naar een tijdelijke verblijfplaats.
Dat was niet gemakkelijk, doch na eenige moeite en met
behulp van iemand met wien ik onderweg had kennis
gemaakt, vond ik eindelijk een geschikt nachtverblijf in
het obscuur logementje van een achterbuurt. Mijn nieuwe
vriend deelde met mij mijn kamer. Hij had zich aan mij
voorgesteld als Jacob Plug, bijgenaamd Rooie Jaap. Ik
zelf heet Eduard Rogmans, maar vond het raadzaam en
geheel in mijn rol een anderen naam aan te nemen en
noemde mij Kobus de Vos.
Den eersten nacht sliep ik slecht op een stroomatras in
den een mank ijzeren ledikant, dat zooals ik dien nacht en
volgenden op zeer gevoelige wijze bemerkte, nog meerdere
schepselen verblijfplaats bood. Mijn slaapkameraad lag maar
op den vloer op een paar zakken. Dat verhinderde hem
blijkbaar niet om reeds na tien minuten op de meest
onderhoudende wijze te snorken.
Ik had met hem een overeenkomst gesloten om gezamenlijk
zaken te doen. We zouden met groenten gaan
venten langs de straat. Hij zou mij de noodige voorlichting
geven en ik zou zorgen voor de centen.
lederen morgen kwam Rooie Jaap aan de deur met
een goedgevulden groentewagen en des avonds keerden we
terug, moe en warm met de leege kar om onze winst te
deelen.
Het was voor een journalist als ik een ongekende
gewaarwording als ik de kar langs de straat voortduwde
en Jaap nadeed in het uitschreeuwen van de waar. De
prijzen waarvoor mijn compagnon de groenten inkocht
waren echter zoo hoog, dat er gewoonlijk maar weinig
winst overschoot. Ja soms moest ik zelfs na aftrek van
alle onkosten nog een klein bedrag bijpassen, ik maakte
hierover een opmerking tegen Rooie Jaap, maar deze zei,
dat dit niets bijzonders was, de markt was erg hoog.
Nou, hij kon het weten!
Een paar dagen later kreeg ik echter argwaan. Opeen
nacht wakker wordende, bemerkte ik namelijk, dat mijn
compagnon bezig was mijn zakken aan een nauwkeurig
onderzoek te onderwerpen. Ik was evenwel slim genoeg
geweest zoo iets te voorzien en had slechts het hoognoodige
geld meegenomen, dat overigens reeds grootendeels
in onze handelsonderneming was verloren gegaan. Plug had
bovendien de onaangename gewoonte om elke kroeg, die
we passeerden, binnen te gaan en er eenigen tijd te vertoeven.
Dat was noodig voor de klandizie, zei hij. Bovendien
weigerde hij beslist om zelf achter den wagen te
gaan loopen.
Toen de week om was, had ik dan ook genoeg van
onze compagnonschap en besloot er een einde aan te
maken. Ik deeMe hem mijn voornemen mee.
„Heel goed,” zei hij, „als je me dan mijn loon maar
geven wil.”
„Je loon!” riep ik uit. „En ik dacht dat we compagnons
waren?”
„Een mooie compagnon!” hoonde Plug. „Hoor es baas,
ik zal ’t schappelijk met je maken: voor een tientje ben
je van me af.”
Dat weigerde ik beslist. Ik vroeg hem hoe hij zoo’n
bedrag durfde eischen, terwijl hij toch wist hoe weinig
we de geheele week met de negotie verdiend hadden.
Nu lachte de kerel me brutaal uit
„Zeg ereis, heerschap 1 Dat spelletje mot nou maar
uit wezen. Ik wist allang dat je er geen een van ons
was.
Eerst hield ik je voor een stille’ smeris, die zich
met opzet van den domme hield, maar ’k had gauw in
We zouden met groenten gaan venten langs de straat. ..
de gaten, dat je werkelijk een stommeling was (ja, dat
zei die vent!). Drommels, dacht ik, da’s zeker weerzoo’n
halve gare krantenkerel (ik, half gaar!) die ereis komt
neuzen hoe ’t er bij ons armelui naar toe gaat.
Maar da’s jouw zaak. Als ik mijn geld maar krijg.”
Ik meende verstandig te doen door in mijn rol te
blijven, doch dat had geen succes bij dien snuiter.
„Kom, kom, heerschap,” zei hij, „draai maar bijl Zeg,
welke groenteventer draagt er 2ulk fijn ondergoed als
jij ? Ha, ha, ha, als ik zulke mooie spulletjes had, waren
ze allang naar Oome Jan verhuisd. Most ik ze niet in
mijn handen hebben gehad, als je ’s nachts sliep! En heb
ik je niet meermalen je neus zien ophalen voor ons eten
en drinken. Poeh! Ik had je wel in de lamp, als je
stiekum aan het eten was, wanneer je dacht dat ik ’t niet
zag. Nou zeg, hoe is ’t, krijg ik goedschiks m’n tientje
of moeten we er om bakkeleien.” En hij kwam op me
af met zijn harige grove knuisten.
Ik tastte haastig in mijn broekzakken, doch bemerkte
dat ik niet meer dan twee riksen bezat. Ik zei het hem;
en hoewel hij mij eerst niet wilde gelooven, begreep hij
spoedig dat ik de waarheid sprak. Doch stel je mijn
schrik voor, toen ik in een van mijn jaszakken nog een
goud vijfje en eenig zilvergeld vond. Het was geld dat
hij me van de negotie teruggegeven had. Bevreesd dat
hij dit opnieuw kwaad zou opvatten, bood ik hem ook
dit geld aan. Tot mijn groote verwondering echter nam
hij alleen het klein zilvergeld en liet mij met een grootmoedig
gebaar het gouden vijfje houden.
„Kijk ereis hier, baas,” om zijn grootmoedigheid te
verklaren: „ik snapte gauw dat je ’n fijne meneer was,
daarom vroeg ik je iederen morgen driemaal meer geld,
dan ik voor den inkoop noodig had. Ik ben dus royaal
aan m’n geld en jij bent goedkooper uit geweest, dan bij
een ander.”
Het zal wel aan mijn opvoeding gelegen hebben, dat
ik niet begrijpen kon, hoe een ander mij nog kaler had
kunnen plukken dan Rooie Jaap gedaan had. Enfin, ik
was blij er zonder lichamelijk letsel af te komen. Maar —
ik had me te vroeg verheugd.
Er was in het logement ook nog een stoelenmattersfamilie.
Iederen avond kwam de man dronken thuis en
maakte ruzie. Ook dezen avond was hij weer dronken,
en daar zijn vrouw hem hierover blijkbaar zeer welsprekend
onderhouden had, had hij haar hiervoor in een
vrijgevige bui een blauw oog geslagen. Juist kwam ik
hun kamer voorbij, toen hij zijn vrouw bij de haren had
en zij en een viertal kinderen aan het gillen waren.
Eenige lieden uit het logement stonden het zaakje bij
de kamerdeur bedaard aan te kijken, doch aangezien ik
niet als zij zoo goed op de hoogte was, wat in dergelijke
gevallen te doen gebruikelijk is, en ik bovendien vreesde
dat de vrouw door haar echtvriend voor onze oogen zou
worden vermoord, stoof ik de kamer binnen om dit te
beletten. Doch deze goed bedoelde interventie kwam mij
duur te staan, want voor dat ik gelegenheid had het
talent mijner welsprekendheid te toonen, werd mijn mond
door een welgemikten vuistslag gesloten en hoorde ik mij
op een weinig gekuischten toon toebulderen: „Wie voor
den duivel heeft jou gevraagd je met mijn zaken te
bemoeien ?”
Het was mij niet mogelijk op deze vraag een afdoend
antwoord te geven, want mijn bovenlip was in een oogwenk
driedubbel in omvang toegenomen, terwijl ik voorts uit
erkentelijkheid een viertal tanden op den vloer achterliet.
Ik haastte mij dus de kamer en het huis uit en vond
in de frissche buitenlucht eenige verlichting van pijn. Ik
begaf mij nu op weg naar mijn woning in Watergraafsmeer
en zo*cht zooveel mogelijk stille straten op. Hoewel
ik de geheele week mij had moeten gewennen zonder
bril te loopen, was het gemis van mijn fokje in de halfduistere
straten mij van groot ongerief. Eindelijk tegen
halftwaalf bereikte ik mijn woning. De geheele week had
ik mij niet om mijn huissleutel bekommerd, doch nu ik
hem noodig had, bemerkte ik tot mijn schrik, dat ik hem
kwijt was. Haastig zocht ik al mijn zakken na, doch
zonder resultaat! Wat moest ik doen? Het was stil in
de straat op dit late uur. De buren waren waarschijnlijk
reeds ter ruste, bovendien durfde ik mij in mijn vermomming
niet aan hen te vertoonen. De eenige weg was
te probeeren een der ramen open te krijgen. Ik trachtte
met mijn mes tusschen de kieren een der pennen los te
werken en was hiermee zoo ijverig bezig, dat ik niet eens
het geluid van een zwaren stap achter mij hoorde.
Plotseling voelde ik een hand op mijn schouder, keerde
mij haastig om en keek in het gelaat van een stoeren agent.
„Zoo, zoo, ouwe jongen, net gesnapt hè? Ga jij maar
eens met me meel” En voor ik den toestand goed begreep,
had ik een paar boeien om de polsen.
Ik was buiten mijzelf van verontwaardiging.
„Mag ik soms het raam van mijn eigen huis niet open
maken?” vroeg ik.
De politieagent lachte.
„Vraag dat maar aan den inspecteur,” zei hij. „O,
man, ik twijfel er niet aan, dat je een eigen huis hebt
in de stad en een villa buiten en misschien nog wel een
motorboot en een auto, maar voor vannacht krijg jij van
mij nou ereis logies in een stadshotel.”
„Als je mij niet gelooft, vraag ’t dan aan de buren,” zei ik.
Den volgenden morgen moest ik voor den hoofdcommissaris
verschijnen ... .
. bemerkte ik met voldoening hoe goed mijn uiterlijk er
zich toe leende om voor een schurk door te gaan.
|