|
Het Artisten-Sportfeest in het Stadion te Amsterdam
(Zie ook de foto’s In ons vorig nummer) (foto’s Sern. T, Silers)
et leven is vol wreed sarcasme.
Jaren werk je om de kunst hoog
te houden, om alle mogelijke en
onmogelijke rollen in het licht van
de schoonste werkelijkheid totleven
te brengen, moet je sjouwen en
trekken, dagen in treinen doorbrengen, om des
avonds drie uur voor ’n niet al te talrijk publiek
je diepste en grootste gaven te offeren op ’t altaar
van de tooneelspeelkunst, en nauwelijks ga je
buiten je boekje, beweeg je je op ’n terrein, dat
je alleen geadopteerd hebt, om eens ’n buitennissigheidje te hebben, eens ongegeneerd dol te kunnen
wezen, of half Amsterdam loopt uit, om je krankzinnig te zien doen, lacht zich kinderstuipjes en
bezorgt je ’n „uitverkocht huis”.
Menschen, die je nooit of te nimmer met een
zweep naar den schouwburg zoudt krijgen, die
alleen wel eens naar de Frascati gaan, omdat je
er rooken mag, of naar den Stadsschouwburg,
omdat het licht zoo laag wordt gedraaid en het
er zoo rustig is na het eten — je hoort er nooit
’n onvertogen woord — hebben zich nu opgemaakt
om op te gaan naar het Stadion, waarvan ze tot
dusver alleen de torens kenden, om er het schouwspel bij te wonen van menschen, van wie ze
nooit anders dan lazen, die ze niet kenden dan
uit de beschrijvingen van Barbarossa, of door
Heijermans. Menschen, die laag neerzien op populariteit, kunnen voor ’t eerst
nu eens ’n zuur gezicht zetten, bij het lezen
Mevr. Erfmann-Sasbach (links) en Mevr. Lobo-Braakensiek
als programma-verkoopsters.
’n ingezonden stuk van liefhebbers onder de
waren.
Maar ’k moet zeggen, ze hebben
tijd; die kennen „Swiep”, die kennen „Gim”, die
kennen „Brond”; ze kennen, met ze dwepen, ze
adoreeren, ’s avonds van achten tot elven, en wie
weet hoe lang daarna nog. Heele families van
ma’s en tante’s en dochters, vinden het Fransche
„chanson admirable” en den vertolker van het
Levenslied van beminnelijken eenvoud; staren
zich star, als ’ie ’s avonds in Americain wat
eten komt, en buigen zich de nek krom, om ’m
nog eens na te zien als ’ie weggaat.
Met eerbied zien ze tegen Gimberg op, als hij
statig door de zalen van Trianon stapt, en voor
Brondgeest hebben ze de beminnelijke nieuwsgierigheid voor het genie.
En nu waarachtig dalen al die groote geesten
van het tooneelaltaar af, verwaardigen ze zich
zich den volke van nabij te vertoonen, klimmen
op ’n paard of op ’n fiets, nèt als andere menschen, en geven zich van ’n geheel nieuwen kant
te bekijken.
Vaak is, door geringere feiten, grootere populariteit geschaad: je afgod in ’n zwembroekje, op
’n fiets, of zelfs gewoon al, omgeven door vrouw
en talrijk kroost, — de bewijzen ervan zijner —
daartegen zijn weinig adoratie’s bestand. Op ’n
paard, dat gaat nog; en ik meen dan ook dat
het daaraan toe te schrijven is, dat er zooveel
hooge oomes in de kunst voor de hippische sport
van het recette-bedrag. Ik ’t er kranig afgebracht. Ze hebben, klein
De hooge hoeden worden weggebracht door de lakeien. Nero (Henri Brondgeest) op dén Zegewagen.
stel zelfs voor het geven van sportfeesten in dezen vorm aan te bevelen
aan alle lichamen, die wat populariteit noodig hebben. De Tweede Kamer
kon bijvoorbeeld best wat gebruiken. En ik ben overtuigd, dat ’n TweedeKamer-Sportfeest bijzonder gunstig wezen
zou voor de nog steeds niet groote populariteit van dit lichaam en de meeste leden
zouden zeker er hun kiezers ’n groot plezier
mee doen. Een voetbalmatch van rechts
tegen links, ......... enfin, ik laat de ontwikkeling van het idee aan de heeren
zelf over. In ieder geval heeft het artistensportfeest ’n succès fou gehad. Hoe wil het
anders? Stel je voor: daar heb je — ik
noemmaar, wie me ’t eerst in de gedachte komt
— Pisuisse, Gimberg, Henri Brondgeest,
Jan Musch, Lobo, Morriën, Nico de Jong,
Willem van de Veer, Kiehl, van Gasteren,
en wie weet nog meer, verder van de dames:
Caro van Dommelen, Jo Tourniaire, Mevrouw
Lobo-Braakensiek,.... allemaal dames en
heeren, die met de honderd anderen om
zich, allemaal zich verheugen in ’n kring
of kringetje geestdriftige bewonderaars of
bewonderaarsters van allerlei stand en leefLouis Bouwmeester in gesprek met Jan Musch.
(Snapshot achter de coulissen).
en groot in roem, de handen ineen geslagen en in alles zóó broederlijk samengewerkt, dat zoowel het hors d’oeuvre als de plats-de-resistance van het
sportief-komisch-diner, in alle opzichten geslaagd mogen heeten.
Dat begon met den intocht van Caesar,
die „met z’n vrouwen en gevolg, waaronder
Egyptenaren, Nubiërs, Gladiatoren en buitgemaakte vrouwen, krijgslieden, slaven enz.
optrekt ter Arena”, zooals het in het programma heette.
Henri Brondgeest was Nero; Caro van
Dommelen Poppea en Octavia werd door
Jo Tourniaire voorgesteld, die op de renwagens, tusschen groepen soldaten te paard
en te voet, tusschen senatoren en priesters
en praetorianen, ten kampstrijd reden. De
bonte groepen, het schitteren der wapenrustingen, het wit van de vrouwengewaden,
de paarden, de wagens, binnen de omlijsting van het Stadion, bont en dicht bevolkt
als ’n in bloei staand bloemenveld en even
kleurig, bood ’n werkelijk schitterend schouwspel, dat een daverend applaus uitlokte van
het opgetogen publiek.
De wagenrennen daaraanvolgend waren
|