Panorama

Blad 
 van 2380
Records 806 tot 810 van 11897
Nummer
1914, nr.24, 10 juni 1914
Blad
05
Tekst
UIT HET VOLLE LEVEN BIJ EEN OVERVAL. GEDOOD. De Kapitein- Adjudant der Infanterie van het OostIndische leger F. A. H. Brans, die bij een overval van een patrouille in Matan, Wester-afd. Bomeo, werd gedood. VERTREK KONINKLIJKE FAMILIE NAAR HET LOO. H.M. de Koningin, Z.K.H. Prins Hendrik en H.K.H. Prinses Juliana vertrokken 30 Mei met een extra trein naar het Loo. Te Utrecht, waar even werd halt gehouden, had de fotograaf v. d. Vereenigde Fotobureaux gelegenheid een aardige opname te maken. Van Utrecht reed men regelrecht naar het Loo. MAJOOR SLUYS, een der Hollandsche officieren die belast zijn met de reorganisatie der gendarmerie in Albanië en thans door de Essad Pacha-kwestie zeer op den voorgrond treedt. WANDELWEG A* DAM-ARNHEM Eer. dezer dagen heeft bij Arnhem de openina plaats gehac van den wandelweg A’dam-Arnhem, die door de coe ie zorgen van den A.N.W.B. door het bosch is afgebakend. Hierboven de deelnemers op den uitzichttoren „Lombok” te Leerdam. JUBILEUM PROF. J. VAN REES. Den 29sten Mei was het 25 jaar geleden dat Prof, van Rees, verbonden aan het Histologisch laboratorium te Amsterdam, tot het hoogleeraarsambt werd geroepen. Door verscheidene zijner collega’s en studenten werd Prof, van Rees (de tweede van links naar rechts, zittend) gehuldigd. JAN OLIESLAGERS TE A’DAM Met de Pinksterdagen konden de Amsterdammers de vliegdemonstraties van Olieslagers bewonderen. Met heel veel belangstelling werden zijn luchttoeren gevolgd en aan ’t slot werd hij in triomf rondgereden. Hierboven Jan met een bloemenkrans. DE BEMIDDELINGS-COMMISSIE. In aansluiting met het portret van den heer Rodriguez op de Wereld-Panorama-pagina van dit nummer, geven wij hierboven een foto van de geheele regelings-commissie, die op *t oogenblik te Niagara Falls vergadert, om een eind te maken aan den oorlog tegen Mexico. MINISTER RAMBONNET TE LEIDEN. Minister Rambonnet heeft een dezer dagen een bezoek gebracht aan de Kweekschool voor Zeevaart te Leiden. Onze foto geeft de groep autoriteiten; v. 1. n. r. Prof. Dr. Kan; Min. Rambonnet; daarachter Mr. J. C. Jager, Luit, ter zee le kl., adj. van den minister; Jhr. Mr. N. C. de Gijzelaar, Burgemeester van Leiden; J. C. Stam; Mr. J. A. Coebergh; J. A. N. Bron, Kapt, ter zee en B. H. Heijting. HUISVLIJT TE ZAANDAM. Den 30sten Mei werd te Zaandam ter gelegenheid van het 10-jarig bestaan der Vereeniging Huisvlijt een groote tentoonstelling gehouden van voorwerpen op het gebied der huisvlijt Onze foto geeft een kijkje op deze tentoonstelling. „DE VEREENVOUDIGDE”. Onder voorzitterschap van Dr. R. A. Kollewijn hield de „Vereeniging tot vereenvoudiging van onze Schrijftaal” op 30 Mei een vergadering in Krasnapolsky te Amsterdam. Onze foto stelt voor de vergaderende leden poseerende voor den fotograaf der Vereenigde Fotobureaux. PINKSTER 3 IN ZEELAND. Bovenstaande foto geeft een typisch tafereeltje weer uit het Zeeuwsche Volksleven: Ringsteken ter gelegenheid van Pinkster 3. De boerenknol, nonchalant zijn pooten de lucht ingooiend, raakt op dit oogenblik slechts met één poot den grond.
PDF
Nummer
1914, nr.24, 10 juni 1914
Blad
06
Tekst
EEN AUTOTOCHT EN ZIJN GEVOLGEN NAAR ’T ENGELSCH VAN HAROLD STEEVENS "" ' ........................ interessant is ’t, om na te gaan, hoe het ' toeval soms vreemd kan ingrijpen in 1 ’s menschen lot en levensbestemming! Zoo was al hetgeen wij nu verhalen ' gaan, slechts ’t gevolg van een tijdelijke ! vijandige bui van twee Londensche ! omnibus-maatschappijen. 1 Al sedert eenige dagen werden de hoofdverkeerswegen overstroomd door een afschuwelijk soort motor-bussen, die er zoo woest en wild vandoor gingen, dat ze al niet zelden in botsing waren gekomen. Om nu nog de straat over te steken, werd een waar kunststukje; iets wat een scherp oog, een groote tegenwoordigheid van geest en lichtheid van bewegingeischte, die men niet licht in één persoon vereenigd vindt. Frank Cartan was pas met verlof en in Indië had hij excursies meegemaakt, die werkelijk wat te beteekenen hadden gehad; maar nu hij vanochtend BayswaterRoad wilde oversteken voor een wandelingetje in Hyde Park, moest hij toch erkennen, dat hij ook menigmaal „het eindje in zijn hand hield!” Hij was nu al half over; en daar hij net twee Juggernautcars zag aankomen, besloot hij maar, geen duimbreed te wijken van de plaats, waar hij zich nu bevond. Nog ééns even achterom kijkend, om te zien, of hem althans in den rug geen gevaar dreigde, zag hij vlak achter zich/ even naar rechts, een dame staan met gouden krullen, die precies er over dachten als hij. Ze schenen zich hier volkomen op haar gemak te voelen en niet bewust te zijn van eenigerlei gevaar; waarschijnlijk was een dergelijkoversteken van de Londensche straten dagelijksch werk voor haar! Ze stapten dus vroolijk voort, toen ze opeens den omnibus gewaar werden, die vlak achter zijn concurrent, precies langs den trottoirband, dreunde. Natuurlijk hielden ze nu onmiddellijk halt; maar ongelukkigerwijs struikelde de kleine over den glibberigen weg en viel languit,—precies vóór het gewelddadig monster! Cartan voelde zijn hart in zijn keel kloppen. Met zijn stok zwaaiend en luid alarmeerend, trad hij het gevaarte in den weg en de toeschouwers bewonderden ongetwijfeld de stoutmoedigheid van dit optreden, maar aan den anderen kant zagen zij er niets dan slechts verdubbeling van het ongeval in, want: vast en zeker ging hij er eerst aan en dan de kleine meid I Ongetwijfeld was de bestuurder van de machine zóódanig vervuld van het idee, om het zijn concurrent af te winnen, dat hij niet zoo geen er kon hij tot zijn In ieder de rem de machine uit elkaar sprong! De bus draaide op zijn wielen rond en kwakte toen tegen zijn buurman aan. Maar in ieder geval werden persoonlijke ongelukken vermeden: Cartan had maar even een kleine vermaning gehad, die hem wèl van de been wierp, maar daar bleef het dan ook bij. Met de achterwielen half op het trottoir geschokt en het voorste deel opgeheven als een olifant, die kunstjes verricht, stond de kolos daar;. .. gelukkig volkomen onsohadelijk gemaakt! Onze held was natuurlijk onmiddellijk weer op en keek eens even, hoe de dames ’t er afgebracht hadden. Nu, ze waren wel wat bleek van den schrik, maar hadden geenerlei letsel bekomen. Hoogst-zenuwachtig informeerde de Moeder: „Heeft u zich bezeerd?.... O, ik kan niet zeggen, hoe dankbaar ik u wel ben.... Als u niet tusschenbeide waart gekomen, hadden. ... Maar hoe nü?. ... Ja toch: u is Frank Cartan!” „Ja, die ben ik Adela.... O, pardon: Mevrouw Risdon; altijd nog dezelfde, hè? Hoe te zien!” Cartan was echt verheugd. „Maar heb je je heusch niet „Niet in het minst. Maar blijven staan! Was je op weg naar het dan soms mee?” Toen ze daar in dat veilig, rustig milieu waren aangekomen, bedankte Adela Risdon Cartan tèlkens en tèlkens weer in andere bewoordingen voor zijn heldhaftig optreden en haar zevenjarig dochtertje, — kleine Doki — sprak haar alles na, met nog een paar toevoegingen van eigen inventie erbij! Toen dit punt nu afgehandeld was, stonden ze nog met een klein meisje eens even stil bij dat wonderlijk eerste ontmoeten weer, na al die jaren die er verloopen waren, sinds Adela Frank Cartan geweigerd had, en later met Richard Risdon in het huwelijk getreden was! Het had al haar vriendinnen evenzeer verwonderd, dat die vroolijke, levendige Adela nu juist Risdon uitverkoren had, om hem al de liefde uit haar warm hart te schenken. Richards temperament was zeker niet van de alleropgewektste, op z’n zachtst gezegd, — maar ze scheen wel een steen te kunnen vermurwen en Risdon’s kennissen, — hij had er dan toch altijd zoo een paar waar hij zaken mee deed, — merkten met groote verbazing op, dat hij althans „menschelijk” werd, een korte opflikkering geweest; en van zijn huwelijk voorbij was, werd saaie en de stijve zakenman, die hij Adela schonk hem een meisje; en drie jaar later een jongen; maar hij had zich nooit de moeite gegeven, om de kinderen van zich te laten houden; en toen ook onverschillig toonden voor hem, nam geheel geen notitie meer van zijn kleintjes. Arme Adela: wat een desillusie! Niet, dat van haar hield, of een andere vrouw liefhad; dat wist zij goed genoeg. Maar hij was nu eenmaal niet vatbaar voor het gevoel, dat liefde heet. Lang had het anders geduurd, eerdat Adela tot die ontdekking kwam; en nog langer eer ze het zichzelf Maar di t was slechts nadat de eerste tijd hij weer de strakke, geweest was. ze zich dus hij in het Risdon niet eens voorkwam, dat Cartan bij de Risdon’s bleef dineeren. De onmiddellijke omgeving was gauw genoeg afgezien en toen werd er besloten tot een picknick verder het land in. Men zou dus zoo vroeg mogelijk vertrekken en dien middag eerst laat terug komen. Cartan deed, als altijd, nog eens zijn best, om Risdon mee te krijgen; maar even onveranderlijk moest hij ook nu weer het excuus hooren, dat de vriend het als man van zaken: „te druk had”. De auto scheen goede plannen te hebben voor dien dag, want hij was extra van benzine voorzien. Hij tufte er dus als de wind overheen en omdat de wegen ook bijzonder uitlokkend waren, had Cartan ook al heel gauw zestien mijlen afgelegd. Nu verliet hij den hoofdweg en gleed over de afgegraasde vlakte, dwars door de brem heen. Toen werd er uitgestapt, en toebereidselen voor den picknick gemaakt; gezellig tusschen het hooge kreupelhout. De streek was bijzonder uitlokkend om even „verstoppertje” te spelen, vond Doki- en haar wensch werd gevolg gegeven, totdat Cartan op eenmaal zijn horloge te voorschijn haalde en vol schrik riep: „Nu mogen we wel als de wind terug, anders kunnen we nooit meer op tijd thuis zijn. Ik had er geen idee van, dat het al zoo laat Terwijl hij even andere schertsende namens zijn oud-leerlingen werden den geachten leermeester huldeblijken aangeboden. PROF. FOCKEMA ANDREAE. (foto A. Muns) Donderdag 4 Juni herdacht prof. Mr. S. J. Fockema Andreae te Leiden zijn 70en verjaardag. Zoowel namens zijn ambtgenooten als bijzonder gelet had op hetvlak vóór hem was. Ook het moeilijk zien, diene verontschuldiging gezegd, geval was hij nu verplicht, met zulk een geweld te gebruiken, dat het er veel van had, of heel was. naast zijn auto stond en de een of opmerking maakte, vloog daar net een uil, al krassend over hun hoofden heen. Verbaasd als hij was, dat die nachtvogel zich ’s avonds al zoo vroeg toonde, volgde Cartan het dier steeds met de oogen........ En in plaats van deze „wichelarij” met een grapje te besluiten, zooals Adela eigenlijk verwachtte, staarde hij maar steeds recht voor zich uit en riep in de hevigste ontsteltenis : „Hemel beware! Kijk eens dien kant uit!” De richting van zijn oogen volgende, keek Adela naar de lucht en zag daar een dichte wolkenbank aankomen. Van reusachtige afmetingen, kwam die met een snelheid aangedreven, waaraan niet te ontkomen viel. „Vlug uitstappen, Mevrouw Risdon,” riep Cartan, „door zulk een dichten nevel kan ik den auto niet besturen.” Bliksemsnel rukte hij het portier open, trok er de kleedjes uit, haalde er de lantaarn van af en nam toen Doki bij de hand; en zóó voerde hij het tweetal zoo gauw mogelijk den weg op, dien ze nu verder te voet moesten afleggen, hij steeds met zijn lantaarn een soort van lichttunnel vormend, waardoor ze zich werktuigelijk een doortocht baanden. Het spoor der autowielen was niet meer te onderkennen; en ’t eerst nog meende, dat hij de plaatsen aardig, om bezeerd?” kom, laat je weer terug ons niet hier Park? Mag ik bekennen wilde; maar toen ze het ten slotte wel aanvaarden moest, verloor ze er ook haar opgewektheid bij, die haar juist zoo aantrekkelijk had gemaakt. Onder deze omstandigheden nu ontmoette zij Frank Cartan. Hij hoorde tot het groot aantal pretendenten, die indertijd om Adela’s hand gedongen hadden en daar zij de eenige vrouw was, die hij waarlijk had liefgehad, was hij haar altijd trouw gebleven. Hij had zich toen maar wat afleiding trachten te bezorgen, door zich met hart en ziel op het theeplanten toe te leggen en had zich dan ook vast in ’t hoofd gehaald, dat hij als verstokt vrijgezel zijn leven zou eindigen. Hij was nu voor het eerst met verlof, en na hetgeen er nu gepasseerd was, scheen niets natuurlijker, dan dat hij een visite zou maken bij de familie Risdon wat hij dan ook natuurlijk deed. Van eenig gevoel van dankbaarheid scheen niets waar te nemen bij den gastheer. Nu, daar verwonderde Cartan zich niet over! Véél meer was hij in ’t eerst verwonderd geweest door het verschil van de Adela, die hij nu ontmoette en die hij zeven jaar geleden ontmoet had. Naarmate zij elkaar echter eens meer gesproken hadden, vond hij haar al weer terug en daar was hij blij om, voor haarzelf in de eerste plaats. Doki was dadelijk dol met den nieuwen kennis inge. nomen en daar Cartan slechts een paar weken verlof had. tracteerde hij Moeder en kind dikwijls op een ritje naar buiten met zijn auto. Risdon had er niets tegen: Want ofschoon bij van nature buitengemeen jaloersch was, — wat helaas maar al te zeer uit het verloop der geschiedenis zal blijken,— had hij hier ook niets geen reden voor; zijn vrouwtje had nog ncoit eenige aanleiding gegeven. Zoo ging hét drietal dus menigmaal op excursie en was altijd weer op etenstijd thuis; zoodat het nogal ofschoon Cartan in van het geboomte had onthouden, kwam hij toch al gauw tot de conclusie dat hij van den goeden weg afgedwaald was. „Hè, wat is dat?” riep Doki op eenmaal; en met haar scherp gezicht scheen ze iets ontdekt te hebben, wat aan den anderen nog niet ’t oog gevallen was. „Cartan lichtte bij in de aangegeven richting en de kleine barstte in helderen kinderlach uit: „Neen maar! Wat gèk! Dat is de auto!!!....” „Ook geen goede verkenner, Mevrouw Risdon,” begon hij. Precies weer op hetzelfde punt teruggekomen! Hoe is ’t mogelijk!” Andermaal trad hij op zijn auto toe en stak nu ook de tweede lantaarn aan. „Ziezoo, nu kunnen we nog even onze thee uitdenken,” sprak hij met gemaakte vroolijkheid. Dit deden zij nu ook; — staande; — en ofschoon de warme drank zijn opwekkenden invloed ook nu weer niet miste, bleven ze zich toch duidelijk bewust, dat hun toestand allesbehalve rooskleurig was: Klokke halfzeven zaten ze daar in dien ondoórdringbaren wolkensluier, zestien mijlen van huis en tien mijlen van ’t naaste station, zooals Cartan op zijn kaart vond. Voorts een goede vijf mijl van eenig dorp of gehucht; en een kwartier van een goed begaanbaren weg, dien ze al niet hadden kunnen vinden. Hij stelde voor, om nu alleen op verkenning uit te gaan, terwijl zij hem zoolang in den auto zouden wachten met een lantaarn bij zich, en de hoorn bijwijze van signaal. Maar Adela greep verschrikt zijn arm, en smeekte hem, dat toch „alsjeblieft” niet te doen! „O, neen, neen, Frank,” riep ze; en onder den invloed der omstandigheden was ze onwillekeurig weer in de oude gewoonte vervallen, om elkaar bij den voornaam te noemen. „Dat is immers veel te gewaagd. Laten we
PDF
Nummer
1914, nr.24, 10 juni 1914
Blad
07
Tekst
in Godsnaam bij elkaar blijven; wat er ook gebeure. Wie weet, of de mist niet gauw weer een beetje opklaart zoodat we dan althans naar het dorp kunnen komen; en vandaar heel langzaam en voorzichtig in een boerenkarretje naar het station rijden. Zooals het nu is, kunnen we toch niets beginnen!” Ze gingen nu met hun drieën in den auto zitten, op de achterbank, Adela en Cartan ieder aan een kant, met kleine Doki gezellig tusschen zich in. Ze installeerden zich maar zoo lekker-warm mogelijk en zaten dus zóó knusjes bij elkaar, dat Doki althans dit avontuur nog niet zoo onaardig scheen te vinden. „Nu gaat broer al naar bed,” herinnerde Adela. Toen verhaalde hij haar van zijn avonturen in de Indische bosschen: van tijgerjachten, enz. Maar ondanks al die onderhoudende geschiedenissen van slangen, olifanten en andere wilde dieren, duurde het toch niet lang, of Doki was al onder zeil; en wat Adela betreft: dat scheelde niet veel; hoezeer ze ook genoot van Cartan’s stemgeluid volgde ze weldra het voorbeeld van haar dochtertje. Toen hij nu zoo op eenmaal geen enkelen deelnemenden uitroep meer hoorde, staakte hij dus zijn vertelling, maar verwijlde in gedachten toch noch steeds in Indië, waarheen hij de wijk had genomen;__ jè, waarom eigenlijk? Dit was altijd het doode punt in zijn gedachten, waar hij maar niet over heen kon .... Zou Adela nu waarlijk gelukkig zijn?... Hij kon ’tzich haast niet voorstellen, maar waagde het toch óók weer niet, tot een besliste gevolgtrekking te komen, terwijl het altijd nog de vraag bleef, of hij haar gelukkiger zou hebben gemaakt? Natuurlijk zou dit het eenig doel van zijn streven zijn geweest.... Maar nu voelde hij hoe langer hoe meer, dat hij onveilig terrein ging betreden, en stapte van dit onderwerp af. De mist was steeds dikker en dichter geworden; hij stopte het slapende tweetal nog eens goed in, trok ook ’t dek wat hooger over zich heen en viel zelve, even later in slaap. In die uren van vergetelheid bogen hun hoofden, — óver het kind heen, — zich steeds naar elkaar toe, een onwillekeurige beweging, waar niemand kwaad van hoeft te denken. Adela ontwaakte met een aangename gewaarwording over zich. Toen zé weer een beetje beter wakker was, dacht ze met verwondering waar ze eigenlijk toch wel kon zijn en kwam tot de ontdekking, dat ze op een anders gelaat lag.. .. Onmiddellijk sloeg ze de oogen wijd open. Met hoogrooden blos lichtte zij het hoofd op, in onbeschrijflijke angst, dat hij soms nèt op dat oogenblik wakker mocht worden. Maar het was nog juist bijtijds geweest; onmiddellijk daarna ontwaakte hij óók en ontmoetten hun oogen elkaar met een uitdrukking van oneindige teederheid. Maar nu ze weer volkomen tot de werkelijkheid waren gekomen, ontwaakte tevens het bewustzijn van „Conventie’’ in hen beiden; Adela wendde den blik af en zich over haar sluimerende lieveling heenbuigend, stak ze waarschuwend den vinger op, terwijl hij voorzichtig het warme dek van zich afschoof, uit den auto sprong en haar eveneens hielp uitstappen. De mist was opgetrokken; het beloofde een prachtige heldere dag te worden; jubelend steeg de leeuwerik omhoog. Hij vatte nu Adela’s hand en leidde haar zachtkens even een eindje weg van den auto, opdat hun stemmen „het schoone slaapstertje” niet zouden storen in haar rust. Als bij intuïtie begreep hij, dat Adela mogelijk aanleiding tot zelfverwijt zou vinden in hun nachtelijk avontuur, en dit wilde hij voorgoed wegredeneeren, éér het zich bij haar vastzette als een blijvend gemoedsbezwaar: Dat alles nu zoo verkeerd was uitgeloopen,kon alleen zij n schuld zijn. Dus toen zij half-verwijtend begon: „Hoe konden we toch ook zoolang zitten slapen?” — antwoordde hij, vol overtuiging: „Wel, dat was onder de gegeven omstandigheden nog het beste, wat wij doen konden! Het zou immers groote gekheid zijn geweest, om ook maar één stap te verzetten ZUSTERHUIS VOOR INLANDSCHE VERPLEEGSTERS TE SEMARANG. Den 17en Maart j.1. gaf de Vereeniging van leerlingen van de H. B. S. „Sine Nomine” te Semarang een benefice-uitvoering, waarvan de opbrengst voor ’t grootste gedeelte ten bate kwam van een te stichten „Zusterhuis van inlandsche verpleegsters voor de stadsverbanden” te Semarang. Bovenstaande foto geeft een scène weer, uit de opgevoerde operette „Schön Japan”. PANORAMA HET JOODSCH NATIONAAL FONDS, dat zich ten doel stelt grond in Palestina te koopen als onvervreemdbaar eigendom van het Joodsche Volk, hield den 28en Mei een bloemendag. Hierbij het Bestuur en de medewerksters (-kers) aan dit bloemenfeest. (Foto J. B. Hijmans, Den Haag.) in dien mist? Den hemel zij dank, dat die intusschen opgetrokken is. Nu zullen we er in een ommezien zijn. — Ik behoef zeker wel niet te vragen, of je goed geslapen hebt, Mevrouw Risdon?” vroeg hij met een blik op haar frisch gezichtje. „Vreeselijk goed,” antwoordde zij, nauw hoorbaar; maar dadelijk voegde ze er bij: „Heusch, ’t verwondert mij nóg, hoe we er zoo goed afkwamen. Want zóó gezond is het nu niet, om een heelen nacht in den mist te zitten; maar dat was zeker dank zij al dat heerlijk-warme dek!” „Misschien wel. — Maar laten we nu eerst gauw ontbijten, en dan er van door!.... Hoe zal je man bet wel vinden? Maar de overdreven ernstige toon, waarop hij dit zei, gevoegd bij den guitigen blik, die deze woorden vergezelde, bewezen haar duidelijk, dat hij er zich in waarheid nog al zoo heel bezorgd niet over maakte. En dit was ook zoo inderdaad. Want ofschoon het hem speet, haar zoo iets aangedaan te hebben, kwam het geen oogenblik bij hem op} dat het hen een van beiden tegenover Risdon in ongelegenheid zou kunnen brengen. Zelve zoo dóór en dóór eerlijk in zijn bedoelingen, was hij ook ultra-naïf in zijn vertrouwen jegens anderen, en dacht hij er dus niet aan, dat er kwaad kon vermoed worden, daar waar niets van dien aard bedoeld was! Dus toen ze ’s morgens al bijtijds thuis kwamen., was Cartan ten hoogste verwonderd, dat zijn verontschuldigingen zoo in stilzwijgendheid aanvaard werden. Ze hadden vroeg in den ochtend al naar Risdon getelefoneerd, van het naaste station, en toen had die het korte verslag aangehoord, zonder haast een woord terug te zeggen. Maar nu hij nogmaals naar de uitvoerige verklaring luisterde, zag hij groen en geel in het gelaat van nijd. „Het spijt mij oprecht, Risdon,” zoo eindigde Cartan. „Het is onvergeeflijk dom en de verantwoordelijkheid rust geheel op mij. Maar als het nu voor de gezondheid maar geen nadeelige gevolgen heeft, dan ben ik al méér dan blij. „O, maak u daar maar niet bezorgd over, Mijnheer Cartan. We zijn welvarender dan ooit, hè Dook?” viel Adela hem in de rede. Cartan stond op. Hij gaf Adela en Doki de hand en stak die ook al uit naar Risdon, maar in plaats dat die den groet op dezelfde wijze beantwoordde, liep hij naar de deur en hield ze wijd open. Als Cartan nu alléén met hem was geweest, had hij heel anders opgetreden; maar nu sprak hij slechts: „Kom, wees maar niet boos, ouwe jongen! Ik heb je nu al gezegd, dat ’t mij waarachtig innig spijt; maar het is nu eenmaal gebeurd, èn____„eind goed, al goed,” moet je maar denken.” Arme Adela, dacht hij in zichzelven, toen hij weer op straat was. „Wat een man, om altijd mee samen te zijn. Zooals hij er nü uitzag, ben ik wat bang voor haar. Ik wou tenminste wel, dat ik haar door het eerstvolgend uurtje mocht heen helpen!” Zoodra Cartan vertrokken was, keerde Risdon zich weer om. Niet alleen zijn gelaat, maar ook zijn lippen waren spierwit. Hij trilde over heel zijn lichaam. Adela had hem nog nooit zoo gezien, want ze was niet gewoon, dat hij zich ook maar eenigszins druk maakte over iets, wat haar betrof. Gedurende een oogenblik scheen hij zelfs zóó hartstochtelijk-driftig, dat hij geen woorden kon vinden en dus ook geen geluid over zijn lippen kwam. Toen hij zich nu in zóóverre weer meester was, klonk het met tergende kalmte: „Hoe kreèg je het in je hoofd? .... Hoe durfde je het doen?... De mist ? Jawel! 1! Ellendige leugenaarster!... Dacht je heusch nog, dat ik daar dan geloof aansloeg?” „Heb je me ooit op een leugen betrapt. Dick?” „Neen, maar nu lieg je voor hèm; voor hèm, dien je liefhebt.” .... „Dacht je soms, dat ik ’t niet gezien heb; niet duidelijk gemerkt?.... Dezen dag heb je afgewacht. Ja, je hebt er al lang op geloerd, en nu ....” „Houd op!” smeekte ze. „Ja, ja; je bent mij moe! Ik weet het wel! Maar daar is wel raad op: Ga mijn huis uit, en kom nooit weer terug, versta je?” Hij was zóó buiten zichzelven van drift, dat zij heel goed inzag, hoe zij althans, zoo wijs moest zijn, haar kalmte te bewaren, daar dit onderhoud anders de noodlottigste gevolgen kon hebben voor hen allen. Ze bedwong zich dus en antwoordde slechts: » „Ik geloof, Dick, dat je niet heelemaal weet, wat je zegt. Zoo ja, dan zou ik waarlijk niet langer bij je wenschen te blijven. Maar denk er nog eens over na!.... Kom, Doki.” , Nog altijd was zij gekleed om uit te gaan. Doki kwam dadelijk aangeloopen en samen traden zij toen het vertrek uit. _ Toen ze maar eenmaal weg was, begon Risdon’s woede wat te bekoelen, maar ging daarom toch niet over in een gevoel van billijkheid en recht, maar in haat, — gloeienden haat jegens den man, die zijn ijdelheid gekrenkt had, doordat hij het hart had gewonnen van de vrouw, die hem toebehoorde, maar die hij nu verloren had; iets wat hij ook niet anders verdiende» zooals hij nu duidelijk, — maar te laat — erkende. En juist dit bewustzijn wekte zijn nijd in zoo hooge mate op. Of hij nu in zijn hart overtuigd was, dat zijn vrouw hem eerlijk en oprecht behandeld had? — Wie zal dat uitmaken? Zoo ja, dan deed hij nu toch in ieder geval zijn best, om dat bewustzijn te verdringen. Want al zag hij nu ook in, dat hij zich vergist had, dan zou hij nóg te trotsch zijn geweest, om dit te erkennen.
PDF
Nummer
1914, nr.24, 10 juni 1914
Blad
08
Tekst
PANORAMA In ieder geval zou hij haar dus straffen voor de misdaad, die hij haar verweet, op de manier die zij dan verdiend had: Hij wees haar de deur en verbande haar dus zoo uit zijn leven, terwijl hij zelve zich ergens terug zou trekken, waar zij nooit zijn drempel betreden mocht; nooit, nooit meer! Op den avond van dezen pijnlijken dag begon Risdon zijn papieren bij elkaar te pakken. Het volle licht viel op al de bundeltjes, die hij vluchtig de revue liet passeeren, waarna hij ze bij elkaar wierp, in een groote blikken trommel, naast zich op den vloer. Door de open deur kon hij op de gang zien, en in de kinderkamer, waar zijn kleine jongen lag te slapen en waar de „nurse” ijverig zat te schrijven aan een tafeltje, dicht bij het bed. De uren krópen letterlijk voorbij en de stilte werd slechts verbroken door het kraken van Risdon’s papieren en het tikken van de klok. Want van buiten drong ook geenerlei geluid door: in die wijk van de stad had alle verkeer op dezen tijd van den avond opgehouden. Tegen middernacht klopte „nurse” bescheiden aan de open deur en vroeg of ze even een brief op de bus mocht brengen. Risdon keek bij deze stoornis boos op, maar gaf tóch zijn toestemming en ging onmiddellijk door met sorteeren. Toen hij even later een licht gedruisch hoorde in de kinderkamer, dacht hij in het eerst dat „nurse” daar weer was; maar zóó gauw kon die toch niet terug zijn! Verbaasd keek hij dus eens even op van zijn papieren en zag daar zijn vrouw over het slapend kind gebogen staan. Zoodra hij opkeek stond Adela ook op uit haar gebukte houding en maakte haar mantel vast los, terwijl zij bij hem binnentrad. Doki die er ook bij was, gaf broer nog een zoen, en volgde toen haar Moeder in Vaders kamer. Risdon staarde zijn vrouw aan, of hij een geestverschijning zag, want ofschoon er slechts een enkele avond en één middag verloopen waren, sinds hij haar de deur gewezen had, was hijzelve al zoozeer doordrongen van de onverzettelijkheid van zijn eigen besluit, dat hij haar daar in het minst niet verwachtte. „De voordeur stond wijd open,” verklaarde zij. Risdon zei niets, maar trok de wenkbrauwen hoog op; en de uitdrukking van zijn oogen beloofde niet veel goeds! Adela wilde hem echter geen tijd laten, om zijn besluit te herhalen, en onmiddellijk liet ze dus volgen: „We hebben heel lekker gegeten, in Riche, en zijn toen naar Doki’s lievelings-bioscope geweest.” Nog altijd sprak Risdon geen woord, maar hij hield het gelaat afgewend van haar ondervragenden blik! En nu meer rechtstreeks op haar doel afgaande, vroeg ze: „Je hebt mij zeker wat te zeggen, Dick, is ’tniet?” Zelfs in zijn gloeienden haat moest Risdon toch altijd blijven zien, hoe aantrekkelijk zij was. Haar lief gezichtje, nog blozend van de frissche avondlucht, keek vragend naar hem op; haar lichtblonde haren golfden in fijne krulletjes langs de slapen; haar kleeding was onberispelijk als altijd, en uit heel haar wezen straalde die vrouwelijke bekoring die haar zoo onweerstaanbaar maakte; — ook tegenover hèm! Maar vooral het bewustzijn, dat een ander daarvan genieten zou, maakte hem juist razend-jaloersch! Hij sprak geen woord, maar een onverstaanbare klank kwam van zijn lippen. Hij sprong van zijn stoel en stormde op haar af.... Adela ging slechts een stapje HET VERTREK VAN EDUARD VERKADE NAAR NED. INDIË. Bovenstaande foto is genomen bij het vertrek aan het Staatsspoorstation te *s-Gravenhage; van rechts naar links: Enny Vrede, Eduard Verkade. Cor Ruys, P. Geerts, Tilly Lus, Chr. Leblau, Louis de Vries. (foto Haagsch lil. bureau). achteruit, om een botsing te vermijden. Reeds had Risdon de vuist gebald; maar toen op eenmaal van plan veranderend, greep hij haar om het middel en duwde haar met de kracht van een bezetene de openstaande safe in . ... Aan verzet was niet te denken geweest bij dien onverwachten en geweldigen aanval. Een doordringende kreet van plotselinge verbazing en angst;. .. toen een doffe smak, terwijl zij met haar hoofd tegen den metalen wand aankwakte; — en daarna geen geluid meer! In vertwijfeling was Doki haar Moeder achterna geloopen. En Risdon, die nog ééns zoo woedend scheen geworden op het zien van zijn eigen gewelddadigheid, greep haar in de vlucht en wierp ze haar moeder achterna, terwijl ze nu bedwelmd op den vloer van de safe terecht kwam. Zijn oogen schoten vonken. Hij pakte den knop der deur en er met zijn volle gewicht tegen duwend, gooide hij ze in het slot. Toen scheen zijn razende kracht, voor het oogenblik althans, uitgewerkt; — hij trad weer op zijn schrijftafel toe, greep met bevende hand een stapel papieren en trachtte te lezen. Nadat hij zoo geruimen tijd gezeten had, keerde er weer een sprank rede terug in zijn ontsteld brein; — maar daarmee ook onuitsprekelijke angst. Tevens een doodelijke uitputting na die bovenmenschelijke inspanning. Hij legde de papieren weg, schoof zijn stoel terug en vloog weer op de safe af. Juist op dat oogenblik hoorde hij „nurse” terugkomen en stond nu stokstijf stil........ In zijn waanzin had hij haar tegenwoordigheid geheel vergeten! Hoe nu, als zij iets gezien had van hetgeen er hier voorgevallen was? Daar wilde hij allereerst zekerheid van hebben. Hij riep haar dus; en zoo strak, als het hem mogelijk was, vroeg hij: „Loopen er nog veel menschen over straat?” ,.Ik heb niemand gezien, mijnheer; nóch in *t gaan, nóch in ’t terugkomen.” „Zoo. Dan nu maar naar bed, hè?” „Nurse” wist tenminste niets af van zijn vrouws terugkomst en waarschijnlijk ook verder niemand anders. Voorzichtig sloot hij nu de deur van zijn kamer. Geen geluid kwam uit de safe. Hoe nu, als........ maar neen! Dat kón toch ook niet! Zóó had hij het niet bedoeld!........ Hij wachtte tot hij „nurse” de deur van haar kamer had hooren sluiten en deed de safedeur open. Nu gluurde hij naar binnen, niet anders verwachtend, dan Adela daar te vinden staan, precies zooals hij de deur dicht geslagen had; •— maar in het eerst dacht hij waarlijk, dat zij wèg was. Zou alles ook maar een nachtmerrie zijn geweest? Maar nu zochten zijn oogen weer wat lager, en wat hij zag, deed hem een rilling over het heele lichaam gaan: Adela was gevallen, maar de ijzeren wand had haar gedeeltelijk ondersteund en nu stond ze zoo halfvoorovergebogen over Doki, maar er met recht uitziende als een geest, zóó doodelijk bleek, en als’t ware doorschijnend ! Machteloos hing haar arm ver naar omlaag, zoodat ze met de toppen van haar vingers net Doki’s gouden krullen raakte. Doki zelve was onbeweeglijk blijven zitten. ; Hoe langer hoe meer ontsteld, luisterde Risdon naar de ademhaling. Hij vatte Adela’s hand; alles scheen even wezenloos. Vertwijfeld stond hij tegenover zijn eigen misdaad. Met de wanhoop in het hart liep hij eens de kamer op en neer; maar onmiddellijk stond hij weer bij de safe. „Adela! Adela!” fluisterde hij. Maar het scheen niet tot haar door te dringen. Met Doki probeerde hij nu nog eens hetzelfde, maar met even ongunstig resultaat. Nu overmande hem toch zulk een doodelijke angst, dat hij ’tniet langer verkroppen kon, en hardop een schreeuw gaf. Toen werd alles duister om hem heen en hij viel........ Maar weer heel gauw stond hij op, sloot yrerktuigelijk de ( metalen deur, draaide de beide sloten om en stak de sleutels in zijn zak ..... Toen zat hij langen tijd achterover geleund in zijn stoel, steeds voor zich uitstarend, zonder iets te zien. Plotseling greep hij pen en papier en begon te schrijven als een bezetene. Uren later, toen de meid binnenkwam, om de kamer te doen, was zij ten hoogste verbaasd, dat mijnheer nog steeds voor zijn schrijftafel zat met bet gas brandend, ofschoon het klaarlichte dag was. Ze prevelde een excuus en ging weer heen. Hij sloeg in het geheel geen acht op de ontbijtbel en toen de meid dus even later met een blad, met het een en ander, weer binnentrad, zat hij nog steeds te schrijven, te schrijven als een razende........ De meid wist niet, wat ze er van denken moest, maar was in ieder geval blij, dat ze de deur weer uit was. Ze begreep er niets van, en het was haar een ware uitkomst, toen de bel ging, en Cartan verscheen die eens even kwam hooren, hoe de dames het maakten, na dat auto-avontuur. De meid zei toen, dat Mevrouw en Doki den vorigen dag weer waren uitgegaan, maar dat zij niet wist waarheen, en dat Mijnheer steeds op zijn studeerkamer zat te schrijven en er erg vreemd uitzag. Onmiddellijk ging Cartan hem nu opzoeken. Hij zei eens even een paar woorden tot hem, maar Risdon antwoordde niet, en staarde hem aan met verglaasden blik, hem blijkbaar niet herkennend. Toen ging hij weer zitten schrijven, met koortsachtige haast, alsof hij een bepaalde taak ophad, en bang was, dat hij die niet afkreeg. Zijn heele lessenaar en zelfs de vloer lag vol blaadjes, die alle beschreven waren met een ongeregeld, groot handschrift. Daar Cartan zeer goed begreep, dat er iets niet met hem in den haak moest zijn, keek hij nog eens even, wat er op die papieren geschreven stond. Het waren overal dezelfde drie zinnetjes: „Doki heeft goud haar. Adela hoorde mij. Ik doodde haar/* Cartan pakte hem bij den schouder en schudde hem geweldig door elkaar. „Wat beteekent dat, Risdon? Wat doe je daar toch?” Risdon gaf geen antwoord; hij keek niet eens op, maar trachtte zich los te wringen uit Cartan’s ijzeren greep. — En toen deze zag, dat hij toch niets uit hem kon krijgen, telefoneerde hij naar den dokter. Daarop riep hij „nurse* en de meid en ondervroeg haar beiden betreffende Adela en Doki. Ze konden hem echter al heel weinig op weg helpen. Toen belde hij al de kennissen op van Adela, die hij zich maar eenigszins herinneren kon; maar ook hier werd hij niet veel wijzer door. De dokter zag in Risdon’s optreden duidelijk een aanval van waanzin en achtte het overbrengen naar een particuliere ziekeninrichting strikt noodzakelijk. En Cartan bracht den dokter geheel op de hoogte van de situatie, in de hoop, dat ze daaruit konden afleiden, wat de patiënt wel dien laatsten tijd gedacht en gedaan zou hebben. Terwijl beide heeren dus druk aan ’t praten en overleggen waren, hoorden ze op eenmaal een soort kreunend geluid, vlak achter zich. Cartan sprong op, als geëlectriseerd; maar hij zag niets! Nog ééns dat pijnlijk gekreun en nu vloog hij op de safe af, manoeuvreerde met den knop, maar kreeg het ding niet open. „De sleutels! de sleutels!” riep hjj; zelve half waanzinnig. De dokter, die er nu ook alles van begreep, riep het dienstpersoneel: „De sleutels van de safe? Waar worden die bewaard ?” „Nurse” kwam aangeloopen. „Mijnheer heeft ze gewoonlijk . . ..” Nog had ze die woorden niet gesproken, of Cartan vloog op Risdon af, die voor zijn lessenaar zat te rillen en te beven........ Met een geestkracht, die geen tegenstand duldde, stak hij de handen in Risdon’s zakken, haalde den bos sleutels eruit te voorschijn en had onmiddellijk den juiste te pakken ........ Voorzichtig beurde hij kleine Doki op en reikte haar aan den dokter over. Toen sloot hij voor het eerst van zijn leven Adela in de armen, droeg haar uit de kast en vlijde haar op den grond neer, naast Doki; waarna de dokter zijn behandeling begon, om de levensgeesten op te wekken. Risdon stierf heel gauw, nadat hij in het gesticht was opgenomen. Toen Cartan’s verlof bijna om was, deelde hij Adela mée, dat hij maar drie plaatsen extra genomen had op de boot........ En het volgend jaar werd er een bruiloft gevierd, in in het verre, schoone Indië!
PDF
Nummer
1914, nr.24, 10 juni 1914
Blad
09
Tekst
© © © © © HET WERELD-PANORAMA © © © © © HET VERGAAN VAN DE „EMPRESS OF IRELAND”. Hierboven een foto van het schip, dat de vorige week is aangevaren en direct begon te zinken, waardoor ongelukkigerwijze een duizendtal menschen verongelukt zijn. Links het portret van Kapitein Kendall, die gered is. *DE militaire spoorweg. De Duitsche autoriteiten willen in tijd van oorlog of staking een goed geschoold spoorwegpersoneel hebben, en hebben daarom een speciale lijn voor oefening aangelegd. DE TROON VAN ALBANIË IN GEVAAR. Meer en meer winnen de rebellen in Albanië veld en de vorige week vond de vorst het raadzaam zijn vrouw en kinderen alvast in veiligheid te brengen op een stoomboot. Later zijn zij evenwel weer teruggekeerd. EEN ERNSTIG CANDIDAAT V. D. TROON VAN ALBANIË. Er gaan geruchten dat het in de bedoeling van de opstandelingen zou liggen vorst Wilhelm af te zetten en hem te doen opvolgen door Prins Burhan Eddine Effendi, zoon van den onttroonden Sultan Abdul Hamid. HET GAR DESCHU ETZEN-REGI M ENT. Den 27en Mei vierde het Gardeschützen-regiment te Gr. Lichterfelde bij Berlijn zijn 100-jarig bestaan in tegenwoordigheid van den Keizer en den Kroonprins van Saksen. Meer dan 5000 oud-gedienden waren opgekomen om het jubileum mee te vieren. VROUWEN IN HET BUITENLAND, OP Gravin INA VON BASERWITZ, de verloofde van Prins Oskar . van Pruisen. (foto 1^. Niederastroth). Mlle WENTA, eerste vrouwelijke dokter in de filosofie te Parijs. DIE DE AANDACHT Mlle PALMIRA VAGHI, de eerste blinde die het examen harpbespeling aan Conservatórium te Milaan met ZICH GEVESTIGD HEBBEN. Mme PELLIER, die onlangs met haar echtgenoot prachtige vliegtochten heeft gemaakt. Kapt. DE BEAUDITZ, h t de eerste vrouwelijke kapitein , - , c-. , . j van een Deensch koopvaardij- goed gevolg heeft afgelegd. sch}p PRINS OSKAR, de 5e zoon van den Duitschen Keizer, die een morganatisch huwelijk zal aangaan met gravin Ina von Baserwitz, DE DERBY TE EPSOM. Onder enorme belangstelling hebben de jaarlijksche rennen te Derby wederom plaats gehad. De Koning en verschillende ministers waren bij de spannende races tegenwoordig. Winner was de Durbar II, toebehoorende aan den heer H. B. Durea. DE OOR LOG TEGEN MEXICO. Een bemiddelingscommissie vergadert te Niagara Falls om te trachten den vrede in Mexico te herstellen. Hierboven de afgevaardigde van Mexico, de heer Rodriguez.
PDF
Blad 
 van 2380
Records 806 tot 810 van 11897