Panorama

Blad 
 van 2380
Records 841 tot 845 van 11897
Nummer
1914, nr.26, 24 juni 1914
Blad
04
Tekst
% Het ledigen der retorten, dat steeds met rook en veel stoom gepaard gaat, doordat de cokes direct bespoten wordt. weggebracht om daarna weer te worden herbouwd. Onze foto, die genomen is terwijl men zulk een oven aan het afbreken is, is daarom zeerinteressant, omdat men daarop duidelijk de inrichting van zulk een oven en de ligging der retorten zien kan. Behalve het reeds besproken retorten-systeem bestaat ook het z.g. kameroven-systeem, dat aan de fabriek aan den Oostzeedijk is uitgeprobeerd en in de onlangs in gebruik genomen nieuwe fabriek aan de Keilerhaven, uitsluitend in toepassing is gebracht. Zulk een oven bestaat uit 4 langwerpig-vierkante, horizontaal liggende afdeelingen of „kamers”, waartusschen kanalen loopen waarin evenals bij het retortensysteem, een hooge temperatuur onderhouden wordt. In iedere ,,kamer” wordt ineens 3,000 K.G. steenkool of naar gelang van grootte meer gedaan, die 24 uur blijven zitten. Door het lange verblijf der kolen in die kamerovens vervalt de nachtarbeid, wat de nachtrust van het personeel ten zeerste bevordert. Het zuiverhuis. Dit systeem voldoet uitstekend, het geeft grootere gasproductie, betere cokes, besparing van arbeid en de reeds genoemde bevordering van nachtrust voor het personeel. Deze kamerovens worden, in tegenstelling met de hellende (schuinliggende, zie onze foto) retorten, die met handkracht bewerkt worden, evenals de horizontaal liggende retorten, geheel machinaal bediend. Het geproduceerde gas in de diverse ovens moet nu verder gezuiverd worden, want nadat het door den reeds genoemden bak gezogen is, moet het gas, alvorens in de gashouders aan te komen, nog heel wat zuiveringen ondergaan. Eerst wordt het door een zware buis naar een groot gebouw, het z.g. Condensorgebouw gevoerd, waar het door middel van lucht- en waterkoeling op een temperatuur van 15 è 20 gr. C. gebracht wordt. Door deze koeling slaat nu in hoofdzaak het teer- en ammoniakwater neer, dat naar de teerputten wordt afgevoerd. Vanuit deze toestellen wordt het gas naar de gaspompen, in het daarnaast gelegen gebouw, gevoerd. Deze gaspompen brengen het gas vervolgens naar de toestellen die dienen om het gas voor het gebruik geschikt te maken, n.1. door het wegnemen der teer in den vorm van nevelblaasjes, die door afkoeling alléén niet te verwijderen zijn. Het gas wordt daartoe in een van gaatjes Een der groote gasmeters in het gebouw. PANORAMA voorziene klok geperst, en verkrijgt daardoor een groote snelheid, waardoor de nevelblaasjes tegen een wand gedrukt worden en breken, waardoor de laatste teer bestanddeelen afgescheiden worden. Maar het gaszuiveringsproces is ook hiermee nog niet afgeloopenl De ammoniak moet nog verwijderd worden en daartoe gaat het naar de ammoniakwasschers, waar door middel van water de ammoniak uit het gas gewasschen wordt. Alvorens dus in de gashouders aan te komen moet het gas een langen weg afleggen, voordat het geheel gezuiverd is. Zelfs de ammoniakwasschers zuiveren het gas nog niet geheel en het wordt ten slotte naar een gebouw gevoerd, dat zuiverhuis genoemd wordt, en waarin zich ijzeren bakken, z.g. kisten bevinden, die 6 meter in ’t vierkant zijn en gevuld met ijzeraarde, afkomstig uit Drente en Overijsel, een artikel dat voor dat doel ook wel in het buitenland gebruikt wordt. Het gas gaat hier door vijf van zulke „kisten”, laat daarin het cyaan en het zwavelwaterstof achter, en gaat eindelijk geheel gezuiverd naar het metergebouw, alwaar, de naam zegt het reeds, het geproduceerde gas gemeten wordt en verder naar de gashouders geperst wordt. En thans de watergas-fabricage. De grondstoffen van watergas zijn cokes en stoom : door gloeiende cokes wordt stoom gevoerd, waardoor ongecarbureerd watergas ontstaat, dat verbeterd wordt door het te carbureeren, waardoor bovendien het reukelooze watergas een doordringende scherpe lucht krijgt. Maar hoe geschiedt dat en wat gebeurt er met het watergas alvorens het de gashouders bereikt, waar het zich mengt met het koolgas? In een grooten cylinder, generator genaamd, wordt een flink vuur onderhouden. Dit vuur wordt beurtelings warm geblazen, en wanneer dat voldoende warm is, de blaaslucht afgezet en stoom toegelaten, welke dan ontleed wordt en waardoor 2 brandbare gassen ontstaan, namelijk kooloxydegas en waterstofgas. Vanuit den generator worden nu deze ontstane gassen geleid naar een tweeden cylinder, Carburator genaamd, (van binnen gevuld met vuurvasten steen) waarop gedurende het gasmaken gasolie, (afval van ruwe petroleum) door middel van een sproeitoestel gespoten wordt. Deze olie ontleedt zich en vermengt zich met het mengsel van waterstofgas en kooloxyde dat uit den generator gekomen is. Dit tweede mengsel wordt naar een derden cylinder gevoerd, de z.g. fixeerkamer, óók gevuld met vuurvaste steenen, welke evenals die in den generator, in gloeienden toestand zijn. In dezen derden cylinder wordt de onontleede olie, die door de gassen meegenomen is, nog verder tot ontleding gebracht en zoodoende in gas omgezet. Het z.g. gecarbureerde watergas dat nu ontstaan is, wordt naar een in de nabijheid staanden kleinen gashouder, dien men tusschenhouder noemt, geperst, om vandaar uit door een gaspomp naar de groote gashouders geperst te worden, alwaar het zich met koolgas vermengt. Alvorens echter de groote gashouders vanuit den genoemden tusschenhouder te bereiken, moet het om gezuiverd te worden, evenals het koolgas, door enkele toestellen geperst worden, n.1. door den teerafscheider en de zuiverkisten, welke toestellen evenwel geheel gesepareerd zijn van die der koolgastoestellen. Zooals reeds gezegd, vermengt het watergas zich met het koolgas in de gashouders, waardoor bet meng- of lichtgas ontstaat.... het gas dat wij branden 1 ! De gashouders zijn de provisiekamers van de gasfabriek, ’s Avonds heeft het grootste gasverbruik plaats, wat men aan de fabriek „verkocht” noemt. Doordat het productieDoordat toevallig een herbouwde stokerij zoo goed als klaar was, kunnen wij een interessante kiek ervan geven. Men ziet de retorten, daarboven de z.g. „K 1 i m p ij p e n” waardoor het gas de retorten verlaat, en op den grond de goot met schrapper die de gloeiende cokes naar buiten voert, waarvan in het artikel sprake is. Kijkje in het metergebouw; de regulators die den toevoer van gas naar de stad regelen. vermogen van het bedrijf steeds hetzelfde is, d. w. z. dat er voortdurend een gelijke hoeveelheid gas gemaakt wordt, wordt er ’s avonds meer verbruikt dan gemaakt, waar tegenover staat dat er overdag méér gemaakt wordt dan verkocht. Het overdag te veel gemaakte gas wordt dus in de houders bewaard en dient ’s avonds voor de te kleine productie. Tegen den avond zijn dan ook alle gashouders in top, (gevuld) en dalen geleidelijk, zoodat ze ’s nachts laag staan. Vanuit de gashouders gaat het gas naar de regulators welke toestellen dienen om het gas onder een lageren druk dan in de gashouders is, naar de stad te voeren, en er bovendien automatisch voor zorgen, dat deze druk dezelfde blijft. Met deze toestellen kan men tijdelijk den druk in het stadsnet vergrooten, waardoor het mogelijk is de automatische lantaarn-opsteekapparaten, een eenvoudig en zeer practisch werkend toestelletje, in werking te stellen, hetgeen reeds in vele wijken derstad geschiedt. Door vier zware hoofdbuizen wordt het gas in de stad Op den werkvloer der watergasfabriek. gebracht. En nu ik de geheele gasfabricage besproken heb dient ook nog iets gezegd over de ammoniakfabriek waarover we in den loop van ons artikel met een enkel woord gerept hebben. Het ammoniakwater wordt n.1. naar de ammoniakfabriek geleid en aldaar verwerkt tot ammoniaksulfaat, een stof, die in hoofdzaak voor kunstmest gebruikt wordt. Deze stof is een zeer belangrijk bijproduct, evenals het teer dat niet verder verwerkt en als zoodanig verkocht wordt. Ook de cokes of afgewerkte steenkool, waarvan in ons artikel sprake is, is een zéér belangrijk afval of bijproduct, en bij millioenen kilogrammen als steenkool in de fabriek gekomen, verlaat ze in even groote hoeveelheden als cokes de fabriek en wel als de eenigste brandstof die door de gasfabriek verhandeld wordt. En ten slotte mogen we het volgende constateeren. Door het enorme gasverbruik in het algemeen en de voortdurende toename blijkt maar al te duidelijk dat het gas niet ten doode is opgeschreven; integendeel, zoolang de wereld bestaat zal het gas in tijden van duisternis zijn helder licht over de aarde doen schijnen. Gezicht op het terrein der Gasfabriek aan den Oostzeedijk. Links ziet men nog het administratiegebouw en den toren van de Watergasfabriek; rechts de viaduct. Geheel in de verte is het terrein der gashouders.
PDF
Nummer
1914, nr.26, 24 juni 1914
Blad
05
Tekst
UIT HET VOLLE LEVEN HET 1OO-JARIG BESTAAN VAN HET NED. BIJBELGENOOTSCHAP. Ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van het Nederlandsch Bijbelgenootschap hadden er van 16—19 Juni verschillende plechtigheden plaats. De eerste hiervan was een algemeene bijeenkomst in de Nieuwe Kerk te Amsterdam, welke bijeenkomst werd bijgewoond door H.M. de Koningin-Moeder. DE OPIUMCONFERENTIE TE ’S-GRAVENHAGE. In de Ridderzaal te ’s-Gravenhage is de vorige week de Opiumconferentie gehouden, waaraan, zooals onze foto laat zien, de deelname heel groot is geweest. In het midden zien wij den voorz. Mr. J. F. Cremer; links daarnaast minister Loudon, eere-voorz.; rechts van den heer Cremer Jhr. Mr. de Beaufort, secr. DE VROUW IN DIENST VAN LIEFDADIGHEID EN POLITIEK. Hierboven een drietal foto’s die alle te *s-Gravenhage zijn genomen, doch bij geheel verschillende gelegenheden. Op onze foto links zien wij twee van de.dames, die zich geheel belangeloos gewijd hebben aan de collecte voor de pestbestrijding, die de vorige week te ’s-Gravenhage gehouden is. De twee foto’s rechts zijn van den propagandadag van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht te ’s-Gravenhage. Op de middelste foto zien wij Mej. Henr. Goudsmid die haar redevoering „Sluit de gelederen” houdt; de foto geheel rechts laat zien dat „das ewig Weibliche” ook bij de propaganda voor vrouwenkiesrecht goede diensten bewijst. PROTESTANTSCH ZIEKENHUIS TE s-H ERTOGEN BOSCH. De vorige week is te *s-Hertogenbosch een Protestantsch ziekenhuis geopend. Verschillende autoriteiten woonden de officieele opening bij. Wij geven hierboven een foto van de genoodigden en autoriteiten. DE INTERN. BAKKERIJ-TENTOONSTELLING TE AMSTERDAM. Den 15en juni is in het Paleis voor Volksvlijt te Amsterdam de Intern, bakkerij-tentoonstelling geopend. Wij geven hierboven een foto van het dagelijksch bestuur; v. 1. n. r. zittende G. PooL penningm.; J. A. Weber, vice-voorz.; Fred. C. Stöhle, voorz.; J. F. H. Wilmink, secr.; staande J. A. E. Verkade, j. G. F. Dombosch, j. J. Bokhorst, J. de Heus, Jhr. M. H. v. Rensselder Bouvier. (foto B. Groote & Co.) CONCOURS HIPPIQUE T £ WAGENINGEN. Begunstigd door prachtig weer is de vorige week Wageningen het concours hippique gehouden. Er waren kolossaal veel bezoekers en oo ’e deelname was bijzonder groot o.a. voor het springconcours hadden 32 liefhebbers im schreven. Wij geven hierboven een foto van Luit. Colenbrander, winner % n den 2en -»rijs. ’ (foto v. Es.) GROOTE BRAND TE ZWOLLE. De vorige week Woensdag heeft er in de creosoteerfabriek van de firma Croll & Co. een ontzettende brand gewoed, die ook de bijgelegen houtwerven heeft aangetast. De fabriek en een groote hoeveelheid hout zijn verbrand. Dr. J. TH. DE VISSER. oud-lid der Tweede Kamer voor het district Leiden, is nu gekozen voor het district Katwijk.
PDF
Nummer
1914, nr.26, 24 juni 1914
Blad
06
Tekst
Van Toos, die met Wimpie uit trammen ging, et kan me niet bommen!” zei Toos eigenzinnig, „ik heb nu eens zin om dat kind van Smulders een dagje mee uit te nemen! ’t Is een snoes van een jongen en ik kan me best een heelen dag vermaken met een kind!” Toos* rond kinnetje stak uitdagend naar voren, ze perste haar lippen na deze woorden vastbesloten op elkaar en zag er over ’t geheel uit alsof ze „er op of er onder” een sterke vesting zou trachten te nemen. „Jij hebt altijd zoo iets bijzonders!” minachtte Ko. „Je zit vol overdreven, mallotige denkbeelden! Wie neemt er nu zoo’n smerig kind een dagje mee uit, zoo’n jengelkous! Dat komt ervan als meisjes geen vrijer krijgen kunnen!” Aangezien Toos een meisje uit de verlichte eeuw was en er dientengevolge zeer vrije begrippen op na hield, had ze ’t op haar tong om na deze broederlijke woorden „stik” te zeggen, maar ze hield zich in voor haar moeder, ruischte majestueus door de kamer met een vinnig neusoptrekken voor haar broer en verdween. Den volgenden morgen om negen uur klopte Toos aan bij de Smulders. Juffrouw Smulders, die bij Toos* moeder tweemaal in de week de kousen stopte, deed zelf open. „Mag ik Wimpie vandaag mee hebben?” vroeg Toos, een beetje kleurend door ’t ongewone van de situatie. „Ik wou met de Electrische naar Haarlem en Zandvoort gaan en zou ’t zoo leuk vinden hem eens mee te nemen!” Juffrouw Smulders streek van aandoening of verwondering met den rug van haar rechterhand over haar neus, snoof geweldig en lachte. „Nou, as u ’t waage wil? Hij is soms merakel lastig op straat, maar hij kent u toch wel en as ie schreeuwt. .. geeft u hem maar af en toe. .. zóó, begrijpt u?” Juffrouw Smulders’ hand bewoog zich meer gracieus dan liefelijk in de lucht; daarop boog ze haar hoofd in een hoek van vijf en veertig graden naar achteren en riep haar jongsten telg, Wimpie. Wimpie was, een kleine versiering bij zijn neus niet meegerekend, een aardig ventje van ongeveer vier jaar, Toos vertrok met haar protégé ... had beentjes die binnenwaartsche neigingen toonden en een altijd pruilend onderlipje. „’k Zal hem sen hessejurrekie antrekke!” zei moeder Smulders, trotsch op haar lieveling. ,.Misschien kunt u zijn neusje gelijk ook een beetje schoonmaken!” waagde Toos bescheiden. „Komt wel goed, juffrouw I ’k Zal hem ook een schoon saddoekie meegeve, ’t wurm is soo verkouwel*’ Wimpie werd gereinigd en opgetuigd en hij hield zich gedurende dit proces zeer kalm, keek met oogen die een kalfje tot sieraad gestrekt zouden hebben naar Toos en vandaar naar zijn Zondagsche knoopschoentjes. Restte ten slotte nog het afscheid van zijn moeder. „Nou, nou wees je maar heel soet, hoor! En als je” — gefluister aan Wimpie’s oor — „dan vraag je an de juffrouw, hoort en niet” — wederom gefluister —. Toos kleurde. Wimpie knikte ten teeken dat hij ’t snapte en legde vervolgens zijn knuistje in Toos’ hand. „Nou juffrouw, en u past wel goed op hem, hè? En voorsichtig met uitstapre! En laat er geen seewater an zijn laarsies komme, dat bijt soo uit!” Toos vertrok met haar protégé, negeerde Ko die haar moedwillig-toevallig voorbijfietste en valsch grijnsde en zat een kwartier later in de Electrische naar Haarlem. De eerste tien minuten hield Wimpie zich voorbeeldig: hij keek links noch rechts, viel bij iedere bocht bijna van de bank, zoodat Toos hem ten slotte op haar schoot zette. Doch Wimpie vond deze behandeling te familiaar na zoo’n korte kennismaking en ook streed het tegen zijn mannelijk eergevoel op een vrouwelijken schoot te zitten. Hij gaf dit door twee knorren te kennen, die uit zijn klein maagje schenen te komen en Toos bijzonder verschrikten Ze was absoluut niet gewend met kinderen om te gaan en begreep de waarschuwing niet eerder dan nadat Wimpie zich met een paar energieke rukken op den grond gewerkt had, waar hij echter geen seconde verwijlde daar Toos hem weer opheesch. „Zoet zijn, Wimpie! Kijk eens naar de koetjes! en och! wat een snoezige varkentjes! Zie je wel?” Wimpie keek zeer diepzinnig, maar liet zich er niet over uit of de weibewoners hem interesseerden. Wel liet hij zijn lip op ’t onderste knoopsgat hangen en maakte zijn rechter-wijsvingertje een onderzoekingstocht naar zijn linker-neusgat. „Foei, Wimpie!” bestrafte Toos, angstig rondspiedend of iemand ook op dit gebrek in Wimpie’s opvoeding gelet had. Het vingertje daalde, ook de onderlip zakte nog een etage en Toos, meenende dat de eqnotie van den tramrit te sterk op Wimpie’s gemoed werkte, zocht met bevende vingers in haar taschje naar een rolletje chocolade en diende er haar kleinen gast een portie van toe. „Lekker, Wimpie? hou je wel van chocolaadjes? Niet mee knoeien, hoor!” Maar deze raadgeving werd in den wind geslagen. Wimpie beminde blijkbaar de chocolade niet, maakte ze echter op zijn manier productief door zich ermee te tatoueeren en eindelijk zijn handjes aan zijn „hessejurrekie” af te vegen, wat Toos niet verhinderen kon, daarWimpie zijn vingertjes stevig op zijn maag drukte als Toos’ zakdoek ter reiniging opdook. Een mijnheer achter Toos had schik in ’t geval. „Uw zoontje houdt er een eigen willetje op na, mevrouw!” zei hij lachend. Toos’ kleur streefde naar die van een gekookten kreeft. Ze wendde zich half om; gereed om een spinnig antwoord te geven, zooals jonge dames dat tegenwoordig doen als ze toonen willen dat ze van zich af kunnen spreken, maar ze keek in een allervriendelijkst gezicht met blauwe oogen en een bruinen baard en haar ergernis versmolt als sneeuw voor de zon. ,,O, maar hij is mijn zoontje niet!” antwoordde ze verward. „Ik heb hem maar eens een dagje meegenomen!” „’t Is te hopen dat de kleine man deze vriendelijkheid — of liever dezen heldenmoed — op prijs stelt,” begon de vreemde heer weer, met zoo’n geanimeerd gezicht alsof hij van plan was den geheelen morgen met Toos over dit onderwerp te babbelen. Toos keek ondertusschen tersluiks naar zijn handen en ontdekte tot haar verlichting geen ring eraan. Zoo zijn meisjes nu eenmaal en Toos maakte geen uitzondering op den regel, hoewel ze in haar jeugdig hoofdje volstrekt geen berekeningen maakte. Wimpie keek met een zeer streng gezichtje naar den buurman, van den buurman naar Toos en vervolgens weer naar den buurman, als zochten zijn kleine hersentjes eenig verband tusschen die twee. Bovendien — hoewel hij het zeer onaangenaam vond als er te veel notitie van hem genomen werd — het krenkte hem nog meer als men zich totaal niet met hem bemoeide en ook gaf dit laatste hem klaarblijkelijk een erg eenzaam gevoel. Hij blikte eenige minuten diepzinnig naar de groene weilanden waar de tram langs vloog, stak vervolgens zijn vingertje behoedzaam in het verboden neusgat en bleef zoo wederom eenige minuten peinzend zitten, tot een dikke traan langzaam in een zijner ooghoekjes borrelde en vandaar den weg over zijn wangetje zocht. Wimpie weende, Toos beving een panische schrik, de mijnheer met den baard toonde zich een en al medegevoel. In Toos werden alle nog slapende moederlijke gevoelens wakker; ze kuste en troetelde Wimpie, liet hem zijn neusje snuiten in haar eigen fijn batisten zakdoekje met een C. W. als monogram en hing een kleurig en lokkend tafereel op van wat Wimpie wachtte in Haarlem en van wat Wimpie wachtte in Zandvoort. Maar Wimpie scheen ontbloot van alle wereldsche neigingen. Vermoedelijk plasten zijn kleine voetjes liever in de goten van zijn smerig straatje dan in de kabbelende Noordzee-golfjes en beten zijn tandjes liever een homp roggebrood dan Toos’ luchtkasteel-taartjes. „’k Wil na me móéóé!” klonk het ten slotte met veel oe’s, gevolgd door een nieuwe uitbarsting. De mijnheer met den baard was door de ontsteltenis naast Toos komen zitten, lette echter meer op haar roode wangen en guitige oogen dan op Wimpie’s van smart verwrongen gelaat, hoewel hij zijn best deed dit niet te laten merken, wat hem volkomen mislukte. Een en ander heel natuurlijk in de gegeven omstandigheden. Kleine jongens met vieze neusjes en pruillipjes, benevens een te luid keel-orgaan zijn nu eenmaal geen bijzondere aantrekkelijkheid voor jonge mannen. Toch deed hij alsof het geval hem hoogelijk interesseerde en als Toos hem radeloos aankeek, niet wetend wat te beginnen met den kleinen lastpost, trok hij zijn gezicht in de meewarigste plooi en verzekerde haar telkens met meer vuur, dat hij niet begreep dat het kind, met zóó’n lieve gezellin, zoo huilen kon, waarop Toos het plotseling weer erg druk had met troosten. Intusschen herhaalde Wimpie steeds nadrukkelijker zijn wensch naar huis terug te keeren, gilde met lange halen zijn verdriet uit en zwaaide wanhopig met armen en beenen, wat rood kón zijn in zijn gezichtje, wAs rood, neen, erger dan rood, het helde naar paars. „Wat moet ik toch beginnen?” angstte Toos. „Wel, het beste is dat u maar dadelijk weer teruggaat,” antwoordde de mijnheer met den baard, „u zult toch weinig pleizier van uw beschermeling hebben!” „Hoe houd ik het nog een uur uit!” Toos’ gezichtje zou een engel vermurwd hebben, laat staan een gewoon sterveling. „Als ik u misschien van dienst kan zijn?” sprak de „Zoet zijn, Wimpie’ Kijk eens naar de koetjes...”
PDF
Nummer
1914, nr.26, 24 juni 1914
Blad
07
Tekst
PANORAMA vermurwde, „ik ben vandaag toch voor eigen genoegen uit en wil met pleizier weer met u teruggaan!” „Och néé!” weerde Toos af, inwendig verrukt over dit voorstel, „ik mag toch niet van u vergen dat u dezen mooien dag opoffert voor ons! Ik zal best met hem thuiskomen!” „Onzin!” besliste de galante ridder, „ik zou het niet kunnen verantwoorden als ik zoo’n mooi jong meisje alleen met zoo’n bengel liet optobben!” Alzoo gebeurde het dat Toos, Wimpie en hun beider beschermengel een half uur later weer op weg waren naar Amsterdam, bij welke gelegenheid Wimpie al zijn kruit in den vorm van tranen scheen verschoten te hebben: hij leunde tenminste met lodderige oogjes tegen Toos aan en gaf zijn beide metgezellen de gelegenheid tot een behoorlijk doch niettemin bekoorlijk gesprek, waarbij Toos zich op haar liefst voordeed en de mijnheer met den baard gelijken tred met haar hield, een en ander met het gevolg dat beiden op ’t einde der reis stil werden en Toos een niet meer te temperen gelaatswarmte had. Met ouderwetsche hoffelijkheid hielp de vreemde Toos ♦ „Dag Pa! dag Pa!” gilden de jongens . .. en Wimpie op ’t Spui uit de tram. Toen, juist als Toos met oogen vol blijde verwachting naar hem opkeek, klonk achter hen een soort Indianen-geschreeuw en twee jongens en een meisje, varieerend tusschen de 8 en 12 jaar, vlogen op den mijnheer met den baard aan, hingen om zijn hals en kusten hem, terwijl een elegant gekleede dame langzaam op het groepje toewandelde en Toos kwaadaardig aanblikte. „Dag Pa! dag Pa!” gilden de jongens. „We zijn net met Ma uit Haarlem gekomen, in den bijwagen van dezelfde tram en u heeft ons lekker niet gezien!” Toos voelde een zenuwachtige rilling over haar ruggegraat loopen; ze knikte flauwtjes tegen haar ridder, die met een diepen zwaai, doch met een koel-vormelijk gezicht, zijn hoed afnam en verdween met Wimpie in de Kalverstraat. En ze had niet verder te loopen dan tot den Heiligenweg om vast overtuigd te zijn, dat ze nóóit meer met Wimpie’s en nóóit meer met mijnheeren met baarden uit wilde gaan. 8 Juni 1914. JULIA FRANK. OP HET VELD VAN EER GEVALLEN LUIT.-KOLONEL THOMSON IN ALBANIË. e tragiek van den oorlog kennen wij, Nederlanders in Europa, slechts van hooren zeggen. Gelukkig bleef het terrein, waarop de bloedige veldslagen geleverd werden, verre van onze grenzen. Daarom schokt het ons nog sterker wanneer wij plotseling worden opgeschrikt door een bericht, dat ons meldt dat een der onzen als slachtoffer van den krijg stierf. Op het veld van eer gevallen. Wij wisten het wel, toen onze officieren naar Albanië togen, dat zij zich een uiterst moeielijke taak op de schouders hadden gelegd, maar wij geloofden niet aan gevaar voor hun leven. En nu is een der besten onder hen, Luit.-Kolonel L. W. J. K. Thomson gesneuveld. In zijn krachtig willen om het land, waaraan hij zijn energie had gegeven, te dienen, sneuvelde hij, werkelijk als een held, op het veld van eer. Ons past een weemoedige hulde aan zijn nagedachtenis. Een blijk van innig medevoelen voor zijn weduwe en zijn dochter. Doch ook het Vaderland verliest in hem een man van groote capaciteiten. Aan zulke mannen van de daad, die tegelijkertijd groote eigenschappen van hoofd en hart bezitten, heeft elke natie behoefte. *♦* Onze afbeeldingen geven verschillende episoden uit de geschiedenis die zich in den laatsten tijd om en bij Durazzo afspeelde. Boven links Luit.-Kolonel Thomson. Naast hem met den stroohoed op de door hem gearresteerde professor Chinigo, over welke arrestatie, zooals men weet, zooveel te doen is geweest. De foto bovenaan rechts geeft Vorst Wilhelm te paard, op weg om de troepen te gaan inspecteeren. Onze foto midden op BEWAKING VAN DURAZZO. VORST WILHELM TE PAARD. de pagina geeft een beeld van de bewaking van Durazzo waar de staat van beleg was afgekondigd; de poorten werden bewaakt door Italiaansche en Oostenrijksche matrozen. De foto links onderaan geeft een aardig panorama van een gedeelte van het oorlogsveld en, zooals men op deze foto kan zien, is de bewaking nu niet zoo heel erg gemakkelijk. Rechts onderaan geven wij van links naar rechts Derwisch Herma, den hoofdaanvoerder van de nationale partij; in het midden Nouri Bey, een van de nieuwe AÏbaneesche ministers; rechts den Italiaanschen professor Chinigo, die, zooals wij hierboven reeds memoreerden, door Luit.-Kolonel Thomson onder verdenking van spionnage was gearresteerd en eerst op ernstig aandringen van den Italiaanschen gezant werd losgelaten. EEN PANORAMA IN ALBANIË. DE VEELBESPROKEN PROF. CHINIGO (rechts).
PDF
Nummer
1914, nr.26, 24 juni 1914
Blad
08
Tekst
of kippen- en duivenmest aanwenden, doch steeds in kleine hoeveelheid en dan liefst vermengd met compost. Ook voor eene bemesting met kunstmest is de roos zeer dankbaar. Kalk mag vooral niet ontbreken. Rozen die alleen staan meste men zoo mogelijk in den herfst. Men verwijdere 50 cM. om den stam heen den grond en wel zoo diep, dat de wortels nog juist bedekt zijn en strooit in deze ondiepte den reeds te voren toebereiden mest, waarna men den uitgegraven grond er weer op strooit en alles flink aandrukt. In groepen staande stamrozen, die men gewoon is gedurende den winter naar den grond te buigen en van een winterdek te voorzien, bemeste men liever in het voorjaar, zoodra ze weer ontdekt zijn. Jonge groepen kan men op dezelfde wijze bemesten als alleenstaande stamrozen maar bij oudere groepen, die hare wortels reeds overal in den grond verspreid hebben, ga men liever als volgt te werk: Van het eerste gedeelte dat men bemesten >wil verwijdere men den bovengrond tot bijna op de wortels, strooit in die afgraving den mest en bedekke dien met van een volgend gedeelte afgegraven grond. Op deze wijze ga men voort tot de geheele rozengroep bemest is. Op het laatst afgegraven gedeelte wordt dan de grond gestrooid dien men van het eerste gedeelte-heeft verwijderd. Zoodoende wordt de mest beter verdeeld en overal even diep door den grond verspreid. Men zij vooral zeer voorzichtig met het gebruik van de spade opdat de wortels der rozen niet beschadigd worden. Zou men per ongeluk een hoofdwortel afstooten, dan zou de roos zeker onherroepelijk verloren zijn. Willen we echter onze rozen steeds in goede conditie houden en in groeikracht Soen toenemen, dan mogen we ons met deze hoofdbemesting niet tevreden stellen, maar moeten deze gedurende de geheele groeiperiode van tijd tot tijd herhalen, voornamelijk dan, wanneer zich de bloemknoppen ontwikkelen en dan nog eens na den eersten bloei, voordat de zomerscheuten zich ontwikkelen. Voor deze bemestingen neme men dan vloeimest. Van te voren maakt men den grond een weinig los, opdat water en mest terstond in den grond kunnen doordringen. Door bij elke stamroos een klein kuiltje in den grond te maken, voorkomt men dat er iets wegvloeit. Men vult die kuiltjes dan weer met aarde aan ter voorkoming van verdamping, waardoor dan de uitwerking eene duurzame is. Een voornaam punt, waarmede elke rozenkweeker en rozenliefhebber rekening moet houden, is wel dat de grond, waaraan hij zijne rozen toevertrouwt, vrij is van boomwortels. Zulks is zeer zeker niet het geval in de naaste omgeving van groote boomen die hunne wortels in alle richtingen verspreid hebben. Daarom geen rozen geplant bij groote boomen. Men geve ze liever een geheel vrije standplaats en plante in hare nabijheid slechts weinig en zwakke wortels makende zomerplanten. Mocht het zijn dat we juist onder hoog opgaande, groote boomen een rozengroepje of rozenpriëeltje zouden wenschen aan te leggen, dan zijn we genoodzaakt zulk een standplaats niet alleen diep uit te graven en de hinderende boomwortels af te steken, maar ook te zorgen, dat de zeerspoedig weer aangroeiende boomwortels ook op den duur onze rozen, ten minste voorloopig. niet meer kunnen schaden. In de uitgegraven ruimte brenge men dus dicht aaneengesloten planken die deze van alle zijden geheel afsluiten, zoodat er geen boomwortels meer in kunnen doordringen. Dan vult men die ruimte weer met aarde aan. Zoodoende zullen de boomwortels wel een soort vilt achter de planken veroorzaken, maar niet gemakkelijk in den rozenkuil doordringen. Wat is nu wel de beste onderlaag, waarop onze rozen moeten worden veredeld? Óaarover zijn de geleerden en ook de cngeleerden het nog weinig eens. De meesten houden daarvoor echter de Honds- of Bottelroos (Rosa canina) wel het best geschikt. Apeldoorn, juni 1914. R. TEPE. estaat er wel een bloem die ten allen tijde zoozeer de lieveling van den mensch is geweest en het nu nog is, als de Roos ? Neen voorzeker. Evenmin bestaat er ook eene cultuur waarop zich de mensch met meerenergie en kunstzin heeft toegelegd dan de rozencultuur, want het is hem gelukt deze fraaiste aller bloemen te kweeken in bewonderenswaardige menigvuldigheid zoowel van grootte en vorm als van kleur, zoodat het ons niet mag verwonderen dat de roos, vooral in de laatste jaren, harehoogste zegepralen gevierd heeft en hare verbreiding enorm is. Niet alleen bij koningen en vorsten die haar in hunne lusthoven en parken veelvuldig hebben aangeplant, niet alleen in de parken en tuinen van steden en dorpen, maar ook in de tuintjes der meest eenvoudige menschen treft men haar aan. Met geringe kosten, meestal zonder eenige kosten, weten deze zich de onderlagen, waarop de edelroos veredeld moet worden, te verschaffen en eene door hen zelf veredelde roos schenkt hun wellicht nog meer genot, dan de reeds kant en klaar gemaakte veredelingen der kweekers Willen we echter werkelijk genot van haar hebben, zal ze een sieraad van onze tuinen zijn, dan mag er niets aan hare verzorging ontbreken. Zooals elke bloem, wil zij aan onze verwachtingen voldoen, eene haar toekomende bijzondere behandeling vereischt, zoo is dit niet het minst met de roos het geval. Het kweeken van rozen, willen wij er werkelijk een voortdurend genot van hebben, verlangt onze bijzondere zorg. Al stelt zich de roos, vooral als ze veredeld is op de Honds- of Bottelroos (Rosa canina), die wij haast overal in eiken grond in het wild aantreffen, met eiken grond vrijwel tevreden, toch teelt de roos niet steeds even goed op eiken grond. Eene voedzame, diep losgemaakte klei- of leemgrond is boven elke andere grondsoort te verkiezen. In tuinen waar deze aanwezig is, zorge men ervoor dat de voor de rozen bestemde standplaats flink diep wordt omgespit en vermengd wordt met zand en kalkpuin. Bij een goede, zorgvuldige bewerking zullen in dezen grond alle rozen welig tieren. Zandgrond is gewoonlijk veel te licht en er ontbreken de noodige voedingsstoffen in. Dezen kan men verbeteren door vermenging met verweerde klei en door eene doelmatige bemesting met stalmest of compost. Natte, koude gronden, die voor geen enkele roos deugen, kunnen veel verbeterd worden door toepassing van drainage en het laten doorvriezen en verweeren van den uitgegraven grond, waarna men ook dezen vermengt met kalkpuin of nog beter met kalkmergel, asch, compost en anderen mest. Voordat zulk een grond met rozen beplant wordt, is eene meerjarige, diepe bewerking ervan zeer aan te bevelen. Vooral houtasch komt bier voor grondverbetering in aanmerking, maar ook steenkolénasch is uitstekend, zoowel voor bemesting als voor verbetering van den grond. Ook veengrond vermenge men met genoemde stoffen. Men zorge er echter steeds voor, dat die vermenging zorgvuldig en degelijk geschiedt. Daarom is het zeer aan te raden met deze grondbemesting niet te kort voor de plaatsing der rozen te beginnen, maar een en ander reeds gedurende de wintermaanden in orde te maken. De beste mest voor rozen is wel flink verteerde koemest. Deze vereenigt alle eigenschappen in zich, die men van een goeden rozenmest verlangt, namelijk het totstandbrengen van de juiste, voor de roos noodige, voedingsstoffen en tevens losmaking en verwarming van den grond. In plaats van koemest mag men echter ook wel beer ‘Roos „Selle Syonnaise"
PDF
Blad 
 van 2380
Records 841 tot 845 van 11897