|
PANORAMA
ontdekking. Zijn eigen gerustheid daaromtrent verbaasde
hem en steeds duidelijker kwam hij tot het bewustzijn, dat
hij waarlijk een dubbel stel hersens had, waarvan het eene
paar gewoon doorging met zich te bepalen bij de beschikkingen van het dagelijksch leven, terwijl het andere paar
zich uitsluitend bij dat ééne bepaalde wat hem van ochtend
zoo zeer ontsteld had.
Zoodra de eerste krantenjongen zich maar in de straat
vertoonde, kocht hij een blad, en gunde zich niet eens den
tijd, om het op zijn gemak mee naar zijn achterkamertje te
nemen, maar vouwde het nog in den winkel open, precies,
zooals hij er mee van buiten trad.
Daar had hij het al:
„Zooeven ontvingen wij het bericht, dat de geldschieter, de
heer James Marston, van ochtend dood gevonden werd in
zijn eigen woning, op het —plein ; blijkbaar vermoord. Deze
afschuwelijke ontdekking werd gedaan door den heer Alfred
Wickstead, den vertrouwden klerk van den overledene, die
omstreeks negen uur in den morgen, het kantoor van zijn
chef binnentredend, dien dood vond
liggen in zijn stoel. De politie is onmiddellijk in kennis gesteld met het
feit en dus zal een arrest weldra
volgen.”
Dit voorgewend optimisme betreffende het vinden van den moordenaar
verontrustte Thursfield in het minst
niet. Wat hem wel zéér verwonderde
was, dat de ontdekking niet eerder
werd gemaakt, want Wickstead moest
toch al meer dan twee uur in huis zijn
geweest. Maar in ieder geval: nu was
de kogel door de kerk, en kon de politie ingrijpen. Hij was echt nieuwsgierig -in ’t minst niet bevreesd,-
tot welken maatregel die wel overging ? Als hij daar een beetje van op
de hoogte bleef, kon hij althans
dubbel op zijn hoede wezen.
Daar viel zijn oog op eenmaal op
een boek op zijn lessenaar en bij het
zien daarvan had hij ’t wel kunnen
uitschreeuwen van plezier:
Natuurlijk ! Dat was de weg I De
fortuin begunstigde hem toch weer :
Onder zijn weinige klanten telde hij
ook : Pilling, den grooten ScotlandYard detective I
Tot nog toe hadden ze in geen andere betrekking tot elkaar gestaan
dan als klant en boekverkooper.
Nu was de detective pas een paar
dagen geleden bij hem in den winkel
geweest, öm een heel eigenaardig
boekje, dat Thursfield hem echter
wel te verschaffen wist. Afspraak
was nu dat de detective over een
paar dagen eens terug zou komen,
om te hooren, hoe het er mee stond
en of hij het al bemachtigd had.
En daar prijkte het nu op den
lessenaar I Niets was dus eenvoudiger,
dan dat hij het ’s avonds, na sluiting
van zijn zaak, even aanreikte bij den
klant.
Nog afgescheiden van alle andere
beweegredenen, had Thursfield er een
heimelijk plezier in, zich juist daar
aan huis te vertoonen, om: ,,den
spion te bespieden”, als ’t ware 1
Even nadat het donker geworden
was, begaf hij zich dan ook op weg
met het eerste deel van het boek
— een geschiedkundig verhaal, —
onder den arm. Het tweede deel wilde
hij nog opzettelijk bij zich in den
winkel houden liggen, voor ’t geval,
dat hij voor zichzelven erg verlangen zou naar een volgend bezoek.
Voordat hij zich op weg begaf, had hij eerst nog de voorzorg genomen, om het blauwe pax, dat hij den vorigen dag
droeg, tot op het laatste vezeltje te verbranden.
De detective was thuis, en verwelkomde zijn boekhandelaar hartelijx. Pilling was een goedmoedig oud heertje zoo
op het uiterlijk. Buiten zijn ambtsbezigheden had hij een
ware passie, om alle werken te verzamelen, die betrekking
hadden op de topographie van Norfolk. Vandaar dat Thursfield dit ook als protext kon aannemen, om in hoogst-eigen
persoon zoo ijverig naar zijn klant toe te draven.
„Inderdaad heel vriendelijk van U,” spra* Pilling, dadelijk gretig het boek uit de handen van zijn bezoeker nemend.
Daar zijn werk voor dien dag afgeloopen was, had de detective ’t zich gemakkelijk gemaakt; hij droeg een zwart-fluweelen huisjasje en was bezig, zich den een of anderen
geestrijken drank te bereiden, dien hij nu ook onmiddellijk
aan Thursfield aanbood.
Terwijl onze vriend even rondkeek in het geheel met
boeken gestoffeerde vertrek verwonderde hij zich weer opnieuw over het eigenaardige feit, dat hij zich nu als ’t ware
midden in den leeuwenkuil bevond, zonder daarom in ’t
minst bang te zijn.—
Neen : hij genoot er eerder van !
„Ik wist wel, dat U het altijd heel druk heeft, Mijnheer
Pilling”, sprak hij, „maar op dit late uur, dacht ik IJ toch
vrij te vinden !” „Och, dat ben ik feitelijk nooit! ’t Is hard
werken, hoor ! Dat verzeker ik je”.
„Ja, maar interessant ?” meende Thursfield.
De vriendelijke gastheer reikte hem den kokendheeten
drank.
„Och, kijk eens : Je leert wel terdege de menschelijke
natuur kennen ; en dan : het wekt sensatie I Maar tóch”,
— hier nam de spreker een paar hartversterkende teugen,
niet half zooveel, als de buitenwereld wel meent”.
„Nèèn ? . . . ” vroeg Thursfield weer heel bescheiden.
„Je zoudt toch anders denken : zoo’n moord, of wat dan ook,
dat...”
Met „verlichten” glimlach viel Pilling zijn bezoeker in de
rede :
„Och, hoor eens hier, beste Thursfield: Een gewoon moordgeval is zoo eenvoudig als chocolade drinken ! Daar hoort
niets geen scherpzinnigheid toe; om dat* uitgepeuterd te
krijgen. Geloof me vrij!” „Ja heusch ?” vroeg Thursfield.
— In zichzelven dacht hij echter :
Wij zijn in de gelegenheid onzen lezers in kennis te brengen met de twee onlangs door onzen kunstkenner
I. O. Kronig ontdekte vroege werken van Rembrandt: de ouders van Tobias, omstreeks 1629, en Bacchus
en Ariadne, gem: R. en 1631 gedateerd.
„Als je toch eens wist, hoe aardig ik je nu beet heb !”
„Zeker”, ging Pilling voort. „Laten we nu bijvoorbeeld
dat laatste geval eens onder de oogen zien : dien moord op
het —plein, waar de couranten zoo vol van zijn. Ambtshalve hebben zij mij niet geraadpleegd, dus kan ik er mij
juist vrij over uitlaten. Dat noemen ze nu een geheim, maar
ik ben overtuigd, dat het de eenvoudigste zaak van de wereld
blijkt te zijn”.
„Denkt U, dat ze den moor . . . ., dat ze hèm, zullen vatten ?” vroeg Thursfield. Het was hem een ware teleurstelling, dat Pilling zelve het onderzoek niet leidde ; ofschoon
hij toch weer moest erkennen, dat dit veel vóór had : De
detective zou hem nu vrijer eens even een blik achter de
schermen gunnen.
„Hoor eens hier”, begon Pilling weer op vertrouwelijken
toon. „Heel mijn werkkring door, heb ik nog nooit een
geval ontmoet, waarbij ik, — van mijn kant, — niet onmiddellijk zeker was van den schuldige. En wat dien Marston
zelven nu betreft: ik beloof je, als ik eenmaal op de hoogte
ben gebracht van de toedracht, dan zou ik morgen aan den
dag al de hand hebben gelegd op den moordenaar”. En in
het vuur van zijn rede sloeg hij met de vlakke hand op
Thursfield’s knie. „Ik geloof U graag, Mijnheer Pilling,”
sprak de boekverkooper, innerlijk met den grootsten
schik : Ja waarlijk, dit bezoek was nog eens de moeitewaard I
Pilling voelde zich gestreeld door de schijnbare overtuiging, waarmee Thursfield die laatste woorden sprak ;
en met de grootste welwillendheid bood hij aan :
„Weet je wat: dat is misschien wel een aardige afwisseling voor je, — als je tenminste den tijd hebt; ik niet, zie
je, — maar als jij het er nu voor over mocht hebben, om
het verhoor te gaan bijwonen, en je geeft er mij dan van
avond verslag van, dan beloof ik je, dat ik je wel vertellen
zal, wiè de moordenaar was. Wedden ?. . . . Om den prijs
van dit boek bijvoorbeeld ?”
„Goed !” — Welja, dat had Thursfield er nu wel voor
over I
„Afgesproken dus !” ging de ander voort. „Persoonlijk
was je immers niet bekend met dien „bewusten Marston?”
De vraag kwam zoo onverwacht, dat Thursfield nog zijn
eigen kalmte bewonderde, waarmee hij antwoordde :
„Ongelukkigerwijs wèl I Ik was hem, — of laat ik liever
zeggen : ik ben natuurlijk nog aan zijn erfgenamen, — een
aardig sommetje schuldig”.
— Knap er af gebracht niet waar ?
De meesten in zijn geval zouden nu
toch deerlijk van hun stuk geraakt
zijn, en natuurlijk ontkend hebben. —
„Nu”, antwoordde Pilling, met
hartelijke deelneming in zijn stem,
„geen gemakkelijke schuldeischer
zeker ? Allicht zal je er nu niet
slechter aan toe zijn !” En daarmee
stond hij op ; dit interview hiermee
eindigend : „Tot morgen dus, Thursfield I”
Buiten gekomen, bleef de handige
boekverkooper even stil naar de
lucht staan kijken : Het leek wel, of
de sterren hem eens oolijx toepinkten.
„Wie zou dat nu gedacht hebben,
dat ik ze allemaal zoo heerlijk bij
den neus zou hebben ? Dan zal ik er
morgen kunnen bijzitten, met het
doodonschuldigste gezicht van de
wereld, zonder dat iemand mij voor in
t minst betrokken zal houden bij de
zaak”.
Nog langen tijd lag hij wakker, vervuld van de ironie van
’t geval.
Maar toen het eenmaal tot ’t verhoor kwam, viel dit Thursfield
eigenlijk tegen ; want natuurlijk ging
dit alles heel officieel toe:
In de eerste plaats werd Wickstead
gehoord; wèl vond hij diens getuigenis
interessant. De klerk was enorm verouderd in dien korten tijd, dat hij
hem niet gezien had. Hij sprak maar
flauwtjes, en scheen over het geheel
zeer onder den indruk van ’t gebeurde.
Die Marston niet gekend had, zou
het er bepaald voor gehouden hebben,
dat hij zoozeer getroffen was door
den dood van een bemind chef.
Wickstead scheen echter niet in
staat, eenig licht te werpen op de
misdaad. Hijzelve was op dien nacht
niet in het huis van den vermoorde
geweest, maar eerst tegen den ochtend
weergekeerd; om halfnegen, meende
hij, maar precies kon hij dat ook niet
zeggen.
Het kostte Thursfield bovenmenschelijke inspanning, om dit niet te
verbeteren. Toen luisterde hij met de
grootste aandacht toe, terwijl de oude
man vertelde, hoe hij het lijk gevonden had.
Het was zeer duister in de kamer,
toen hij daar binnentrad; en terwijl
zijn gezicht toch al niet heel best
was, had hij in het eerst niets gemerkt, totdat hij zich omkeerde, na het gordijn te
hebben opgehaald. Daarop gaf hij in de kleinste bijzonderheden een beschrijving van de houding waarin hij het
lichaam had gevonden, en werden hem ook nog eenige
vragen gesteld-, betreffende het deel van het vertrek,
dat men bij het binnentreden niet zien kon.
„Die sofa nu bijvoorbeeld ?”.... — Thursfield moest
zich geweld aandoen, om stil te blijven zitten; — die,
zooals we op den plattegrond zien, — aan den anderen
kant naast de schrijftafel stond, — viel die geheel niet
in het oog ?”
„Neen,” was al wat Wickstead antwoordde.
„Dan zou het den moordenaar dus mogelijk zijn geweest,
om in de kamer verborgen te zitten, toen U binnentradt;
en bij voorbeeld ontsnapt te zijn op het oogenblik dat
geheel Uw attentie in beslag genomen was door het ophalen van het gordijn ?”
Na lang aarzelen gaf Wickstead ook dit toe.
Dit was een belangrijk punt en het veroorzaakte veel
opschudding onder de aanwezigen.
Toen het verhoor afgeloopen was, had Thursfield toch
weer dol plezier in zichzelven. Wat waren ze soms toch
makkelijk bij den neus te nemen I — Voor den ouden klerk
speet het hem echter ; voor dien zou hij graag wat gedaan
hebben.
|