|
ösher Surrey, Scheveningen,
I
N de kunstzalen der N.V. kunsthandel Esher Surrey aan de
Helmstraat zijn een dertigtal zeer goede werken te zien van
G. Morgenstjerne Munthe. Deze schilder, in 1875 te Dusseldorf
geboren, waar hij zijn opleiding aan de Academie aldaar ontving,
stelt hier uitsluitend werken uit zijn laatsten tijd ten toon, waarvan
wij niet anders dan een grooten vooruitgang kunnen constateeren.
Vroeger was de kleur zijner schilderijen minder vast en bezonken,
terwijl men nu bij Esher Surrey zeer vlot en waardevol werk
van dezen bijzonderen teekenaar ziet. Munthe legt in al zijn stukken
eene persoonlijke opvatting, zoodat men zij.i werk, alhoewel hij
zijne onderwerpen ontleent aan de zee, direct van dat van andere zeeschilders kan onderscheiden. Het is juist Munthe die in al zijn
werk zoo’n heerlijke stemming kan leggen. Men voelt oogenblikkelijk
bij het aanschouwen van zijne schilderijen het voorjaar, den zomer
of het najaar.
Er zijn hier zee- en strandgezichten van parelmoerachtigen glans,
zooals b.v. no. 17 „Schelpenkar in voorjaarsstemming”, terwijl
deze worden afgewisseld door woeste, stormachtige zeeën, met
kolossale actie; zie no. 1 „Winderig weer”. Wij stippen nog speciaal
aan no. 23 „Aankomst van een schuit”, een zeer vlot geschilderde
studie van mooie compositie en kleur. No. 4 „Zonsondergang”;
welk een eindelooze ruimte is hierin uitgedrukt! No. 6 „Aankomst”,
no. 9 „Proviandeering”; no*. 11 „Thuiskomst”, no. 12 „Ebbe”, een
alleraardigst klein schilderijtje, en ten slotte de zoo goed gewasschen
aquarellen n<>s. 26 en 27.
Reeds verscheidene der hier aanwezige stukken prijken met het
woord „verkocht”, hetgeen wij ook zeer goed kunnen begrijpen.
Men kan van dezen schilder nog veel verwachten. Het loont
dan ook in alle opzichten de moeite Esher Surrey te bezoeken,
waar men buiten genoemde tentoonstelling nog een aantal goede
werken van verschillende andere meesters kan bezichtigen. GRETA N,
[E^vRouwELi^insÈNELUHNs^^EEs
K liep weg uit zuivere vervelingen het
amuseert mij nu nog als ik er aan
denk, dat verschillende adellijke families
in Wellminster er voor verantwoordelijk
worden gesteld. Het verwondert mij
steeds hoe het mogelijk is, dat een
groot deel van ons volk huichelarij,
en schijnheiligheid als nationale deugden
schijnen te beschouwen. Ik heb hier hoofdzakelijk het
oog op de bevolking van Wellminster (waar ik het ongeluk
had de laatste vijf jaren mijn leven te slijten); hoe het
ergens anders is, weet ik niet. Dèar bestaat het eene deel
uit volleerde bedriegers, de andere helft is te onnoozel
en onschuldig voor deze slechte wereld.
Het zijn zeer geachte steunpilaren der maatschappij,
strijders in dienst der gerechtigheid en liefdadigheid, of
beweren dit ten minste te zijn. In werkelijkheid vieren
echter wangunst, haat en vijandschap, zich uitende in
lasterlijke kletspraat hoogtij in Wellminster. Gewoonlijk
vindt men dit bij menschen, die met hun deugden en
goede werken te koop loopen.
Hoe ik dit alles vijf jaren lang verdragen heb, is meer
dan ik zeggen kan. Het verbaast mij nog steeds dat
het mij mogelijk is geweest mijzelve in te houden en
mijn kennissen niet hun huichelachtigheid in het gezicht
te slingeren. O, er zijn tijden geweest, dat ik het wel
had kunnen uitschreeuwen, en iederen cent dien ik bezat
had willen geven om aan Lady Bagstow te zeggen, hoe
ik werkelijk over haar dacht.
Ik herinner me hoe, eens op een Kerstdag — het
sneeuwde hard — zij en haar echtgenoot twee arme,
hongerende oude schepsels wegjoeg. „Onverstandige
liefdadigheid is een groote fout, lieve I” zei ze regen mij.
Een dag later beroemde ze er zich op dat ze duizend
gulden gegeven had voor een missie naar de binnenlanden
van Afrika. Dat de beide oude stumperds dien dag gevonden
waren, gestorven van kou en gebrek, dót bezwaarde
blijkbaar hun geweten niet. Het eenige wat ze onaangenaam vonden was, dat de menschen gevonden waren
in een oude schuur op hun eigen grond.
Ik vermeld dit geval, omdat de Bagstows beschouwd
worden als de leiders der plaatselijke liefdadigheid en
geëerd worden als toonbeelden van Christelijke liefde en
edelmoedigheid. Maar ik heb ze op mijn lijst staan en
ik zal ze een lesje geven in liefdadigheid, zoodra ik er
de gelegenheid toe vind.
Doch laat ik van mijzelve vertellen en van wat ik wil
noemen, mijn „vlucht”. De naam, waaronder ik bij het
voorname publiek in Wellminster bekend ben, is Griselda
Felton, en dit is mijn werkelijke naam; want ik was
vier en een half jaar de vrouw van Hugh Felton, een van
de beste en liefste menschen, ondanks de omstandigheden
hem noodzaakten in Wellminster te wonen.
U moet weten, hij had daar een landgoed, Drave Hall,
geërfd, een mooi buiten, en wijl hij geld genoeg had,
was hij instaat zijn liefhebberij te volgen, namelijk wetenschappelijke landbouwcultuur. Hij deed dit niet voor
eigen voordeel, maar in het belang van zijn ondergeschikten en pachters. Het was een goed werk, maar het
werd door de andere grondbezitters met scheele oogen
aangezien. Hugh werkte zelf als een daglooner hard mee
en dat vonden de anderen vernederend voor een edelman.
Daardoor waren we weinig populair bij onze kennissen,
hoewel ze schijnbaar heel lief tegen ons waren. De Feltons
waren namelijk van zeer ouden landadel en dwongen
daardoor meer respect af dan bijv, de Bagstows, die
hoewel rijker, een twijfelachtigen stamboom hadden. Hugh
bezat bovendien een grooten familietrots. Er was niets
wat hij meer vreesde, dan een smet op zijn naam. Daarom
moet ik zeer voorzichtig zijn, hoewel ik eigenlijk geen
vrees behoef te koesteren, want al werd ik bekend in
mijn tegenwoordige leefwijze, dan zou toch niemand
in Griselda Keene, de kasteleines van het landgoed Drave
Hall, Griselda Felton, herkend hebben. Ik heb alle mogelijke voorzorgen genomen en ben van de macht van
mijn persoonlijkheid volkomen overtuigd.
Mijn meisjesnaam is Keene. Mijn vader, ik zal het maar
eerlijk bekennen, was een handige dief en een der voornaamste leden van een internationale bende van oplichters.
Hij was van geboorte een edelman, en ik erfde alle
adellijke eigenschappen, gelukkig, want door opvoeding
zou ik ze niet gekregen hebben. Over mijn moeder zal ik
maar zwijgen, dit is ’t best; ze stierf voor ik haar
goed kende.
Van mijn vroegste jeugd af werd ik bestemd mijn
vaders voetstappen te volgen en daarvoor afgericht. Ik
toonde mij een ijverig leerlinge. Als kind was ik reeds
zeer scherpzinnig en handelde vaak op eigen verantwoording. Ik had dan ook toen reeds een goeden naam, bij
ónze kennissen, wel te verstaan. Ik zou werkelijk met
genoegen verschillende avonturen uit mijn jeugd willen
meedeelen en ... misschien doe ik dit nog wel eens als
ik er tijd en gelegenheid voor vinden kan.
Toen ik wat ouder werd, toonde ik mij bijzonder bekwaam in het vermommen. Ik had al het talent hierin
van een volleerde actrice, om nog niet te spreken van
de gave van nabootsen, die ik meermalen met succes
toepaste. Mijn vader was trotsch op mij en behandelde
mij zoo goed hij kon.
Ik moet voorts nog vermelden, ter wille van de waar
heid en zonder de minste ijdelheid, dat ik zeer bekoorlijk
was en nog ben. Lief is misschien het juiste woord. Een
onschuldig gezichtje. Dit is misschien een mijner grootste
voordeelen. Ik zie er zoo beminnelijk en onschuldig uit,
dat men mij, zooals de Franschen zeggen, vergiffenis zou
schenken, voordat ik bekend had.
Men zal misschien wat meer omtrent mijn uiterlijk
willen weten, denk er evenwel om, dat ik Griselda Felton
beschrijf en niet Griselda Keene. Nu ik een dubbel leven
leid, is het noodzakelijk dat er zoo weinig mogelijk ge
lijkenis bestaat tusschen deze twee, zoodat de eene niet
voor de andere kan worden aangezien. Ik ben bekwaam
genoeg dit te bewerkstelligen. .
Toen ik Hugh trouwde, had ik een zacht, verstandig
gelaat, ik was van middelmatige grootte en goed geproportionneerd. Ik had een massa glanzend blond haar, dat
ik natuurlijk bijzonder goed wist op te maken. Als me
vrouw Felton droeg ik het eenvoudig; een soort van
concessie aan den stijven toon, die er te Wellminster
heerschte.
Mijn gelaatskleur was zeer blank zonder een zweem
van sproeten, die gewoonlijk met een blanke huid en
licht haar vergezeld gaan. Wat mijn oogen betreft, niemand was in staat te zeggen welke kleur ze hadden. Ze
waren grijs en blauw en groen naar de kleur van het
licht, waarin men ze zag.
Het zal ieder duidelijk zijn hoe goed mijn gelaat zich
leende voor vermomming. Licht haar en een blanke huid
kunnen gemakkelijk donker gekleurd worden; voorts oogen
die geen bepaalde kleur hadden; geen enkel opvallend
kenteeken, of het moesten de wenkbrauwen zijn, die eigenaardig gebogen waren; maar deze konden gemakkelijk
veranderd worden. Voeg hier nu nog bij een ietwat droomerige, engelachtig onschuldige gelaatsuitdrukking en ge
hebt eenigszins een beeld van mij uit den tijd toen Hugh
mij leerde kennen.
Als Hugh’s vrouw heb ik steeds dit onschuldig uiterlijk
behouden, deels omdat dit mijn werkelijke natuur is en
deels misschien omdat ik vaag vermoedde, dat er een tijd
zou komen, waarin ik mijn voorkomen geheel zou moeten
wijzigen. Er is niets dat een mensch zoo verandert als
zijn uiterlijk. Als Griselda Keene zie ik er uit als een
kleine duivelin; ’t doet mij lachen als ik mijzelve in den
spiegel zie.
Het is niet noodig u te vertellen hoe ik met Hugh
trouwde. Laat mij alleen zeggen dat ik hiertoe genoodzaakt was om mijn vader en mijzelf voor gebrek te
behoeden. Ik was toen eenentwintig jaar oud.
Hugh wist niets omtrent mij. Hij had kennis met mij
gemaakt op een buitenlandsche badplaats en was tot over
zijn ooren op mij verliefd geworden. Ik moet bekennen,
dat ik hem bedroog door hem te doen gelooven, dat ik
zoo onschuldig was als ik er uitzag. Ik beminde hem in
’t geheel niet in dien tijd. Ik was een klein harteloos
ding en offerde hem op aan mijn eigen behoeften. Doch
voor we zes maanden getrouwd waren, bad ik er spijt
van, want toen kreeg ik hem lief; ik kon er niets aan
doen: hij was zoo goed en nobel.
Mijn vader stierf spoedig nadat ik gehuwd was, er was
dus geen enkele reden meer om anders dan respectabel
te leven. Het was nu ook niet noodig een woord over
mijn verleden te zeggen; niemand wantrouwde mij. Toch
deed ik het. Ik vertelde Hugh alles; ik kon het niet verdragen eenig geheim voor hem te hebben. En hij beoordeelde het alles zeer edel. Het eenige wat hij mij beslist
afvroeg was, of ik al eens een anderen man bemind had.
Dat was echter niet het geval, dat kon ik hem bezweren.
Ik ben niet van dat soort.
Welnu, hij nam mij mede naar Wellminster en ik
schikte mij hierin om zijnentwil. Was hij niet plotseling
gestorven door een ongeluk tijdens de jacht, dan zou ik
hier wellicht mijn geheele leven hebben doorgebracht. Na
zijn dood kreeg echter mijn onrustige geest weder de
overhand. De bekrompen atmosfeer in de kringen van
Wellminster en het eentonige leven prikkelde mijn zenuwen
en ik verlangde vurig naar eenige afleiding wat het ook
wezen mocht.
Er was nog iets anders: er was geld noodig, wilde het
landbouwbedrijf op dezelfde wijze worden voortgezet als
toen Hugh nog leefde. Hij had hiervoor zooveel kapitaal
gebruikt, dat hij mij bij zijn dood in niet zulk een
onbekrompen staat achterliet als zijn vrienden en kennissen
wel geloofden. Maar ik wilde dit bedrijf niet stop zetten
en daardoor vele trouwe ondergeschikten met hun gezinnen
hun middelen van bestaan ontnemen, te meer niet,
omdat dit aan de aristocratie van Wellminster de woorden
zou hebben ontlokt: „dat hebben we altijd wel gedacht 1”
Het zien van de grocte weelde van velen dezer adellijke
kennissen — Lady Bagstow, bijvoorbeeld, had prachtige
diamanten en hield ervan ze vol trots te toonen — deden
mijn vingers soms tintelen om hun oud handwerk weer
op te nemen. Doch dit was te gevaarlijk: ontdekking
zou noodlottig zijn geweest. Al was het mijzelf onverschillig geweest, dan moest ik toch denken om den
goeden naam van mijn overleden echtgenoot Diens eer,
dat zwoer ik, zou nimmer in gevaar worden gebracht.
Maar daar waren andere middelen, andere wegen. Het
noodlot, als men wil, hielp mij om een beslissing te nemen,
door mij toevallig te Londen in kennis te brengen met
niemand minder dan Ormesby Fox.
Ik moet u eerst het een en ander vertellen van dezen
|