|
GEÏLLUSTREERD
WE E K B L A D
De „werkelijke” heer v. d. Linden, grimeur
en pruikenmaker, die ook voor het volgend
speelseizoen door d. h. Verkade is geëngageerd
UITGAVE VAN A. W. SIJTHOFF’S UITGEVERS=MAATSCHAPPIJ
REDACTIE EN ADMINISTRATIE:
DOEZASTRAAT 1 TELEFOON INTERCOMMUNAAL 1 LEIDEN
PRIJS BIJ NUMMERVERKOOP 10 CENT, BELGIË 20 CENTIEMEN
17 JUNI 1914 No. 51 le JAARGANG
De Konst van Grimeeren EEN KIJKJE IN HET ATELIER BIJ DEN
HEER VAN DER LINDEN
(foto's J. B. Hijmans)
empora mutantur et nos
mutamur in illis — de tijden
veranderen en wij veranderen met de
tijden.
Toen ik een jongen was, dertig jaar
geleden — het maakt ’n mensch niet jonger als hij
daaraan denkt — vond ik het een ware verrukking
om op het tooneel louter ridders te zien, met golHERODES
vende lokken onder zwierige hoeden, met baarden
schier zoo lang als hun rapier en met gracielijk
omgeslagen mantels die de gansche figuur verborgen. De groote bekoring van al die „costuumstukken”, meest draken, de goede niet te na
gesproken, was wel deze, dat onze meest geliefde
tooneelspeelsters en tooneelspelers er schier onherkenbaar in waren. Het was, onder jongens, een soort
raadselspelletje wie ze, zonder program, het eerst
zou ontdekken: Door Frenkel achter het masker
van Jack Shepard „of de ridders van den nevel”,
haar broeder Louis, de groote, als hij de „Gebochelde” speelde, of „de Koerier van Lyon”, of,
om op wat hooger plan te komen, „Richard III".
Dat is gaandeweg alles anders geworden door
de hedendaagsche ontwikkeling van het tooneel,
dat, over het vergedreven realisme heen van het
„Théatre Libre”, zich meer en meer is gaan toeleggen op het wedergeven van stukken leven van
den eigen tijd, waarin öf wel sociaal-economische
óf wel psychologische moeilijkheden worden uitgewerkt en opgelost, óók niet opgelost.
Wij missen het costuumstuk in onze dagen nog
wel niet geheel, denk aan Rostand, en evenmin
het geschiedkundig tooneelspel, maar we zijn er
toch meer en meer aan gewend geraakt om op de
planken, die de wereld verbeelden, menschen te
2ien bewegen als wij zelf zijn.
Daar is ongetwijfeld een kunstzinnig voordeel
in gelegen voor tooneelspelers en tooneelgangers.
De tooneelspeler heeft, in den regel, niet zoo heel
veel aan eigen uiterlijk te veranderen, omdat het
ongetwijfeld een eisch van moderne regie is, de
rollen zóó toe te wijzen, dat de eigen figuur van
een tooneelspeler zich zooveel mogelijk leent voor
het weergeven van de figuur, die hij moet voorstellen. Men geeft den acteur met natuurlijken
aanleg voor zwaarlijvigheid toch niet de rol van
een slanken jongeling, die ondersteld wordt aan
paardenwedstrijden mede te doen.
Voor het publiek is het aesthetisch voordeel
van den gewijzigden toestand hierin gelegen, dat
zijn indruk niet bedorven wordt door slecht zittende pruiken, aangeplakte baarden, waarvan men,
met den kijker, de veeren ziet die den baard achter
de ooren vasthouden, door hooggewelfde voorhoofden die de scheiding te zien geven van het werkelijke vel en het valsche, mitsgaders al de strepen
van „rouge” en zwart die de „trekken” van het
gelaat moeten uitmaken. Dat lag er bij de tooneelvorsten, ridders, roovers, heksen, allemaal veel
te dik op.
Nu is het maken van een goeden „kop” geen
licht werk.
Ik herinner mij eens met een onzer goede
illustratoren gestaan te hebben voor een oudregentenstuk in een onzer musea.
Een reeks portretten, op een groot doek, van
zwaargebouwde, forschnekkige kerels, met kloeke
baarden en breedgerande, zwarte hoeden, typen
van de krachtige 17e eeuw.
„Zulke koppen teekent gij niet meer,” zeide ik
schertsend tot den schilder.
„Zulke koppen zijn er niet meer!” was zijn
antwoord.
Vandaar dat, waar de voorbeelden in het leven
niet voor het grijpen zijn, velen van onze tegenwoordige tooneelspelers zich in negen van de tien
rollen, die zij te vervullen hebben, met hun eigen
EEN SCHELE BOER
gelaatstrekken behelpen, lichtelijk gegrimeerd.
Het is mijn bedoeling niet om in de bijzonderheden te komen van de techniek van het grimeeren.
De meeste tooneelspelers van onzen tijd, in alle
landen, volgen nog het oude stelsel en grimeeren
zich zelf, laten zich hoogstens voor haar en baard
door den tooneelkapper helpen. Er zijn er, die
zeer veel zorg aan hun grime besteden en wel een
OUDE BEDELAAR
uur voor het „opkomen” reeds in hun kleedkamer
aan het werk gaan om hun „kop” te maken. Het
begint er altijd mede, dat zij het gelaat, hals en
nek, met cold cream of eenig ander vet insmeren,
om te zorgen dat de huid niet wordt aangedaan
in de eerste plaats, maar ook opdat de gelaatsoppervlakte smijdig en beweeglijk kan blijven onder
de laag vet of poeder, die er vervolgens opkomt.
Zonder uitzondering bijna wordt de eerste laag
gevormd door een basis van vleeschkleur, een
mengeling van geel en mat vieux-rose, die er met
een borstel op gewreven wordt. Dan komt de
pruik en vervolgens wordt het gelaat afgewerkt,
de kop „gemaakt”, schaduwen, vouwen, rimpels,
inzinkingen enz. aangebracht.
Dat alles is nog de oude manier van werken.
De nieuwe, waarover ik met den heer v. d. Linden, den grimeur en pruikenmaker van het gezelschap Verkade gebabbeld, en waarover ik het
een en ander gelezen heb, is van de oude niet
zoozeer afwijkend in de techniek, behoudens détails,
dan wel in de opvatting.
Ieder gelaat heeft leeftijdsverschijnselen, ouderdomsschaduwen; rimpels komen zoowel bij zuigelingen als bij grijsaards voor; bij een zuigeling
zijn de rimpels zelfs sterker aanwezig dan bij een
grijsaard.
Rimpels zijn gemakkelijk te zien, ouderdomsschaduwen niet. Hoe komt het bijvoorbeeld, dat
blonde vrouwen eerder die schaduwen vertoonen
|