Panorama

Blad 
 van 2380
Records 776 tot 780 van 11897
Nummer
1914, nr.22, 27 mei 1914
Blad
07
Tekst
PANORAMA edelman, want een edelman was hij door geboorte en opvoeding, ofschoon evenals mijn vader zijn talenten op onregelmatige wijze aanwendende. Hij was een geboren organisator en specialiteit in het leiden van misdrijven. Hij nam er evenwel nimmer daadwerkelijk deel aan, maar koos zijn mannetjes er voor uit en stond in verbinding met alle klassen der crimineele wereld. De politie had geen vat op hem, hoewel deze wel wist dat zijn inkomsten van zeer twijfelachtigen oorsprong waren. Zooals gezegd, waakte hij er zorgvuldig voor, dat er ook maar de minste verdenking op hem kon vallen. Inderdaad hielp hij de politie somtijds en het weid erkend in de dievenwereld dat hij hiertoe vaak gerechtigd was. Hij handhaafde namelijk ten strengste den stelregel dat de dieven elkander moeten kunnen vertrouwen en wee dengene, die dit vertrouwen misbruikt had, het was tien tegen één dat hij dan gevat werd. In ’t kort: Ormesby Fox was een koning onder de dieven; het hoofd van een dieventrust. Somtijds was het jammer dat hij zijn bekwaamheden niet voor eerlijke doeleinden had aangewend, want hij was een geboren leider en zou zeker eerste minister geworden zijn, als hij den wettelijken geordenden weg bewandeld had. Hij was ruim vijftig jaar oud, doch bezat nog een groote physieke kracht. Een flink, breed geschouderd man, met een knap uiterlijk, had hij de trouwhartigste oogen en den vroolijksten lach, dien men zich kan voorstellen. Niemand kon denken, dat hij een grooter aandeel had in de criminaliteit dan eenig man ter wereld. Toch moet ik van hem zeggen, dat er niets laags of verachtelijks was in zaken die hij ten uitvoer bracht; hij was actief als een politieman in het onderdrukken van wreedheden. Hij leefde op grooten voet te Wimbleton, maar had zijn kantoren in de stad. Voor de wereld oefende hij het bedrijf van bankier uit. Ik ontmoette hem, zooals ikzeide, heel toevallig. Hij was verheugd mij te zien, en vroeg mij alles wat ik beleefd had, sinds ik, zooals hij het noemde, „den goeden weg was opgegaan.” Ik vertelde hem o.a. hoe het thans met mij gesteld was, sedert den dood van mijn echtgenoot. Fox was altijd zeer op mij gesteld geweest en had steeds voorspeld dat ik nog eens groote dingen zou doen — op crimineel gebied natuurlijk. Hij was dan ook zeer teleurgesteld, toen ik dit leven vaarwel had gezegd om,,eerbaar’ ’ teworden. „Schei uit met dit fatsoenlijke leven”, raadde hij mij „en vecht voor uzelf”. Ik schudde het hoofd. Ik kon het niet doen. Ik had de nagedachtenis van mijn echtgenoot te eerbiedigen. „Neem dan een anderen naam aan,” ging hij voort. „Laat mevrouw Griselda Felton voortgaan Wellminster met haar tegenwoordigheid te vereeren een half jaar lang, terwijl de andere helft van het jaar juffrouw Griselda Keene haar eigen neigingen volgt. Je kunt dat gemakkelijk doen en ik kan je verzekeren dat Griselda Keene zich zal amuseeren en geld verdienen in plaats van enkel uitgeven, zooals Mevrouw Felton doet.” „Ik zou graag geld hebben,” peinsde ik. „Ik heb ’t niet voor mijzelf noodig.” Plotseling kwam mij iets in de gedachte. „Het zou amusant wezen menschen te berooven die van hun geld een slecht gebruik maken, menschen als de Bagstow’s”, riep ik uit, „en hun geld te benutten voor anderen die het werkelijk noodig hebben. Ik zou de boerenarbeiders kunnen houden en de school. Da’s werkelijk goed!” „Een soort Arsène Lupin in zakformaat,” Q, lachte Fox. ,.Ja, dat is ’t, wat ik zou willen zijn,” antwoordde ik met enthousiasme. „Ik zou slechte menschen niet slecht willen behandelen; maar ik zou om hun vervloekingen niet malen, als ik tevens arme stumperds goed kon doen. Geef me een plan aan de hand, Ormesby, en ik ben je maat!” Hij lachte hartelijk en zei dat hij er voot zorgen zou. Niet lang daarna had hij wezenlijk een plannetje, waarop ik mijn, sedert vijf jaren door eerbaarheid verroeste scherpzinnigheid, kon scherpen. Tegen het midden van November ontving ik van hem het volgende telegram: „Er is iets voor u te doen. Kom dadelijk! Geen tijd te verliezen.” Ik gehoorzaamde terstond en was verheugd en voldaan tevens toen ik bemerkte dat hij mij niet herkende, zóó groot was de verandering die ik in mijn uiterlijk ondergaan had. Ik zei ’t reeds: Griselda Keene ziet er uit als een kleine heks: zwart haar, donkere gelaatskleur met wenkbrauwen, die elkander boven den neus bijna ontmoeten, volle roode lippen en wangen met kuiltjes er in. Hoe ik dat verkregen had. is mijn geheim. Zooals ik reeds eerder zei: ik ben een genie in de kunst van vermommen. Nadat Ormesby mij een compliment gemaakt had, kwam hij ter zake. „We hebben iemand noodig om een vrouwelijke detective voor te stellen,” zei hij. „Ze zenden er dezen middag een van Scotland Yard en wij zullen ons best doen haar een paar dagen te doen verdwijnen. O., nee, er zal haar geen leed geschieden, dat beloof ik je. Je behoeft hierover niet ongerust te zijn; daarvoor sta ik borg! Alles wat je te doen hebt is haar naam, Jane Latham, aan te nemen en naar Clayton Park, waar niemand haar kent, te gaan. Je bent volkomen veilig en behoeft geen bijzondere voorzorgen te nemen.” „Clayton Park?” vroeg ik. „Bedoel je het buitengoed van lord Orwell?” „Juist,” antwoordde hij, „en ik zal je in ’t kort de zaken uitleggen, opdat je je voorbereiden kunt. Je weet zeker, dat lord Orwell juist den titel en het landgoed geërfd heeft?” Ik knikte. Er hadden hieromtrent berichten in de dagbladen gestaan, vooral omdat de jongere zoon, Victor Preece, onterfd was. De sympathie was voor een groot deel voor den laatste, die een populair man was in de TAorgenstyeme 7Aunthe. Bommen in de branding. Londensche voorname kringen. Hij was een geniale, joviale jongeman, die ongelukkigerwijs eenige jaren geleden met zijn vader oneenigheid had gehad. Daar het evenwel bekend was dat een half jaar voor den dood van den ouden lord een verzoening had plaats gehad, wasiedereen verwonderd te hooren, dat de jongste zoon van zijn wetteliik erfdeel, waartoe Clayton Park behoorde, onterfd was. Graaf Methurst, de oudste zoon, had niet alleen den titel en het oudste goed in Northumberland, maar ook Clayton Park geërfd. Medhurst was lang zoo populair niet als zijn broeder, want hij was een vrekkig, zelfzuchtig man, die alleen voor zichzelf leefde. Hij had intens het land aan zijn erfdeel in Northumberland, omdat hij daar was opgegroeid en in oneenigheid leefde met al zijn buren; daarom had hij Clayton Park voor verblijf gekozen. Nu, in November, wilde hij zijn eerste partij geven. Vele familiën uit den omtrek waren uitgenoodigd. Hij zelf kwam uit Northumberland en mijn vriend Ormesby Fox had vernomen,, dat hij plan had de beroemde familiejuweelen der Orwell’s mee te brengen, om door Lady Orwell op de feesten te worden gedragen. Onder de auspiciën van Fox was spoedig een complot gesmeed om de juweelen machtig te worden. Daartoe was de nieuwe lord op reis naar Clayton Park op den voet gevolgd, maar zonder gevolg; het was niet mogelijk geweest den slag te slaan. De „operateur” (dat was de naam waarmede Fox een weinig euphonisch den leider van dit complot aanduidde), de operateur had nog getracht zich te verhuren als bediende op het slot, maar tevergeefs. Het leek wel of het plan niet gelukken zou, want lord Orwell was uiterst waakzaam. Doch men kan ook hierin overdrijven en dat deed hij. Hij besloot namelijk, een vrouwelijke detective te engageeren, die lady Orwell nauwkeurig eiken avond bewaken moest als zij de juweelen droeg. Dit voornemen was Fox ter oore gekomen en zijn vlugge geest had hierdoor een middel gevonden het plan tot eigen voordeel aan te wenden. Hij dacht terstond aan mij als de juiste persoon hem hierin te helpen. Ik moest mijzelf op Clayton Park aandienen als Jane Latham de vrouwelijke detective. De werkelijke Jane zou op haar reis worden opgelicht en eenige dagen, zoolang als noodig was, worden opgesloten. Fox gaf mij zijn woord, dat haar niets onaangenaams zou geschieden en ik wist dat ik hem vertrouwen kon. „Met uw positie in dat huis,” zei hij tot mij, „zal het u niet de minste moeite kosten de zaak in het reine te brengen en veilig te vertrekken. Ik wil je niet beleedigen door u middelen aan de hand te doen. Je trein vertrekt om drie uur van middag en een van Orwell’s auto’s zal aan Clayton-Station op je wachten. Maak je over juffrouw Latham niet bezorgd, je zult haar hier aan het station zien, maar ze zal niet te Clayton aankomen.” Hij had gelijk. Ik denk dat men haar in den trein bewusteloos had gemaakt en haar ergens tijdelijk had opgesloten. In allen geval ik wist dat ik niet de minste vrees behoefde te hebben, mijzelf als juffrouw Latham op Clayton Park aan te dienen. Laat mij allereerst zeggen, dat ik niet het minste gewetensbezwaar had om lord Orwell te berooven en als ik het gehad had, zou dit verdwenen zijn, zoodra ik hem zag. Als ooit het gelaat de spiegel van de ziel is, dan was dit wel bij hem het geval. En zijn vrouw was weinig beter. Trotsche zelfingenomenheid en ongenaakbaarheid waren blijkbaar haar voornaamste karaktertrekken. Ze behandelden mij stug alsof ze het mij kwalijk namen, dat ik in hun huis kwam. Natuurlijk werd ik geïntroduceerd als een der gasten en niemand, behalve de gastheer en gastvrouw, vermoedde voor welk doel, of beter: voorondersteld doel, ik daar aanwezig was. Ik vlei mijzelf dat ik mijn rol goed speelde. Den eersten- dag was er een groot diner, en ofschoon ik mij goed amuseerde, zorgde ik er voor steeds in lady OrwelFs nabijheid te zijn, zoodat ik steeds het oog had op haar juweelen. Dit was natuurlijk wat zij verlangde. Ik onderstel dat zij en haar echtgenoot een wenk ontvangen hadden, dat een complot het op de diamanten voorzien had en daardoor waren ze in zulk een zenuwachtigen toestand, dat ze ieder van hun gasten wantrouwden. Ik werd dien avond aan tafel geleid door Orwell’s broeder Victor Preece. Laat mij dadelijk zeggen dat we terstond op goeden voet met elkander waren. Hij was een verrassende tegenstelling van zijn fortuinlijken broeder, een heel ander type. Hij was gezellig en goed gehumeurd, wat mij dadelijk voor hem innam. Bovendien washij heelknap van uiterlijk en beschouwde het leven, evenals ik, niet van den al te ernstigen kant. We waren spoedig beste vrienden en hij deed al zijn best mijn verblijf op Clayton Park zoo gezellig mogelijk te maken. Ik had nog drie dagen den tijd om mijn slag te slaan, maar ik wilde niet door overhaasting de zaak bederven. De broeders konden het niet te best met elkander vinden, dat bemerkte ik wel; hoewel de antipathie hoofdzakelijk van de zijde van lord Orwell kwam. Hij scheen met tegenzin zijn broeder op het feest te zien, doch had hem natuurlijk moeilijk kunnen weigeren. Wat Preece betreft ik hoorde geen enkele maal hem ongunstig over zijn broeder spreken. Doch laat mij vervolgen. Natuurlijk had ik in mijn hoedanigheid als detective alle vrijheid mij voor de diamanten te interesseeren. Spoedig wist ik dan ook waar zij bewaard werden. Nadat lady Orwell ze had afgelegd, gaf zij ze aan haar echtgenoot, die ze wegsloot in een kluis naast zijn slaapkamer. Daar verbleven ze tot den volgenden avond. De kamer was goed gesloten en van allerlei veiligheidsmiddelen tegen inbraak voorzien. De vrees te worden bestolen vervolgde lord Orwell als zijn schaduw. Hij nam mij echter in vertrouwen in de meening dat dit noodzakelijk was. Hij
PDF
Nummer
1914, nr.22, 27 mei 1914
Blad
08
Tekst
PANORAMA legde mij de werking van de kluisdeur uit, zeide mij het woord, waardoor de kluis geopend werd en ik behoefde mij nog slechts voor enkele minuten meester te maken van den sleutel om in het bezit der juweelen te zijn. Dit was echter niet gemakkelijk, omdat hij dezen met nog enkele andere sleutels altijd aan een ring bij zich droeg. Ik bekeek de sleutels nauwkeurig en ging op een dag naar Warwick, waar ik na lang zoeken eenige sleutels kocht, die in grootte en vorm veel met de sleutels van mijn gastheer overeenkwamen. Gewapend met deze dubbelgangers wachtte ik mijn gelegenheid af. Die kwam den volgenden avond, toen ik als gewoonlijk bij het wegsluiten der diamanten tegenwoordig was. Door zijn vrouw geroepen, legde hij den sleutelring een oogenblik op tafel. Dit oogenblik was voor mij voldoende. Snel maakte ik, piij van de goede sleutels meester, terwijl de valsche even later door lord Orwell in den zak gestoken werden. Het moeilijkste was achter den rug. Lord Orwell zou de sleutels niet eer missen voor den volgenden avond als hij de kluis weer wilde openen. Den volgenden morgen was er een jachtpartij en dan zou ik het best mijn slag kunnen slaan. Aan het ontbijt vroeg ik verlof om naar de stad te mogen gaan, voorgevende daar eenige dienstbrieven te moeten afhalen en belovende vóór het diner weder terug te zullen zijn. Het verzoek werd toegestaan, hoewel slechts noode, en een rijtuigje ingespannen om mij naar het station te brengen. Spoedig daarna vertrokken de heeren ter jacht, terwijl de dames excursies gingen maken op het buitengoed. Nu was het mijn tijd. Lord Orwell’s vertrekken waren heilige grond en niemand dan hij zelf kwam daar, nadat ze door de dienstboden waren in orde gebracht. Alles ging naar wensch. Ik opende de kluis zonder moeite, nam de juweelen er uit en deed deze in een kleine city-bag die ik had meegebracht. Toen keek ik of er nog iets anders was. Een geldkistje trok mijn aandacht; ik nam het er uit. Het ging gemakkelijk open; doch ik was teleurgesteld er niets anders dan papieren in te vinden. Nochtans nam ik er een van in handen. Het bleek het testament te zijn van den overleden lord Orwell. Juist wilde ik het als voor mij van geen belang weder in het kistje sluiten, toen mijn aandacht getrokken werd door de woorden: „ik benoem en vermaak mijn jongsten zoon, Victor....” Wat beteekende dit? Victor had niets geërfd! Ten minste volgens het testament, dat was overlegd geworden, was de tegenwoordige lord de erfgenaam van de geheele nalatenschap. Goeden hemel 1 Dan kon dit slechts beteekenen.... Ik keek naar den datum op het stuk. Het was gemaakt een half jaar voor den dood van den ouden lord, kort na diens verzoening met zijn jongsten zoon. Er was geen twijfel mogelijk. Lord Orwell had deze laatste wilsbeschikking achtergehouden en een van ouderen datum getoond, waarin hij alleen vernoemd was. Hij was een dief en had zijn broeder diens erfdeel ontstolen. Ik was zoo verdiept in de lezing van het document, hetgeen aan Victor het landgoed Clayton Park en een flinke som gelds vermaakte, dat ik niet hoorde, dat de deur open ging en iemand het vertrek binnenkwam, voordat ik een hand op mijn schouder voelde. Toen . .. een siddering overviel mij, want ik was ontdekt en gevangen, alleen ten gevolge van dit testament, waarmee ik niets had uit te staan. Mijn schuld was duidelijk, want de kluis stond open en alsof dit nog niet genoeg was, op de tafel stond de geopende tasch met de juweelen. ,,Juffrouw Latham, wat in ’s hemelsnaam voer je hier uit?” Het was de stem van Victor Preece. Hij stond naast mij, een dragende uitdrukking op het gelaat en trok nadenkend aan zijn knevel. „O mijnheer Preece,” fluisterde ik, ,,wat verrast u mij.” ,,Doe ik?” Hij begon te lachen. ,,Ik ben niet minder verrast.” Zijn oogen draalden van de geopende kluis naar de tasch op tafel. „Hallo, hallo! hallo!” riep hij uit. ,,U ziet,” zei ik flauwtjes, „ik ben niet die gij dacht.” „Da’s duidelijk,” viel hij in. ,,Ik ben in werkelijkheid een detective, een vrouwelijke detective,” ging ik wanhopig voort. „Lord Orwell heeft mij in dienst genomen om op deze juweelen te letten.” Ik wees op de diamanten in de tasch. ,,Ik . . . .” Ik brak plotseling af, want ik zag dat hij mij niet geloofde. Toen schoot mij een gedachte door het hoofd. Ik hield hem het document voor. „Mijnheer Preece,” zei ik kalm „voordat we verder praten, wilt u dit eerst lezen?” Hij nam het aan, ik nam hem nauwkeurig waar, ter wijl hij las. Het duurde niet lang of een kreet ont snapte hem. „Drommels! .... Hebt gij dat gevonden?” „Ja,” antwoordde ik, „ik vond je vaders laatste testament. Mijnheer Preece, gij zijt bestolen.... door uw broeder.” Een oogenblik stond hij verbluft, toen liep hij naar de deur en sloot deze. „We zullen niet worden gestoord,” zei hij tot mij terugkeerende, ,,er is niemand in de nabijheid. Ik bleef weg van de jacht, ten einde zelf in deze kamer een onderzoek in te stellen. Ik vermoedde dat er nog een ander testament was.” „Je zoudt het zonder mij nimmer gevonden hebben,” riep ik uit. „Het lag veilig in deze kluis. Het verwondert mij dat uw broer het niet vernietigd heeft.” „Gelukkig voor mij dat hij het niet deed. Hij is een zonderling en was misschien bevreesd het te doen. En nu....,” zijn stem werd ernstig, „wat zullen we doen, juffrouw Latham? Ik geloof dat het beste is mij eerlijk de waarheid te zeggen. Gij kwaamt hier.... om de juweelen te stelen?’ „Ja,” stemde ik toe. „Ziezoo, nu gaan we elkander verstaan.” Mijnheer Preece trok weder aan zijn knevel. Plotseling schoot hij in een helderen lach. „Te drommel,” riep hij uit, „’tis grappig! Te denken dat gij .... Maar je hebt mij een goeden dienst bewezen. En wie je ook wezen moogt, ik laat je gaan!” „Dank u.” zei ik met een zucht van verlichting. Toen hem recht in de oogen ziende. „Gij zijt een goed mensch, mijnheer Preece en een sportman. Uw broeder verdient voor zijn handeling tegenover u gestraft te worden. Ik daarentegen heb u een goeden dienst gedaan. Laat mij de juweelen meenemen en dadelijk vertrekken. Het rijtuig wacht mij om mij naar het station te brengen.” Hij keek mij aan en ik zag zijn oogen glinsteren van pret en misschien ook bewondering. „Je bent handig, juffrouw Latham, heel handig. En op mijn woord ik weet niet, waarom ik niet aan je verzoek zou voldoen. Je hebt een belooning verdiend en het is billijk dat mijn broeder die betaalt. Maar wat zal hij een gezicht zetten als ik ’t hem vertel I” En weer barstte hij in lachen uit „Wat zal hij te keer gaan! En zonder nut; machteloos tegen u en mij.” „Dus mag ik gaan?” vroeg ik. Doch ik wist reeds dat ik gewonnen had. Om kort te gaan, Victor Preece en ik scheidden als beste vrienden en ik met de diamanten haalde tijdig den trein naar de stad. Menigmaal heb ik getracht mij de ontmoeting der beide broeders voor te stellen. Het zal zeer interessant zijn geweest en, hiervan ben ik zeker, lord Orwell zal een onaangenaam halfuurtje hebben doorgebracht. De politie werd niet gemoeid in den diefstal der diamanten en Victor Preece is nu in het rechtmatig bezit van Clayton Park. 6en zeer eigenaardig Tlesschenkindje, öen reusachtige uitvinding, 0oor den heer Emile Bochelet is een uitvinding gedaan op spoorweggebied, waardoor een snelheid zal kunnen worden bereikt van 300 mijl per uur. Om een voorbeeld te noemen zal de afstand van Londen naar Brighton in 15 minuten kunnen worden afgelegd. Zooals men op onze foto’s kan zien heeft deze trein den vorm van een sigaar en wordt hij zonder locomotief zonder rails en zonder wielen, voortgestuwd door een electrischen stroom. Op gelijke afstanden bevinden zich een soort van tunnels, waardoor „ontsporing voorkomen wordt. ^enigen tijd terug werden er in de Rotterdamsche Diergaarde twee jonge leeuwtjes geboren. Oorspronkelijk ging alles goed. Van de beide jongen bleef er één in leven en de moeder vervulde haar plichten uitstekend, zoogde haar jong en waschte het, ondanks het tegenspartelen, onophoudelijk met haar groote, breede tong. Spoedig echter bemerkten de oppassers, dat ze haar kind begon te verwaarlozen en er tenslotte bijna niet meer naar omzag. Het jong werd haar daarom ontnomen en in £en apart hok gezet; dagelijks wordt het nu door den oppasser met een spons meermalen flink gewasschen en het krijgt evenals een zuigeling ... de flesch. Men koestert de hoop, het beestje op deze wijze voor de Diergaarde te behouden. SLUITZEGELS. O p aanvrage ontvangen onze abonné’s en zij, die abonné wenschen te worden, GRATIS EEN SERIE PANORAMASLUITZEGELS; zij, die geen abonné zijn of wenschen te worden, ontvangen de geheele serie na ontvangst van f0.15.
PDF
Nummer
1914, nr.22, 27 mei 1914
Blad
09
Tekst
KONINKLIJK BEZOEK AAN WEST-FRI ESLAN D. De vorige week heeft H.M. de Koningin met Z.K.H. Prins Hendrik een tocht door West-Friesland gemaakt. In Enkhuizen, Medemblik enz. toonde de bevolking veel belangstelling, daar er in die streek weinig gelegenheid is H.M. eens te zien. Onze foto links toont de Koninklijke belangstelling voor het Stoomgemaal bij Medemblik. De middelste foto brengt het oogenblik in beeld waarop het zoontje van den burgemeester Hoytema van Konijnenburg H.M. een bloemenhulde brengt, terwijl men op de rechter foto de aankomst te Alkmaar ziet. DE BRAND TE NIEUWKUIJK. Te Nieuwkuijk heeft de vorige week een ontzettende brand gewoed waardoor 14 huizen zijn verwoest. Gelukkig zijn er geen menschenlevens te betreuren. (foto Th. M. v. Delft). HET RIJKS L_AN DBOUWPROEFSTATION TE MAASTRICHT. Hierboven een foto van genoodigden en autoriteiten, waarbij in het midden Z.Exc. Minister Treub, bij de opening van het nieuwe Rijks Landbouwproefstation te Maastricht. DE KATAKOMBEN-STICHTING. Minister Treub heeft onlangs een bezoek gebracht aan de Romeinsche Katakomben te Valkenburg. Op onze foto staan v. l.n. r. Mr. K. Diepen, secr. Katakombeninrichting, J. M. H. Vermeulen, Burg. v. Valkenburg, d. hr. Blankevoort, Z.Exc. Minister Treub, Mr. Schmiat en Jan Diepen. Hierboven overschot PLECHTIGE TERAARDEBESTELLING Mgr. P. LEIJTEN. 2 foto’s van de begrafenis van Mgr. P. Leijten, Bisschop van Breda. Foto links: de lijkwagen, het stoffelijk van den overleden Bisschop bevattende; foto rechts: de Aartsbisschop Mgr. H. v. d. Wetering verlaat de Kathedraal teneinde in den stoet te volgen. DENEMARKENHOLLAND4 3. Den 17en dezer heeft te Kopenhagen een voetbalmatch plaats gehad tusschen het Nationale elftal van Denemarken en van Holland. Hierboven een foto van de strijders, broederlijk vereenigd. {foto J. Stok Jzn.) Foto links: J# SCHWARTZ, die 28 Mei zijn 25-jarig jubileum als Opper-Voorzanger b. d. Israël. Gemeente te ’s-Gravenhage herdenkt (foto J. J. Seijes); foto midden: Luit.-Gen. G. C. E. VAN DAALEN, Commandant van het O.-I. leger, die ’s lands dienst gaat verlaten (foto Ch. v. Es & Co.); foto rechts: G. BOEKSTRA, hoofd der Chr. School te Delfzijl, die 15 Mei j.1. het feit herdacht, dat hij 50 jaar als onderwijzer was werkzaam geweest. DE MINISTER VAN MARINE TE ROTTERDAM. Den 19en Mei heeft de Minister van Marine met Kolonel Linchers. inspecteur van het corps Mariniers en den adjudant Luit, ter Zee le klasse W. Jager, een bezoek gebracht aan de Marinierskazerne te Rotterdam. {Foto Ver. Fotobureaux).
PDF
Nummer
1914, nr.22, 27 mei 1914
Blad
10
Tekst
U.G. Dorhout Jonker ACCIJNSTOREN. ■ ïwswwm^EN zou oppervlakkig niet vermoeden, •| dat de schoone Kennemerlandsche hoofdstad ontstaan is uit een klein visschersdorpje, veilig gelegen op een hooge, zandige landtong, welke zich tusschen de talrijke meren en plassen van de provincie Noord-Holland inschoof. Dat was in den tijd toen „daar de zeemeeuw vloog en de roerdomp zijn klaagtoon deed hooren”. — De gunstige ligging maakte, dat het eenvoudige visschersdorp, gelegen daar, waar Kennemerland en West-Friesland zich vereenigden, spoedig tot grooten bloei kwam, drooglegging van de heeft de de naaste Niet het minst groote meren in GROOTE KERK. omgeving er toe bijgedragen dat de plaats zich krachtig ontwikkelde, en met muren en wallen omgeven, destijds een eereplaats innam onder Hollands sterke steden. Wordt Alkmaar in den worstelstrijd met Spanje niet met eere genoemd? Niet te verwonderen is het dan ook, dat deze oude stad nog verschillende monumenten heeft bewaard uit dien glorietijd. Allereerst noemen we ’t Stadhuis in de Langestraat. Het oudste gedeelte bestaat uit een Gothischen vleugel, rijk versierd en dateerende uit de jaren 1508—1520. De nieuwere vleugel werd gebouwd in ’tjaar 1694. Een monumentale trap vóór den Gothischen gevel voert naar de bovenverdieping. De bijzonder fraaie dakgevels geven aan dit rijk versierde gebouw een schilderachtig aanzien. Het interieur van ’t Stadhuis is eveneens een bezichtiging overwaard. De Alkmaarsche Waag is mede een fraai bouwwerk. In de middeleeuwen stond op deze plaats, geheel ingesloten door andere gebouwen, een bedehuis, het zoogenaamde ,,Heilige-Geesthuis’*. Langzamerhand verdwenen de rondom gebouwde huizen en ontstond het Waagplein. In ’t laatst der 16e eeuw werd het Heilige-Geesthuis buiten dienst gesteld en besloot het Stadsbestuur het oorspronkelijke bedehuis als Waag in te richten. In 1582 en '83 werd het koor afgebroken en door drie muren in ’t vierkant omgeven. Vooral de voorgevel is bijzonder smaakvol gebouwd en rijk voorzien van bouwkundige versierselen. In den geveldriehoek ziet men boven het flink gebouwde wapen der stad een schoon tafereel uit geëmailleerde lava vervaardigd, ’t Is een allegorische voorstelling van den handel der stad. De toren is voorzien van drie transen. Beneden den ondersten trans ziet men bij het vol uur de bekende ruitertjes naar voren treden, terwijl de trompetter gedurende het slaan de trompet blaast. Onder de Alkmaarsche kerkgebouwen munt vooral de Groote Kerk uit, een massaal bouwwerk uit de jaren 1473—1520. Het trotsche gebouw is een kruiskerk in laatGothischen stijl met koortrans en zijbeuken. Deze laatste zijn ieder geflankeerd door een zestal kapellen. Bij een bezichtiging van het interieur valt het fraaie orgel op, in de jaren 1640—'45 vervaardigd naar een ontwerp van Jacob van Campen. Ongetwijfeld behoort het instrument tot de voornaamste orgels van ons land. In de nabijheid van ’t orgel bevindt zich een merkwaardig schilderstuk, dat op zeven paneelen een voorstelling geeft van de zeven werken van Barmhartigheid. De legende vertelt hieromtrent het volgende: Cornelis Goudsmit, een kerkmeester, had een ingewortelden afkeer van kerkschilderingen en de schilderstukken in de Groote Kerk waren hem een doorn in ’toog. In stilte wist hij een paar personen te bewegen alle kerkschilderingen met zwarte verf te overdekken. Toen het bijna te laat was, werd de schandelijke daad ontdekt. Alleen de „Zeven Barmhartigheden” waren gespaard gebleven. Tevens vindt men in dit grootsche bedehui^ de koperen gegraveerde grafplaat van Pieter Claaszoon Pauline, ridder van Jeruzalem, overleden in 1546, en van zijn vrouw Josine van Foreest. Deze koperen grafplaat is een merkwaardigheid, omdat er in ons land slechts een viertal van dergelijke platen worden aangetroffen. Behalve de reeds genoemde historische monumenten zijn er verschillende gevels in Kennemerlands hoofdstad, welke een bijzonder aangenamen indruk maken. HET WEGEN DER KAAS. DE WAAG. Eigenaardig zijn ook de grachtjes en brugjes, nog zoo geheel in den ouden stijl. Opvallend is, dat men in de nog zoo ouderwetsche, nauwe straatjes verschillende groote winkels, vooral in goud- en zilverwerken en antiquiteiten, aantreft. GROOTE KERK (achterzijde). Vooral het zoogenaamde „Koning-Willemshuis” trekt algemeen de aandacht. Niet te verwonderen zeker, dat Alkmaar veel bezoek ontvangt van toeristen, die belangstellen in de oude bouwwerken van de „Kaasstad”. Onse TotografieWedstrijd, TOT 1 JUNI staat de deelname 1 open aan onzen wedstrijd in het maken van natuuropnamen. Inzendingen moeten, goed verpakt, worden gericht aan: Redactie ,,Panorama”, Leiden, terwijl op de buitenzijde het woord „Wedstrijd" duidelijk moet worden aangebracht. Prijzen: De eerste prijs bedraagt ƒ 30.—. Er zijn 2 tweede prijzen elk ten bedrage van / 15.—. Voorts worden nog 2 derde prijzen uitgeloofd van elk / 7.50 en 5 vierde prijzen van elk /5.—. De volledige voorwaarden komen voor in Panorama Nó. 42.
PDF
Nummer
1914, nr.22, 27 mei 1914
Blad
11
Tekst
Maison Max Heerengracht 334-336-338 Vijzelstraat 73 - Amsterdam ---------------------Tiliaal;------ --------------- Utrecht, Oudegracht W.Z>, 48 BIJ MAISON MAX, TE AMSTERDAM k onze causerie in een der vorige nummers over de toiletmode voor her a.s. seizoen, zal het onzen lezeressen zeker niet onwelgevallig zijn, thans eenige afbeeldingen aan te treffen van de allerlaatste hoeden-creaties. Temeer bevroeden wij belangstelling voor deze scheppingen, daar ze gelanceerd zijn door een huis als Maison Max. Immers, iedere beschaafde dame weet, dat hetgeen telkenmale bij de mode-wisseling door Maison Max gebracht wordt, niet alleen als modetip een eigene plaats inneemt, doch ook van decenten smaak getuigt. En, ziedaar juist de factor, die bij het volgen van het spel der mode van zoo heel groote beteekenis is. Ons althans wil het voorkomen, dat eene dame, die er prijs op stelt werkelijk fijn gekleed te gaan, niet voorzichtig genoeg kan zijn, bij de keuze harer toiletten. Waar het haar „lievelings-kleinood” betreft, de hoed, de onvolprezen, snoezige, beeldigehoed hoe legio zijn niet zijn verheerlijkingsuitroepen 1 — daar beeft zij, de dame met gevoels- en stijlontwikkeling, advies van noode van iemand die, vertrouwd met het vak, een superben smaak aan den dag legt. En daarvoor gaat die dame naar Maison Max. Al wandelende door de prachtvolle expositiezalen, die, zonder verplichting tot koopen, in ’t seizoen steeds vrij voor haar toegankelijk zijn, zal ze dan bate keuze kunnen doen. Mocht het wel zijn, dat onder de keur van tentoongestelde modellen toch niet haar genre schuilt, dan getroost ze zich de moeite, om den volgenden dag eens weerom te komen. Tien tegen één, dat haar genre dan rijkelijk vertegenwoordigd is, want iederen dag bij Maison Max brengt zijn productie, en iederen dag worden de collecties aangevuld met wéér nieuwere modellen! En het past den dames zoo bij uitstek, dat alles hier van prijskaartjes voorzien is, en dat voorts, bij haar wandeling door de expositie-zalen geen verkoopgraag personeel zich bij haar opdringt. Geen zweempje van dit alles; wèl wordt ze door vakkundigen raad bijgestaan, en wèl imponeert haar den rijkdom aan verscheidenheid, maar overigens gaat het haar hier niet, als in zoovele winkels en magazijnen, waar het koopen haar door diverse kleinigheidjes veronaangenaamd wordt. Zeker zullen vele dames het daarom betreuren, dat Maison Max niet gedurende het geheele jaar geopend is voor détail-verkoop, want gewoonlijk kan het huis daarvoor niet meer dan drie maanden per seizoen geven. Gedurende de resteerende zes maanden eischt de engros-afdeeling allen tijd en productie. En zoo wordt er op Maison Max’ ateliers aan de Heerengracht 334-336 en 338, door de vele, nijvere handen maar steeds dóórgepiekerd, en zoo blijft deze firma maar aan ’t ontwerpen, om bij iedere wisseling tijdig klaar te zijn met haar sieraden voor duizenden fraai gekapte kopjes!
PDF
Blad 
 van 2380
Records 776 tot 780 van 11897