|
PANÖRAMA
dat je een expert moet hebben om op ’t eerste gezicht
te verklaren, dat ’t niet echt is. Terwijl ik met Jacobs
stond te praten had ik achter in mijn hersens een idee
en dat idee heb ik naar voren gewerkt. En in ’t allerongunstigste geval is ’t altijd nog wel iets meer waard
dan een halven dollar. Bekijk het ding maar eens goed.”
Kiddy nam het antieke stuk in haar handen om het
critisch te bekijken. Klaarblijkelijk was het gemaakt van
een bijzonder massieve, dikke soort van porselein, want
het was zwaar al was ’t niet groot van volume; wat den
vorm aangaat, als geheel beschouwd, was die in den
eigenaardig oosterschen stijl, dien men belichaamd ziet in
de meeste antieke urnen en kannen uit dat
deel der wereld en waarvan de modelleering
meer gebaseerd is op de combinatie van de
gebogen en de rechte lijn dan op de westersche
gebogen lijn alleen; het had rechts een massief handvat terwijl uit de linkerzijde een
gelijkenis van den zinnebeeldigen Chineeschen
drakenkop met naar buiten slingerende roode
tong vooruitstak. In het midden zwol de vaas
uit in een krachtige bocht om naar het voetstuk toe weer terug te keeren tot het geometrisch figuur en om het voetstuk zelf liep een
rand van regelmatige uittandingen. Wat de
kleur betreft, had het stuk over de gansche oppervlakte een witten ondergrond waarop een soort
van primitief heraldisch ornament was aangebracht, geschilderd in den trant der oude
oostersche kunstenaars, met prachtige verf in
het materiaal ingebakken, waarna iedere kleur
er afzonderlijk wordt opgelegd; het ornament
bestond grootendeels uit afbeeldingen van allerlei bloemen-arrangementen in grillig gevormde,
verschillend getinte mandjes, oogenschijnlijk
zonder eenige bepaalde regelmaat geschikt.
En het laatste en meest opvallende kenmerk
was een lange, onregelmatige streep van bloedroode kleur, die van de tong van den draak
liep naar het voetstuk van de vaas; of die
met opzet was aangebracht of er toevallig was
opgekomen, was naar’t scheen niet teconstateeren.
Kiddy zette de vaas weer midden op de tafel
en ging op de armleuning van den stoel zitten.
„’t Lijkt een goede imitatie,” zei ze na een
oogenblik, „maar wat wil je er mee doen?”
Haar man nam een sigaret van den schoorsteenmantel en stak ze aan.
„Ik heb het plan al heelemaal in mijn
hoofd,” antwoordde hij tusschen twee peinzende
trekken, ,,en ’t is zaak om in de eerste plaats
te bedenken, dat er geen haast bij is.”
„Met zoowat elf shilling voor ons beiden,
vind ik, dat er heel veel haast bij is,” riep
Kiddy vinnig en zij sloeg het eene been driftig
over het andere.
Mijnheer Bevan blies fijntjes een langzaam
rookkolommetje naar ’t plafond toe.
„Dat is weer zoo’n echte dilettanten-bewering,” zei hij kalm, „en dat is juist de reden,
waarom dilettanten altijd de zaken verknoeien.
Ken je Vonderburg in Bow.........tweedehandsmagazijn, maakt goede zaken, druk bezocht
door verzamelaars, geloof ik?”
„Wel hooren noemen.”
„Nou* die ouwe Vonderburg heeft me een
jaar geleden ’t laatst gezien en ik geloof niet,
dat we elkaar in ’t geheel tien keer ontmoet
hebben. Geloof je, dat hij me zou herkennen
als ik een baard droeg?”
„Je bent nogal tamelijk bekend.”
Bevan lachte; „Vonderburg is geen kerel van
de politie, Kid. Bekijk dien pot nogeens goed;
die moet geld voor ons munten; ik ben in een
oogenblik terug.”
’t Vrouwtje liet zich languit neervallen in den
fauteuil, zich uitrekkende tot zij bij een sigaret
op den schoorsteenmantel kon, vond toen op
den grond een lucifer, die gevallen was en
dampte er op los.. Zij was bijna halverwege
toen hij terugkwam en bekeek hem onderzoekend
met haar scherpe grijze oogen en gooide de
half opgerookte sigaret weg.
„’tGaat,” verklaarde zij na een paarseconden
bedenken. „Leg me nou de zaak eens uit, Joe.
II.
De middag was heet en mijnheer Vonderburg liep te
ijsberen door zijn winkel, onderwijl dampend uit een
lange aarden pijp.
’t Was smoorheet en de zaken gingen slap, veel te
slap, zoodat ’t mijnheer Vonderburg te vergeven was,
dat hij af en toe heftig stond te trekken aan zijn langen,
donkeren snor en van tijd tot tijd vreemdsoortige vloeken
uitstiet in schorre keeltonen. Tot nog toe hadden de
zaken zich dien dag bepaald tot drie verschillende inkoopen van tweedehands-kleeren van een paar viezige
wijfjes en één verkoop, n.L van een goedkoopen wandelstok aan een verwaand kantoorjochie. En dat als je zoo’n
prachtsorteering hebt van heterogene artikelen, die wachten
op de komst van den een of anderen hevig-kooplustige;
en dat schijnbaar tevergeefs 1
Voor de veertigste maal ongeveer stapte de patroon
dien middag naar buiten, een snellen, sluwen blik werpend over de straat, met een rukkende hoofdbeweging
als van een papegaai; dezen keer verdween mijnheer
Vonderburg snel weer in zijn winkel en scheen in allerijl
verdiept te zijn in langdradige berekeningen in een lijvig
boekdeel, dat boven op de toonbank lag. Buiten stond
een heer van een gedistingeerd uiterlijk, met een duur
soort van macmtosh aan en een bruin-vilten hoed op te
kijken naar de dingen in de uitstalkast; een zware,
zwarte baard bedekte zijn kin en zijn uiterlijk kenmerkte
hem als een mogelijke verzamelaar van rariteiten; als
EEN INDIANEN-KERKHOF IN HET MEX1CAANSCH
GEBERGTE.
In sommige deelen van Mexico hebben de Christen-Indianen eigenaardige zeden omtrent het begraven; zoo o.a. ook in de mijndistricten
der Mazapil-Koper-Maatschappij te Batopilas, gelegen aan de grenzen
der Vereenigde Staten, op een hoogvlakte van 2000 M. boven den
zeespiegel. De lijken der afgestorvenen worden op de kerkhoven in
een leemen hut geschoven, de deur gesloten en daarna met leem
bestreken. Wind en regen zijn oorzaak, dat de licht gebouwde hutten
spoedig instorten, zelfs ook, wanneer deze zorgvuldig worden gebouwd. Het op den voorgrond der foto zichtbare kruis, geeft
blijken van de zorg, die er aan besteed is, doch de belangstelling
der bloedverwanten in het onderhoud van het graf is van zoo’n geringen duur, dat het gebeente ongeloofelijk snel door de zuidelijke
zonnehitte vergaat. Sterft een der eersten van het dorp, b.v. een
schout, dan wordt er een grooter graf voor hem gegraven. Men doet
het lijk in het graf, bestrijkt het met leem, zoodat het hoe langer
hoe hooger, trapsgewijze naar boven kleiner, een praalgraf wordt.
De schedels, welke door roofdieren verspreid liggen, dienen tot tooi
van het graf der hoofden, opdat de zielen zich vereenigen kunnen
met die hunner hoofden, om hun tot hulp en steun in het vagevuur
te dienen.
Toen de oude Porfirio Dias met vaste hand Mexico bestuurde,
was Batopilas een bloeiend dorp. De bewoners hadden werk genoeg
in de naastbijgelegen kopermijnen, wier ertsen door een luchtkabelbaan van eenige kilometers naar de smeltovens werden gebracht en
welke, dank de ondernemingsgeest der Duitschers, door de firma
Adolf Bleichert & Co. te Leipzig Gohlis is gebouwd. Thans hebben
de rebellen en rooverbenden in de vreedzame werkplaatsen hunne
intrede gedaan, waardoor in de mijnen niet meer gewerkt kan worden,
de arbeiders ontslagen zijn en moeilijk in hun onderhoud kunnen
voorzien. Vele nieuwe graven getuigen van de uitwerking van het
vijandelijk lood en van de afgrijselijke gevolgen van den guerillaoorlog. Spoedig misschien zal het kerkhof te klein worden, wanneer
de regimenten van een nieuwe generatie aldaar een grooten veldslag
leveren.
dat zoo was, zou hij waarschijnlijk binnenkomen, zoo niet,
dan scheen hij niet van de soort, op welke een dringen
om eens rond te kijken veel effect heeft.
Maar na een oogenblik draaide de gedistingeerde mijnheer zich heusch om en trad den winkel in. Mijnheer
Vonderburg telde snel even een enorme kolom cijfers op,
ze even achtereenvolgens aanstippend met de pen, die
hij daarna op zijn gemak achter zijn oor stak, en kwam
glimlachend den klant tegemoet.
De bezoeker legde zijn hoed op een stoel en begon
rond te dwalen, onderwijl allerlei voorwerpen bekijkend,
die zijn aandacht trokken.
„Bent u mijnheer Vonderburg?” vroeg hij eindelijk
beleefd, met een tintje Fransch accent.
De winkelier boog nederig.
„Ik heb van u gehoord, in Parijs. Een vriendvan mij,
monsieur Duclaire, heeft wel eens kleine ornamenten van
u gekocht, van die oude, och, hoe heeten ze ook
weer? — Nu ja, van die fijne dingetjes. Ja, nietwaar, u
weet ’t nog wel. Ik ben zelf ook een fanatiek verzamelaar
en wou wel eens zien, wat u heeft. Ik ben een week of
wat in Engeland, ziet u, en wou graag nog een paar
dingen van hier meenemen voor mijn kunstverzameling.
En ik wil er goed voor betalen ook, o ja, voor mooie
dingen geef ik veel geld, voor dingen die.... ja....
hoe zegt men .... die de verbeelding streelen. Dus ben
ik zoolang als ik hier ben eiken dag de verschillende
winkels, waarvan ik gehoord had, eens rond gegaan, weet u.”
Mijnheer Vonderburg, die bijna aldoor op
één been stond, legde zijn hoofd in zijn nek
en keek eerbiedig op naar den heer met het
gedistingeerd uiterlijk. „Daar hebt u gelijk aan
gehad, mijnheer,” zei hij, „al de groote verzamelaars moeten naar mij toekomen, omdat ze
wel weten, dat ik allemaal mooie, aardige en
artistieke dingen heb, en dat mijn prijzen heel
billijk zijn; zeker, dat weet iedereen, mijnheer.”
Het eene voorwerp na het andere ging door
de handen van den gedistingeerden mijnheer,
sommige, maar het waren er maar heel weinig,
om een waardeerende critiek te ondergaan, alle
om met een droevig hoofdschudden op de
toonbank te worden teruggelegd. Een oogenblik
scheen het, alsof men het eens zou worden over
den verkoop van een heel aardig miniatuurtje
in een ovaal gouden randje; de, vreemdeling
was het blijkbaar niet met zichzelf eens en vroeg
zelfs naar den prijs. Toen de ander dertig shilling
noemde, legde hij het met een glimlach bij
de andere dingen. Na een half uur rekte hij
zich even uit en zei, dat hij tot zijn spijt verder moest.
„U hebt heel aardige dingetjes” zei hij
neerbuigend, „maar ze zijn niet mooi genoeg
naar mijn smaak. Wat ik koop moet al heel
fijn, al heel volmaakt zijn. Dag mijnheer Vonderburg, ik ben van plan om nog dikwijls hier
te komen terwijl ik in Engeland ben, en dan
hebt u misschien wat anders om te laten zien.”
De winkelier liet hem al buigende uit, alsof
hij tot de koninklijke familie behoorde en bleef
hem op den drempel staan nakijken, totdat hij
uit ’t gezicht verdwenen was; daarop keerde
hij met hernieuwde klachten terug tot zijn
aarde pijp en zijn schorre vloeken. Maar er
was nog een kans, o ja zeker, een heel groote
kans, er kon nog heel wat gebeuren in een
paar weken.
Den volgenden dag kwam de vreemdeling
terug, maar ’t resultaat van het bezoek was
voor mijnheer Vonderburg al even weinig voordeelig als den vorigen keer, hoewel de verwachtingen van den winkelier hooger dan ooitstegen, als
hij in gedachten de balans van dezen toekomstigen klant opmaakte.
Zoo ging het dagen achtereen, maar het
scheen eiken keer hetzelfde te zullen zijn,
de vreemdeling weigerde beleefd maar uitdrukkelijk om ook maar een enkel van de
verleidelijke artikelen te koopen, die aan zijn
oordeel waren onderworpen.
De reden was altijd, dat ze niet goed genoeg waren, de prijs was blijkbaar geen bezwaar.
Op den vijfden morgen na het eerste bezoek kwam een jong vrouwtje haastig den winkel binnen maar haar verschijning maakte hoegenaamd geen indruk op mijnheer Vonderburg;
van meisjes in armoedige mantels en versleten
shawls was stellig niet veel te halen; tien
tegen één, dat ze iets te verkoopen hadden,
dat, of van heel min allooi, of zoo goed als
zeker gestolen was. Dit meisje scheen wel in
bijzonder moeilijke omstandigheden te verkeeren,
zelfs het glas van haar bril was gebarsten. Ze droeg
iets, datin bruin papierwas gewikkeld, en dat, toen
het uit zijn omhulsel kwam, een vaas van
eigenaardig oostersch model bleek te zijn.
Verlegen stak zij mijnheer Vonderburg het voorwerp toe.
De winkelier nam het van haar aan, zonder de
moeite te doen om zijn pijp uit zijn mond te
leggen, ging ermee in het licht en wat hij zag,
scheen zijn belangstelling op te wekken,
„Waar hebt u dat vandaan?” vroeg hij hard en scherp.
„Och, mijnheer, was ’t antwoord, „we hebben’t altijd
gehad, vader heeft ’t meegebracht uit China, ’t Heeft
heel veel waarde en moeder wou ’t ook nooit verkoopen,
maar nou... ze barstte in hartstochtelijk snikken uit.
Mijnheer Vónderburg dampte zonder eenige aandoening
kalm door........ „Nou is ’t kleintje stervende........ en
nou moeten we wel.”
Het meisje zonk uitgeput in een stoel en huilde een
paar minuten bitter; gedurende dien tijd bekeek de
winkelier de vaas zoo nauwkeurig als hij kon........ hij
had verstand van zulke dingen, en een jarenlange ondervinding, die aanvulde wat hem aan kennis onbrak. Na
eenige oogenblikken richtte hij zijn papegaaienoogen
scherp op zijn bezoekster en kwam tot de conclusie, dat
ze nog heel jong was.
|