|
PANORAMA
„Wat heeft dit alles te beteekenen?” vroeg de Lisle
verwonderd.
„Dat is anders duidelijk genoeg. Gij zijt niet langer
een gevangene, Senor. Gij zijt vrij om te komen en te
gaan, net zooals gij wilt. En mag ik U er nu aan herinneren,
dat de Markiezin met het ontbijt wacht?**
Als in een droom volgde de Lisle het meisje door de
verlaten gang. Boven aan de trap bleef zij staan met de
armen in de zijde, het hoofd achterover geworpen, met
een verlokkenden blik in haar lachende oogen. Het
verleidelijke meisje maakte zijn bloed aan het koken
en zij genoot van haar macht. Ze hield haar korte rokjes
met beide handen vast en maakte een diepe buiging.
„De major-domo wacht U onder aan de trap,” zeide zij.
„Ik neem hier afscheid van U. A Dios, Senor Engelschman. Vaya con Dios!**
Ze deed alsof ze weg wou gaan; bliksemsnel keerde
ze zich echter om, legde beide handen op zijn schouders
en kuste hem den mond. En. voordat hij van zijn verbazing was bekomen, was zij vroolijk lachend verdwenen.
V.
Langzaam en in gedachten verzonken ging luitenant
de Lisle de trap af — en dit overkwam hem niet dikwijls. Wie zou toch dit meisje zijn dat zich als een
Zigeunerin vermomde? Dat zij niet tot die dwalende broederschap behoorde, sprak vanzelf. Onder aan de trap wachtte
hem nog een verrassing. Een lange, donkere en stuurschuitziende man stond op hem te wachten. Hij droeg een
lange, zwarte jas met epauletten, een kort zijden broek
en zijden kousen. Niettegenstaande de veranderde kleeding,
herkende de jonge Engelschman hem onmiddellijk. Het
was degeen, die met zooveel tegenzin het meisje op de
gitaar had begeleid.
Met de weinig toeschietelijke manieren van een Spaanschei. - rande boog de man. In de ruime hall stonden
een half dozijn knechten in livrei; hij wenkte er een
naderbij en richtte een paar woorden in het Spaansch tot
hem. Deze wendde zich tot de Lisle, noodigde hem uit
mede te gaan en geleidde hem naar een kamer waarin
zich al het noodige bevond om toilet te maken, waarbij
de man als kamerdienaar fungeerde. Met dit alles ging
veel tijd heen.
„Als de Markiezin Villatie-Pomale nog steeds met het
ontbijt zit te wachten,” dacht de Lisle bij zichzelf, „dan
heeft ze meer geduld dan de meeste vrouwen.”
Hij bekeek zich eens in een grooten staanden spiegel
en lachte zijn eigen beeld toe. Hij had altijd zijn uiterlijk gewaardeerd en was er ook op dit oogenblik meer
dan tevreden over. Hij volgde den bediende naar de
hall, waar de major-domo stond te wachten. — Deze
wierp de dubbele deuren open en kondigde vol ernst aan:
„Senor Don Bertrand de Lisle!”
De Engelschman bevond zich in een buitengewoon
groot vertrek, in welks uiteinde de gedekte ontbijttafel
stond. Een aantal ramen zag uit op de binnenplaats en
voor het verstverwijderde stond een vrouw. Toen de Lisle’s
naam werd afgeroepen, keerde zij zich om en hij merkte
op dat zij een prachtig, diepzwart kleed aan had. Met verbazingzaghij dat het bovenstegedeeltevan haargelaatachter
een zijden masker verborgen was. Hij maakte een beweging in de open deur en zag dat de vrouw hem aandachtig gadesloeg en iets haar scheen te vermaken. Twee
lakeien stonden aan het eene uiteinde der tafel.
„De tafel is gereed,” sprak de major-domo met een
diepe buiging.
„Geef mij uw arm, Senor de Lisle,’* zei de markiezin.
Haar stem ontroerde hem en de arm die hij haar
aanbood, beefde van zenuwachtige opwinding. Later kon
hij zich met geen mogelijkheid meer herinneren, waaruit
het maal had bestaan. Hij trachtte een gesprek te beginnen, maar zijn stem begaf hem. Hij was overtuigd dat
ze hem in stilte uitlachte en dit ergerde hem buitengewoon.
Na eenigen tijd zond ze met een lichte handbeweging de
lakeien heen. Toen deze de deur achter hen gesloten
hadden, leunde ze op haar ellebogen voorover op de tafel
en haar kin in haar handen leggende, keek ze naar de
Lisle’s gelaat op. Hij zag baar oogen door het masker
heen glinsteren.
„Ik dacht niet, dat het gezelschap van dames de
Britsche officieren zoo zwijgend maakte. De ondervinding
is voor mij geheel nieuw.’*
„Het doet mij leed, mevrouw, dat mijn conversatietalent .. .. ”
Met een helder lachje viel de markiezin hem in de
rede en zei: „Toch zijn er oogenblikken, waarin monsieur
de Lisle niet zoo.— hoe zal ik het noemen?.... niet
zoo verlegen is”
De jonge man kleurde.
„Zelfs bepaalt hij zich, naar ik hoor, niet altijd tot
woorden alleen,” voegde ze er guitig aan toe.
„Men boet voor zijne domheden,” zei de Lisle een
weinig verbitterd.
„Ja, elke vreugde die het leven ons verschaft moeten
wij betalen. Maar dit zou een armzalige reden zijn om
de jeugd van alle genoegens te berooven. In ieders leven
komt droefheid voor en heel dikwijls, — tè dikwijls, zonder
eenige vergoeding.”
„Het valt mij moeilijk in uw leven droefheid te veronderstellen, mevrouw,” zei de Lisle, haar recht in de
oogen ziend en al dien tijd hopend dat zij het masker af zou
nemen, dat hem verhinderde haarschoonheid te bewonderen.
Om de een of andere reden begonnen de lippen van
de markiezin te trillen.
„Ik heb redenen om te veronderstellen, dat ge een
boodschap voor me hebt namens generaal Erskine,” zei
ze op geheel veranderden toon.
Hare woorden herinnerden de Lisle eensklaps aan het
doel zijner komst op het kasteel Pomale.
„Ja mevrouw,” antwoordde hij. „De generaal vertrouwde mij een pakket toe, dat ik u moest overhandigen.”
„Geef het mij,” zei ze gebiedend.
De Lisle boog voorover, gespte de klep van zijn sabeltasch los en voelde met de hand in de zak. Toen hij
het gelaat weer ophief, was het doodsbleek.
„Nu mijnheer, het pakket als-’t-u-belieft.’*
De jonge man bevochtigde zijn lippen met de tong.
Hij kon geen geluid voortbrengen en toen hij zijn stem
weer tot rijn beschikking had, was die zoo schor als het
gekrijs van een roofvogel.
„Het is weg,” sprak hij.
„Weg, wat bedoelt ge senor?”
„Terwijl ik sliep moet men het pakket uit mijn sabeltasch genomen hebben.”
„Door wie denkt ge dat het weggenomen is?” vroeg
de markiezin op ijrigen toon.
„Dat zou ik u niet kunnen zeggen, mevrouw, maar
aangezien het hier in het kasteel geweest is ....”
„Wacht even, senor. Waarom veronderstelt gij dat het
u hier ontnomen werd?”
„Maar waar had het anders kunnen gebeuren?” vroeg
de Lisle domweg.
„Het is niet aan mij om u dat te zeggen. Als senor
de Lisle eens goed nadenkt, herinnert hij zich misschien
eene gelegenheid waarbij hij in slaap viel.” Ze keek hem
aan en genoot van zijn mystificatie; toen hief zij met
een helderen lach haar hand op en trok het masker af.
Mr. Dr. F. A. C. GRAAF VAN LIJNDEN VAN SANDENBURG,
lid van de Gedeputeerde Staten van Utrecht, benoemd tot
Commissaris der Koningin in de provincie Utrecht.
De Lisle sprong ten hoogste verbaasd op, want het
lachende gelaat voor hem was dat van de zigeunerin.
„Gij,” riep hij uit. „Gijl”
„Ga zitten, senor de Lisle,” zeide zij en haalde het
verloren gewaand pakket uit de plooien van haar japon
en hield het in de hoogte. „Wilt gij den inhoud ervan
niet weten?” vroeg zij.
De Engelschman hield zijn adem in en antwoordde:
„Neen mevrouw. Het pakket heeft zijn bestemming
bereikt en ik ben voldaan. De inhoud gaat mij niet aan.”
„Maar als ik u nu eens verzocht om het door te
willen lezen?”
„Dan nog zou ik zulks weigeren.”
Zij zag hem nadenkend aan, terwijl haar mooie oogen
verduisterden. Zij opende het pakket en nam den inhoud
eruit. „Wilt ge eens kijken?” vroeg ze glimlachend.
Het papier was geheel onbeschreven!
„Ik begrijp er niets van, mevrouw,” zei de Lisle.
„Toch is het niet moeilijk te begrijpen. Dat pakket
was een valstrik.”
„Voor mij, mevrouw?” vroeg de Lisle heftig.
^Neen senor Engelschman, voor mij.
Al hare luchthartige vroolijkheid was verdwenen. Haar
gelaat betrok, tranen van woede schoten haar in de
oogen; rij verhief zich in haar volle lengte van de tafel en
stampte met haar kleine voet op den grond. In een
oogenblik had zij haar kalmte hernomen.
„Je bent wreed geweest, Dick.. .” murmel de de markiezin. Er was een ondeugende uitdrukking in hare oogen.
„Ge kunt naar generaal Erskine terugkeeren, senor,”
zei ze „en hem vertellen dat zijn list mislukt is.”
„Vergeef mij, mevrouw, maar ik heb bevel ontvangen
om u te verzoeken mij naar het hoofdkwartier van het
Engelsche leger te vergezellen.”
„En als ik weiger?”
„Het doet mij leed u te moeten zeggen dat ik in dat
geval geweld moet gebruiken.”
In een oogwenk had het gelaat van deze wonderlijke
vrouw weer een verandering ondergaan. Hare oogen
glansden en haar gelaat straalde van vroolijkheid, terwijl
zij zeide:
„Vertel me eens, senor de Lisle, gelooft ge dat ik het
was die u in een hinderlaag lokte?”
De Lisle zweeg.
Ze kwam vlak bij hem staan, legde hare hand op zijn
schouder en keek hem diep in de oogen.
„Toe, zeg het mij,” zei ze zachtkens.
Het hart klopte den jongen officier in de keel; de
betooverende manieren van het meisje benamen hem zijne
bezinning. Met groote moeite deed hij een stap achteruit
en haar hand viel langs haar zijde. Hij knikte langzaam.
„Toch zijt ge niet langer een gevangene,” sprak ze.
„Dat is juist wat ik niet begrijp,” bekende de Lisle.
De markiezin hief de hand op.
„Luister,” sprak ze.
Van heel dichtbij klonk het geluid van een trompet.
Vol verbazing luisterde de Lisle naar het welbekende
trompetgeschal van de Britsche cavalerie.
Plotseling werden de dubbele deuren open geworpen.
„Generaal Erskine!”
De Lisle keek op alsof hij het in Keulen hoorde donderen. De markiezin lachte zacht. Generaal Erskine stap te
de kamer binnen: zijn sporen rinkelden op den parketvloer.
„Even nadat mijn boodschapper weg was, ontving ik
pas je briefje, Dolores,” zei hij. „Het spijt mij zeer, dat
ik je zoo verkeerd beoordeeld schijn te hebben.”
De Lisle werd beurtelings rood en bleek.
„Dolores!” mompelde hij, „wat heeft dat in 'shemelsnaam te beduiden?”
„Dit was slechts schijnbaar zoo, Dolores. Maar ge kent
mij genoeg om te weten, dat waar ik te kiezen heb
tusschen plicht en liefde, plicht nummer één is,” zei de
generaal kortaf.
Hij wendde zich tot de Lisle.
„Gij zult uw compagnie in het dorp vinden, luitenant.
Vervoeg u daarbij.”
De Lisle duizelde. Met een vreemd gevoel van moedeloosheid wilde hij zich omkeeren en heengaan, toen de
markiezin tusschenbeide trad.
„Wacht een oogenblik, senor de Lisle,” zei ze vriendelijk. „De luitenant begrijpt er niets van, Dick en
misschien is het beter dat hij zulks wel doet. Hij verkeert in de meening dat ik hem aan de Franschen overleverde en ik wil niet dat deze verdenking op mij blijft
rusten! Gij weet, waarom ik mij in de posade bevond
vanwaar ik u het briefje zond, toen hij daar met zijn
soldaten aankwam. Ik vermoedde het doel van zijn komst,
maar wenschte tot eiken prijs zekerheid te hebben.
Daarom... daarom.., nam ik de vrijheid mij die te
verschaffen.”
„Dat lijkt op je,” viel de generaal droogjes in.
„De grap was wreed, Ricardo mio, en niet eerlijk
jegens den luitenant. Ik keek het pakket toen niet dadelijk
na en daar ik veronderstelde, dat het mededeelingen bevatte die den vijand van veel nut konden zijn, nam ik
het weg, daar ik bijna zeker wist, dat hij overwonnen
zou worden. Gij meende dat i* dubbel spel speelde.”
Niet ik, maar de opperbevelhebber meende dat,
Dolores,” zeide Erskine. Tegen beter weten in werd ik
gedwongen te doen wat ik deed. Zooals de zaken op ’t
oogenblik staan is het beter dat onze verhouding nog
niet bekend wordt. Daarom was het papier schijnbaar
onbeschreven/’
„Schijnbaar onbeschreven?**
De generaal knikte.
„ Houdt ’t maar tegen het licht, dan zult ge zien, dat
er niets anders opstaat dan een innige bede om bij mij
te komen. Ik wilde je niet in moeilijkheden brengen.
Natuurlijk had ik een gek figuur geslagen, als de verdenking van den opperbevelhebber juist geweest was en
je het aan den vijand gegeven had, maar er zou niets
bijzonders gebeurd zijn.”
„Ik verlangde er naar bij je te komen, Dick,” zei de
Markiezin. „We zijn al zoolang van elkaar, is ’t niet?
Ik ben gauw met Pedio teruggekomen om alles klaar
te maken voor mijn vertrek. Gisteravond was ik net op
weg toen de Fransche troepen plotseling opdaagden en
mijn ^reiswagen omsingelden. Terwijl hun kolonel mij
ondervroeg, kwam deze luitenant met zijn soldaten aanrijden en er ontstond een gevecht___ Dios mio! wat
een gevecht en dat met slechts een handjevol mannen.
Wij werden allen teruggevoerd en ik was wanhopig
ik wist wat er zou gebeuren en ik was zoo bang dat
je mij niet meer gelooven zou. Is dat een wonder na
den strik dien je mij gespannen hebt, Dick, mi alma? —
Toen kwam uw paardenvolk hier in den nacht aan en
de Franschen, weg waren zij!” —
De generaal lachte grimmig.
„Ik zou wel eens willen weten, wat er in de posado
gebeurd is, toen je de Lisle het pakketje ontfutselde?”—
De markiezin bloosde lichtelijk. Toen keek rij de Lisle
met lachende oogen aan en sprak: „Dat is een geheimpje;
als je maar weet, mi Corazon, dat Senor de Lisle zich
moedig en als een man van eer gedragen heeft.
„Wilt ge dezen officier nu vergunnen om te vertrekken ?”
vroeg de generaal met een norschen glimlach.
„Dios mio! Wat zijn wij ongeduldig! A Dios, Senor
de Lisle, tot weersriens! Wat is het toch vreeselijk als
men een generaal tot man heeft!
|