Panorama

Blad 
 van 2380
Records 821 tot 825 van 11897
Nummer
1914, nr.25, 17 juni 1914
Blad
04
Tekst
PANORAMA EEN TYPE KANTOORBEDIENDE dan blonde mannen, van wie er sommigen de eeuwige jeugd schijnen te bezitten? De tooneelspeler die zijn „kop” verzorgt, of laat verzorgen, heeft op alles te letten, op de tint der wangen, op den overgang naar de slapen, op de kleur van ooren en lippen, op de lijnen van oogen en neus (de neus bijv, kan worden „aangezet”, maar dit is veelal op een leelijke wijze zichtbaar). De tooneelspeler nu, die de ouderwetsche methode volgt, doet dit alles met lijnen en streepjes in verschillende kleur, rood, bruin, zwart. Zijn gezicht is inderdaad beschilderd als dat van een roodhuid in de boeken van Aymard. Bij de nieuwere wijze van werken, die ook de heer Van der Linden volgt, en die, als ik het wel begrepen heb, in Duitsche vakscholen onderricht wordt, is met de oude traditie van lijnen en streepjes gebroken, doch worden verschillende kleuren aangewend om schaduwen en rimpels te verkrijgen, verschil van gelaatsuitdrukking te bewerken. Het zou onbescheiden zijn geweest, den heer Van der Linden bijzonderheden te vragen van zijn kunst — men gaat ook den kok in de keuken niet op de handen kijken —, maar wel vroeg ik RICHARD III EEN ZOON VAN HET OUDE VOLK hem om voor „Panorama” eens eenige koppen te maken, waaraan hij met groote bereidwilligheid heeft voldaan. Behalve een grimeur, zooals hij in het dagelijksch leven is en zooals hij aan het werk is, geven wij hem hier weder in zes verschillende „karakterkoppen”, die hij van zijn eigen hoofd heeft gemaakt. Wij laten aan het oordeel van den lezer over welke type het best is geslaagd, maar meenen met de wedergave van deze koppen het bewijs te hebben geleverd, dat men van „de kunst” van grimeeren in onze dagen spreken mag. , W. ‘Hollandict’s ‘ftoei- en Zeilwedstrijden, Hierboven een vijftal foto s van de op 5, 6 en 7 Juni gehouden roei- en zeilwedstrijden. 1. Het 6 meter-klasse jacht „Kaag van den heer L, Doedes, den Haag, dat op het oogenblik het snelstzeilende jacht in die klasse is gebleken te zijn, daar het de Neerlandia VI heeft geslagen, (foto Jonker & Zoon). 2. De gezellige drukte bij het eilandje. 3. De dames-deelneemsters brengen zelf hun boot te water. 4. De damesploeg van Nereus die het nummer vierriems won. 5. Mej. L. van Olst van „De Amstel , die de overwinning behaalde in nummer single-sculling.
PDF
Nummer
1914, nr.25, 17 juni 1914
Blad
05
Tekst
WIE WAS DE MOORDENAAR? NAAR HET ENGELSCH VAN ARTHUR ECKERSLEY oo stil en donker was het in de kamer, dat Thursfield, — toen hij de oogen opsloeg, — eenigen tijd in de waan verkeerde, dat hij in zijn eigen bed lag. Maar dan was dat bed toch wel bijzonder hard en ongemakkelijk! Hij huiverde; en terwijl hij de handen uitstak, om de dekens wat beter om zich heen te halen, kwam hij tot de conclusie, dat die er heelemaal niet waren ! Dit irriteerde hem toch zóó, dat hij in een ommezien overeind zat, en tot de ontdekking kwam, dat hij geheel gekleed op een sopha lag, in een vertrek, dat hij niet kende. Toen drong het langzamerhand tot hem door, dat hij den vorigen avond dronken was geweest: Het zware gevoel in zijn hoofd en de loomheid in zijn leden hielpen hem bij die herinnering. Ja, nu wist hij het weer: Den vorigen avond had hij zijn laatsten cent gebruikt, om zich moed in te drinken voor zijn bezoek bij Marston, den geldschieter, dien hij alléén thuisgevonden had, en wien hij zijn geval voorlegde. Zooals het gewoonlijk ging, bij een dergelijk gesprek, was het onderhoud daarmee geëindigd, dat hij hoogloopende ruzie kreeg, hoewel Marston natuurlijk altijd even beleefd en hoffelijk was gebleven, wat den ander dan nog meer irriteerde. Meer herinnerde hij zich dan. ook niet! Het schijnt, dat de wijn hem ten slotte zoo beneveld had, dat hij Marston’s woning niet meer kon verlaten. Vandaar dat hij er nu zoo ongemakkelijk gelogeerd lag. t Nu stond hij evenwel op, voelde zich nog wel zoo stijf als een bok, maar ging vast eens even het gordijn ophalen, waardoor hij zag, dat het nog heel vroeg in den ochtend was. Hierop keek hij eens even naar Marston zelven, die nog steeds voor zijn schrijftafel zat, precies als den vorigen avond, in zijn zijden kamerjapon. Hij lag achterover geleund in zijn stoel; alleen het wit van zijn oogen was zichtbaar en zijn gelaat was verder vaalgroen, behalve aan den eenen kant, die overdekt was met het bloed, dat uit een hoofdwonde vloeide. Blijkbaar was hij al eenige uren dood... Toen Thursfield tot die overtuiging kwam, begon hij zóó geweldig te beven, dat hij zich aan de tafel moest vastgrijpen. Dit alles was nog afgespeeld, eer hij den stok gevonden had. Dat was een tweede ontdekking. De stok lag op den vloer, even achter Marston, waar het ding zeker neergevallen was, na eerst als doodelijk wapen gebruikt te zijn. Het was een eikenhouten stok, met onmogelijk-dikken knop, die namelijk bezwaard was met lood. Het was inderdaad meer een wapen, dan een wandelstok. Thursfield was dan ook dikwijls gewaarschuwd voor het meevoeren van zoo’n gevaarlijk ding; —want de stok behoorde hèm. En nu was het gevolg dan ook geweest, dat hij Marston moest gedood hebben. En toen hij eenmaal dat feit wel aanvaarden moest, zou hij zich ook maar niet lang in de bijzonderheden verdiepen. Waarschijnlijk had hij den moord bedreven in een aanval van dronkemanswaanzin en was een oogenblik later in slaap gevallen, in dezelfde kamer, waar het lijk lag. Maar dronkemanswaanzin wordt helaas niet geaccepteerd als verontschuldiging van moord en doodslag. Thursfield zag zich in zijn verbeelding al op het schavot. Tenzij .... Toen kwam er op eenmaal een doodelijke kalmte over hem; en terwijl de eene helft van zijn hersens nog geheel vervuld was van de ontdekking, begon de andere helft al plannen te smeden voor ontvluchting. Het leek net, of hij twee personen was : de moordenaar en iemand, die er totaal buiten stond, maar wilde redden, wat er nog te redden viel 1 Allereerst wierp hij nu een blik op de klok : Die wees even over zessen. Hij bukte, en raapte geruischloos den stok op, toen hij tot de ontdekking kwam dat er een roode vlek op zijn eigen hand zat. Waarschijnlijk had hij deze nu een paar minuten geleden opgedaan, toen hij zich aan de tafel vastgegrepen had. Zijn pet lag op den stoel, naast de deur, waar hij zich nog herinnerde, dat hij die had neergegooid, toen hij binnentrad. Hij zette ze nu weer op en deed toen heel zachtjes de deur open, ’t Moeilijkste van het geval kwam nu nog aan : Als hij iemand tegenkwam op de trap....? Terwijl hij nog even draalde, met zijn hand op den deurknop, viel hem iets anders in. In dien eersten schrik van Marston dood te vinden, had hij eigenlijk geheel den levenden Marston vergeten, die hem om zijn schulden achtervolgd had. De daarop betrekking hebbende papieren werden, zooals hij wist, bewaard in de safe, die achter de schrijftafel stond. Met eigen oogen had hij gezien, dat de geldschieter ze daar opgeborgen had. En jawel; de sleutel zat nog in het slot. Dus niets makkelijkers denkbaar dan de documenten daar weg te nemen en ze te vernietigen. Het zou toch feitelijk jammer zijn, om die gelegenheid ongebruikt te laten voorbijgaan. Een oogenblik lang snuffelde hij tusschen de papieren in de kast, zeer onzeker in zijn bewegingen . . . Maar toen kwam hij plotseling tot het bewustzijn, dat wat hij nu deed, als zeer verzwarende omstandigheid zou gelden, ingeval hij gesnapt werd, Want natuurlijk had de oude Marston immers nauwkeurig boekgehouden van al zijn leeningen en stond de Thursfield-post dus wel degelijk ergens opgeteekend in zijn boeken. Als het een en ander nu geconstateerd werd, och, dan kon hij al zoo goed als zeker zijn van het touw om zijn hals!.... En die bevrijding van zijn financieele verplichtingen kon toch ook niets heeten in vergelijking met het gevaar, dat hij daardoor liep. Thursfield eindigde dus met de safe te sluiten, net zooals hij ze gevonden had, en den sleutel op tafel te leggen, naast de uitgestrekte hand. Nu trad hij het vertrek uit, en op het portaal gekomen, sloot hij zorgvuldig de deur achter zich. Voor zoover hij wist, woonde Marston alleen in huis, met een ouden man, die zijn bediende en zijn klerk tegelijk was. Waarschijnlijk sliep die op de bovenverdieping en zou dus zoo gauw niet gewekt zijn. Twee of driemaal kraakte de trap ; een geluid, dat in zijn verschrikte ooren veel erger leek, dan het in werkelijkheid was ; de rust in huis werd er tenminste niet door verbroken. Zonder stoornis bereikte hij de voordeur én wilde juist zijn hand om den knop slaan, toen hij zich opeens bedacht, dat zijn vingers mogelijk een bloediger, druk zouden achterlaten. Bijwijze van beschutting had hij dus eerst zijn pet om de hand gewonden en draaide toen den knop om. Zoodra hij zich buiten vertoonde, wachtte hem natuurlijk weer een ander gevaar. Maar de fortuin scheen hem te begunstigen : er was geen menschelijk wezen op straat te zien I Nu hij maar eenmaal goed en wel het huis verlaten had, voelde hij zich bij iederen stap veiliger. De stok met looden knop droeg hij nog steeds in de hand. En met een plotselinge ingeving gooide hij dit bewijsstuk zoo ver mogelijk tusschen het omheinde gedeelte van het plantsoen dat hij net overstak. In beide beteekenissen van het woord was dit een ware ,,verlichting”, want hier zou de politie toch wel allereerst gaan zoeken naar eenigerlei wapen. Onmiddellijk ging hij nu ook weer aan den huizenkant loopen. Juist op dit oogenblik hoorde hij andere voetstappen op het plein. In het eerst hield hij dit geluid voor de echo van zijn eigen loopen ; maar dat was toch niet zoo, want toen hij even stilstond hoorde hij het nog ! Het klonk zoo obscuur, in de stilte, en een onbedwingbare nieuwsgierigheid overviel hem, om eens te zien, wie die eenzame wandelaar toch wel wezen zou; hij kon het niet laten ; hij moést even kijken. Gek, daar hoorde hij op eenmaal de voetstappen niet meer; blijkbaar waren die blijven stilhouden om den hoek, dien hijzelve omgegaan was. HET VERGAAN VAN DE „EMPRESS OF IRELAND". De belangstellende menigte voor de kantoren van de Canadian Pacific Railway Cy., wachtende op nadere berichten omtrent de ramp. Maar het eerste huis om den hoek was juist dat van Marston, neen, maar daar moest hij toch het zijne van hebben! Op de teenen liep hij toen terug, er zich geen rekenschap van gevend, dat het toch al een heel vreemd gezicht moest zijn voor dengene, die dit schouwspel uit een der vensters van de huizen op het plein waarnam I Dat komt: hij was slechts vervuld van het idee, dat er iemand moest staan, op den stoep van het huis, dat hij zooeven verlaten had. Och, maar wat onvergeeflijk dom toch ook I Daar hadt je het immers al: Wie kon het nu anders zijn, dan de oude klerk : Wickstead. Dan had hij toch waarachtig niet zoo stil hoeven te zijn, toen hij de woning verliet, want nu herinnerde hij zich ook heel duidelijk, dat Marston hem verteld had, dat zijn klerk uit was I Het was dus nu de zaak, om maar zoo gauw mogelijk een eind van de woning verwijderd te zijn, eer Wickstead tot de ontdekking kwam en soms eenig vermoeden mocht hebben. Binnen twintig minuten was hij nu weer thuis ; en op dat uur van den ochtend begon het al druk te worden op straat. Op het laatste eind was hij dan ook heel wat personen tegengekomen, ofschoon gelukkig niemand, die hem scheen te herkennen. Zelfs de politieagent, die op den hoek stond van de straat, waar hij woonde, was hem totaal vreemd. Een eigenaardige gewaarwording gaf hem dat; iets wat hij in de nu komende dagen nog zoo dikwijls zou ondervinden,— als hij den man zoo vrij voorbijliep, terwijl hij in zichzelven dacht: „Hij moést eens weten”. Van echt berouw over zijn daad was geen sprake, want hij voelde niéts voor Marston. Evenals zijn slachtoffer woonde Thursfield alleen : Hij had de beide achterkamers van een tweedehands boekwinkel, waarmee hij in zijn onderhoud voorzag;— of eigenlijk was het meer een liefhebberij, dan een kostwinning ;— vandaar zijn bekendheid met den geldschieter. Hij ging onmiddellijk naar zijn slaapkamer, trok het pak uit, dat hij bij deze gelegenheid gedragen had, legde dat, in een bundeltje, onder zijn bed, en deed een ander aan. Toen stak hij de keukenkachel aan en ging voor zijn ontbijt zorgen ; net even kalm en gewoon, of er niets gebeurd was. Nadat de huishoudelijke beschikkingen getroffen waren, hij ook nog de luiken van zijn winkelruiten weggenomen had, kon hij dus niet veel anders doen, dan maar kalm den loop van zaken afwachten. Het eerste bericht van den moord zou hij toch pas vinden in het avondblad ; en naarmate de tijd van verschijnen van die courant naderde, raakte hij steeds meer in spanning. Hij had in het minst geen vrees meer voor
PDF
Nummer
1914, nr.25, 17 juni 1914
Blad
06
Tekst
PANORAMA ontdekking. Zijn eigen gerustheid daaromtrent verbaasde hem en steeds duidelijker kwam hij tot het bewustzijn, dat hij waarlijk een dubbel stel hersens had, waarvan het eene paar gewoon doorging met zich te bepalen bij de beschikkingen van het dagelijksch leven, terwijl het andere paar zich uitsluitend bij dat ééne bepaalde wat hem van ochtend zoo zeer ontsteld had. Zoodra de eerste krantenjongen zich maar in de straat vertoonde, kocht hij een blad, en gunde zich niet eens den tijd, om het op zijn gemak mee naar zijn achterkamertje te nemen, maar vouwde het nog in den winkel open, precies, zooals hij er mee van buiten trad. Daar had hij het al: „Zooeven ontvingen wij het bericht, dat de geldschieter, de heer James Marston, van ochtend dood gevonden werd in zijn eigen woning, op het —plein ; blijkbaar vermoord. Deze afschuwelijke ontdekking werd gedaan door den heer Alfred Wickstead, den vertrouwden klerk van den overledene, die omstreeks negen uur in den morgen, het kantoor van zijn chef binnentredend, dien dood vond liggen in zijn stoel. De politie is onmiddellijk in kennis gesteld met het feit en dus zal een arrest weldra volgen.” Dit voorgewend optimisme betreffende het vinden van den moordenaar verontrustte Thursfield in het minst niet. Wat hem wel zéér verwonderde was, dat de ontdekking niet eerder werd gemaakt, want Wickstead moest toch al meer dan twee uur in huis zijn geweest. Maar in ieder geval: nu was de kogel door de kerk, en kon de politie ingrijpen. Hij was echt nieuwsgierig -in ’t minst niet bevreesd,- tot welken maatregel die wel overging ? Als hij daar een beetje van op de hoogte bleef, kon hij althans dubbel op zijn hoede wezen. Daar viel zijn oog op eenmaal op een boek op zijn lessenaar en bij het zien daarvan had hij ’t wel kunnen uitschreeuwen van plezier: Natuurlijk ! Dat was de weg I De fortuin begunstigde hem toch weer : Onder zijn weinige klanten telde hij ook : Pilling, den grooten ScotlandYard detective I Tot nog toe hadden ze in geen andere betrekking tot elkaar gestaan dan als klant en boekverkooper. Nu was de detective pas een paar dagen geleden bij hem in den winkel geweest, öm een heel eigenaardig boekje, dat Thursfield hem echter wel te verschaffen wist. Afspraak was nu dat de detective over een paar dagen eens terug zou komen, om te hooren, hoe het er mee stond en of hij het al bemachtigd had. En daar prijkte het nu op den lessenaar I Niets was dus eenvoudiger, dan dat hij het ’s avonds, na sluiting van zijn zaak, even aanreikte bij den klant. Nog afgescheiden van alle andere beweegredenen, had Thursfield er een heimelijk plezier in, zich juist daar aan huis te vertoonen, om: ,,den spion te bespieden”, als ’t ware 1 Even nadat het donker geworden was, begaf hij zich dan ook op weg met het eerste deel van het boek — een geschiedkundig verhaal, — onder den arm. Het tweede deel wilde hij nog opzettelijk bij zich in den winkel houden liggen, voor ’t geval, dat hij voor zichzelven erg verlangen zou naar een volgend bezoek. Voordat hij zich op weg begaf, had hij eerst nog de voorzorg genomen, om het blauwe pax, dat hij den vorigen dag droeg, tot op het laatste vezeltje te verbranden. De detective was thuis, en verwelkomde zijn boekhandelaar hartelijx. Pilling was een goedmoedig oud heertje zoo op het uiterlijk. Buiten zijn ambtsbezigheden had hij een ware passie, om alle werken te verzamelen, die betrekking hadden op de topographie van Norfolk. Vandaar dat Thursfield dit ook als protext kon aannemen, om in hoogst-eigen persoon zoo ijverig naar zijn klant toe te draven. „Inderdaad heel vriendelijk van U,” spra* Pilling, dadelijk gretig het boek uit de handen van zijn bezoeker nemend. Daar zijn werk voor dien dag afgeloopen was, had de detective ’t zich gemakkelijk gemaakt; hij droeg een zwart-fluweelen huisjasje en was bezig, zich den een of anderen geestrijken drank te bereiden, dien hij nu ook onmiddellijk aan Thursfield aanbood. Terwijl onze vriend even rondkeek in het geheel met boeken gestoffeerde vertrek verwonderde hij zich weer opnieuw over het eigenaardige feit, dat hij zich nu als ’t ware midden in den leeuwenkuil bevond, zonder daarom in ’t minst bang te zijn.— Neen : hij genoot er eerder van ! „Ik wist wel, dat U het altijd heel druk heeft, Mijnheer Pilling”, sprak hij, „maar op dit late uur, dacht ik IJ toch vrij te vinden !” „Och, dat ben ik feitelijk nooit! ’t Is hard werken, hoor ! Dat verzeker ik je”. „Ja, maar interessant ?” meende Thursfield. De vriendelijke gastheer reikte hem den kokendheeten drank. „Och, kijk eens : Je leert wel terdege de menschelijke natuur kennen ; en dan : het wekt sensatie I Maar tóch”, — hier nam de spreker een paar hartversterkende teugen, niet half zooveel, als de buitenwereld wel meent”. „Nèèn ? . . . ” vroeg Thursfield weer heel bescheiden. „Je zoudt toch anders denken : zoo’n moord, of wat dan ook, dat...” Met „verlichten” glimlach viel Pilling zijn bezoeker in de rede : „Och, hoor eens hier, beste Thursfield: Een gewoon moordgeval is zoo eenvoudig als chocolade drinken ! Daar hoort niets geen scherpzinnigheid toe; om dat* uitgepeuterd te krijgen. Geloof me vrij!” „Ja heusch ?” vroeg Thursfield. — In zichzelven dacht hij echter : Wij zijn in de gelegenheid onzen lezers in kennis te brengen met de twee onlangs door onzen kunstkenner I. O. Kronig ontdekte vroege werken van Rembrandt: de ouders van Tobias, omstreeks 1629, en Bacchus en Ariadne, gem: R. en 1631 gedateerd. „Als je toch eens wist, hoe aardig ik je nu beet heb !” „Zeker”, ging Pilling voort. „Laten we nu bijvoorbeeld dat laatste geval eens onder de oogen zien : dien moord op het —plein, waar de couranten zoo vol van zijn. Ambtshalve hebben zij mij niet geraadpleegd, dus kan ik er mij juist vrij over uitlaten. Dat noemen ze nu een geheim, maar ik ben overtuigd, dat het de eenvoudigste zaak van de wereld blijkt te zijn”. „Denkt U, dat ze den moor . . . ., dat ze hèm, zullen vatten ?” vroeg Thursfield. Het was hem een ware teleurstelling, dat Pilling zelve het onderzoek niet leidde ; ofschoon hij toch weer moest erkennen, dat dit veel vóór had : De detective zou hem nu vrijer eens even een blik achter de schermen gunnen. „Hoor eens hier”, begon Pilling weer op vertrouwelijken toon. „Heel mijn werkkring door, heb ik nog nooit een geval ontmoet, waarbij ik, — van mijn kant, — niet onmiddellijk zeker was van den schuldige. En wat dien Marston zelven nu betreft: ik beloof je, als ik eenmaal op de hoogte ben gebracht van de toedracht, dan zou ik morgen aan den dag al de hand hebben gelegd op den moordenaar”. En in het vuur van zijn rede sloeg hij met de vlakke hand op Thursfield’s knie. „Ik geloof U graag, Mijnheer Pilling,” sprak de boekverkooper, innerlijk met den grootsten schik : Ja waarlijk, dit bezoek was nog eens de moeitewaard I Pilling voelde zich gestreeld door de schijnbare overtuiging, waarmee Thursfield die laatste woorden sprak ; en met de grootste welwillendheid bood hij aan : „Weet je wat: dat is misschien wel een aardige afwisseling voor je, — als je tenminste den tijd hebt; ik niet, zie je, — maar als jij het er nu voor over mocht hebben, om het verhoor te gaan bijwonen, en je geeft er mij dan van avond verslag van, dan beloof ik je, dat ik je wel vertellen zal, wiè de moordenaar was. Wedden ?. . . . Om den prijs van dit boek bijvoorbeeld ?” „Goed !” — Welja, dat had Thursfield er nu wel voor over I „Afgesproken dus !” ging de ander voort. „Persoonlijk was je immers niet bekend met dien „bewusten Marston?” De vraag kwam zoo onverwacht, dat Thursfield nog zijn eigen kalmte bewonderde, waarmee hij antwoordde : „Ongelukkigerwijs wèl I Ik was hem, — of laat ik liever zeggen : ik ben natuurlijk nog aan zijn erfgenamen, — een aardig sommetje schuldig”. — Knap er af gebracht niet waar ? De meesten in zijn geval zouden nu toch deerlijk van hun stuk geraakt zijn, en natuurlijk ontkend hebben. — „Nu”, antwoordde Pilling, met hartelijke deelneming in zijn stem, „geen gemakkelijke schuldeischer zeker ? Allicht zal je er nu niet slechter aan toe zijn !” En daarmee stond hij op ; dit interview hiermee eindigend : „Tot morgen dus, Thursfield I” Buiten gekomen, bleef de handige boekverkooper even stil naar de lucht staan kijken : Het leek wel, of de sterren hem eens oolijx toepinkten. „Wie zou dat nu gedacht hebben, dat ik ze allemaal zoo heerlijk bij den neus zou hebben ? Dan zal ik er morgen kunnen bijzitten, met het doodonschuldigste gezicht van de wereld, zonder dat iemand mij voor in t minst betrokken zal houden bij de zaak”. Nog langen tijd lag hij wakker, vervuld van de ironie van ’t geval. Maar toen het eenmaal tot ’t verhoor kwam, viel dit Thursfield eigenlijk tegen ; want natuurlijk ging dit alles heel officieel toe: In de eerste plaats werd Wickstead gehoord; wèl vond hij diens getuigenis interessant. De klerk was enorm verouderd in dien korten tijd, dat hij hem niet gezien had. Hij sprak maar flauwtjes, en scheen over het geheel zeer onder den indruk van ’t gebeurde. Die Marston niet gekend had, zou het er bepaald voor gehouden hebben, dat hij zoozeer getroffen was door den dood van een bemind chef. Wickstead scheen echter niet in staat, eenig licht te werpen op de misdaad. Hijzelve was op dien nacht niet in het huis van den vermoorde geweest, maar eerst tegen den ochtend weergekeerd; om halfnegen, meende hij, maar precies kon hij dat ook niet zeggen. Het kostte Thursfield bovenmenschelijke inspanning, om dit niet te verbeteren. Toen luisterde hij met de grootste aandacht toe, terwijl de oude man vertelde, hoe hij het lijk gevonden had. Het was zeer duister in de kamer, toen hij daar binnentrad; en terwijl zijn gezicht toch al niet heel best was, had hij in het eerst niets gemerkt, totdat hij zich omkeerde, na het gordijn te hebben opgehaald. Daarop gaf hij in de kleinste bijzonderheden een beschrijving van de houding waarin hij het lichaam had gevonden, en werden hem ook nog eenige vragen gesteld-, betreffende het deel van het vertrek, dat men bij het binnentreden niet zien kon. „Die sofa nu bijvoorbeeld ?”.... — Thursfield moest zich geweld aandoen, om stil te blijven zitten; — die, zooals we op den plattegrond zien, — aan den anderen kant naast de schrijftafel stond, — viel die geheel niet in het oog ?” „Neen,” was al wat Wickstead antwoordde. „Dan zou het den moordenaar dus mogelijk zijn geweest, om in de kamer verborgen te zitten, toen U binnentradt; en bij voorbeeld ontsnapt te zijn op het oogenblik dat geheel Uw attentie in beslag genomen was door het ophalen van het gordijn ?” Na lang aarzelen gaf Wickstead ook dit toe. Dit was een belangrijk punt en het veroorzaakte veel opschudding onder de aanwezigen. Toen het verhoor afgeloopen was, had Thursfield toch weer dol plezier in zichzelven. Wat waren ze soms toch makkelijk bij den neus te nemen I — Voor den ouden klerk speet het hem echter ; voor dien zou hij graag wat gedaan hebben.
PDF
Nummer
1914, nr.25, 17 juni 1914
Blad
07
Tekst
=.-—...............;.......... -. .....PANORAMA ..........'..;......... '...... ....-..... —------- ------- - De rest van den dag kroop letterlijk om voor Thursfield, want met groot verlangen zag hij uit naar dat onderhoud met den detective. Pilling zat hem al af te wachten; zijnerzijds eveneens vol verlangen. Het ietwat beschermende in den toon van spreken en in heel het optreden van den detective amuseerde hem. „Ga zitten ! Ga zitten I” noodde die . . „Wel, hoe staat het met onze weddenschap ? Zou ik het boek winnen ?. . . Heb je iets gehoord, wat eenig licht verspreidt in de „geheimzinnige zaak ?” Voor zichzelven scheen de detective al zoo goed als zeker van zijn conclusie ; daarom had Thursfield er des te meer plezier in, om zoo kalm mogelijk te antwoorden. „Neen ; niets, dat ons van te voren ook al niet bekend was. Met al hun scherpzinnigheid hebben zij den moordenaar toch nog niet bij zijn kraag”. De ander lag gemakkelijk achterovergeleund in zijn stoel. „En wat zou U nu zeggen, Mijnheer Thursfield, als ik U eens verzekerde, dat ik het al gedaan had ?” Een oogenblik raakte de boekv^rkooper toch van streek. Maar een blik op het goedmoedig-glimlachend gelaat van den ouden heer stelde hem toch gerust; en reeds half overtuigd, zei hij nog eens: „Zoo waar, als ik leef. Gelijk ik U al gezegd heb, is het geval zoo doorzichtig als glas. Hetgeen wij gisteren bespraken, interesseerde mij zóó zeer, dat ik vandaag op mijn eigen houtje het een en ander onderzocht. Zoo bracht ik een uur door op het tooneel van de misdaad. Maar nog geen kwartier kostte het mij, om achter de waarheid te komen. Bowers, die de zaak officieel in handen heeft, maakte mij een compliment over mijn handigheid om te combineeren en af te leiden. Want hij was tot dezelfde conclusies gekomen ; maar daar had hij twee dagen over gedaan! „Nu : en hoe luiden die dan ?” vroeg Thursfield. „Wel, vooreerst dat het misdrijf gepleegd moet zijn door iemand, die in huis woonde. Dit blijkt uit wel twintig kleinigheden, die een oppervlakkig beschouwer natuurlijk ontgaan. Enkele daarvan deelde ik Bowers mee. — Zei je wat ?” Thursfield had een onbepaalden klank uitgestooten, die het midden hield tusschen hoesten en onderdrukt lachen. Maar hij scheen dit liever ongemerkt voorbij te laten gaan; althans hij schudde het hoofd. „Nu : het zou ook te lang ophouden, als ik al die bewijzen en bewijsjes, stuk voor stuk, herhaalde. Het meest in het oogvallend was echter de vingerdruk. De afdruk van met bloed bevlekte vingers was duidelijk waarneembaar op de deur van de kamer, waar het lijk lag. Op de huisdeur waren de afdrukken niet te zien. Dus wat besluit je daaruit?” Thursfield schraapte eens even de keel en veranderde de vraag in een: „En U?” „Wel, dit gevoegd bij de nog enkele omstandigheden, — daaronder bij voorbeeld het feit, dat de sleutel van de safe, die naast den doode gevonden werd, daar een paar uren na de misdaad door den moordenaar moet neergelegd zijn, — leidde onherroepelijk tot het besluit, dat degeen, die Marston doodde, beslist met hem onder één dak moet hebben gewoond”. „Maar dat was toch niet zoo ?” begon Thursfield. Verder kwam hij echter niet, geïmponeerd als hij werd door de uitdrukking van stillen triomf op Pilling’s gelaat. „Enkel de oude Wickstead,” verbeterde hij. „Nu ; en vandaag of morgen zal Wickstead dan ook gearresteerd worden voor moord met voorbedachten rade,” sprak Pilling kalm-overtuigd. Zooiets had Thursfield nu toch in het minst niet vermoed. Wél had hij natuurlijk gedacht, dat er allerlei onmogelijke verwikkelingen zouden ontstaan door zijn totaal niet-inaanmerking komen als verdachte ; — maar dat die arme, oude man er nu zoo leelijk tégen zou loopen, — dat vond hij toch wel verschrikkelijk ! Zóó zeer was hij dan ook onder den indruk, dat hij geen woord zeggen kon. „Dus ik vrees voor jou, vriend, dat ik mijn boek voor niets krijg. Let eens op I” plaagde Pilling. Thursfield lachte. Hij wist nu wel wat hem te doen stond. „Nu : als het officieel zoo ver is !” antwoordde hij. Hij had zich intusschen voorgenomen, om den ouden klerk te gaan opzoeken, en hem te waarschuwen ; — als het tenminste al niet te laat was 1 . . . . En anders moest hij op een of andere manier raad schaffen ; want zijn onbegrensd zelfvertrouwen was in ’t minst niet geknakt door deze wending. „Ik dank U zeer voor Uw interessante les,” sprak hij, stond op, en maakte dat hij zoo gauw mogelijk de studeerkamer uitkwam. Niet enkel was hij doordrongen van het besef, dat zijn plicht hem naar den klerk dreef, maar hij voelde duidelijk aankomen, dat hij nu weer een „ervaring” zou opdoen, die nog ééns zooveel waard zou zijn, als al het voorgaande bij elkaar ! Dit opzichzelve was immers al een drama : de ware moordenaar, die tusschenbeide treedt, om den valsch-beschuldigde te redden ! . .. . Geen oogenblik mocht er verloren gaan. Naarmate hij dichter bij de woning van den geldschieter kwam, ging hem zijn laatste bezoek aldaar, — nu achtenveertig uren geleden, — al duidelijker voor den geest staan. En vreemd kwam het ook hém voor, dat hij volstrekt geen angst voelde, om het tooneel van den moord weer te betreden. Neen, ijdelheid scheen in plaats van vrees te zijn getreden. Zie het bijschrift van de foto op pagina 6. Hij wist door het verhoor, dat Wickstead nog in de woning sliep. z Terwijl hij den buitenstoep opging, trad daar op eenmaal 'een politieagent uit de schaduw van de boomen, die daar tegenover stonden, en het licht van een lantaarn viel óp hem. Dit stelde Thursfield althans gerust, dat er nog geen arrest had plaats gehad, daar het terrein nog bewaakt werd. Op zijn schellen deed Wickstead zelve open. Thursfield had immers al opgemerkt, dat er zoo veel verandering had plaats gegrepen in het uiterlijk van den ouden klerk, maar zooals die er nu uitzag, onder het licht van de lamp in de gang, — leek hij meer een geestverschijning, dan een mensch van vleesch en bloed I Hij scheen zich ook in het minst niet te verbazen over dat bezoek, en op zulk een laat uur. Hij sloot de deur en ging den bezoeker voor, naar een klein vertrekje, op de benedenverdieping, waar hij zijn kantoortje had. Teiwijl ze dus beiden binnentraden, bleef Wickstead steeds in stilte afwachten, dat Thursfield zou gaan spreken. Maar die was door de vreemde wijze van optreden van den ander waarlijk van streek geraakt. Hij stamelde dus zoo iets van : „’t Is natuurlijk over de Marston-zaak, dat”. . — En op eens bedenkend, dat die man daar buiten nog steeds op wacht stond, sprak hij heel zachtjes : „Ik ben U komen waarschuwen”. „Zoo ?”. . . Wickstead’s blik rustte eens even op den spreker. „Heel vriendelijk van U, . . Mijnheer Thursfield, niet waar? Ja, nu herinner ik U mij wel”. „Ik wilde je even op de hoogte brengen, dat je gearre steerd zult worden, omdat er verdenking op je rust. Toe" vallig hoorde ik dat vanavond. En daarom wilde ik je helpen, zooveel als in mijn vermogen is”. „Heel vriendelijk van U,” herhaalde de oude klerk weer. „Ik begrijp wel niet goed, waarom U zich zoo zeer voor de zaak interesseert, maar dat is nu hetzelfde ... In ieder geval bedank ik U”. Thursfield ging hoe langer hoe meer denken, dat er één uit wandelen was bij den ouden man ! Want hij keek zoo vreemd uit zijn oogen en hij deed zoo vreemd ! Nu zat hij bijvoorbeeld voortdurend te spelen met de lange schuiflade in de tafel. „Ja, wij weten nu wel, dat die verdenking zeer ongerijmd is,” ging Thursfield door : „U was immers den geheelen nacht thuis en dat zal ook best te bewijzen zijn ; maar in geval . . . .” Hier hield hij op. De woorden bestierven hem als ’t ware op de lippen, want Wickstead had de lade nu eindelijk geheel opengeschoven en haalde daaruit te voorschijn . .. Den dikken met-lood-gevulden stok, dien hij nu kalm-aan, op tafel legde : „Mijn hemel I” riep Thursfield. „Waar komt dié vandaan?” Wickstead kijkt zijn bezoeker even aan, en antwoordt: „Dien haalde ik uit het plantsoen, op het plein ’ Hoe het ding er kwam, weet ik niet I ’t Is de stok waarmee ik Marston doodde”. Die woorden werden zoo kalm en onbewogen gesproken, dat Thursfield zijn eigen oogen en ooren haast niet vertrouwde. „Wat ? ...” riep hij, hem recht in het gezicht ziende. „’t Spijt mij, dat deze mededeeling U zoo zeer schijnt te ontstellen,” sprak de ander. „Maar ja: ik was het, die Marston vermoordde en bij het verhoor kreeg ik volstrekt niet den indruk, dat er eenige verdenking op mij viel. Maar in ieder geval zou ik mijzelven toch zijn komen aangeven . . Zoo iets is toch niet uit te houden. U kunt zich niet begrijpen, wat ik de laatste dagen heb uitgestaan. „Maar man I...” gaapte Thursfield. Hij voelde den grond wegzinken onder zijn voeten, ,,’t ïs onmogelijk 1” „O, neen. Toch niet. Luister: Ik was dien nacht in waarheid weg. Onverwacht kwam ik tegen tweeën terug. Er was mij iets overkomen, waardoor ik nog al opgewonden was. Ik ging dus naar het kantoor en was ten zeerste verwonderd, Marston daar te vinden en op zulk een uur. Ik kwam met het voornemen, om enkele papieren te vernietigen, die schuldbekentenissen van mij inhielden. Ik haatte Marston met al wat in mij was .... Toen ik de deur opendeed, was het donker in de kamer. Bij het licht op de schrijftafel zag ik enkel, dat Marston met den rug naar mij toe zat. Bij het binnentreden liep ik tegen een stok op, die door den of anderen bezoeker daar bij de deur moest zijn blijven staan... Opeens werd mijn haat tegen Marston zóó onweerstaanbaar, dat ik dien stok nam en den ouden man, — zóó als hij daar zat — doodsloeg.” Met saaie stem dreunde hij die geheele bekentenis op, zonder eenige emotie. Terwijl Thursfield dus in de grootste spanning toeluisterde en meèr en méér tot de overtuiging kwam, dat rit de waarheid was, verviel voor hem alle „aardigheid” an het geval. De oude man vertelde verder, onbewust var den indruk, dien zijn woorden op den ander maakten. „Zoodra ik dat gedaan had, vluchtte ik het vertrek en het huis uit. Urenlang dwaalde ik door de straten. Het was vroeg in den morgen toen ik terugkeerde, en eerlijk gezegd, had ik toen nog weinig moed, de zaak onder de oogen te zien. Dat de stok verdwenen was, kwam mij op dat oogenblik heel vreemd voor, want ik wist toen nog niet, waar ik nu wel van overtuigd ben, dat ik het ding zelf moet hebben meegenomen. U ziet: ik kan alles verklaren”. Ja, dat zag Thursfield. De heele toedracht was hem nu glashelder. Hij zag den ouden klerk den doodelijken slag toebrengen, terwijl hijzelve onder dronkemansbedwelming op de sofa lag, waar Marston hem maar had laten liggen. Dit was de blinde rol, die hij speelde in dit drama terwijl hij zich nog al voor den hoofdpersoon had gehouden .... Een ware desillusie 1 „Maar hoor eens even,” pleitte Wickstead, hiermee voor het eerst blijk gevend van eenig gevoel ;.. „de man had een laag karakter. Ik heb dan ook geen spijt van mijn daad”. „Nu, en ik ook niet,” antwoordde Thursfield. Dit zeggende trad hij i et loome schreden naar de deur, en zei: „Er staat iemand van de politie buiten. Als je dien misschien graag hiér hebt. . .?”
PDF
Nummer
1914, nr.25, 17 juni 1914
Blad
08
Tekst
Verweegen © "Kok LICHT- en KOOKGAS Qmsterdam %alverstraat 88-90. ©en Haag hoogstraat 25 ‘Reisartikelen Sederwaren Zonder Leiding. F. W. Seeboldl, IJselmonde. (Telef. Int. No. 4022 Net Rotterdam)» U1TN00DIGING tot bezichtiging van een Miniatuur-Gebouw met kelder, kamers en gevels waarbij Ceresit is toegepast. De kelder is geheel door water omringd, terwijl het geheele gebouwtje doorloopend met water besproeid wordt. Inwendig blijft alles volmaakt Kurkdroog. HENRI HUINCK & ALEX. IMHOFE, GROOTE DRAAISTEEG 2-4, ROTTERDAM. , VRAAG BESCHRIJVING P. L. Meest betrouwbare Chronometer INTERC. TEL. N?25 Bekroond o.tn DEN HAAG. LONDEN. PARIJS, ANTWERPEN. met de HOOGSTE Onderscheidingen. ■II si TELEGRAM-ADRES: KINGMAMEPPEL. A B CCODE 4* « 5' Edt Onder controle van hetBotercontróie Btehion,GELDERLAND-OVERUSEL'reDEVENTER. ONDER RIJKSTOEZICHT. BLIKVERPAKKING voor export. GEDEPONEERD HANDELSMERK. LEVERING DIRECT AAN PARTICULIEREN. FR.p.P. IN GEDECOREERDE SCHUIFKISTJES. Naar VALKENBURG en het schoone GEULDAL per STAATSSPOOR. 9 DIRECTE SNELTREINVERBINDINGEN — dagelijks met het ZUIDEN (LIMBURG) via ’s-HERTOGENBOSCH—EINDHOVEN—WEERT. DOORGAANDE RIJTUIGEN le, 2e en 3e klasse van AMSTERDAM, ROTTERDAM en DEN HAAG naar MAASTRICHT. RESTAURATIERIJTUIG AMSTERDAM—MAASTRICHT vice-versa. Vanaf 1 JULI goedkoope reisgelegenheid naar Limburg met VACANTIEKAARTEN le, 2e en 3e Klasse voor f 4.— f 3.— en f 2.— per enkele reis. Als ge het langdurige passen wilt vermijden en toch correct gekleed wilt gaan, koopt dan een Supra Costuum Confectie» doch volmaakte pasvorm. Zelfs een vakman kan niet zien dat een SUPRA COSTUUM confectie is. Het succes van onze Supra Costuums is reeds verre boven onze verwachtingen. PRIMA STOFFEN EN AFWERKING. Magazijn Nederland KATTENBURG & Co. ROTTERDAM, - AMSTERDAM, DEN HAAG, - UTRECHT, - HAARLEM Zichtzendingen door het geheele land. ENNER-MEUBELEN WETTIG GEDEPONEERD Steriliseertoestellen en ! Glazen merk > ! „Frischhaltung « Inlichtingen en prijscouranten gratis verkrijgbaar. ' J. WECK. G.m.b.h. AFDEELING HOLLAND Arnhem H. ELLENS. INV. NOORDWOLDE FR. Te bekomen door de voornaamste Meubelhandelaars, of direct van de fabriek CATALOGUS OP AANVRAAG VERKRIJGBAAR N. V. Nederl. Rietvlechtfabriek Noordwolde Fr. . I
PDF
Blad 
 van 2380
Records 821 tot 825 van 11897