|
EEN AUTOTOCHT EN ZIJN GEVOLGEN
NAAR ’T ENGELSCH VAN HAROLD STEEVENS "" ' ........................
interessant is ’t, om na te gaan, hoe het
' toeval soms vreemd kan ingrijpen in
1 ’s menschen lot en levensbestemming!
Zoo was al hetgeen wij nu verhalen
' gaan, slechts ’t gevolg van een tijdelijke
! vijandige bui van twee Londensche
! omnibus-maatschappijen.
1 Al sedert eenige dagen werden de
hoofdverkeerswegen overstroomd door een afschuwelijk
soort motor-bussen, die er zoo woest en wild vandoor
gingen, dat ze al niet zelden in botsing waren gekomen.
Om nu nog de straat over te steken, werd een waar
kunststukje; iets wat een scherp oog, een groote tegenwoordigheid van geest en lichtheid van bewegingeischte,
die men niet licht in één persoon vereenigd vindt.
Frank Cartan was pas met verlof en in Indië
had hij excursies meegemaakt, die werkelijk wat te beteekenen hadden gehad; maar nu hij vanochtend BayswaterRoad wilde oversteken voor een wandelingetje in Hyde
Park, moest hij toch erkennen, dat hij ook menigmaal
„het eindje in zijn hand hield!”
Hij was nu al half over; en daar hij net twee Juggernautcars zag aankomen, besloot hij maar, geen duimbreed te
wijken van de plaats, waar hij zich nu bevond. Nog ééns
even achterom kijkend, om te zien, of hem althans in
den rug geen gevaar dreigde, zag hij vlak achter zich/
even naar rechts, een dame staan
met gouden krullen, die precies er
over dachten als hij.
Ze schenen zich hier volkomen
op haar gemak te voelen en niet
bewust te zijn van eenigerlei gevaar;
waarschijnlijk was een dergelijkoversteken van de Londensche straten
dagelijksch werk voor haar! Ze
stapten dus vroolijk voort, toen ze
opeens den omnibus gewaar werden,
die vlak achter zijn concurrent, precies langs den trottoirband, dreunde.
Natuurlijk hielden ze nu onmiddellijk
halt; maar ongelukkigerwijs struikelde de kleine over den glibberigen
weg en viel languit,—precies vóór
het gewelddadig monster!
Cartan voelde zijn hart in zijn
keel kloppen. Met zijn stok zwaaiend
en luid alarmeerend, trad hij het
gevaarte in den weg en de toeschouwers bewonderden ongetwijfeld
de stoutmoedigheid van dit optreden,
maar aan den anderen kant zagen
zij er niets dan slechts verdubbeling
van het ongeval in, want: vast en
zeker ging hij er eerst aan en dan
de kleine meid I Ongetwijfeld was de
bestuurder van de machine zóódanig
vervuld van het idee, om het zijn
concurrent af te winnen, dat hij
niet zoo
geen er
kon hij
tot zijn
In ieder
de rem
de machine uit elkaar sprong! De bus draaide op zijn
wielen rond en kwakte toen tegen zijn buurman aan.
Maar in ieder geval werden persoonlijke ongelukken vermeden: Cartan had maar even een kleine vermaning
gehad, die hem wèl van de been wierp, maar daar bleef
het dan ook bij. Met de achterwielen half op het trottoir
geschokt en het voorste deel opgeheven als een olifant,
die kunstjes verricht, stond de kolos daar;. .. gelukkig
volkomen onsohadelijk gemaakt!
Onze held was natuurlijk onmiddellijk weer op en keek
eens even, hoe de dames ’t er afgebracht hadden. Nu,
ze waren wel wat bleek van den schrik, maar hadden
geenerlei letsel bekomen.
Hoogst-zenuwachtig informeerde de Moeder:
„Heeft u zich bezeerd?.... O, ik kan niet zeggen,
hoe dankbaar ik u wel ben.... Als u niet tusschenbeide
waart gekomen, hadden. ... Maar hoe nü?. ... Ja toch:
u is Frank Cartan!”
„Ja, die ben ik Adela.... O, pardon: Mevrouw Risdon;
altijd nog dezelfde, hè? Hoe
te zien!”
Cartan was echt verheugd.
„Maar heb je je heusch niet
„Niet in het minst. Maar
blijven staan! Was je op weg naar het
dan soms mee?”
Toen ze daar in dat veilig, rustig milieu waren aangekomen, bedankte Adela Risdon Cartan tèlkens en tèlkens
weer in andere bewoordingen voor zijn heldhaftig optreden
en haar zevenjarig dochtertje, — kleine Doki — sprak
haar alles na, met nog een paar toevoegingen van eigen
inventie erbij!
Toen dit punt nu afgehandeld was, stonden ze nog
met een klein meisje
eens even stil bij dat wonderlijk eerste ontmoeten weer,
na al die jaren die er verloopen waren, sinds Adela Frank
Cartan geweigerd had, en later met Richard Risdon in
het huwelijk getreden was!
Het had al haar vriendinnen evenzeer verwonderd, dat
die vroolijke, levendige Adela nu juist Risdon uitverkoren
had, om hem al de liefde uit haar warm hart te schenken.
Richards temperament was zeker niet van de alleropgewektste, op z’n zachtst gezegd, — maar ze scheen
wel een steen te kunnen vermurwen en Risdon’s kennissen, — hij had er dan toch altijd zoo een paar waar
hij zaken mee deed, — merkten met groote verbazing op,
dat hij althans „menschelijk” werd,
een korte opflikkering geweest; en
van zijn huwelijk voorbij was, werd
saaie en de stijve zakenman, die hij
Adela schonk hem een meisje; en drie jaar later een jongen; maar hij had zich nooit de moeite gegeven, om de
kinderen van zich te laten houden; en toen
ook onverschillig toonden voor hem, nam
geheel geen notitie meer van zijn kleintjes.
Arme Adela: wat een desillusie! Niet, dat
van haar hield, of een andere vrouw liefhad; dat wist
zij goed genoeg. Maar hij was nu eenmaal niet vatbaar
voor het gevoel, dat liefde heet.
Lang had het anders geduurd, eerdat Adela tot die
ontdekking kwam; en nog langer eer ze het zichzelf
Maar di t was slechts
nadat de eerste tijd
hij weer de strakke,
geweest was.
ze zich dus
hij in het
Risdon niet
eens voorkwam, dat Cartan bij de Risdon’s bleef dineeren.
De onmiddellijke omgeving was gauw genoeg afgezien
en toen werd er besloten tot een picknick verder het land
in. Men zou dus zoo vroeg mogelijk vertrekken en dien
middag eerst laat terug komen.
Cartan deed, als altijd, nog eens zijn best, om Risdon
mee te krijgen; maar even onveranderlijk moest hij ook
nu weer het excuus hooren, dat de vriend het als man
van zaken: „te druk had”.
De auto scheen goede plannen te hebben voor dien
dag, want hij was extra van benzine voorzien. Hij
tufte er dus als de wind overheen en omdat de wegen
ook bijzonder uitlokkend waren, had Cartan ook al heel
gauw zestien mijlen afgelegd. Nu verliet hij den hoofdweg en gleed over de afgegraasde vlakte, dwars door
de brem heen. Toen werd er uitgestapt, en toebereidselen
voor den picknick gemaakt; gezellig tusschen het hooge
kreupelhout.
De streek was bijzonder uitlokkend om even „verstoppertje” te spelen, vond Doki- en haar wensch werd gevolg
gegeven, totdat Cartan op eenmaal zijn horloge te voorschijn haalde en vol schrik riep:
„Nu mogen we wel als de wind terug, anders kunnen we
nooit meer op tijd thuis zijn. Ik had er geen idee van,
dat het al zoo laat
Terwijl hij even
andere schertsende
namens zijn oud-leerlingen werden den geachten leermeester huldeblijken aangeboden.
PROF. FOCKEMA ANDREAE. (foto A. Muns)
Donderdag 4 Juni herdacht prof. Mr. S. J. Fockema Andreae te Leiden zijn 70en verjaardag. Zoowel namens
zijn ambtgenooten als
bijzonder gelet had op hetvlak vóór hem was. Ook
het moeilijk zien, diene
verontschuldiging gezegd,
geval was hij nu verplicht, met zulk een geweld
te gebruiken, dat het er veel van had, of heel
was.
naast zijn auto stond en de een of
opmerking maakte, vloog daar net
een uil, al krassend over hun hoofden heen. Verbaasd als hij was,
dat die nachtvogel zich ’s avonds
al zoo vroeg toonde, volgde Cartan
het dier steeds met de oogen........
En in plaats van deze „wichelarij”
met een grapje te besluiten, zooals
Adela eigenlijk verwachtte, staarde
hij maar steeds recht voor zich uit
en riep in de hevigste ontsteltenis :
„Hemel beware! Kijk eens dien
kant uit!”
De richting van zijn oogen volgende, keek Adela naar de lucht
en zag daar een dichte wolkenbank
aankomen. Van reusachtige afmetingen, kwam die met een snelheid
aangedreven, waaraan niet te ontkomen viel.
„Vlug uitstappen, Mevrouw Risdon,” riep Cartan, „door zulk een
dichten nevel kan ik den auto niet
besturen.”
Bliksemsnel rukte hij het portier
open, trok er de kleedjes uit, haalde
er de lantaarn van af en nam toen
Doki bij de hand; en zóó voerde
hij het tweetal zoo gauw mogelijk
den weg op, dien ze nu verder te
voet moesten afleggen, hij steeds
met zijn lantaarn een soort van
lichttunnel vormend, waardoor ze
zich werktuigelijk een doortocht
baanden. Het spoor der autowielen
was niet meer te onderkennen; en
’t eerst nog meende, dat hij de plaatsen
aardig, om
bezeerd?”
kom, laat
je weer terug
ons niet hier
Park? Mag ik
bekennen wilde; maar toen ze het ten slotte wel aanvaarden moest, verloor ze er ook haar opgewektheid
bij, die haar juist zoo aantrekkelijk had gemaakt.
Onder deze omstandigheden nu ontmoette zij Frank
Cartan. Hij hoorde tot het groot aantal pretendenten, die
indertijd om Adela’s hand gedongen hadden en daar zij
de eenige vrouw was, die hij waarlijk had liefgehad,
was hij haar altijd trouw gebleven. Hij had zich toen
maar wat afleiding trachten te bezorgen, door zich met
hart en ziel op het theeplanten toe te leggen en had
zich dan ook vast in ’t hoofd gehaald, dat hij als verstokt vrijgezel zijn leven zou eindigen. Hij was nu voor
het eerst met verlof, en na hetgeen er nu gepasseerd
was, scheen niets natuurlijker, dan dat hij een visite zou
maken bij de familie Risdon wat hij dan ook natuurlijk
deed. Van eenig gevoel van dankbaarheid scheen niets
waar te nemen bij den gastheer.
Nu, daar verwonderde Cartan zich niet over! Véél
meer was hij in ’t eerst verwonderd geweest door het
verschil van de Adela, die hij nu ontmoette en die hij
zeven jaar geleden ontmoet had. Naarmate zij elkaar
echter eens meer gesproken hadden, vond hij haar al
weer terug en daar was hij blij om, voor haarzelf in de
eerste plaats.
Doki was dadelijk dol met den nieuwen kennis inge.
nomen en daar Cartan slechts een paar weken verlof
had. tracteerde hij Moeder en kind dikwijls op een ritje
naar buiten met zijn auto.
Risdon had er niets tegen: Want ofschoon bij van
nature buitengemeen jaloersch was, — wat helaas maar
al te zeer uit het verloop der geschiedenis zal blijken,—
had hij hier ook niets geen reden voor; zijn vrouwtje
had nog ncoit eenige aanleiding gegeven.
Zoo ging hét drietal dus menigmaal op excursie en
was altijd weer op etenstijd thuis; zoodat het nogal
ofschoon Cartan in
van het geboomte had onthouden, kwam hij toch al gauw
tot de conclusie dat hij van den goeden weg afgedwaald was.
„Hè, wat is dat?” riep Doki op eenmaal; en met haar
scherp gezicht scheen ze iets ontdekt te hebben, wat aan
den anderen nog niet ’t oog gevallen was.
„Cartan lichtte bij in de aangegeven richting en de
kleine barstte in helderen kinderlach uit:
„Neen maar! Wat gèk! Dat is de auto!!!....”
„Ook geen goede verkenner, Mevrouw Risdon,”
begon hij. Precies weer op hetzelfde punt teruggekomen!
Hoe is ’t mogelijk!”
Andermaal trad hij op zijn auto toe en stak nu ook de
tweede lantaarn aan.
„Ziezoo, nu kunnen we nog even onze thee uitdenken,”
sprak hij met gemaakte vroolijkheid.
Dit deden zij nu ook; — staande; — en ofschoon de
warme drank zijn opwekkenden invloed ook nu weer
niet miste, bleven ze zich toch duidelijk bewust, dat hun
toestand allesbehalve rooskleurig was: Klokke halfzeven
zaten ze daar in dien ondoórdringbaren wolkensluier,
zestien mijlen van huis en tien mijlen van ’t naaste
station, zooals Cartan op zijn kaart vond. Voorts een
goede vijf mijl van eenig dorp of gehucht; en een kwartier van een goed begaanbaren weg, dien ze al niet
hadden kunnen vinden.
Hij stelde voor, om nu alleen op verkenning uit te
gaan, terwijl zij hem zoolang in den auto zouden wachten met een lantaarn bij zich, en de hoorn bijwijze van
signaal. Maar Adela greep verschrikt zijn arm, en smeekte
hem, dat toch „alsjeblieft” niet te doen!
„O, neen, neen, Frank,” riep ze; en onder den invloed
der omstandigheden was ze onwillekeurig weer in de
oude gewoonte vervallen, om elkaar bij den voornaam
te noemen. „Dat is immers veel te gewaagd. Laten we
|