|
DE HOLLANDSCHE AFDEEE1NG OP DE BUGRA TE LEIPZ1G.
(foto Kirstein & Co.)
3 JUNI 1914 N°. 49 1E JAARGANG
GEÏLLUSTREERD weekblad
UITGAVE VAN A. W. SIJTHOFF’S UITGEVERSMAATSCHAPPIJ
REDACTIE EN ADMINISTRATIE:
DOEZASTRAAT 1 - TELEFOON INTERCOMMUNAAL No. 1 - LEIDEN
PRIJS PER NUMMER 10 CENT
VOOR BELGIË 20 CENTIEMEN
Van 1500 tot 1800 QöSSSS®^
óó luidt de ondertitel van het Album,
waarover ik in een der voorafgaande
nummers van ,, Panorama” met u sprak,
toen wij het hadden over de opening
der Bugra.
Wellicht herinnert ge het u nog hoe
ik toen een kostelijk werk vermeldde,
dat door de Commissie die de Nederlandscheafdeelingzoo kranig tot stand bracht,
werd uitgegeven als een herinnering aan het
vele, dat Nederland op het gebied der vrije
grafische kunst had gepresteerd in de 500
jaren die door deze jaartallen worden omlijnd.
Het is vreeslijk jammer dat men zich tot
die 500 jaren moet beperken en al het werk
dat in de negentiende eeuw en het begin
van de twintigste het licht zag, uitgesloten
bleef.
Ik weet dat der Commissie hiervan geen
schuld treft, slechts enkelen enghartigen, die
het in strijd met hun belangen achtten om
hun onmisbare medewerking te verleenen.
Doch laat ons tevreden zijn met wat wij
kregen en niet tobben over wat wij missen.
Het is doenbaar omdat hetgeen hier geboden wordt werkelijk de moeite van het
bekijken overwaard is.
In de eerste plaats zij hier met lof vermeld het uitmuntende werk dat Dr. N. G.
van Huffel deed door in beknopten vorm de
beteekenis der grafische kunst in Nederland
uiteen te zetten, tegelijkertijd in zijn opstel
de werkwijzen, door verschillende kunstenaars
gevolgd, uiteenzettend. Hij vertelt ons van
de grafische kunst in haar kinderschoenen,
toen de geduldige copiïst het blanke perkament beschreef en vaak kunstvolle miniaturen
schiep, die thans met goud worden betaald.
De grafische kunst was daarna begonnen
zich voor de speelkaart te interesseeren, welke
reeds in 1388 in Neurenburg verboden werd
en dus van voor dien tijd bekend moet zijn
geweest. Deze kaarten werden van houtblokken
gedrukt, waarvan de contouren op het perkament gedrukt werden, de kleuren er dan
door middel van schablonen (uitgesneden
mallen) of met het penseel opgebracht werden.
Ook speelkaarten naar staalplaten gedrukt
zijn bekend en de ,,Meester van de speelkaarten” graveerde er zijn primitieve voorstellingen voor, evengoed als hij geestelijke
prentjes sneed, welke bij vrome lieden een
gereeden afzet vonden.
De houtsneê-kunst, die voor het drukken
der eerste illustraties gebruikt werd, heeft in
de lage landenzeergelukkigebeoefenaars gehad.
Van het houtsnijden vertelt de heer Van
Huffel ons het volgende:
De „houtsnede” is de afdruk van een houtblok waarin
alles uitgesneden en uitgebeiteld is, wat in den afdruk
wit moet blijven, het is dus hoogdruk. Als de teekening
op het beukenblok is gebracht, bijv, daarop geteekend
met de potloodstift, zoo begint de houtsnijder metscherpe
mesjes langs beide kanten der geteekende lijnen te snijden,
om daarna weg te steken al wat niet mag blijven staan,
ook plakt hij somtijds de op dun papier geteekende
voorstelling op het kopsche hout, en snijdt totdat nog
slechts de lijnen strak als dijken zich verheffen. De
Europeesche houtsnijdgraveur werkt namelijk in het vlak
van een kopsch blok, gesneden loodrecht op de draad
van het hout, en niet in een plank.
Is de geheele voorstelling als fijne lijnvormige hoogingen
te midden van het weggestoken hout voltooid, zoo kan
de figuur worden afgedrukt, de oppervlakten worden ingewreven met olieachtige drukinkt, het papier van te voren
gevocht. Onder lichten druk nu, neemt het papier de inkt
over en terwijl de olie door de zuurstof, die zij uit de
lucht onttrekt, wordt tot hars, verdampt het water dat
het papier heeft gevocht, en zonder olievlekken, staat
LUCAS VAN LEIJDEN 1493—1533.
David voor Saul Harp spelend. Oorspronkelijk een Kopergravure. In het album der Nederlandsche afdeeling van de Leipziger tentoonstelling in lichtdruk gereproduceerd.
het beeld in scherp zwarte lijn en veeg op 't blanke
papier, als getrouwe wedergave van de teekening, in
forsche pennelijn of penseelstreek, en de eene afdruk na
den anderen verlaat de pers. Het kan de Italiaan Ugo
da Carpi geweest zijn die de mogelijkheid inzag om naast
de lijn, ook de toets van een gewasschen teekening weer
te geven, maar Lucas Cranach wist *t even goed, reeds
in 1506, en zoo komt te voorschijn ,,de clair obscur”,
een schrede verder op het pad der wedergave. Van drie
en meer blokken wordt de sepia of inkttoets, over den
afdruk van de figuur heengedrukt in bruin, grijs, tot
andere tinten toe, van blokken waaruit weer is weggesneden wat aan de gewasschen teekening, die tot model
diende ontbrak, den toon niet had, dien het daarvoor
bestemde blok moest aanbrengen.
Na de houtsneekunst, welker herleving na een tijd van
verval, wij in de laatste jaren ook in Holland door het
werk van mannen als Veldheer en Nieuwenkamp weer
mogen volgen, komt de gravure.
Ik neem hier over wat Dr. van Huffel over enkele
beroemde graveurs schrijft.
Een der allereerste graveurs dien de Nederlanders kunnen aanwijzen als zonder twijfel
van eigen bodem, is de meester van Zwolle,
wiens prenten uiterst zeldzaam zijn, een van
de talrijke meesters der 15e eeuw wier namen
onbekend zijn. De beitelsnede, de burinsnede
van den 15den eeuwschen meester is uiterst
fijn, de voorstellingen zijn alle aan de gewijde
geschiedenis ontleend en zeer stijf van compositie, de gravure is nog niet de uiting van
sterken scheppingsdrang.
De eerste grootmeester, eveneens den naam
dragende van de plaats zijner inwoning, zoo
niet van zijn geboorte, is Lucas van Leijden,
de tijdgenoot van den grooten Albrecht Dürer,
en van die beroemde „Kleinmeister”, die in
de Beham’s, Cranach, Altdorfer, George Pencz,
Aldegrever en Brosamer de vertegenwoordigers zijn van de eerste graveerscholen, in
Nurnberg en Augsburg.
Al het werk uit dien eersten tijd der
zestiende eeuw toont de uiterst fijne burinstreek, meer den indruk wekkend te zijn
gemaakt met naalden waarmede gekrast, dan
met bijtels waarmede gesneden werd, teere
lijntjes die spoedig sleten. Maar met welk
een meesterschap zijn die instrumentjes gevoerd, reeds dadelijk in den „Mohamet en de
monnik Sergius”, door Lucas van Leijden,
gesneden op 14-jarigen leeftijd, althans wanneer men zijn geboortejaar met 1494 als juist
aanvaardt, een prent die den wereldberoemden
Marcus Antonius goed genoeg was om er den
achtergrond van te copieeren en te gebruiken
voor een zijner composities. Lucas was 16
jaren oud, toen Marcus Antonius hem bezocht.
Wij zien hem daar zitten, de korte jaren,
die bij leefde, de eene plaat voor, de andere
na, graveerende, een rijkdom van compositie
en van toon in wit en zwart scheppende,
zelf drukkende, alles zelf doende, de beste
waarborgen voor zuivere afspiegeling van den
kunstenaar in zijn werk.
Wij reproduceeren hierbij de plaat welke
ook in het Album voorkomt: David harpspelend voor Saul.
In Holland heeft de plaatdruk vooral beteekenis gehad door de vele kaarten die onze
zeevarende natie ten goede kwamen.
Van deze voortbrengselen der graveerconste
geeft het album ook gelukkige
* ♦
voorbeelden.
in een afhet KerstOver het etsen heb ik het
zonderlijk opstel, indertijd in
nummer van Panorama opgenomen, reeds
gehad. Ik hoop dat de lezers van ons blad
artikel willen herinneren. Een korte ruimte
echter gegeven worden aan hetgeen Dr. van
uitvoerig
zich dat
mag hier
Huffel over de Mezzotint (zwarte kunst)schrijft. Hij heeft
het over het werk van den Duitscher von Siegen, die
zijn invloed ook in Holland deed gelden en door de
eigenaardige wijze waarop hij de koperen plaat eerst
ruwde en daarna bewerkte, school maakte.
Want na von Siegen, aldus de samensteller van het*
Album, beoefenden Prins Rupert van de Pfaltz en von
Fürstenberg deze facsineerende kunst, een adellijke kunst
voorwaar, zooals eerst recht zou blijken toen honderd
jaren later de Engelschen haar verhieven tot maniére
|