|
PANORAMA edelman, want een edelman was hij door geboorte en
opvoeding, ofschoon evenals mijn vader zijn talenten op
onregelmatige wijze aanwendende. Hij was een geboren
organisator en specialiteit in het leiden van misdrijven.
Hij nam er evenwel nimmer daadwerkelijk deel aan, maar
koos zijn mannetjes er voor uit en stond in verbinding
met alle klassen der crimineele wereld. De politie had
geen vat op hem, hoewel deze wel wist dat zijn inkomsten
van zeer twijfelachtigen oorsprong waren. Zooals gezegd,
waakte hij er zorgvuldig voor, dat er ook maar de minste
verdenking op hem kon vallen. Inderdaad hielp hij de
politie somtijds en het weid erkend in de dievenwereld
dat hij hiertoe vaak gerechtigd was. Hij handhaafde
namelijk ten strengste den stelregel dat de dieven
elkander moeten kunnen vertrouwen en wee dengene, die
dit vertrouwen misbruikt had, het was tien tegen één
dat hij dan gevat werd.
In ’t kort: Ormesby Fox was een koning onder de
dieven; het hoofd van een dieventrust. Somtijds was het
jammer dat hij zijn bekwaamheden niet voor eerlijke
doeleinden had aangewend, want hij was een geboren
leider en zou zeker eerste minister geworden zijn, als hij
den wettelijken geordenden weg bewandeld had.
Hij was ruim vijftig jaar oud, doch
bezat nog een groote physieke kracht. Een
flink, breed geschouderd man, met een knap
uiterlijk, had hij de trouwhartigste oogen
en den vroolijksten lach, dien men zich
kan voorstellen. Niemand kon denken, dat
hij een grooter aandeel had in de criminaliteit dan eenig man ter wereld. Toch
moet ik van hem zeggen, dat er niets
laags of verachtelijks was in zaken die hij
ten uitvoer bracht; hij was actief als een
politieman in het onderdrukken van wreedheden. Hij leefde op grooten voet te Wimbleton, maar had zijn kantoren in de stad.
Voor de wereld oefende hij het bedrijf
van bankier uit.
Ik ontmoette hem, zooals ikzeide, heel
toevallig. Hij was verheugd mij te zien,
en vroeg mij alles wat ik beleefd had,
sinds ik, zooals hij het noemde, „den
goeden weg was opgegaan.”
Ik vertelde hem o.a. hoe het thans met
mij gesteld was, sedert den dood van mijn
echtgenoot. Fox was altijd zeer op mij gesteld geweest en had steeds voorspeld dat
ik nog eens groote dingen zou doen — op
crimineel gebied natuurlijk. Hij was dan
ook zeer teleurgesteld, toen ik dit leven
vaarwel had gezegd om,,eerbaar’ ’ teworden.
„Schei uit met dit fatsoenlijke leven”,
raadde hij mij „en vecht voor uzelf”.
Ik schudde het hoofd. Ik kon het niet
doen. Ik had de nagedachtenis van mijn
echtgenoot te eerbiedigen.
„Neem dan een anderen naam aan,”
ging hij voort. „Laat mevrouw Griselda
Felton voortgaan Wellminster met haar
tegenwoordigheid te vereeren een half jaar
lang, terwijl de andere helft van het jaar
juffrouw Griselda Keene haar eigen neigingen volgt. Je kunt dat gemakkelijk
doen en ik kan je verzekeren dat Griselda
Keene zich zal amuseeren en geld verdienen in plaats van enkel uitgeven, zooals
Mevrouw Felton doet.”
„Ik zou graag geld hebben,” peinsde
ik. „Ik heb ’t niet voor mijzelf noodig.”
Plotseling kwam mij iets in de gedachte.
„Het zou amusant wezen menschen te
berooven die van hun geld een slecht
gebruik maken, menschen als de Bagstow’s”,
riep ik uit, „en hun geld te benutten voor
anderen die het werkelijk noodig hebben.
Ik zou de boerenarbeiders kunnen houden
en de school. Da’s werkelijk goed!”
„Een soort Arsène Lupin in zakformaat,” Q,
lachte Fox.
,.Ja, dat is ’t, wat ik zou willen zijn,” antwoordde
ik met enthousiasme. „Ik zou slechte menschen niet
slecht willen behandelen; maar ik zou om hun vervloekingen niet malen, als ik tevens arme stumperds goed
kon doen. Geef me een plan aan de hand, Ormesby, en
ik ben je maat!”
Hij lachte hartelijk en zei dat hij er voot zorgen zou.
Niet lang daarna had hij wezenlijk een plannetje, waarop
ik mijn, sedert vijf jaren door eerbaarheid verroeste
scherpzinnigheid, kon scherpen.
Tegen het midden van November ontving ik van hem
het volgende telegram: „Er is iets voor u te doen. Kom
dadelijk! Geen tijd te verliezen.”
Ik gehoorzaamde terstond en was verheugd en voldaan
tevens toen ik bemerkte dat hij mij niet herkende, zóó
groot was de verandering die ik in mijn uiterlijk ondergaan had. Ik zei ’t reeds: Griselda Keene ziet er uit als
een kleine heks: zwart haar, donkere gelaatskleur met
wenkbrauwen, die elkander boven den neus bijna ontmoeten, volle roode lippen en wangen met kuiltjes er in.
Hoe ik dat verkregen had. is mijn geheim. Zooals ik
reeds eerder zei: ik ben een genie in de kunst van
vermommen.
Nadat Ormesby mij een compliment gemaakt had, kwam
hij ter zake.
„We hebben iemand noodig om een vrouwelijke
detective voor te stellen,” zei hij. „Ze zenden er dezen
middag een van Scotland Yard en wij zullen ons best
doen haar een paar dagen te doen verdwijnen. O., nee,
er zal haar geen leed geschieden, dat beloof ik je. Je
behoeft hierover niet ongerust te zijn; daarvoor sta ik
borg! Alles wat je te doen hebt is haar naam, Jane
Latham, aan te nemen en naar Clayton Park, waar
niemand haar kent, te gaan. Je bent volkomen veilig en
behoeft geen bijzondere voorzorgen te nemen.”
„Clayton Park?” vroeg ik. „Bedoel je het buitengoed
van lord Orwell?”
„Juist,” antwoordde hij, „en ik zal je in ’t kort de
zaken uitleggen, opdat je je voorbereiden kunt. Je weet
zeker, dat lord Orwell juist den titel en het landgoed
geërfd heeft?”
Ik knikte. Er hadden hieromtrent berichten in de dagbladen gestaan, vooral omdat de jongere zoon, Victor
Preece, onterfd was. De sympathie was voor een groot
deel voor den laatste, die een populair man was in de
TAorgenstyeme 7Aunthe. Bommen in de branding.
Londensche voorname kringen. Hij was een geniale, joviale
jongeman, die ongelukkigerwijs eenige jaren geleden met
zijn vader oneenigheid had gehad. Daar het evenwel bekend was dat een half jaar voor den dood van den
ouden lord een verzoening had plaats gehad, wasiedereen
verwonderd te hooren, dat de jongste zoon van zijn
wetteliik erfdeel, waartoe Clayton Park behoorde, onterfd
was. Graaf Methurst, de oudste zoon, had niet alleen
den titel en het oudste goed in Northumberland, maar
ook Clayton Park geërfd. Medhurst was lang zoo populair niet als zijn broeder, want hij was een vrekkig,
zelfzuchtig man, die alleen voor zichzelf leefde. Hij had
intens het land aan zijn erfdeel in Northumberland, omdat hij daar was opgegroeid en in oneenigheid leefde met
al zijn buren; daarom had hij Clayton Park voor verblijf gekozen.
Nu, in November, wilde hij zijn eerste partij geven.
Vele familiën uit den omtrek waren uitgenoodigd. Hij
zelf kwam uit Northumberland en mijn vriend Ormesby
Fox had vernomen,, dat hij plan had de beroemde familiejuweelen der Orwell’s mee te brengen, om door Lady
Orwell op de feesten te worden gedragen.
Onder de auspiciën van Fox was spoedig een complot
gesmeed om de juweelen machtig te worden. Daartoe
was de nieuwe lord op reis naar Clayton Park op den
voet gevolgd, maar zonder gevolg; het was niet mogelijk
geweest den slag te slaan. De „operateur” (dat was de
naam waarmede Fox een weinig euphonisch den leider
van dit complot aanduidde), de operateur had nog getracht zich te verhuren als bediende op het slot, maar
tevergeefs.
Het leek wel of het plan niet gelukken zou, want
lord Orwell was uiterst waakzaam. Doch men kan ook
hierin overdrijven en dat deed hij. Hij besloot namelijk,
een vrouwelijke detective te engageeren, die lady Orwell
nauwkeurig eiken avond bewaken moest als zij de juweelen
droeg. Dit voornemen was Fox ter oore gekomen en zijn
vlugge geest had hierdoor een middel gevonden het plan
tot eigen voordeel aan te wenden. Hij dacht terstond
aan mij als de juiste persoon hem hierin te helpen.
Ik moest mijzelf op Clayton Park aandienen als Jane
Latham de vrouwelijke detective. De werkelijke Jane
zou op haar reis worden opgelicht en eenige dagen,
zoolang als noodig was, worden opgesloten. Fox gaf mij
zijn woord, dat haar niets onaangenaams zou geschieden
en ik wist dat ik hem vertrouwen kon.
„Met uw positie in dat huis,” zei hij tot
mij, „zal het u niet de minste moeite
kosten de zaak in het reine te brengen
en veilig te vertrekken. Ik wil je niet beleedigen door u middelen aan de hand te
doen. Je trein vertrekt om drie uur van
middag en een van Orwell’s auto’s zal
aan Clayton-Station op je wachten. Maak
je over juffrouw Latham niet bezorgd, je
zult haar hier aan het station zien, maar
ze zal niet te Clayton aankomen.”
Hij had gelijk. Ik denk dat men haar
in den trein bewusteloos had gemaakt en
haar ergens tijdelijk had opgesloten. In
allen geval ik wist dat ik niet de minste
vrees behoefde te hebben, mijzelf als juffrouw Latham op Clayton Park aan te
dienen.
Laat mij allereerst zeggen, dat ik niet
het minste gewetensbezwaar had om lord
Orwell te berooven en als ik het gehad
had, zou dit verdwenen zijn, zoodra ik
hem zag. Als ooit het gelaat de spiegel
van de ziel is, dan was dit wel bij hem
het geval. En zijn vrouw was weinig beter.
Trotsche zelfingenomenheid en ongenaakbaarheid waren blijkbaar haar voornaamste
karaktertrekken.
Ze behandelden mij stug alsof ze het
mij kwalijk namen, dat ik in hun huis
kwam. Natuurlijk werd ik geïntroduceerd
als een der gasten en niemand, behalve
de gastheer en gastvrouw, vermoedde voor
welk doel, of beter: voorondersteld doel,
ik daar aanwezig was.
Ik vlei mijzelf dat ik mijn rol goed
speelde. Den eersten- dag was er een
groot diner, en ofschoon ik mij goed
amuseerde, zorgde ik er voor steeds in lady
OrwelFs nabijheid te zijn, zoodat ik
steeds het oog had op haar juweelen.
Dit was natuurlijk wat zij verlangde.
Ik onderstel dat zij en haar echtgenoot
een wenk ontvangen hadden, dat een
complot het op de diamanten voorzien
had en daardoor waren ze in zulk een
zenuwachtigen toestand, dat ze ieder van
hun gasten wantrouwden.
Ik werd dien avond aan tafel geleid
door Orwell’s broeder Victor Preece. Laat
mij dadelijk zeggen dat we terstond op
goeden voet met elkander waren. Hij was
een verrassende tegenstelling van zijn fortuinlijken broeder, een heel ander type.
Hij was gezellig en goed gehumeurd, wat
mij dadelijk voor hem innam. Bovendien
washij heelknap van uiterlijk en beschouwde
het leven, evenals ik, niet van den al te
ernstigen kant.
We waren spoedig beste vrienden en hij deed al zijn
best mijn verblijf op Clayton Park zoo gezellig mogelijk
te maken. Ik had nog drie dagen den tijd om mijn slag
te slaan, maar ik wilde niet door overhaasting de zaak
bederven.
De broeders konden het niet te best met elkander
vinden, dat bemerkte ik wel; hoewel de antipathie
hoofdzakelijk van de zijde van lord Orwell kwam. Hij
scheen met tegenzin zijn broeder op het feest te zien,
doch had hem natuurlijk moeilijk kunnen weigeren. Wat
Preece betreft ik hoorde geen enkele maal hem ongunstig
over zijn broeder spreken. Doch laat mij vervolgen.
Natuurlijk had ik in mijn hoedanigheid als detective
alle vrijheid mij voor de diamanten te interesseeren.
Spoedig wist ik dan ook waar zij bewaard werden. Nadat
lady Orwell ze had afgelegd, gaf zij ze aan haar echtgenoot,
die ze wegsloot in een kluis naast zijn slaapkamer. Daar
verbleven ze tot den volgenden avond. De kamer was
goed gesloten en van allerlei veiligheidsmiddelen tegen
inbraak voorzien. De vrees te worden bestolen vervolgde
lord Orwell als zijn schaduw. Hij nam mij echter in
vertrouwen in de meening dat dit noodzakelijk was. Hij
|