|
HENRI’S MEERDERJARIGHEID T3CT
onontbeerlijke metgezel van een zomerdag,
de zon, scheen vroolijk door het geopende
venster in de gezellig gemeubelde huiskamer
van een vriendelijk landhuisje. De ontbijttafel
was gedekt voor drie personen. In de
kamer bevond zich mejuffrouw Prins, een
dame van middelbaren leeftijd met een innemend gelaat
maar reeds vergrijsd haar. Het was haar aan
te zien, dat verdriet ruim haar deel geweest was
op den levensweg.
Haar gezicht klaarde op, toen ze een-Vluggen
voetstap hoorde en even later een lief jong
meisje van ongeveer achttien jaar de kamer
binnentrad. Het was haar nicht, Betsy Burton.
„Goeden morgen, tantelief! Is Henri nog niet
hier?” vroeg ze, terwijl ze de oude dame een
kus gaf. (
„Neen kind, maar hij zal wel gauw komen.
Hij is maar ééns een en twintig jaar!”
„Zijn er veel brieven voor hem?”
„Ja, eenige. Een zelfs uit Indië.”
„Tantetje,” zei het meisje eensklaps, terwijl
een diepe blos haaf bevallig gelaat overtoog,
„ik .... ik .... heb u iets te . vertéllen.”
„Ik geloof dat ik het raden kan, Betsy.”
„O, tante, ik weet zeker, dat u er geen
flauw vermoeden van hebt.”
„Kindlief, ik zie aan je gezicht dat mijn
vermoeden juist is. Kom hier en Iaat je oude
tante het je eens i n het oor fluisteren: Henri
bemint je en heeft je gevraagd zijn vrouw te
worden.”
„Hoe weet u dat zoo?” riep Betsy uit. „Ja,
hij heeft mij gisteravond gevraagd. Moet u mij
niet feliciteeren?'*
„Ja, ja, lieveling. Ik hoop dat je zeer, zeer
gelukkig zult worden/* en ze kuste haar nichtje
innig. „Weet je zeker, Betsy, dat je hem lief
hebt en dat niets je verhindert zijn vrouw te
worden?”
Betsy antwoordde met een blik, waarin te
lezen was dat ze het overbodig vond een dergelijke
vraag te beantwoorden.
„Je weet, liefste, ik heb ook eens liefgehad
en ben eens innig bemind geworden, maar er
gebeurde iets vreeselijks.... Later zal ik je
dat wel eens vertellen, kind, en dan zul je
begrijpen, waarom ik zoo bang ben voor je
geluk. Ha, daar is Henri.*’
Op dat oogenblik kwam een knappe jongeman
de kamer binnen. Betsy liep op hem toe, kuste
hem en bracht hem bij haar tante, die lachte,
terwijl haar oogen vol tranen stonden.
Nadat hij haar zijn aanzoek herhaald en haar
toestemming en gelukwenschen ontvangen had,
gingen ze aan tafel en werd hem gelegenheid
gegeven de ingekomen brieven te openen.
Die uit Indië bevatte het volgende:
Mijn lieve Zoon,
Ik hoop dat je dezen brief ontvangen zult op je een
en twintigsten verjaardag. Nu je meerderjarig geworden
zijt, wensch ik dat je van mijn
levensgeschiedenis zult vernemen wat
ik noodig vind dat je weten moet...
Ik smeek je, lieve zoon, oordeel niet
te hard over je vader.... Al wat ik
twintig jaar lang gedaan heb, deed
ik voor jou.... Ik heb je voogd en
pleegvader, mijn ouden vriend Willem
Nijland opgedragen, je zooveel te vertellen
als hij noodig oordeelt. Vanaf
dezen dag kun je rekenen op een inkomen
van zesduizend gulden per jaar.
Na mijn dood ontvang je de beschikking
over mijn geheele vermogen.
Ontvang de innigste beden voor je
geluk van je liefhebbende Vader.
Henri las dezen brief tweemaal met
een mengeling van ontroering en vrees.
Het was de eerste brief dien hij van
zijn vader ontving. Hij zat stil voor
zich uit te staren, met bleek gelaat.
Den briefverfrommelde hij werktuiglijk
tusschen zijn vingers. Zouden de drie
gelukkige maanden die hij hierin dit
huis had doorgebracht, gevolgd worden
door noodlottig nieuws?
Hij dacht eensklaps aan zijn medeminnaar,
Jacques Brandt.
Mejuffrouw Prins had voor Henri
groote genegenheid opgevat dadelijk
nadat zij hem twee jaar geleden had
leeren kennen, en hij had meermalen
bij haar gelogeerd, met gevolg dat
hij tot over de ooren verliefd was geraakt
op haar lief nichtje.
„Mijn voogd, de heer Nijland, zal
mij vandaag komen bezoeken om mij
over zaken te spreken,” zei hij tot
mejuffrouw Prins. „En Betsy,” viel hij zichzelf in de
rede, „ik zou je straks gaarne even spreken in den tuin.”
Het was stil aan tafel; elk der aanwezigen was
onder den indruk dat er iets onaangenaams stond te
gebeuren.
Na het ontbijt wandelde Henri met zijn verloofde
den tuin in.
UIT HET DUITSCHE VORSTENHUIS.
Wij ontvingen een dezer dagen bovenstaande aardige foto van Prinses August
Wilhelm van Pruisen met haar kind. Prinses August Wilhelm, geb. Prinses
Alexandra Victoria van Sleeswijk-Holstein-Sonderburg-Glücksburg, is gehuwd met
een zoon van den Duitschen Keizer. (foto W. Niederasthroth)
„Liefste, wat is er?” vroeg het meisje, terwijl ze zich
tegen hem aan vlijde. „Er is iets ernstigs gebeurd en
wie behoort dat eerder te weten dan ik?”
DE OLIFANTEN IN HET BAD.
De olifanten van White City in Londen nemen gedurende de warme temperatuur die er op het oogenblik heerscht,
eiken ochtend een bad in den vijver bij de hoofdgalerij. Op bovenstaande foto ziet men ze in het bad afdalen.
(foto Newspaper UI.)
Hij nam het meisje in zijn sterke armen en drukte
haar tegen zich aan.
„Betsy,” begon hij eindelijk
er iets mocht gebeuren dat
denk dan niet te hard over
mijn familie mocht zijn en
zwegen, geloof dan dat het »
er nooit aan gedacht
„O, Henri,”
verontrust, „ik
aarzelend, „als ... als . . ,
ons huwelijk verhinderde,
mij. Als er een geheim in
?k heb dat voor jou vermijn
schuld was. Ik heb
je te bedriegen . ...”
snikte Betsy, nu ten zeerste
weet niet wat je bedoelt, werWeenende
ging ze het huis in,
trouwe tante troost te zoeken in
kelijk niet!”
om bij haar
haar verdriet.
Den namiddag van dien dag kwam de heer
Nijland en had met Henri een gesprek van
meer dan een uur. Henri had het grootste ontzag
voor zijn voogd, die gedurende zeventien
jaar een vader voor hem was geweest. Had hij
eenigszins kunnen vermoeden welk een moeilijke
taak zijn pleegvader te vervullen had, dan zou
hij hem dit zeker gemakkelijker gemaakt hebben.
„Ik moet je allereerst meedèelen, Henri, dat
ik de grootste vereering koester voor je vader,
die onder de moeilijkste omstandigheden de
achting gewonnen heeft van allen met wie hij
in Indië heeft kennis gemaakt. Eens in zijn
leven heeft hij een mis slag begaan, wat hem
dit gekost heeft — weet God alleen! Toen hij
ons land verliet, vroeg hij mij, dat, indien hij
mocht trouwen, ik de zorg op mij zou nemen
van de kinderen die hij krijgen zou, en hen zou
grootbrengen in volkomen onwetendheid wie hun
vader was. Het was een zware taak die hij mij
opdroeg, doch ik heb die niet geweigerd. Hij
huwde in Indië, en jij werd geboren. Je moeder
overleed echter bij je geboorte. Toen je vier
jaar oud was, zond je vader je naar Holland.
Ert nu je meerderjarig geworden bent, heeft hij
mij opgedragen je zijn geschiedenis mee te
deelen, en hij bidt je hem niet te streng te
beoordeelen. Door noesten arbeid heeft hij zich
een vermogen verworven, waarvan hij aan jou
een jaarlijksch inkomen afstaat van zesduizend
gulden. Ik zal je nu vertellen wat....”
„Houd opl” onderbrak Henri op rustigen
toon, maar met een vreemden trek op het
gelaat. „Ik wil en kan niet één cent aannemen
van mijns vaders geld. Hij heeft mij bedrogen.
Hij had het recht niet mij groot te doen brengen
in de overtuiging dat zijn leven vlekkeloos was
geweest. ’t Is wreed . .. wreed ... wreed ...”
Hij stapte de kamer op en neer. Zijn gelaat
was bleek maar vastberaden.
„Betsy, mijn verloofde, wat zal zij er van
zeggen? Wat moet ik haar vertellen? Ik die
altijd geleerd heb eerlijk en betrouwbaar te zijn.
Ik ben in onwetendheid gehouden van iets wat
ik behoorde te weten en wat zij ook weten moet.”
is gedaan met een nobel doel, en den edelen
’t aldus beschikte volkomen waard,” antwoordde
„Het
man die
de heer Nijland. „Als je verloofde de geheele geschiedenis
kende, zou ze den naam eeren dien
jij draagt.
„Ik wil niets hooren voordat ik
getrouwd ben, het is al erg genoeg,
dat mijn ... mijn vader mijn vertrouwen
in hem geschokt heeft. En nu
zou u haar vertrouwen in mij willen
vernietigen. Neen, neen, ik wil de
waarheid niet hooren!” en hij stapte
de kamer uit.
Toen hij de huiskamer wilde binnengaan,
bleef hij in de deuropening
staan, want hij zag aan het raam
zijn meisje in gesprek met Jaques
Brandt, zijn mededinger.
„Betsy, ik verlang uitlegging,”
hoorde hij deze zeggen, met een stem
waaruit teleurstelling en jaloezie klonk.
Het meisje wendde zich met verontwaardiging
van hem af.
„Mijn uitlegging is,” begon Brandt
weer op hatelijken toon, „dat de zoon
van een vervalscher in geschrifte nu
juist niet de geschiktste partij is voor
de nicht van mejuffrouw Prins.”
„Herroep deze woorden,” barstte
nu Henri los, „jou leugenachtige
schurk!”
„Het is dewaarheid, ” hoonde Brandt.
„Drie en twintig jaar geleden heeft
uw vader een cheque vervalscht van
drieduizend gulden, werd gevat, gevangengezet
en vertrok daarna naar
Indië, waar hij sedert gebleven is.
Als je mij niet gelooft, vraag het dan
aaiï je voogd.”
„Je liegt, liegt, liegt!” kreet Henri.
,/t Is waar, waar, waar!” bulderde
Brandt op hem toetredende.
|