Panorama

Blad 
 van 2380
Records 811 tot 815 van 11897
Nummer
1914, nr.24, 10 juni 1914
Blad
10
Tekst
laten voorleggen, aan was, waar de FOTO’S J. B. HIJMANS 3at was voor veertien daag. Toen ben ik een heelen dag erop uit geweest om eens te zien wat er alzoo aan borduursels in den handel was. Consciëntieus heb ik me voor alle etalages geplant, bij Liberty, bij anderen. — Vol verlangen wat moois te vinden, heb ik geen winkel overgeslagen. — Het resultaat? Wanhopig. Hoeveel ontzettend vulgaire, smakelooze dingen heb ik gezien! En telkens weer dacht ik: „Er moet toch wat GRETA KROP AAN HET WERK hebben die lamme Assyriërs jouw trekpot-motiefje toch weer gegapt.” Is dat niet heerlijk ironisch I En ging er prat op origineel te zijn! Zoo is het meest. Ik heb me „moderne” galons broderiën ook, waar niets moderns vogel Hoang of de hond Fo, duidelijk Oosterschen invloed deze kunstnijveraar verried, waar de chrysant eenvoudig gekopieerd was van Chineesche broderiën, waar pompadour bouquetjes om Queen Ann vaasjes slingerden of duidelijk Perzische invloed sprak uit de paarden en mannetjes. Na zoo’n treurige ontdekkingstocht, deed me het werk van Greta Krop dubbel prettig aan. Kan ze teekenen? Ik weet er niets van. In ieder geval teekent ze nooit haar patronen. Mooi, gelijk werken kan Greta Krop niet, daarvoor is haar geest te levendig, daartoe heeft ze ook te weinig geduld, maar ze kan ontwerpen, vormen en kleuren vinden. No. 2 en 3 zijn banden, randen voor blouses of kinderjurken. No. 2 is dofgrijs met helrooden rand en groene tak. No. 3 is helblauw met oranje. No. 4, 5, 6, zijn eveneens randen, 4 en 6 heb ik zelf gebruikt op zwart fluweel en ik kan u verzekeren dat ’t prachtig was. No. 4 heeft grijs fond, grooten oranjen bal en groen uitstralend hart, No. 6 is multicolore zonder schreeuwerig te zijn. No. 7 is een roode papaver op groen fond met twee zilveren knoppen en groen blad, een kussen geloof ik of een kleedje om zoo ergens neer te leggen. Greta Krop’s werk is zonder pretentie. Maar wat een 1 anders zijn.” Liberty, zeker, had nog de beste, maar hoe on-eigen, hoe weinig origineel ook! Is onze tijd dan zoo arm, dat we niets tot stand Haar mandje met de wonderlijk kleurige wolballen, haar raam en haar lappen, is al wat ik ooit van haar gezien heb. Tusschen haar raren rommel zit ze dan dood op haar gemak, spant haar doek op ’t raam en begint. Ze werkt zooals een vogel zingt. Zonder overleg. De kleuren, de vormen, ’t gaat als vanzelf en nooit haalt ze iets uit; zooals het is, is het altijd goed. Het kussen No. 1 is van hard blauw laken, de vakafdeeling van breed zwart band, de groote hoeken vuurrood, de kleinere groen, hard boerengroen, de vlammen wit. Het materiaal is grof en eenvoudig, maar ’t effect schitterend. kunnen brengen zonder bij anderen te leenen, bij al degenen van wie wij het resultaat zijn, en die we dus, zeer dankbaar voor wat ze voor ons deden, toch achter ons zouden moeten laten? Ik herinner me een aardige anecdote. De broer van een onzer groote kunstnijveraars schreef na een bezoek aan ’t Museum in Haarlem, aan den kunstnijverenden broer: „Mijn waarde, ’t is toch beroerd tegenwoordig, nu 2 vreugdige frischheid in kleur en vorm en, ’t allerbeste ervan —, hoe werkelijk echt en eigen en vrij van invloeden. No. 8 is een wol borduursel op mauve zijden fond, van Anny Redeker—de Roos. Dat is wel het meest gewaagde staaltje van kleurensamenstelling. Het zijden fond, waarvan de rand alleen zichtbaar is, is licht mauve. Het bovenste veld is blauwgroen, het tweede en vierde zijn zwart en’t daartusschen liggende, derde veld, is hard grasgroen.
PDF
Nummer
1914, nr.24, 10 juni 1914
Blad
11
Tekst
PANORAMA De trotsche, fiere bloem is rood, cerise rood, met smalle, somber gouden pailletten rand als hart, stengel en bladen in tint als van door maan beschenen gras.— De aan weerskanten juichend opstijgende kleinere bloemen hebben somberder stengels — en somberder bladen — alleen ’t onderste blad even fel belicht — de bloemen zelf zijn mauve met groote, zwarte harten. Toen ik Anny Redeker-de Roos’ werk voor ’t eerst zag, deed ’t me vreemd aan, maar rustig vreemd, als wist ik al dadelijk dat dèt nu mee, het nieuwe was wat we zochten, de gezonde frissche, durvende, juichende kunst van onzen tijd. Gezond is het. Als ’t zoo tegen den muur hangt en door de zon beschenen wordt, doet het denken aan een boerentuin, aan ’n moedig, oproerig lied, aan vreugde en kracht. Verwacht er geen zwoele stemmingen van als van oude lapjes — geen weeë Liberty gevoelentjes, vol onbestemde droomerigheid. Een kreet is het, een gil, een roep in den dagenden morgen x— een nieuwe schoonheid. Heel anders, veel traditioneeler nog is het werk van Leendert Goudswaard, die vooral zijn procédé voor zich heeft. Wat het is? Ik en weet het niet. Op ’n souple stof is het een chenilleachtige versiering in mooie kleuren, een vinding van Goudswaard zelf. No. 10 en 11 zijn zeker als teekening de beste, hoewel ze mij nog te weinig nieuw zijn. ’tls voorèl om ’tprocédé dat ik op dit werk wijs, ’n Procédé waar ontzettend veel mee te bereiken is, omdat ’t quasi en relief, een effect van licht en schaduw geven kan. Voor ditmaal genoeg. ELLEN FOREST EEN1 HUWELI1JKSMARKT marctto;:,coT etgeen ik u beschrijven ga, gebeurt niet in Amerika. Het vindt jaarlijks plaats in België, in het dorpje EcaussinesLalaing (Henegouwen). Een geniale gedachte is daar, tien jaar geleden, ontkiemd en geworden tot een thans traditioneel terugkeerende werkelijkheid. De meisjes van het dorpje Ecaussines-Lalaing waren mistroostig. De jonge mannen van het plaatsje, zeker beïnvloed door de verderfelijke moderne zeden en gewoonten, wilden niet meer trouwen. De liefelijkste blikken der dorpsschoonen lieten hen koud. Toen beraadslaagden de meisjes en bespraken zij wat er tegenover zoo’n misdadige onverschilligheid van het sterke geslacht gedaan moest worden. Na lange discussies, — hetgeen voor vrouwen niet verwonderlijk is, — werd besloten tot de instelling van den „goüter matrimonial”, of om Nederlandsch te spreken, de huwelijksmarkt. Duizenden circulaires werden over de geheele wereld verspreid, waarbij de jongelieden van alle windstreken van den aardbol uitgenoodigd werden op Pinkster-Maandag naar Ecaussines-Lalaing te komen, om daar de pijlen van Cupido in hun trouwlustig hart te laten schieten, en met de door hen uitverkorene in het huwelijksbootje te stappen. Boven alle verwachting werd die oproep in 1904 beantwoord. Tienduizenden kwamen af op de lokstem der Lorelei’s van Ecaussines, en talrijke dezer zagen hun innigsten wensch verwezenlijkt. De „goüter matrimonial” was weldra overal bekend en vreemdelingen van alle landen kwamen haar bijwonen. Wij zijn er ook naar toe geweest. Tot geruststelling der lezers, die hun bloed voelen stilstaan bij dien eenvoudigen zin, zij dadelijk gezegd, dat ei ons niet het minste ongeluk overkomen is, d.w.z. dat wij nog steeds vrijgezel zijn. De pijlen van Amor zijn afgeschampt op de olifantdikke huid van ons hart. DE GERESERVEERDE RUIMTE. Toen we uit het station kwamen, viel ons dadelijk de feestelijke stemming op. Men voelde het, er zat iets bizonders in de lucht. De straten waren versierd met hooge masten, waaraan wimpels fladderden, en hier en daar lazen we opschriften, prettig en pittoresk, waarvan we de volgende afgeschreven hebben: „Ce n’est pas en se sugant le pouce, Que 1’on trouve une épouse”. (Men kan geen vrouwtje uit zijn duim zuigen.) „Sur les bords de la Sennette Fleuriront vos amourettes!” (Op de boorden van de Sennette, zal uwe liefde bloeien). Op het gemeentehuis, waarheen we ons onmiddellijk begaven, werd ons een entrée-kaartje afgeleverd voor het koffiedrinken, den eigenlijken „goüter”, en kochten wij een koffiekopje, waarop gebiedend geleerd werd: „Als ge wilt gelukkig zijn moet ge trouwen”. En nu op weg naar het feest. In de straten joelde een woelige menigte, uit de omliggende plaatsen, uit Brussel, Antwerpen, Luik en verder nog door stampvolle treinen aangevoerd. Alles liep naar de groote Dorpsplaats. Na veel dringen, roepen en schreeuwen konden wij in de voor den goüter gereserveerde ruimte geraken. Daar stonden honderden tafeltjes, met kraakwitte tafellakens bedekt, en daar rond, in gezellige ongebondenheid, de jongens en de meisjes, met moeders en verwanten. Aan dezvensters, rondom de plaats, hingen honderden lijven naar beneden en keken ongeduldig uit naar hetgeen komen moest. Sparregroen, festoenen en bloemen zijn overal als versiering aangebracht. De menschen lachen, gichelen, tappen moppen, en boven al die hoofden stijgt een geraas van vreugde op. Opeens gaat er een beweging door het volk: daar zijn ze met de broodjes. En inderdaad banen twee mannen zich moeizaam een weg door de menigte. Eindelijk zijn ze er. Doch o wee, wat nu gebeurt, tart alle beschrijving: Allen dringen op naar de manden en willen de broodjes grijpen. Maar de mannen, met de uitdeeling belast, verstaan de zaak zoo niet. Met hun dikke stokken beginnen ze links en rechts geschenkjes uit te deelen die lang niet zacht neerkomen. De schrik slaat de menschen om het hart, het gewoel wordt homerisch, het gegil vervaarlijk. Ieder wil vluchten, doch kan niet weg. Hoeden vallen af en worden vertrappeld, meisjes platgedrukt. De manden zijn gevallen en de broodjes rollen over den grond. Straatjongens, alle gevaar tartend, glibberen tusschen de beenen door, en sluipen dan weg met hun buit. Geen uitweg meer wetend, springen de menschen op de tafeltjes, en loopen, o hemel, op de sneeuwwitte tafellakens, die in een oogwenk besmeurd zijn. En tot overmaat van ramp, komt een groepje studenten aanhossen, gooit de tafeltjes om en brengt de paniek op haar hoogtepunt. Kalm en oolijk-lachend staat een kino-operateur aan zijn toestel te draaien ... Dit nummer van het programma is mislukt. Doch geen nood, nu begint de vreugde eerst voor goed. Muziekkorpsen nemen de menigte achter zich mee en door de straten slingeren thans vroolijke slierten feestvierders. Jongens en meisjes, arm aan arm, hossen voort. Groepjes die elkaar ontmoeten, heffen een daverend gejuich aan. De moeders glimlachen vergenoegd. Welke moeder, die huwbare dochters heeft, glimlacht niet tegen een knappen jongen man ? Worstelaars, kaartlegsters (die maken goede zaken!) bedelaars, hebben zich langs de wegen opgesteld. Een orkest van harmonica’s geeft een artistieke uitvoering. De dirigent is dronken: zijn hooge hoed, in zijn nek, zijn gekleede jas en zijn besmeurdwitte broek verleenen hem een buitengewoon gedistingeerd uiterlijk. Langzaam aan is de avond gevallen en het is alsof de plechtige stilte van de natuur de menschen tot grootere zachtheid en diepere innigheid stemt. De herbergen zijn vol, uit de danszalen golft huppelende muziek naar buiten. En in aankomende duisternis zien wij reeds hier en daar een paartje, verrukt glimlachen, over eenzame wegen wandelen. Het is alles stil, waar we nu zijn, en soezend, alsof we ver weg waren van alle gejoel en geschreeuw, zitten wij te droomen. Waarde lezers en vooral lieve lezeressen, mag ik u een goeden raad geven? Als ge ooit de gelegenheid hebt, gaat dan naar Ecaussines. Het is er jaarlijks een feest van rondborstige pret en als ge u nog niet de kettingen van het huwelijksleven hebt laten aansmeden, zal er misschien voor uw wachtend verlangen daar iets te vinden zijn. Want practische uitslagen geeft het feest zeker: ik weet het van den pastoor, die zeer tevreden is over het steeds aangroeiende aantal huwelijken. Probeert het dus ook eens! Je kunt nooit weten.... Antwerpen. B. ABRAHAM. DE TAFEL VAN DE PRÉSIDENTE (X).
PDF
Nummer
1914, nr.24, 10 juni 1914
Blad
12
Tekst
SPORT-PAN OR AM A PARIJS DEN HAAG PER MOTOR EN PER AUTOMOBIEL. Door den heer Adrian was een medaille uitgeloofd voor den motorwielrijder, die den afstand Parijs—den Haag binnen 19 uur zou afleggen. Op onze foto links zien wij den heer Lamberts Hurrelbrinch die den afstand wel in 17 uur 20 min. aflegde, doch de medaille heeft geweigerd omdat hij automobielgeleide had gehad en dit eigenlijk niet de bedoeling was van den heer Adrian. Het tijdschrift Autoleven stelde daarna ook een medaille beschikbaar voor denzelfden rit, welke medaille gewonnen is in 16 uur 52 min. door den Heer van Kol, (zie onze foto rechts, van den fotograaf Sijes.) De middelste foto stelt den heer Nanning voor, die met zijn studiegenoot de Baat uit Leiden den afstand Parijs—den Haag in 14 uur 45 min. per automobiel heeft afgelegd, waarvoor door den heer Adrian ook een medaille was uitgeloofd. f------------------------------------------------------------ Qewestelijke gymnastiekuitvoeringen. Hierbij een vijftal opnamen van de gewestelijke gymnastiekuitvoeringen van Zuid- en Noord-Holland. De drie foto’s hierboven zijn genomen te Leiden waar de uitvoering van het gewest Zuid-Holland plaats had; de twee nevenstaande opnamen zijn van de uitvoering van ’t gewest Noord-Holland, welke uitvoering te Hoofddorp is gehouden. -. H. V. V. KAMPIOEN VAN NEDERLAND. Hïerooven een foto van H. V. V. die de vorige week Vitesse met 2—1 heeft verslagen en daarmede den kampioenstitel heeft verworven. (foto Sijes). HET CONCOURS HIPPIQUE TE ZEIST. Hierboven een foto van enkele mooie rijpaarden, die aanwezig waren op het concours te Zeist. Het 2e paard van rechts op onze foto, Fascination van Jack M. Washington, behaalde den len prijs schoone rijpaarden. (foto Jochmann).
PDF
Nummer
1914, nr.24, 10 juni 1914
Blad
13
Tekst
Het Speenhoff-Ensemble, dat met enorm succes in den Tivoli-Schouwburg te botterdam ————— optreedt ------- (foto's H. Berssenbrugge) Hiernevens het portret van den heer cj. H. Speenhoff (foto Wolf) 7Aej. 61se TAauks TAevr. Speenhoff-prinz 7Aej. 7Aien ©uymaer van Twist Cor van der £ugt-7Aelsert (foto Wolf) Willem Hunsche C. ©ommelshuyzen 7Aej. Gize Gigthart ‘Kapelmeester H ©evids Piet Bron
PDF
Nummer
1914, nr.24, 10 juni 1914
Blad
14
Tekst
ENNER-MEUBELEN WETTIG GEDEPONEERD VACANTIE. De Comm. v.h. Vacantie-Kinderfeest te R’dam zamelt gelden in om de armste kinderen boven 10 jaar van O p e n b. en B ij z. scholen één dag van de Zomervac. aan ’t Zeestrand te doen doorbrengen. Het 1° jaar genoten 2300, ’t 2° jaar 3700 leerlingen. Voor dit jaar is weer vrij bootenvervoer voor 2500 toegezegd, voor ruim f 2800 is geteekend, maar we willen dit jaar weer meer feestgangertjes; er zijn zooveel arme kinderen in die groote stad. Wie wat meer van ’t feest wil weten, vrage den secretaris C. A. Hodde, Lischstr. 25B; wie geld wil zenden, sture ’n postwissel aan den penningmeester W. F. Oehlschlager, Agniesestraat 97B. Te bekomen door de voornaamste Meubelhandelaars, of direct van de fabriek CATALOGUS OP AANVRAAG VERKRIJGBAAR N. V. Nederl. Rietvlechtfabriek Noordwolde Fr. Hoe twee dappere soldaten door een mooie vrouw verschalkt werden — en van het geheim dat aij met een van beiden had. ©oor ‘Kapitein Oswald ©alias. ==—==—====— (Vervolg) 1ANUEL, hier is iemand die een ontI bijt wenscht, zei ze in ’t Spaansch tegen den man met de jas. De man stond op en verliet met J een onheilspellende frons de kamer, f Het meisje keerde zich op den drempel om en riep iemand die buiten stond. „Pedio!” Toen kwam ze binnen, keek eens zijdelings naar de Lisle en ging zitten. De jonge officier bleef met zijn shako in de hand staan. Ademloos keek hij naar dat beeldschoone meisje. Van onder haar lange wimpers keek ze hem guitig aan. „Wilt ge niet gaan zitten, senor?” sprak ze zedig. „Manuel zal dadelijk uw ontbijt brengen. U hebt er toch niets op tegen dat ik aan dezelfde tafel eet?” „Integendeel, sênorita, het zal me een groot genoegen zijn,” stamelde de Lisle. Terwijl hij sprak, trad een somber uitziend individu de kamer binnen. Evenals de man, die door het meisje Manuel genoemd werd, droeg hij een gekleurden hoofddoek. Verder droeg hij de kleeding van een gewonen Spaanschen boer. Hij had een gitaar met veelkleurige linten in de hand, die hij tegen de bank plaatste toen hij ging zitten. Hij gluurde tersluiks naar den Engelschman, doch zeide niets. De herbergier bracht een groote omelette, wat zwart brood en een kan landwijn binnen. De Lisle en het meisje schoven aan, doch de andere man bleef op zijn plaats zitten. „Komt uw vriend niet ontbijten?” vroeg de officier in gebroken Spaansch. Het meisje wierp een blik op den man, haalde haar goed gevormde schouders op en keerde zich weer naar de tafel om. „Hij heeft de bokkepruik op,” zei ze. „Woont de sênorita hier?” vroeg de Lisle. Hij wist niet goed hoe hij een gesprek aan moest knoopen. Het meisje lachte en liet haar kleine witte tandjes zien. „Neen,” antwoordde ze, haar hoofd schuddend, „de gitanos (zigeuners) wonen nergens.” „Gitanos!” Hij wist dat dit woord zigeuners beteekende maar hij zag niet de minste overeenkomst tusschen dit mooie meisje en de zigeuners, die hij in Engeland gezien had. Het meisje knikte hem glimlachend toe. „Zou sênor Engelschman mij graag zien dansen?” Zonder eenig antwoord af te wachten, schoof ze haar bord weg en sprong op. „Pedio,” zei ze op een toon die geen tegenspraak duldde, „neem je gitaar, ik ga dansen.” Brommend stond de man op, nam het instrument schoof de linten over zijn schouders en sloeg een accoord aan. Het meisje schoof de castagnetten aan haar slanke, witte vingers. Ze wierp het hoofd in den nek en begon langzaam, met golvende, zinnelijke bewegingen te dansen. Zooiets had de Lisle nog nooit gezien. Met halfgesloten oogleden sloeg het meisje hem gade. De trage bewegingen, de sierlijke deining van lichaam en hoofd, het geklikklak der castagnetten, haarspottend aanmoedigende blik, brachten hem buiten zinnen. Het bloed stroomde hem onstuimig door zijn aderen en al dien tijd greep de somber-uitziende man met een gefronst voorhoofd in de snaren. De dans was uit en het meisje viel hijgend op een bank neer. De jonge officier wierp zich naast haar neder. „Kleine feel” fluisterde hij, „verrukkelijk, kleine feel” Hij wilde zijn arm om haar heen slaan, doch met een vroolijk lachje ontweek zij hem en maakte spottend een buiging. De man met de guitaar sprong knorrig op en zei iets in het Spaansch, wat de Lisle niet kon verstaan. Als een tijgerin keerde het meisje zich naar den man om en deze sloop de kamer uit. Toen ging zij naast den Engelschman zitten, vlak naast hem, zoodat hij de warmte van haar jong lichaam voelde. Zij keerde hem den rug toe en keek over haar schouders hem aan met half-dichte oogen, waaruit een loome aanmoediging sprak. De Lisle’s polsen sloegen wild, hij haalde kort en hijgend adem als na een wedloop. Zij schonk een glas landwijn in en hield het aan haar lippen, hem al dien tijd lachend in de oogen ziende. Toen hield ze ’t hem voor en zei: „Sênor drink op de liefde en jeugd en de vreugde er van.” Half waanzinnig door haar wonderlijke bekoorlijkheid, bedweld door den spottenden glans harer oogen, gleed zijn arm om haar buigzame gestalte en drukte hij haar tegen zich aan. „Op de liefde en de jeugd en de vreugde ervan/’ sprak hij heesch en dronk het glas leeg. Het meisje wrong zich uit zijn omhelzing los. „Stil,” zeide zij en hield haar vinger op haar mond. De Lisle trachtte haar vast te houden, doch zij ontglipte hem en trippelde naar de deur. Daar stond zij stil, keerde zich om, maakte een buiging en wierp hem een kushand toe. Hij stond op en maakte een beweging alsof hij haar na wilde loopen, ging weer zitten en leunde voorover met zijn armen op de tafel. Het was heel warm en hij was moe na zijn langen rit. Vaag rees de gedachte bij hem op dat hij naar zijn manschappen behoorde te gaan zien, doch hij was te loom om zich te bewegen. Zijn hoofd zakte op zijn armen en hij sliep in. Na ongeveer 10 minuten keerde het meisje terug. Met een zonderlingen, iewat weemoediger! glimlach keek zij hem aan. „Arme jongen!” zeide zij. Met een plotselinge, snelle beweging gespte ze de sabeltasch los, knielde neder, opende de achterklep, en nam er den inhoud uit. Toen zette zij haar zachtjes op den grond en maakte haar weer dicht. „Arme jongen,” herhaalde zij, boog zich voorover en kuste hem op het voorhoofd. III. Bertrand de Lisle werd met schrik wakker toen zijn oude sergeant zich over hem heenboog. Slaperig streek hij met zijn hand over zijn oogen. „Ik ben bang, dat ik geslapen heb, sergeant,” zei hij geeuwend. ,.Dèt zou ik denken, luitenant,” antwoordde de sergeant droog. „Het leek wel of de duivel zelf je niet wakker kon krijgen,” voegde hij er binnensmonds aan toe. „Waar is... De vraag bestierf op zijn lippen en zijn hoofd viel weer op zijn armen. „Kom, luitenant,” zei de sergeant, „U moet nu wakker worden. We moeten opmarcheeren.” De Lisle lichtte zijn hoofd op en keek zijn ondergeschikte wezenloos aan. „Hoe lang heb ik geslapen?” vroeg hij. „Zoowat drie uur,” antwoordde de sergeant knorrig. Er waren wijnvlekken op de tafel en hij had zijn respectabelen dorst met water uit den bergstroom moeten lesschen en zijn maag kon geen water verdragen. „Dan is het....” „Eén uur,” bromde de sergeant. De jonge officier stond op en liep naar de deur. Hij was wat onzeker op zijn beenen, waardoor de oude soldaat een verkeerde gevolgtrekking maakte. „Ik wou dat ik de helft van je kwaal had!” mompelde hij met afschuw. De herbergier zat in de zon te luieren, met zijn zware jas nog om en een lange, dunne sigaar in zijn mond. De Lisle keek gretig rond. Het meisje en haar metgezel waren verdwenen, hij vroeg zich af waar zij heen waren gegaan. De verrukkelijke schoonheid van het meisje achtervolgde hem. Hij was boos op zichzelf dat hij in slaap was gevallen en begreep maar niet hoe het eigenlijk gebeurd was. „De Sênorita?” sprak hij vragend tot den herbergier. Hij was te verlegen om op den man af naar haar te vragen. De man nam zijn sigaar uit den mond, haalde de schouders op en trok zijn mantel vaster om zich heen. (Wordt Vervolgd).
PDF
Blad 
 van 2380
Records 811 tot 815 van 11897