|
PANORAMA
De trotsche, fiere bloem is rood, cerise rood, met
smalle, somber gouden pailletten rand als hart, stengel en
bladen in tint als van door maan beschenen gras.— De
aan weerskanten juichend opstijgende kleinere bloemen
hebben somberder stengels — en somberder bladen —
alleen ’t onderste blad even fel belicht — de bloemen
zelf zijn mauve met groote, zwarte harten.
Toen ik Anny Redeker-de Roos’ werk voor ’t eerst
zag, deed ’t me vreemd aan, maar rustig vreemd, als
wist ik al dadelijk dat dèt nu mee, het nieuwe was wat
we zochten, de gezonde frissche, durvende, juichende
kunst van onzen tijd. Gezond is het. Als ’t zoo tegen den
muur hangt en door de zon beschenen wordt, doet het
denken aan een boerentuin, aan ’n moedig, oproerig lied,
aan vreugde en kracht.
Verwacht er geen zwoele stemmingen van als van oude
lapjes — geen weeë Liberty gevoelentjes, vol onbestemde
droomerigheid.
Een kreet is het, een gil, een roep in den dagenden
morgen x— een nieuwe schoonheid.
Heel anders, veel traditioneeler nog is het werk van
Leendert Goudswaard, die vooral zijn procédé voor zich
heeft.
Wat het is? Ik en weet het niet.
Op ’n souple stof is het een chenilleachtige versiering in mooie kleuren, een vinding van Goudswaard
zelf. No. 10 en 11 zijn zeker als teekening de beste,
hoewel ze mij nog te weinig nieuw zijn.
’tls voorèl om ’tprocédé dat ik op dit werk wijs,
’n Procédé waar ontzettend veel mee te bereiken is,
omdat ’t quasi en relief, een effect van licht en schaduw
geven kan.
Voor ditmaal genoeg. ELLEN FOREST
EEN1 HUWELI1JKSMARKT marctto;:,coT
etgeen ik u beschrijven ga, gebeurt niet
in Amerika. Het vindt jaarlijks plaats
in België, in het dorpje EcaussinesLalaing (Henegouwen). Een geniale
gedachte is daar, tien jaar geleden,
ontkiemd en geworden tot een thans
traditioneel terugkeerende werkelijkheid.
De meisjes van het dorpje Ecaussines-Lalaing waren
mistroostig. De jonge mannen van het plaatsje, zeker
beïnvloed door de verderfelijke moderne zeden en gewoonten, wilden niet meer trouwen. De liefelijkste blikken
der dorpsschoonen lieten hen koud. Toen beraadslaagden
de meisjes en bespraken zij wat er tegenover zoo’n misdadige onverschilligheid van het sterke geslacht gedaan
moest worden.
Na lange discussies, — hetgeen voor vrouwen niet
verwonderlijk is, — werd besloten tot de instelling van
den „goüter matrimonial”, of om Nederlandsch te spreken,
de huwelijksmarkt.
Duizenden circulaires werden over de geheele wereld
verspreid, waarbij de jongelieden van alle windstreken
van den aardbol uitgenoodigd werden op Pinkster-Maandag
naar Ecaussines-Lalaing te komen, om daar de pijlen
van Cupido in hun trouwlustig hart te laten schieten,
en met de door hen uitverkorene in het huwelijksbootje
te stappen.
Boven alle verwachting werd die oproep in 1904 beantwoord. Tienduizenden kwamen af op de lokstem der
Lorelei’s van Ecaussines, en talrijke dezer zagen hun
innigsten wensch verwezenlijkt. De „goüter matrimonial”
was weldra overal bekend en vreemdelingen van alle
landen kwamen haar bijwonen.
Wij zijn er ook naar toe geweest. Tot geruststelling
der lezers, die hun bloed voelen stilstaan bij dien eenvoudigen zin, zij dadelijk gezegd, dat ei ons niet het
minste ongeluk overkomen is, d.w.z. dat wij nog steeds
vrijgezel zijn.
De pijlen van Amor zijn afgeschampt op de olifantdikke huid van ons hart.
DE GERESERVEERDE RUIMTE.
Toen we uit het station kwamen, viel ons dadelijk de
feestelijke stemming op. Men voelde het, er zat iets
bizonders in de lucht.
De straten waren versierd met hooge masten, waaraan
wimpels fladderden, en hier en daar lazen we opschriften,
prettig en pittoresk, waarvan we de volgende afgeschreven
hebben:
„Ce n’est pas en se sugant le pouce,
Que 1’on trouve une épouse”.
(Men kan geen vrouwtje uit zijn duim zuigen.)
„Sur les bords de la Sennette
Fleuriront vos amourettes!”
(Op de boorden van de Sennette, zal uwe liefde bloeien).
Op het gemeentehuis, waarheen we ons onmiddellijk
begaven, werd ons een entrée-kaartje afgeleverd voor
het koffiedrinken, den eigenlijken „goüter”, en kochten
wij een koffiekopje, waarop gebiedend geleerd werd:
„Als ge wilt gelukkig zijn moet ge trouwen”.
En nu op weg naar het feest. In de straten joelde
een woelige menigte, uit de omliggende plaatsen, uit
Brussel, Antwerpen, Luik en verder nog door stampvolle
treinen aangevoerd. Alles liep naar de groote Dorpsplaats.
Na veel dringen, roepen en schreeuwen konden wij in
de voor den goüter gereserveerde ruimte geraken. Daar
stonden honderden tafeltjes, met kraakwitte tafellakens
bedekt, en daar rond, in gezellige ongebondenheid, de
jongens en de meisjes, met moeders en verwanten. Aan
dezvensters, rondom de plaats, hingen honderden lijven
naar beneden en keken ongeduldig uit naar hetgeen
komen moest.
Sparregroen, festoenen en bloemen zijn overal als versiering aangebracht. De menschen lachen, gichelen, tappen
moppen, en boven al die hoofden stijgt een geraas van
vreugde op.
Opeens gaat er een beweging door het volk: daar
zijn ze met de broodjes.
En inderdaad banen twee mannen zich moeizaam een
weg door de menigte.
Eindelijk zijn ze er. Doch o wee, wat nu gebeurt, tart
alle beschrijving: Allen dringen op naar de manden en
willen de broodjes grijpen.
Maar de mannen, met de uitdeeling belast, verstaan
de zaak zoo niet. Met hun dikke stokken beginnen ze
links en rechts geschenkjes uit te deelen die lang niet
zacht neerkomen.
De schrik slaat de menschen om het hart, het gewoel
wordt homerisch, het gegil vervaarlijk.
Ieder wil vluchten, doch kan niet weg.
Hoeden vallen af en worden vertrappeld, meisjes platgedrukt.
De manden zijn gevallen en de broodjes rollen over
den grond.
Straatjongens, alle gevaar tartend, glibberen tusschen
de beenen door, en sluipen dan weg met hun buit.
Geen uitweg meer wetend, springen de menschen op
de tafeltjes, en loopen, o hemel, op de sneeuwwitte
tafellakens, die in een oogwenk besmeurd zijn.
En tot overmaat van ramp, komt een groepje studenten
aanhossen, gooit de tafeltjes om en brengt de paniek op
haar hoogtepunt.
Kalm en oolijk-lachend staat een kino-operateur aan
zijn toestel te draaien ...
Dit nummer van het programma is mislukt. Doch
geen nood, nu begint de vreugde eerst voor goed. Muziekkorpsen nemen de menigte achter zich mee en door
de straten slingeren thans vroolijke slierten feestvierders.
Jongens en meisjes, arm aan arm, hossen voort.
Groepjes die elkaar ontmoeten, heffen een daverend gejuich aan.
De moeders glimlachen vergenoegd. Welke moeder,
die huwbare dochters heeft, glimlacht niet tegen een
knappen jongen man ? Worstelaars, kaartlegsters (die maken
goede zaken!) bedelaars, hebben zich langs de wegen
opgesteld. Een orkest van harmonica’s geeft een artistieke uitvoering. De dirigent is dronken: zijn hooge
hoed, in zijn nek, zijn gekleede jas en zijn besmeurdwitte broek verleenen hem een buitengewoon gedistingeerd uiterlijk.
Langzaam aan is de avond gevallen en het is alsof
de plechtige stilte van de natuur de menschen tot
grootere zachtheid en diepere innigheid stemt. De herbergen zijn vol, uit de danszalen golft huppelende muziek
naar buiten. En in aankomende duisternis zien wij reeds
hier en daar een paartje, verrukt glimlachen, over eenzame wegen wandelen. Het is alles stil, waar we nu zijn,
en soezend, alsof we ver weg waren van alle gejoel en
geschreeuw, zitten wij te droomen.
Waarde lezers en vooral lieve lezeressen, mag ik u
een goeden raad geven? Als ge ooit de gelegenheid hebt,
gaat dan naar Ecaussines. Het is er jaarlijks een feest
van rondborstige pret en als ge u nog niet de kettingen
van het huwelijksleven hebt laten aansmeden, zal er
misschien voor uw wachtend verlangen daar iets te
vinden zijn.
Want practische uitslagen geeft het feest zeker: ik
weet het van den pastoor, die zeer tevreden is over het
steeds aangroeiende aantal huwelijken.
Probeert het dus ook eens! Je kunt nooit weten....
Antwerpen. B. ABRAHAM.
DE TAFEL VAN DE PRÉSIDENTE (X).
|