Panorama

Blad 
 van 2380
Records 791 tot 795 van 11897
Nummer
1914, nr.23, 3 juni 1914
Blad
06
Tekst
De officiëele openmg van het Stadi on te Amsterdam. (foto's Bern. F. Eilers). DE BELANGSTELLING VAN DE AUTORITEITEN. Zooals op bovenstaande foto te zien is, waren o.a. aanwezig: Mr. Dr. W. F. v. Leeuwen, comm. der provincie, Jhr. Mr. Dr. A. Roëll, Burg, van Amsterdam, de wethouders de heeren Th. F. A. Delprat en Dr. N. M Josephus Jitta met hunne echtgenooten. DE ZWALUWEN-READING 2—10 Hierboven een foto van het Zwaluwen elftal, dat zijn uiterste best heeft gedaan, doch niet tegen het Engelsche prof, elftal was opgewassen. _ ... De beslissingswedstrijd in 100 Meter hardloopen, waarin de Hollander J. Grijseels als tweede aankwam. De Duitsche kampioen-speerwerper Buchgeister, bij zijn gooi van 56.70 M. (het Holl. record is 36.5272 M.) I De winners van het speerwerpen H. Buchgeister, Berlijn, (rechts) met 56.70 M. en Burhans, Duisburg, (links) met 47.15 M. J. BOS, (Woerden,) die j.1 Zondag het Nederlandsch record polsstokhoogspringen van 3,12 M. op 3.15 M. heeft gebracht
PDF
Nummer
1914, nr.23, 3 juni 1914
Blad
07
Tekst
De wedstrijd in 100 M. hardloopen, waarbij Grijseels winner was van de le serie. Een moment uit het polsstokhoogspringen. De wedstrijd in 5000 M. hardloopen, waarbij alle Hollanders afvielen. De wedstrijd in 200 M. hardloopen met voorgift, waaraan alleen buitenlanders deelnamen. Een gevaarlijk moment voor het Hollandsche doel. Een mooi doelpunt van de Readingspelers. Een aanval van de Readingsspelers afgeweerd.
PDF
Nummer
1914, nr.23, 3 juni 1914
Blad
08
Tekst
8en handel In Chineesch porselein, door >?tbert TL Hart, Het verhaal van een oplichter, die niet aoo slim was als hij dacht. E Bevan, van beroep scharrelaar, valsche speler en wetsontduiker, liet zeven muntstukken van het Vereenigd Koninkrijk één voor één in de palm van zijn linkerhand glijden; toen smeet hij ze met een onderdrukten vloek op de wrakke tafel. Kiddy, zijn vrouw lag naar hem te doorgaan advocaat op, dien kijken, zich uitrekkend en heen en weer rollend op een schunnigen divan. „Vijftien shilling” zij de man knorrig, maar met een accent dat niet in overeenstemming was met zijn omgeving. „Alweer een slechte week, Kiddy; we zullen tot krasse maatregelen moeten overgaan, al is zandzakken vullen wel wat heel min voor menschen van ons intellectueel niveau. En in ’t ergste geval moeten we tien dagen rondkomen met vijftien shilling.” Het vrouwtje tuurde somber voor zich uit naar het vochtig geplekte behangsel „Waar ga je vanmorgen heen?” vroeg ze. „Naar Sheridan of naar Jacobs of misschien naar allebei. Misschien, dat____ „Niks gedaan met dat gaan naar Sheridan,” viel ze hem in de rede, „die is ons te slim af; dan kun je misschien een slag slaan bij dien lorrenjood, Jacobs, die is driekwart idioot, dus heb je allicht een kans, al is het maar, dat je van het een of ander zaakje hoort.” Mijnheer Bevan liet een toestemmend geknor hooren, deed een paar stappen naar den gebarsten spiegel en keek peinzend naar zijn lange, slanke figpur. Zijn gezicht was gladgeschoren, zijn blauwe oogen stonden helder en hij was goed gekleed... van die dingen behoorden er twee tot onmisbare attributen van een man van zijn wel wat afwisselend bedrijf; over het geheel genomen kon hij tusschen de menschenmassa op straat wel voor een ambtenaar, dokter of in goeden doen. Hij nam een slappen hoed hij zorvuldig op zijn hoofd zette. „Zeg, wijfje, terwijl'ik uit ben, moet jij eens probeeren op een of andere manier wat te leenen; je kunt nooit weten, misschien lukt het. Kijk den slager eens lief aan en beloof ’m om zonder mankeeren Dinsdag te betalen: nou, ik hoef je verder niks te zeggen; verleden keer had je je portemonnaie verloren,- je weet wel, hij was uit je zak gevallen. Nou genoeg gepraat, tot straks.” Hij liep haastig de kamer uit, na eerst vier zilverstukken van de tafel genomen te hebben. Kiddy stond van den divan op en keek hem verstrooid na door het raam, terwijl hij uit het gezicht verdween in de richting van Deptford; ze leek zoo’n onschuldig klein meisje, zooals ze daarstond in haar dun wit blousje op een licht blauwen rok en met haar nuffige gelakte . schoentjes; het meestal vroolijke kindergezichtje op zijn voordeeligst uitkomend door het handigen flatteus gekapte dikke kastanjebruine haar; jong in jaren, evenals haar man, maar oud, heel oud in de boosheid van de wereld. Een paar seconden lang bleef ze zoo staan, keerde zich toen af van de ellendige glasruit, die diende om vluchtige stralen zonlicht binnen te laten; een venster even verduft door het sloppen-stof van de groote stad als het venster, waar af en toe stralen van waarheid hun weg vonden,, door het armoede-vuil der ruiten heen, naar de verhongerde uithoeken van een meisjesziel. Er is dikwijls zooveel echt pathos in het lot van zoo’n meisjescharrelaarstertje. De cel maakt het glas niet schoon, ze maakt alleen de korst van vuil en stof.die er op zit dikker en harder. Joe Bevan liep haastig door en kwam weldra aan een soort van pandjeshuis in een smerige achterstraat waar hij achteloos binnenging, klaarblijkelijk bekend met de verborgenheden der localiteit. Een smerige oude kerel meteen jodenneuseneen Turksche muts op zijn hoofd dook op van uit een smerigen achtergrond, zijn handen wrijvend alsof hij het koud had. „Zoo, Mijnheer Bevan,” hijgde hij, „in lang niet het’ genoegen gehad u te zien, nietwaar?” „Iets te kijken voor mij, Jacobs?” vroeg de scharrelaar kortaf, een cigaret opstekend. De jood schuifelde dadelijk achteruit naar de andere kamer, waar Bevan hem volgde. „Niet zoo heel veel dezen keer, mijnheer Bevan, een paar dingen maar; een paar dingen heb ik zeker. Kijk hier nou’’ — en wegduikend achter een meubel, eenigszins gelijkend op een op zijn kant gezette antieke kleerenkast haalde de oude man een lijvig uitziend boekdeel, een gouden horloge en een vaas van eigenaardig model voor den dag. „Kijk, hier hebt u een oud-Italiaansch werk over scheikunde; heel oud, ziet u, en in goede conditie; ik denk dat ’t waard, is laat eens kijken, nou, voor u.. . ’ „Daar heb ik niets aan”, snauwde Bevan, ’t horloge opnemend, een erg gedeukt exemplaar van horlogemakerskunst. ,,A ... .al Dat gouden horloge, hè? ’ ging de jood vol in lichtdruk PIETER TANJÉ 1706—1761. De scheindeugd of de geveinsde droefheid, opengesneden ets naar Cornelis Troost. In het Album der Nederlandsche afdeeling van de Leipziger tentoonstelling gereproduceerd. zal ik het weten?” legde het horloge weer neer, alsof het aanging en draaide de vaas in zijn vuur door. „Een prachtig stuk werk. Ik zal ’t u laten voor ... voor twee pond;u kunt er zelf voor maken.. ” „Gestolen, hè?” De smerige oude kerel rolde met de oogen, trok zijn schouders op en spreidde zijn vingers uit als arendsklauwen. „Nou, zeg, hoe De scharrelaar hem verder niet handen rond. „Waar heb je dat ding gevonden?” vroeg hij haastig. „Dat?... o, dat potje? Wel, een vrouw kwam er mee aandragen, beweerde, dat het al lang in de familie was geweest; haar vader had ’t uit Japan meegebracht als jong matroos en —” „De oude geschiedenis!” zei Bevan medelijdend,,,altijd hetzelfde afgezaagde praatje; gek toch Jacobs, dat sommige lui zoo heelemaal geen fantasie hebben. Dit ding is uit Birmingham, dat zie je duidelijk. Je zou het op een mijl afstand kunnen herkennen.” „O, dat weet ik niet, mijnheer Bevan. Ik vind dat het er uitziet als Japansch; heusch dat doet het...!” „’t Is Birminghamschfabrikaat, zeg ik je!” viel de jonge man kregel uit, „je zult me toch moeten toegeven, dat ik er een beetje verstand van heb. Maar zelfs al is ’t uit Japan, dan is ’t nog niets waard. En de zaak is, dat ’t een aardig Birminghamsche imitatie is van de bloemenvazen in de Japansche portieken, zooals je ze aan bijna alle groote huizen in Yokohama ziet. De origineele zijn nog geen tien shilling per stuk waard. Laat me nog eens even dat horloge zien; dat boek en die pot zijn niets waard. De Jood wreef over zijn stoppelbaardje, nog een beetje doorzagend over de bovennatuurlijke eigenschappen van het gedeukte uurwerk; maar Bevan was volstrekt niet van plan het te koopen; zijn gedachten waren vervuld van de versmade vaas. Om de aandacht van den verkooper daarvan af te leiden, onderzocht hij zorgvuldig het goud op den achterkant van het horloge, bood er een half pond voor, wat hij al een heel mooi bod noemde en hield eenige minuten lang een heftig over en weer gepraat over den prijs. De Jood zwoer, dat dertig shilling het allernaaste was, waarvoor hij* het met mogelijkheid kon laten. »» de andere schouders dan maar nou maar „Zeker vrindlief,” besloot de oude man zijn woordenvloed en de daarbij behoorende kinematische gebaren, „je zou wel willen, dat ik je het ding voor een prikje gaf. Een paar uur geleden was Hunk Poole- hier in den winkel en die bood me een pond en ik wou ’t er hem niet voor laten; ’t mechaniek, ziet u . ...’ ,tGenoeg, Jacobs; misschien kom ik ’t morgen nog eens bekijken en misschien zeg ik dan vijftien shillings, maar geen penny meer, begrijp je. Tusschen vandaag en morgen kun je er nog eens over denken. Verder schijn je vandaag niets te hebben, dus ga ik maar; doe geen moeite, ik kom er wel uit.” „Maar mijnheer Bevan,” begon de Jood weer, een laatste poging doende om iets kwijt te raken. „Kijk, koop nou een van die dingen, dat boek bijvoorbeeld, ik zal ’t je goedkoop geven, voor een schijntje hoor!” „Ik heb niets aan die dingen, kerel. Wat moet ik nou doen met een boek over scheikunde. Die pot kan ik nog als ornament gebruiken, maar ’t is erg grof werk. Ik kan overal fijn afgewerkte Birminghamsche dingetjes krijgen.’ Toen met één been al in kamer riep hij nog over zijn heen: „Nou, geef me die pot < voor een halven dollar; zeg i dadelijk ja of neen, ik heb geen plan om te pingelen.” De oude man nam dadelijk de vaas op. „Goed,” zei hij, met een poging om te kijken of hij maar half voldaan was, en bracht het ding tot bij de deur. Bevan stond een van zijn zilverstukken af en snelde weg met zijn nieuw koopje. Maar toen hij buiten het gehoor was, grinnikte hij lustig. Toen hij thuis zijn duistere zitkamer binnenwandelde, lag Kiddy genoegelijk te luieren in den armstoel, de kolommen der geheime correspondentie — de zoogenaamde „agony column” derEngelsche bladen, waartoe o. a. verliefde paren soms hun toevlucht nemen om onder voorletters te correspondeeren — van een morgenblad vluchtig doorloopend. „Iets opgediept, Joe?” vroeg ze; toen, bemerkend wat haar man in zijn handen hield: „Wel allemachtig, wat heb je daar?” Mijnheer Bevan zette zijn vrachtje zorgvuldig op de tafel en trok een stoel bij. „Voor een halven dollar bij Jacobs. Ik heb zoo’n idee dat daar geld uit te slaan valt. Jacobs dacht, dat ’t ding Japansch was, maar ik heb hem overtuigd, dat ’t namaak is; in elk geval is ’t imitatie, maar geen Japansch; ’t is namaak Chineesch en heel oud Chineesch nog wel.” Kiddy sloeg het eene been over het andere, zoodat een flink stuk blauwe kous te zien kwam. „Ik heb je al gezegd, dat Jacobs een idioot is,” antwoordde ze kortaf, „en ik geloof, dat alle mannen eender zijn, jij zoo goed als de rest. Wat heb je in Godsnaam aan een ding dat alleen maar goed is om in een winkelkast te zetten, dat heb je immers gezien; verkoopen kun je ’t niet. Dat is al heel slim hoor, om een halven dollar weg te smijten als we op zwart zaad zitten I” Bevan wenkte haar naar zich toe. „Kom eens hier, oudje. Dat heb ik allemaal al bedacht, en nog meer ook eer ik mijn duiten heb gegeven. Om te beginnen is het heelemaal niet in Birmingham gemaakt; ’t is een copie van de antieke vazen van een heel oude dynastie; en ’t is Chineesch werk, daar ben ik zeker van; en ten tweede is ’t lang niet zoo makkelijk te zien, dat ’t imitatie is als jij wel denkt. Ik wed tien tegen één,
PDF
Nummer
1914, nr.23, 3 juni 1914
Blad
09
Tekst
PANÖRAMA dat je een expert moet hebben om op ’t eerste gezicht te verklaren, dat ’t niet echt is. Terwijl ik met Jacobs stond te praten had ik achter in mijn hersens een idee en dat idee heb ik naar voren gewerkt. En in ’t allerongunstigste geval is ’t altijd nog wel iets meer waard dan een halven dollar. Bekijk het ding maar eens goed.” Kiddy nam het antieke stuk in haar handen om het critisch te bekijken. Klaarblijkelijk was het gemaakt van een bijzonder massieve, dikke soort van porselein, want het was zwaar al was ’t niet groot van volume; wat den vorm aangaat, als geheel beschouwd, was die in den eigenaardig oosterschen stijl, dien men belichaamd ziet in de meeste antieke urnen en kannen uit dat deel der wereld en waarvan de modelleering meer gebaseerd is op de combinatie van de gebogen en de rechte lijn dan op de westersche gebogen lijn alleen; het had rechts een massief handvat terwijl uit de linkerzijde een gelijkenis van den zinnebeeldigen Chineeschen drakenkop met naar buiten slingerende roode tong vooruitstak. In het midden zwol de vaas uit in een krachtige bocht om naar het voetstuk toe weer terug te keeren tot het geometrisch figuur en om het voetstuk zelf liep een rand van regelmatige uittandingen. Wat de kleur betreft, had het stuk over de gansche oppervlakte een witten ondergrond waarop een soort van primitief heraldisch ornament was aangebracht, geschilderd in den trant der oude oostersche kunstenaars, met prachtige verf in het materiaal ingebakken, waarna iedere kleur er afzonderlijk wordt opgelegd; het ornament bestond grootendeels uit afbeeldingen van allerlei bloemen-arrangementen in grillig gevormde, verschillend getinte mandjes, oogenschijnlijk zonder eenige bepaalde regelmaat geschikt. En het laatste en meest opvallende kenmerk was een lange, onregelmatige streep van bloedroode kleur, die van de tong van den draak liep naar het voetstuk van de vaas; of die met opzet was aangebracht of er toevallig was opgekomen, was naar’t scheen niet teconstateeren. Kiddy zette de vaas weer midden op de tafel en ging op de armleuning van den stoel zitten. „’t Lijkt een goede imitatie,” zei ze na een oogenblik, „maar wat wil je er mee doen?” Haar man nam een sigaret van den schoorsteenmantel en stak ze aan. „Ik heb het plan al heelemaal in mijn hoofd,” antwoordde hij tusschen twee peinzende trekken, ,,en ’t is zaak om in de eerste plaats te bedenken, dat er geen haast bij is.” „Met zoowat elf shilling voor ons beiden, vind ik, dat er heel veel haast bij is,” riep Kiddy vinnig en zij sloeg het eene been driftig over het andere. Mijnheer Bevan blies fijntjes een langzaam rookkolommetje naar ’t plafond toe. „Dat is weer zoo’n echte dilettanten-bewering,” zei hij kalm, „en dat is juist de reden, waarom dilettanten altijd de zaken verknoeien. Ken je Vonderburg in Bow.........tweedehandsmagazijn, maakt goede zaken, druk bezocht door verzamelaars, geloof ik?” „Wel hooren noemen.” „Nou* die ouwe Vonderburg heeft me een jaar geleden ’t laatst gezien en ik geloof niet, dat we elkaar in ’t geheel tien keer ontmoet hebben. Geloof je, dat hij me zou herkennen als ik een baard droeg?” „Je bent nogal tamelijk bekend.” Bevan lachte; „Vonderburg is geen kerel van de politie, Kid. Bekijk dien pot nogeens goed; die moet geld voor ons munten; ik ben in een oogenblik terug.” ’t Vrouwtje liet zich languit neervallen in den fauteuil, zich uitrekkende tot zij bij een sigaret op den schoorsteenmantel kon, vond toen op den grond een lucifer, die gevallen was en dampte er op los.. Zij was bijna halverwege toen hij terugkwam en bekeek hem onderzoekend met haar scherpe grijze oogen en gooide de half opgerookte sigaret weg. „’tGaat,” verklaarde zij na een paarseconden bedenken. „Leg me nou de zaak eens uit, Joe. II. De middag was heet en mijnheer Vonderburg liep te ijsberen door zijn winkel, onderwijl dampend uit een lange aarden pijp. ’t Was smoorheet en de zaken gingen slap, veel te slap, zoodat ’t mijnheer Vonderburg te vergeven was, dat hij af en toe heftig stond te trekken aan zijn langen, donkeren snor en van tijd tot tijd vreemdsoortige vloeken uitstiet in schorre keeltonen. Tot nog toe hadden de zaken zich dien dag bepaald tot drie verschillende inkoopen van tweedehands-kleeren van een paar viezige wijfjes en één verkoop, n.L van een goedkoopen wandelstok aan een verwaand kantoorjochie. En dat als je zoo’n prachtsorteering hebt van heterogene artikelen, die wachten op de komst van den een of anderen hevig-kooplustige; en dat schijnbaar tevergeefs 1 Voor de veertigste maal ongeveer stapte de patroon dien middag naar buiten, een snellen, sluwen blik werpend over de straat, met een rukkende hoofdbeweging als van een papegaai; dezen keer verdween mijnheer Vonderburg snel weer in zijn winkel en scheen in allerijl verdiept te zijn in langdradige berekeningen in een lijvig boekdeel, dat boven op de toonbank lag. Buiten stond een heer van een gedistingeerd uiterlijk, met een duur soort van macmtosh aan en een bruin-vilten hoed op te kijken naar de dingen in de uitstalkast; een zware, zwarte baard bedekte zijn kin en zijn uiterlijk kenmerkte hem als een mogelijke verzamelaar van rariteiten; als EEN INDIANEN-KERKHOF IN HET MEX1CAANSCH GEBERGTE. In sommige deelen van Mexico hebben de Christen-Indianen eigenaardige zeden omtrent het begraven; zoo o.a. ook in de mijndistricten der Mazapil-Koper-Maatschappij te Batopilas, gelegen aan de grenzen der Vereenigde Staten, op een hoogvlakte van 2000 M. boven den zeespiegel. De lijken der afgestorvenen worden op de kerkhoven in een leemen hut geschoven, de deur gesloten en daarna met leem bestreken. Wind en regen zijn oorzaak, dat de licht gebouwde hutten spoedig instorten, zelfs ook, wanneer deze zorgvuldig worden gebouwd. Het op den voorgrond der foto zichtbare kruis, geeft blijken van de zorg, die er aan besteed is, doch de belangstelling der bloedverwanten in het onderhoud van het graf is van zoo’n geringen duur, dat het gebeente ongeloofelijk snel door de zuidelijke zonnehitte vergaat. Sterft een der eersten van het dorp, b.v. een schout, dan wordt er een grooter graf voor hem gegraven. Men doet het lijk in het graf, bestrijkt het met leem, zoodat het hoe langer hoe hooger, trapsgewijze naar boven kleiner, een praalgraf wordt. De schedels, welke door roofdieren verspreid liggen, dienen tot tooi van het graf der hoofden, opdat de zielen zich vereenigen kunnen met die hunner hoofden, om hun tot hulp en steun in het vagevuur te dienen. Toen de oude Porfirio Dias met vaste hand Mexico bestuurde, was Batopilas een bloeiend dorp. De bewoners hadden werk genoeg in de naastbijgelegen kopermijnen, wier ertsen door een luchtkabelbaan van eenige kilometers naar de smeltovens werden gebracht en welke, dank de ondernemingsgeest der Duitschers, door de firma Adolf Bleichert & Co. te Leipzig Gohlis is gebouwd. Thans hebben de rebellen en rooverbenden in de vreedzame werkplaatsen hunne intrede gedaan, waardoor in de mijnen niet meer gewerkt kan worden, de arbeiders ontslagen zijn en moeilijk in hun onderhoud kunnen voorzien. Vele nieuwe graven getuigen van de uitwerking van het vijandelijk lood en van de afgrijselijke gevolgen van den guerillaoorlog. Spoedig misschien zal het kerkhof te klein worden, wanneer de regimenten van een nieuwe generatie aldaar een grooten veldslag leveren. dat zoo was, zou hij waarschijnlijk binnenkomen, zoo niet, dan scheen hij niet van de soort, op welke een dringen om eens rond te kijken veel effect heeft. Maar na een oogenblik draaide de gedistingeerde mijnheer zich heusch om en trad den winkel in. Mijnheer Vonderburg telde snel even een enorme kolom cijfers op, ze even achtereenvolgens aanstippend met de pen, die hij daarna op zijn gemak achter zijn oor stak, en kwam glimlachend den klant tegemoet. De bezoeker legde zijn hoed op een stoel en begon rond te dwalen, onderwijl allerlei voorwerpen bekijkend, die zijn aandacht trokken. „Bent u mijnheer Vonderburg?” vroeg hij eindelijk beleefd, met een tintje Fransch accent. De winkelier boog nederig. „Ik heb van u gehoord, in Parijs. Een vriendvan mij, monsieur Duclaire, heeft wel eens kleine ornamenten van u gekocht, van die oude, och, hoe heeten ze ook weer? — Nu ja, van die fijne dingetjes. Ja, nietwaar, u weet ’t nog wel. Ik ben zelf ook een fanatiek verzamelaar en wou wel eens zien, wat u heeft. Ik ben een week of wat in Engeland, ziet u, en wou graag nog een paar dingen van hier meenemen voor mijn kunstverzameling. En ik wil er goed voor betalen ook, o ja, voor mooie dingen geef ik veel geld, voor dingen die.... ja.... hoe zegt men .... die de verbeelding streelen. Dus ben ik zoolang als ik hier ben eiken dag de verschillende winkels, waarvan ik gehoord had, eens rond gegaan, weet u.” Mijnheer Vonderburg, die bijna aldoor op één been stond, legde zijn hoofd in zijn nek en keek eerbiedig op naar den heer met het gedistingeerd uiterlijk. „Daar hebt u gelijk aan gehad, mijnheer,” zei hij, „al de groote verzamelaars moeten naar mij toekomen, omdat ze wel weten, dat ik allemaal mooie, aardige en artistieke dingen heb, en dat mijn prijzen heel billijk zijn; zeker, dat weet iedereen, mijnheer.” Het eene voorwerp na het andere ging door de handen van den gedistingeerden mijnheer, sommige, maar het waren er maar heel weinig, om een waardeerende critiek te ondergaan, alle om met een droevig hoofdschudden op de toonbank te worden teruggelegd. Een oogenblik scheen het, alsof men het eens zou worden over den verkoop van een heel aardig miniatuurtje in een ovaal gouden randje; de, vreemdeling was het blijkbaar niet met zichzelf eens en vroeg zelfs naar den prijs. Toen de ander dertig shilling noemde, legde hij het met een glimlach bij de andere dingen. Na een half uur rekte hij zich even uit en zei, dat hij tot zijn spijt verder moest. „U hebt heel aardige dingetjes” zei hij neerbuigend, „maar ze zijn niet mooi genoeg naar mijn smaak. Wat ik koop moet al heel fijn, al heel volmaakt zijn. Dag mijnheer Vonderburg, ik ben van plan om nog dikwijls hier te komen terwijl ik in Engeland ben, en dan hebt u misschien wat anders om te laten zien.” De winkelier liet hem al buigende uit, alsof hij tot de koninklijke familie behoorde en bleef hem op den drempel staan nakijken, totdat hij uit ’t gezicht verdwenen was; daarop keerde hij met hernieuwde klachten terug tot zijn aarde pijp en zijn schorre vloeken. Maar er was nog een kans, o ja zeker, een heel groote kans, er kon nog heel wat gebeuren in een paar weken. Den volgenden dag kwam de vreemdeling terug, maar ’t resultaat van het bezoek was voor mijnheer Vonderburg al even weinig voordeelig als den vorigen keer, hoewel de verwachtingen van den winkelier hooger dan ooitstegen, als hij in gedachten de balans van dezen toekomstigen klant opmaakte. Zoo ging het dagen achtereen, maar het scheen eiken keer hetzelfde te zullen zijn, de vreemdeling weigerde beleefd maar uitdrukkelijk om ook maar een enkel van de verleidelijke artikelen te koopen, die aan zijn oordeel waren onderworpen. De reden was altijd, dat ze niet goed genoeg waren, de prijs was blijkbaar geen bezwaar. Op den vijfden morgen na het eerste bezoek kwam een jong vrouwtje haastig den winkel binnen maar haar verschijning maakte hoegenaamd geen indruk op mijnheer Vonderburg; van meisjes in armoedige mantels en versleten shawls was stellig niet veel te halen; tien tegen één, dat ze iets te verkoopen hadden, dat, of van heel min allooi, of zoo goed als zeker gestolen was. Dit meisje scheen wel in bijzonder moeilijke omstandigheden te verkeeren, zelfs het glas van haar bril was gebarsten. Ze droeg iets, datin bruin papierwas gewikkeld, en dat, toen het uit zijn omhulsel kwam, een vaas van eigenaardig oostersch model bleek te zijn. Verlegen stak zij mijnheer Vonderburg het voorwerp toe. De winkelier nam het van haar aan, zonder de moeite te doen om zijn pijp uit zijn mond te leggen, ging ermee in het licht en wat hij zag, scheen zijn belangstelling op te wekken, „Waar hebt u dat vandaan?” vroeg hij hard en scherp. „Och, mijnheer, was ’t antwoord, „we hebben’t altijd gehad, vader heeft ’t meegebracht uit China, ’t Heeft heel veel waarde en moeder wou ’t ook nooit verkoopen, maar nou... ze barstte in hartstochtelijk snikken uit. Mijnheer Vónderburg dampte zonder eenige aandoening kalm door........ „Nou is ’t kleintje stervende........ en nou moeten we wel.” Het meisje zonk uitgeput in een stoel en huilde een paar minuten bitter; gedurende dien tijd bekeek de winkelier de vaas zoo nauwkeurig als hij kon........ hij had verstand van zulke dingen, en een jarenlange ondervinding, die aanvulde wat hem aan kennis onbrak. Na eenige oogenblikken richtte hij zijn papegaaienoogen scherp op zijn bezoekster en kwam tot de conclusie, dat ze nog heel jong was.
PDF
Nummer
1914, nr.23, 3 juni 1914
Blad
10
Tekst
PANORAMA „Hoe kom je aan dat ding?"’ vroeg hij kortaf. „Dat heb ik u toch al verteld, mijnheer/’zei ze huilend maar toch met een zekere waardigheid; en „ik......... ik heb al mijlen ver geloopen naar alle mogelijke winkels .. .. om te zien, wie er maar ’t meest voor wil geven. De dokter, dien we bij het kleintje hebben, zegt, dat’t een Chineesche vaas is en heel oud en dat ze wel dertig pond waard is.” Mijnheer Vonderburg, die inwendig dien dokter verwenschte, barstte uit in een luid lachen. „Lieve meid”, riep hij luidruchtig, ’t ding is nog geen dertig shilling waard „Wat is de hoogste prijs dien ze je er voor geboden hebben?” „Vijf en een half pond,” zei ze norsch. Mijnheer Vonderburg dacht eens even na. ’t Leek een mooi stuk, en ’t kon natuurlijk waar zijn, maar aan den anderen kant was ’teven waarschijnlijk, dat ’t meisje loog. Eigenlijk lag ’t voor de hand, dat ze’t ding gestolen had. Hij trommelde met zijn vingers op de toonbank. „Kijk eens”, zei hij met nadruk „ronduit gezegd, geloof ik niks .wat je me daar verteld hebt”-. .... „Geef me dan als ’t u belieft mijn eigendom terug,” viel ze hem op hoogen toon in de rede. „U bent de eerste van al da menschen waar ik geweest ben, die zoo iets heeft durven zeggen, ik’ wil geen woord meer tegen u spreken, bullebak.” Mijnheer Vonderburg trok eens aan zijn lange snor. „Nee, nee, wacht eens even, kindlief, ik geloof, dat je me verkeerd begrijpt,” zei hij kalmeerend, op honingzoeten toon; ik veronderstel heelemaal niets slechts, zooals je schijnt te denken. Kijk eens, laat me het ding een paar dagen houden, nee, val me nou niet in de rede, ik zal er je behoorlijk een re$u voor geven en als mijn onderzoek gunstig uitvalt, dan zal ik er je waarschijnlijk een mooie prijs voor betalen.” „Ik wil ’t u een dag laten houden, geen minuut langer,” zei ze gedecideerd en voegde er op treffenden toon aan toe: „Begrijp U me dan niet! ’t Kleintje ligt op sterven en heeft van alles noodig, dat we niet kunnen betalen.” „Nou, nou,” zei mijnheer Vonderburg op een toon, die hij probeerde deelnemend te doen klinken, klopte haar kalmeerend op den schouder en deed de deur voor haar open. „Waarschijnlijk van ’t begin tot ’t eind gelogen,” prevelde hij, weer naar het antieke stuk teruggaande om het nog eens en langer te onderzoeken. Toen de gedistingeerde mijnheer dien middag zijn dagelijksch bezoek kwam brengen, had mijnheer Vonderbrug verscheidene nieuwe artikelen om aan zijn critiek te onderwerpen; maar, zooals gewoonlijk, ging hij de verdiensten van ieder ding met een glimlach van afkeuring voorbij. Ten slotte haalde de winkelier de vaas voor den dag dag. De vreemdeling onderwierp die volgens zijn gewoonte aan een snel, vluchtig onderzoek, maar opeens begon hij een veel levendiger belangstelling te toonen. „He, mijnheer Vonderburg, wat is dat?” „Dat mijnheer, is een vaas van eigenaardige oude origine. Kijk, aan de merken kunt u zien, dat ze dateert uit een heel oud Chineesch tijdperk; ’t is een kostbaar stuk, mijnheer, en mooi werk ook.” „Waar heb u dat opgediept?” vroeg monsieur vol vuur. „Gekocht, mijnheer, van een jonge dame en ik wil u wel zeggen, dat de prijs dien ik er voor betaald heb, heel hoog was.” Maar mijnheer had geen oog af van den heer met de baard en verkeerde in een toestand van grooten twijfel. Als het namaak was, zooals hij sterk vermoedde, dan zou dat feit stellig heel gauw ondekt worden; de kennis die de vreemdeling getoond had te bezitten, bij het bekijken der andere voorwerpen, bewees, dat hij nogal een kenner was op dat punt. Maar neen, hij ging voort de kwaliteit en het heele voorkomen van ieder onderdeel van de vaas heel nauwkeurig te onderzoeken en toch bleef zijn gezicht die zekere opwinding doorstralen van den echten snuffelaarin curiositeiten,dieeenvondst van onschatbarewaarde gedaan heeft. Na een oogenblik zette hij de vaas neer en veegde de oppervlakte liefkoozend met zijn zakdoek af. „Prachtig!,, riep hij opgetogen. „Dit is zonder twijfel beter dan wat u me meestal laat kijken; een vaas, gemodelleerd door uitstekende handwerkslui tijdens een denastie van heel ouden datum; het is een heel zuiver exemplaar van een. zeldzaam Chineesch model. Wat vraagt u er voor?” Mijnheer Vonderburg wist niet wat hij moest zeggen; zelf had hij maar een duister begrip van de waarde van het stuk. Maar voor alle dingen moest hij niet te weinig vragen. De vreemdeling was al heel wat kalmer geworden en hernam langzamerhand zijn tegenwoordigheid van geest; een oogenblik had de man van zaken in hem zich laten op zij duwen door den verzamelaar. ,,’t Is een verbazend zeldzaam stuk,” begon de winkelier. „Jawel, natuurlijk,” zei Monsieur; „dat weten we wel mijnheer Vonderburg. Vijf en dertig guineas, wat zegt u daarvan?” Mijnheer Vonderburg keek hem met een listigen blik aan en lachte even op een manier waaruit men kon opmaken wat men wilde. „Nu, ik geef er veertig voor.” De winkelier liet een geknor hooren, dat hem nog tot niets verbond. „Vijf en veertig dan, me dunkt, dat is een flinke som.” De heer Vonderburg, die niet langer durfde zwijgen, schoot nu in eens uit zijn slof. „Mijn prijs is honderd pond,” zei hij op een toon, die alle verder looveri en bieden uitsloot. De heer met de baard mompelde een fransche vloek en stapte de kamer op en neer, bij zich zelf iets narekenend. „Ik geef u vijf en vijftig, mijnheer Vonderburg.” „Ik kan ’t niet doen, mijnheer.” Mijnheer liep weer een oogenblik op en neer. „Luister eens, mijnheer Vonderburg,” zei hij eindelijk, „ik zal eens over uw prijs nadenken en morgen terugkomen Maar ik vrees, dat ik niet zooveel kan geven. Maar beloof me vóór alle dingen, dat u de vaas in dien tusschentijd niet zult verkoopen, hoeveel men er u ook voor biedt. En .. . denkt u er ook eens over na, of u ze niet voor een heel klein beetje minder kunt geven.” Ten prooi aan de meest tegenstrijdige aandoeningen gaf de winkelier de verlangde belofte en monsieur wandelde weg alsof hij door vleugels werd gedragen. Allerlei gedachten doorkruisten in wilde verwarring het brein van mijnheer Vonderburg. Gedurende het verdere gedeelte van den dag werd er niet dikwijls aan de snor getrokken en schenen de schorre keelvloeken vergeten; alles was heusch totaal anders dan gewoonlijk en van dat oogenblik af totdat hij naar bed ging, zong en floot hij als een gewone schooljongen, die met vacantie thuis is. Die stemming duurde in gematigder vorm voort tot den volgenden morgen en toen het meisje met het droevige gezichtje haar eigendom kwam opeischen, begroette mijnheer Vonderburg haar met een vaderlijken glimlach en het aanbieden van een stoel; zij scheen evenwel erg onrustig. „Als ’t u blieft, ik wou de vaas graag dadelijk terug ’t kleintje is een beetje beter en nu wil moeder ze niet verkoopen. Hier is uw bewijs.” „O, maar, ziet u.........” begon mijnheer Vonderburg. „Dadelijk, als ’t u blieft,” schreewde ze in plotselinge woede; „u hebt er zeker een deskundige bij gehaald en nu wilt u de vaas houden. Geef ze dadelijk hier of ik haal een agent.” Dat was een streep door de rekening en ’t leek wel of ze meende, wat ze zei. Best, kindlief,” zei mijnheer Vonderburg haastig, „maar gun me tenminste den tijd om het ding voor je te halen.” Hij deed een paar stappen, alsof hij ernaar ging zoeken. Uit een andere kamer bracht hij een handvol goudstukken mee en, schijnbaar nog voortgaande met stelselmatig den winkel door te zoeken, liet hij een welluidenden stroom van de eene hand in andere glijden. Het meisje hijgde even en toen de winkelier dat hoorde, glimlachte hij stilletjes. Weer klonk de welluidenden stroom en weer volgde hetzefde hijgende geluid. o Kijk eens hier, beste meid,” zei hij bedaard, „wat denk je van tien pond voor je moeder en één voor jezelf?” „Nee, nee, o nee, ik mag ’t niet doen! Geef me mijn vaas’” Mijnheer Vonderburg leunde over de toonbank, spreidde vijftien goudstukken in een rechte rij naast elkaar uit en legde er nog één voor. Het meisje keek er vol verrukking naar. „Wat zeg je nou?” zei hij dood-kalm. „Ik mag ’t niet doen, o, ik weet heusch niet......... nee, natuurlijk mag ik ’t niet doen.” Mijnheer Vonderburg streek ze langzaam op in zijn linkerhand en hield er één tusschen duim en wijsvinger voor haar gezicht. Een oogenblik bleef ze staan, krampachtig hijgend. Hij deed alsof hij ze in zijn zak wilde steken. Op eens pakte ze het eene goudstuk beet, smeet driftig ’t bewijs op de toonbank en zette haar naam op een ander, dat hij haar toe duwde. Toen gleden één voor één de vijftien goudstukken in haar handen, die zich rondden tot een kom om ze in op te vangen, zooals een dorstige vijver een kabbelenden beek in zich opvangt. Joe Bevan telde, lustig fluitend, de zestien gouden munten van het Vereenigde Koninkrijk op de wrakke tafel uit. Kiddy, zittende op de armleuning van zijn stoel, was even vroolijk als hij. „Luister eens, Kid!” riep de jonge man toen ze hun schat hadden nageteld.” ’t Is een bof! Zeg, we gaan er van avond vandoor, ’tis toch waarachtig niet noodig om iets van de duiten aan de leveranciers af te staan.” ’t Vrouwtje sloeg haar armen om zijn hals en zoende hem. Drie weken later las Joe Bevan, onder ’t drinken van een morgenborreltje, op zijn gemak de courant. Hij voelde zich vredig gestemd tegenover het menschdom; hij zag alle dingen mooi. Het hoofdartikel vond hij niet interessant, dus ging hij over tot de korte berichten. Toen viel zij oog op iets onderaan een bladzijde. „Veiling bij Christy.” „Onder de vele belangrijke en waardevolle kunstwerken die gisteren bij de heeren Christy werden geveild, was een zeldzaam fijne vaas van oud Chineesche Constructie; het was een superieur stuk werk.... vanaf......... er liep een donkerroode streep zig-zag naar beneden......... werd tien dagen geleden door den heer Lionel W. Hirst ontdekt in een klein tweede-hands winkeltje in Bow. Daar hij het herkende als een superieur stuk, kocht hij het voor dertig pond (£ 30).........Het werd gegund aan Lord Barratt, de Kuke verzamelaar van antiquiteiten en andere zeldzaamheden voor 900 guineas.........de vaas is een stuk van groote archeologische waarde......... Mijnheer Bevan las niet verder. Het blad verfrommelend in zijn zak, schreeuwde hij boos: „Loop naar de bliksem met je archeologische waarde,” en ging haastig den weg naar huis op. Teruggekeerd op hun gemeubileerde kamers in Brixton, duwde hij Kiddy zonder complimenten in een stoel, en gooide haar de courant toe. Lees eens even, wat ik heb aangestreept,” beval.hij. Doodelijke stilte van eenige seconden. Toen sloeg Bevan de oogen op. „Je mag me gerust een idioot noemen, Kiddy,” zei de scharrelaar deemoedig. En dat deed ze ook. DE VERSIERING IN DEN HAAG TER GELEGENHEID VAN HET BEZOEK VAN HET DEENSCHE KONINGSPAAR. De Eerepoort aan de Boschbrug. (Foto's Couvée.) De versiering van het standbeeld voor het Paleis.
PDF
Blad 
 van 2380
Records 791 tot 795 van 11897