|
HET HERSTELLINGSOORD VOOR KINDEREN „ERICA”,
der Luthersche Diaconesseninrichting te Huizen, dat onlangs geopend is door den Voorzitter den heer I. W. G. Kirberger. Foto links: Een schaduwrijk plekje waar de kinderen hun boterham
gebruiken. Foto rechts: De groep van genoodigden en gevers, ter gelegenheid van de opening. (foto's C. Steenbergh).
^oe twee dappere soldaten door een mooie vrouw verschalkt werden en van het geheim
ZO1WCU11 ld 11 1/ dat si] met een van beiden had, = ©oor kapitein Oswald ©alias.
ENERAAL Erskine tikte met zijn nagels
j tegen zijn tanden, iets dat hij bij ernstig
i nadenken altijd deed. Toen keerde bij
j zich om naar den jongen officier, die
; stokstijf stond met zijn linkerhand op
het gevest van zijn zwaard, zijn hooge
• shako in de kromming van zijn rechterelleboog en keek hem met koude, onderzoekende staalgrijze oogen aan.
„U kunt dezen officier dus aanbevelen, kolonel Priestly,”
zeide hij met zijn scherpe, onwelluidende stem.
,,Ten volle, Generaal/1 antwoordde een lange man met
een smal gezicht in de uniform van het 16e regiment
lichte dragonders.
Een lichte blos kleurde het gelaat van Bertrand de
Lisle. Zijn kolonel was karig met loftuitingen en hij was
nog jong genoeg om daar trotsch op te zijn. De generaal
boog zich over eenige papieren heen, die op de ruwe
vurenhouten tafel voor hem lagen. De opkomende zon
wierp door het venster zonder ruiten der hut een schitterenden bundel stralen over den aarden vloer.
„Luitenant de Lisle, kent gij de streek van hier naar
Almeida?” vroeg de generaal plotseling opkijkend. „Neen
Generaal, ik ben de streek niet door geweest, maar....”
„Wat „maar”?” vroeg de generaal ongeduldig. „Dat
komt er echter niet op aan, generaal — ik zal mijn weg
wel vinden,” vervolgde de jongeling; zijn gelaat met de
scherpe trekken straalde van vuur. Hij was een knappe
jongen van 20 jaar van meer dan middelbare lengte en
droeg vol trotsch het opzichtige uniform, dat er nog vrij
goed uitzag daar hij pas drie maanden op het schiereiland had doorgebracht. De generaal zag hem met opgetrokken wenkbrauwen en saamgeknepen lippen aan. Het
gladgeschoren gezicht, de groote gebogen neus en de doordringende grijze oogen deden hem op een roofvogel gelijken.
Karig met lof waar het goedgedaan werk betrof, had hij
den naam van onverbiddelijk te zijn tegenover hetgeen
mislukte. Hij haalde een ruw geteekende kaart tusschen
de papieren uit die op de tafel lagen. —„Kom hier,”
sprak hij categorisch. — De jonge de Lisle deed twee
stappen voorwaarts, die hem tot naast den generaal
brachten. „De kaart is zeer ruw geteekend,” vervolgde
de laatste „en is — vrees ik — niet heel nauwkeurig.
Ongeveer 12 mijlen aan deze zijde van Cindad Almeida
ligt het dorp Pomale. Dicht bij dit dorp ligt het kasteel
Pomale, de woning van de markiezin Villatra-Pomale.
Begrijpt ge mij?” „Volkomen, generaal,” antwoorde de
jonge officier, zich in stilte afvragend wat er volgen
zou. — „De markiezin Villatra-Pomale is een Spaansche
en tot nu toe veronderstelden wij dat zij alle hulp die
zij bij machte was te geven aan de verbonden troepen
verleende.” De Lisle keek den generaal in de strenge
grijze oogen. „Ja, generaal.” „Wij hebben redenen om te
vermoeden, dat wij bedrogen zijn en dat zij niet alleen
den vijand hulp verleend — doch ook partij getrokken
heeft van de haar verleende faciliteiten om aan maarschalk Massèna inlichtingen te verschaffen.” Zwijgend
wachtte de jongeling. Nog steeds was hem niet duidelijk
waarom men om hem gezonden bad. „Met een geleide
van 12 man vertrekt gij onmiddellijk naar het kasteel
Pomale. Daar aangekomen overhandigt gij de markiezin
dit pakje en bied haar uw geleide hierheen aan.” „Ja,
generaal.” „Indien zij moeilijkheden opwerpt om met u
terug te keeren. ...” De generaal zweeg en zijn lippen
vormden een rechte lijn. De Lisle luisterde vol verwachting.
„Dwingt ge haar met u mede te gaan.” „Dwingen,
generaal, een vrouw?” De generaal sprong op, zijn zwaard
kletterde tegen den vloer. „Moet ik hieruit opmaken,
mijnheer, dat ge mij een lesje in ridderlijkheid wenscht
te geven?” vroeg hij met vlammenden blik. „Gij zult
moeten erkennen, mijnheer, dat het vervullen van een
plicht niet altijd aangenaam is, toch moet het geschieden.
Neem dit pakje en volvoer mijne bevelen. Binnen vier
dagen verwacht ik u terug.” Kolonel Priestley’s lippen
beefden terwijl hij een vluchtigen blik wierp op luitenant
de Lisle. Deze nam het pakje op dat de generaal hem
toegeworpen had, deed het in de sabeltasch die aan zijn
linkerkant hing, zette zijn shako op, salueerde, maakte
rechtsomkeer en stapte fier met rinkelende sporen de hut
uit. Een zeldzaam vriendelijken glimlach ontspande het
ernstige gelaat van den generaal. „Ik hoop maar dat we
den geschikten persoon gekozen hebben, Priestley,” zei hij.
„De markiezin heeft den naam van zeer bekoorlijk te
zijn.” „Iets dergelijks heeft men mij ook reeds te kennen
gegeven, generaal,” antwoordde kolonel Priestley met een
sluw glimlachje; en om de een of andere reden kreeg de
generaal een kleur.
II.
Luitenant de Lisle liet zijn kleine vosmerrie draven
totdat hij den top van een zachtglooienden heuvel bereikt had, vanwaar een der soldaten van de voorhoede,
Cornsy genaamd, zijn signaal beantwoord had. Links van
den weg was een kleine aanplanting van kurkboomen,
die een diep purperkleurigen schaduw wierpen over de
schelle witheid van den weg. De Lisle stak zijn hand op
en zijne manschappen brachten hun paarden totstilstaan.
Van hier af daalde de weg wel een paar honderd meter
steil naar beneden en kronkelde dan verder als een smal
lint tot aan de Siërra Morena, die grijs tegen de lucht
afstak. Onder aan den voet der helling stonden eenige
witgekalkte hutten, waarvan sommige dakloos waren. Wat
dichterbij, links van den weg, lag een alleenstaand gebouwtje van twee verdiepingen, dat klaarblijkelijk het
wijnhuis van het dorp was. De aanblik ervan herinnerde
de Lisle eraan dat zijn keel zoo droog als een kalkoven
was. Achter de posada dansten de golfjes vaneen borrelenden
waterstroom lustig en vroolijk over zijn rotsachtige bedding in het licht van den schitterenden zonneschijn.
Het kleine gezelschap was sedert ’s morgens zes uur
reeds op marsch en nu was het tien. Hij wilde de paarden
laten drinken en ze ’n paar uur laten uitrusten. De Lisle
was op ’t punt bevel tot den afmarsch te geven, toen er
een man aan de deur der posade kwam, die met zijn
hand boven de oogen den weg op- en afkeek en vervolgens weer naar binnen ging. — De Lisle zette zijn
troepje in beweging, daalde de helling af en hield weldra
voor het wijnhuis stil. Nadat hij enkele manschappen
als schildwachten had uitgezet, liet hij de rest afstijgen
en gaf den sergeant bevel zorg te dragen dat de paarden
voedsel en te drinken kregen; daarna trad hij een lang,
laag vertrek binnen, waarin een tafel en een paar banken
stonden. — Op een der banken zat een man een lange,
dunne sigaar te rooken en keek den jongen officier onverschillig en laconiek aan. Niettegenstaande de hitte had
hij een grooten mantel over de schouders geworpen. Hij
had lange, stoppelige bakkebaarden en droeg een bontgekleutden hoofddoek, waarop een sombrero (breedgerande
Spaansche hoed).
„Goedendag, sênor,” zei de Lisle hoffelijk.
De man stond op en nam zijn sombrero af.
„Goedendag,” antwoordde hij barsch, zette zijn hoed
op en ging weer zitten.
„Kunt ge mij ook zeggen of ik hier zou kunnen ontbijten?” vroeg de Lisle in ’t beste Spaansch waarover hij
kon beschikken.
De man haalde de schouders op en bleef stil zitten
zonder antwoord te geven.
De Lisle hoorde een onderdrukt gegichel en keerde zich
om. Toen nam hij zijn shako af en boog. Op den drempel stond een jong meisje met lachende zwarte oogen.
Zij droeg een kort groen-fluweelen jakje; haar warmoranjekleurig rokje reikte even over haar knieën en liet
goed gevormde beenen met slanke enkels in witte kousen
zien. Zwarte schoentjes met groote zilveren gespen omsloten nauw haar kleine voeten. Een rond fluweelen mutsje
met groote pompoen had zij zwierig op haar koolzwarte
lokken gezet. Onder haar olijfkleurige wangen, blakende
van gezondheid en levensvreugde, tintelde het warmroode
bloed. In de rechterhand hield zij een paar castagnetten.
(Wordt vervolgd.)
DE ZWITSERSCHE LA N DSTENTOO N STELLI N G TE BERN.
Den 15en Mei is te Bern de Zwitsersche Landstentoonstelling geopend, waarvan wij hierboven 2 foto’s geven. De foto links stelt voor de ingang aan de Langasse, de foto rechts: in het
midden de intern, bureaux alsmede geheel rechts de groote machinehal.
|