Panorama

Blad 
 van 2380
Records 771 tot 775 van 11897
Nummer
1914, nr.22, 27 mei 1914
Blad
02
Tekst
P ONTRESINA (ENGADIN) ZOMER- EN WINTERSPORT. GRAND HOTEL KRONENHOF E N BELL AVISTA. Eersten Rans Zomer- en Winterverblijf. Prospectus gratis Intern. Verkeersbureau, Raadhuisstraat 16, Amsterdam. Telefoon 7827 en bij den Eigenaar LORENS GREDIG. ANDERM1TT “ ESWSK’SS; illlUlJllivlAl 11 Intern. Verkeersbureau, Amsterdam en Gottardstraat. Den Haag, of b(j den Eigen. A. Muller. Hoogluchtkuuroord „Brünig”. - (Beroer Oberland), Zwitserland. Grand Hotel en Kurhaus „Brünig" Spoorstation 1010 M. b/d Zee. 2 uur van Luzern en Interlaken. 160 bedden. Electr. licht. Centr. verwarming. Lift. Appartementen met Privaat, Bad en Toilet. Gunstig voor langer verbluf door talrijke loonende uitstapjes en bergtoeren. — Geïll. Prosp. door het Internationaal Verkeersbureau, Amsterdam en Den Haag. nin niDiDiiDp Löhr's Hotel en Pension. M küT“ llAil"nAfl/jllliniï Gr. schaduwr. park.Veranda.Balcon.Eleg. unu UnilUUUIlUi Vestib. Ned. AUtOmob.-club. Holl. Tehuis. nin H1D7DIIDP Hotel en Pension ïsctie. DfllI-nAnADltnU. ^-^-verw. nin mninimp Palast-Hotel Kaiserhof. Kh II-HA Kr KiIHIi m’ mod- comf. Wascht. m. w. enk. water. UnU liHlIuUUllUi Afgesl.won. m.badenW.C.Autogar.BRUMO SEYFFERT, vr. pachter v. h. Harzb. Kurh. 10.000 Kurgasten. Herrenalb. 400 M. bid Zee. Het Paradijs van het Noordelijk Schwarzwald. Hart- en Zenuwkuuroord. Zomerverblijf len Rang Uitgebreide dennenbosschen. Het beste bergklimaat. Sted. Kurhaus met alle moderne comf. Röntgen-Laboratorium. Dieet voor Hart-, Zenuw-, Stofwisselingzieken en Herstellenden. Het geheele jaar geopend. Med. leiding: Dr. QLITSCH. — Prosp. Kurverwaltung en Intern. Verkeersbur Amsterdam, Raadhuisstr. 16; Den Haag,Papestr 5 Luchtkuuroord i. d. Harz De Hotels „Zu den Roten Forellen” II OCUDIIDP «Prin ze ss Ilse” en Hotel-Pension „II- !Lni Nnllllll senstein”, bieden door voortreffelijke HJUuIiUUliUi ligging aangename Kuur- en Rustplaats. Weg met de Stopnaald! Draagt uitsluitend onze origineele, Amerikaansche Carl Freschi garantie-sokken en -kousen. Bij slijtage binnen zes maanden geven wij onvoorwaardelijk direct nieuwe sokken of kousen gratis. Wij hebben eene enorme sorteerins voor dames, heeren en kinderen. M. A. E. KALKER, AMSTERDAM, Kalverstraat 104—106. WaifUiaiin Piimo GraubWen-Zwikerland. W OlUllullo uiMnuuv I > urnv lllllö Bo8ch rj>e> |Meer ya>> i* enGebergte, Rang. Grand Hotel & Prospectussen: Intern. Verkeersbureau, Amsterdam—Den Haag. CAW’s VULPENHOUDER IS DE BESTE. Verkrijgbaar bij iederen Boekhandelaar, alle Perry-magazijnen en de Importeurs Blikman & Sarforius, Rokin 17, Amsterdam. CONCULATION, MEDITIE ET PSYCHISCH. Vraagt gratis prospectus, aangaande „Huidziekte" zooals Pukkels, Puistjes, Vlekken, Roode kleur, Schurft, Zweethanden, Zweetvoeten, Roos, etc. Sluit porto in Uw brief, en zonder verbinding verkrijgt U alle inlichtingen. Schrijven te richten 1 Raser, Huigenspark 46, Den Haas. PHILIPS SPIRAAL LAMP INTENS WIT LICHT KLEINE ELEGANTE MODELLEN (KOGELVORM) GELIJKMATIGE LICHTVERDEELING TERIHG KAN GENEZEN WORDEN TEN LAATSTE EEN BIDDEL GEVOOR ALLE AFWIJKINGEN van den NORMALEN HAARGROEI WENDE MEN ZICH TOT DEN HOFKAPPER JUSTMAN JACOB, ’S-GRAVENHAGE.. BROCHURE GRATIS CONSULT f 1.- VONDEN 01 TERING TE GENEZEN Iedereen kan eene goede gezondheid genieten. DERK P. YONKERMAN, de uitvinder der nieuwe geneeswijze voor Tering. Hoe merkwaardig hetook schijnt, na eeuwen van mislukking, is er een geneesmiddel ontdekt, dat Tuberculose,zelfsin vergevorderden staat, geneest. Geen mensch zal twijfelen, na de bewijzen van honderden genezen gevallen te hebben gelezen, waarbij zelfs, waar verandering van klimaat en alle andere middelen zonder baat aangewend en welke hopeloos genoemd waren. Dit nieuwe geneesmiddel heeft eveneens zijne zekere en spoedige genezing getoond bij Catarh, Bronchitis, Asthma, en verschillende ernstige keel- en longkwalen. Opdat ieder die het noodig heeft, dit wondervolle product der wetenschap zal beproeven, is er een Maatschappij opgericht om het de wereld aan te bieden en Dr. Yonkerman’s boek over TERING EN HARE BEHANDELING,wordteenieder die er om schrijft aan Derk P. Yonkerman Co , Ltd , No. 587, Hollandsche Afdeeling 6, Bouverie Street, London, Engeland, franco per keerende post toegezonden. Geen geld wordt gevraagd; noemt slechts dit Weekblad en schrijft om het boek, tl ONTVANGT NET GRATIS! Wacht niet, zoo u eenig symptoom van Tering bemerkt of indien u Chronische Catarh, Bronchitis, Asthma, pijn in de borst, kou op de longen of eenige keel- of longaandoening hebt. Schrijft nog heden om het boek, wat u in staat stelt om uzelf te genezen voor het te laat is. 1/2 FLESCH »Wincarnis* is een versterend middel, dat Bloed geeft en de Zenuwen staak. Deze goede eigenschappen rijn vereenigd in één zuiveren, heerlijken drank Als geneesmiddel wekt het op en geeft kracht aan het geheele lichaam, wanneer men uitgeput is Als Zenu w versterker voedt net de uitgeputte zenuwen Wilt U ..Wincarnis probeeren ? Wilt U profiteeren van eene goede gézondheid? Wincarnis ts verkrijgbaar bij alle Apothekers en Drogisten Wilt U vandaag nog één flesch probeeren? Kom U zult volkomen beter worden. 1/1 FLESCH i rden Wanneer men »Win earnis* neemt, krijgt men dadelijk viervoudig de verloren krachten terug »Wincarnis* geeft frissche kracht, frisschen moed, gezond bloed, en sterke zenuwen aan duizenden lijders. En* dat is d waarom 10 000 Doctore» het aanbevelen 1 .IK GEVOEL MIJ ZOO ZWAK EN ZIEK. DAT HET LEVEN MIJ ONORAGELIJK WOODT TER KOM WEES OPGE RUIMO' NEEM OiT GLAS WINCARNIS HET SPOEDIG PRtSSCHE KRACHT EN LEVENSLUST GEVEN Generaal-Vertegenwoordiger voor Nederland: N.V.v/h. HENRI SAN DE RS,Heerengracht 22,Amsterdam Depothouder: HENRI SANDERS, Apotheker, Rokin 8, AMSTERDAM.
PDF
Nummer
1914, nr.22, 27 mei 1914
Blad
03
Tekst
'1 GEÏLLUSTREERD O *”*o~" WEEKBLAD __o__ 9 ,o. ,o. 'o' L WWW HET STADDON TE AMSTERDAM WWW JOHN COUCKE. (foto Bern, F. Eilers) AT hebben we er verlangend naai uitgezien! En nu is het er! Hoe vaak hebben we niet gesputterd over de ellendige toestanden bij internationale of andere belangrijke ontmoetingen: dat we tot onze enkels door de modder konden baggeren om naar huis te komen of gedrongen ais haringen in ’n vaatje ons door nauwe uitgangen konden wringen om den grooten weg te bereiken, om vervolgens, als een kleverige massa in het stoomtrammetje uit de Meer saamgepakt, lichtelijk murw te Amsterdam te belanden. Als we dan ook internationale elftallen over kregen, ging het gewoonlijk als bij een van m’n kennissen, die niet zéér rijk behuisd is en op ’n kaal houten trap wonend, de gewoonte heeft zich bij eventueele gasten te excuseeren met het gezegde: „Neem me niet kwalijk, zèg, die kale trap, maar nèt gisteren zijn de loopers opgenomen”. Zoo moesten wij, gastheeren, ons wel excuseeren als bij ontmoetingen de kleedkamers lekten, of er ’n tribune in elkaar ging, of wel als je je duurste plaatsen bezet zag, door den in kruip-door-sluip-door het best getrainden toeschouwer. Hoe ’t dan ook wel moest, bij een ernstige sollicitatie naar de eer, de Olympische spelen óók tusschen onze muren te mogen houden, dat was niet te bevatten. Wie zich even op ’n affiche het opschrift ,,Olympische spelen in de Watergraafsmeer” indenkt, krijgt daar alleen al buikpijn van, ook zonder natte- of slijkvoeten te halen! Nu is het een feit, we hebben het vaak gezien, dat spontaan slechts de dingen tot stand komen, die werkelijk rijp zijn voor den tijd, waarin we leven en voor de omstandigheden van de plaats, waar ze moeten worden tot stand gebracht. En daarom is het een verheugend verschijnsel, dat, waar in 1912 (het jaar van de Olympische spelen te Stockholm) de eerste schrede op het pad der overwinning gezet werd, doordat de gemeente Amsterdam aan de toen opgerichte Maatschappij „Het Nederlandsch Sportpark” de beschikking gaf over pl. 9 H.A. grond, we thans in het begin van 1914 de oflicieele opening kunnen aanschouwen van ’n Sportpark, dat in ontwerp, aanleg, uitwerking niet voor het buitenland behoeft onder te doen, en geheel is voortgekomen uit eigen initiatief en door eigen krachten! De oorspronkelijke gedachte was een vereeniging te stichten en door contributie en giften een en ander voor elkaar te krijgen. Dat was de Vereeniging „Amsterdamsch Sportterrein” en ze was voortgekomen uit de noodzakelijkheid de bij ons zoo bloeiende voetbalsport een waardig home te geven, waar zonder gevaar voor de euvelen bovengenoemd, groote wedstrijden konden plaats hebben. Daar moesten dan tegelijkertijd ook Athletiek-wedstrijden kunnen plaats hebben, teneinde een en ander rendeerend te maken. De heer John Coucke, hart en ziel van de beweging en thans volijverig Secretaris van de daaruit voortgekomen Mij. „Het Nederlandsch Sportpark”, heeft mij een en ander verteld. U kent natuurlijk den heer John Coucke, den Sportredacteur van het dagblad „De Telegraaf” en den man, die, waar het er op aan komt de balans ergens ten voordeele van een of ander sportief ondernemen te doen overslaan, niet aarzelt heel zijn gewicht ten gunste daarvan in de schaal te leggen. En dat gewicht is vrij aanzienlijk; vandaar dat dan ook geen ondernemen geslaagd kan heeten, zonder zijn krachtdadige medewerking. Op z’n bureau hebben we toen samen ’n beetje gepraat. Het was den heer C. J.lK. van Aalst, die zeer vóór het plan ingenomen, ons den eerst ingeslagen weg afraadde en ons zijn steun en medewerking toezei, mits C. J. K. VAN AALST. (foto Wegner & Matta). er een Naamlooze Vennootschap van gemaakt werd. Daartoe moest een beraming worden gemaakt van het benoodigde kapitaal en die kwam op 3 ton. In Maart 1912 waren, dank zij mede den steun van vele steunpilaren van den Amsterdamschen handelen van de Sportbonden, de gelden bijeen en kon men met de plannen zee-in, zelfs was nog méér geld beschikbaar, maar hoewel later gebleken is, dat er meer noodig was, werd toen een beginkapitaal van méér dan drie ton niet gewenscht, en moesten zelfs bijdragen geweigerd worden. Verder vertelde hij, hoe eerst plannen waren gevraagd bij verschillende architecten, maar hoe ten slotte toch besloten werd ’n prijsvraag uit te schrijven. In de Jury daarvoor zaten de heeren Berlage, Posthumus Meyes, Leliman, en voor het sportieve gedeelte de heeren Baron van Tuyll van Serooskerken, de voorzitter van het Olympisch Comité en Jasper Warner, voorzitter van den N. V. B. Onder de drie en twintig ingekomen prijsvragen werd het ontwerp van „Bernardus” aangenomen, en dit bleek te zijn van den heer Harry Elte, die ook reeds behoorde tot hen, tot wie de Raad van Beheer zich vroeger reeds had gewend. De heer Elte is toen metï; den heer Coucke samen eens ’n kijkje in Engeland gaan nemen. De stadions van Stockholm en Berlijn waren hun bekend en uit dit gezamenlijk pogen is het thans bestaande Stadion verrezen. Thans woont het aan den Amstelveenschen weg en wie ’n weinig thuis is in deze buurt — ik zeg dit zonder eenige bijbedoeling — kent het forsche en krachtig opgezette bouwwerk, welks vier groote hoektorens, als die van ’n burcht van weleer, waken over de rust van dit sportmonument. De grootte ervan, welke die van het Berlijnsche stadion evenaart en die van Stockholm overtreft, beslaat 3 H.A. Het rust op 2800 palen, zoodat er geen vrees bestaat, dat je er natte voeten haalt. Door een der groote poorten binnentredend, ligt vreedzaam bet vlakke, groene grasveld te midden der amphitheaters. Rechts in de lengte ligt ’n overdekte tribune, waarin 30 loges en 4000 zitplaatsen waarvan de onderste zich op 2 M. 75 van den grond bevinden. Er tegenover een onoverdekte met 4500 zitplaatsen. In de breedte zijn de staanplaatsen, voor ongeveer 8000 personen plaats biedend. Als men weet, dat bij de laatste wedstrijden een 22.000 toeschouwers aanwezig waren, dan kan men zich aan de hand der foto’s een klein idee vormen van de „duizendenkoppige menigte”. Onder de overdekte tribune zijn de kantoren der Maatschappij, de kleedlokalen met douches voor de spelers, en alles wat daarbij maar eenigszins tot hun comfort dienen kan. Ook is er — en wij brengen hulde — een werklokaal voor de pers met telefonische en zelfs — on fait cequ’on peut! — telegrafische verbinding. Een overdekte wandelgang van zestig meter lengte bevindt zich ervoor. De trappen, die toegang geven tot de tribunes, zijn aan de achterzijde aangebracht, terwijl zich onder aan iedere trap de ververschingslokalen en toiletten bevinden. Alles op flinke, ruime schaal en van goed licht en aangenaam aandoende versieringen voorzien. Deze ietwat droge opsomming is wel noodig om ’n idee te geven van het werkelijk grootsch bouwwerk. Wandelend echter op den begrinden weg rond het veld, onder de hooge muren en de oprijzende torens door, geeft dit moderne veld den indruk van kracht, en gedegenheid, van ruimte, licht en vrijheid, die voor ’n sportterrein noodig is. Zoo ergens, moet hier de gedachte in de eerste plaats gericht zijn op een gezond en krachtig voortbouwen op stevige basis, tot welk pogen hier wordt opgewekt. Achter het oostelijk amphitheater zijn verder de 8 HARRY ELTE. (foto Jac, Vetter).
PDF
Nummer
1914, nr.22, 27 mei 1914
Blad
04
Tekst
EEN PAAR OVERZICHTEN VAN HET THANS VOLTOOIDE STADION. Bern. f. Eiiers). tennisbanen, van gravel vervaardigd er die ’n oppervlakte hebben van 6000 M2, is er ’n Hockey en Cricketterrein van 150 bij 110 M. een springveld voor paarden, eenige korfbal- en voetbalvelden, en ten slotte een gedeelte, dat kosteloos aan volksvereenigingen ter beschikking komt, om ieder op haar beurt daarvan Zondags te kunnen profiteeren. Zoo is dan, met veler handen harden arbeid in Holland ’t werk gereed gekomen, dat de Hollandsche sport ten zegen zal kunnen zijn. Het Stadion aan den Amstelveenschen weg, het zij voor de Hollandsche sport haar „home and her castle” tevens. Als eenmaal de banieren van het Olympisch Comité van haar torens waaien zullen, dat dan zal mogen blijken dat het Amsterdamsche Stadion niet alleen een fraai sportmonument is, maar dat tevens daarbuiten de Hollandsche prestaties dit monument waardig zullen zijn, dat de victorie er bevochten zal worden, nog menigmaal, en dat de rechtvaardige trots op ons Amsterdamsche Stadion nog overtroffen zal worden door dien op onze Hollandsche sportslui! Dat hopen en dat wenschen wij! TOM SCH1LPEROORT. I ©e tlniversiteits-roeiwedstrijden op de Z>weth Hierboven een viertal foto’s van de roeiwedstrijden die op Hemelvaartsdag op de Zweth zijn gehouden. Links boven: de enorm sterke Laga-acht, die alle ploegen met stukken sloeg; rechts boven : de acht van Laga gaat met grooten voorsprong als eerste voorbij de tribune. Links onder: Een kiekje van het gezellige wedstrijdterrein, waar het ditmaal enorm druk was (foto s Jonker & Zoon). Rechts onder: De bekranste oude vier van Laga, winnaars van het hoofdnummer, (foto Haagsch 111. bureau).
PDF
Nummer
1914, nr.22, 27 mei 1914
Blad
05
Tekst
Het Deensche "Koningspaar in België en Holland, De Koning en de Koningin van België vergezeld van hun Deensche gasten. W. C. ROTHE, de vergezellende hofmaarschalk. Het bezoek aan Amsterdam, Zoo heeft nu ook Holland de eer genoten den Deenschen Koning en Koningin gastvrijheid te verleenen en zeker zullen de hooge gasten niet klagen over de ontvangst. Werden zij in Londen, Parijs en Brussel hartelijk toegejuicht, in Amsterdam was dit zeker niet minder het geval. Overal waar de Koninklijke familie langs reed stonden de menschen schouder aan schouder en ging er een luid gejuich op. De gemeente Amsterdam bood s avonds een gala-voorstelling aan in den Stadsschouwburg, waar o.a. drie tableaux-vivants zijn gegeven, van Deensche en Hollandsche gebeurtenissen, van welke tableaux wij foto s op pagina 13 van dit nummer geven. Hoewel, naar wordt beweerd, aan de reis van het Deensche Koningspaar geen politieke beteekenis moet worden gegeven, zijn de hooge* gasten toch vergezeld van den Deenschen minister van Buiten!. zaken Erik Scavenius, wiens portret wij hierbij geven. In ons volgend nummer hopen wij nog eenige foto’s te geven van het bezoek aan Rotterdam en s-Gravenhage. B. ERIK SCAVENIUS, de vergezellende min. van Buitenl. Zaken. H.M. Koningin Wilhelmina met Koning Christiaan X van Denemarken, bij de aankomst te Amsterdam.
PDF
Nummer
1914, nr.22, 27 mei 1914
Blad
06
Tekst
ösher Surrey, Scheveningen, I N de kunstzalen der N.V. kunsthandel Esher Surrey aan de Helmstraat zijn een dertigtal zeer goede werken te zien van G. Morgenstjerne Munthe. Deze schilder, in 1875 te Dusseldorf geboren, waar hij zijn opleiding aan de Academie aldaar ontving, stelt hier uitsluitend werken uit zijn laatsten tijd ten toon, waarvan wij niet anders dan een grooten vooruitgang kunnen constateeren. Vroeger was de kleur zijner schilderijen minder vast en bezonken, terwijl men nu bij Esher Surrey zeer vlot en waardevol werk van dezen bijzonderen teekenaar ziet. Munthe legt in al zijn stukken eene persoonlijke opvatting, zoodat men zij.i werk, alhoewel hij zijne onderwerpen ontleent aan de zee, direct van dat van andere zeeschilders kan onderscheiden. Het is juist Munthe die in al zijn werk zoo’n heerlijke stemming kan leggen. Men voelt oogenblikkelijk bij het aanschouwen van zijne schilderijen het voorjaar, den zomer of het najaar. Er zijn hier zee- en strandgezichten van parelmoerachtigen glans, zooals b.v. no. 17 „Schelpenkar in voorjaarsstemming”, terwijl deze worden afgewisseld door woeste, stormachtige zeeën, met kolossale actie; zie no. 1 „Winderig weer”. Wij stippen nog speciaal aan no. 23 „Aankomst van een schuit”, een zeer vlot geschilderde studie van mooie compositie en kleur. No. 4 „Zonsondergang”; welk een eindelooze ruimte is hierin uitgedrukt! No. 6 „Aankomst”, no. 9 „Proviandeering”; no*. 11 „Thuiskomst”, no. 12 „Ebbe”, een alleraardigst klein schilderijtje, en ten slotte de zoo goed gewasschen aquarellen n<>s. 26 en 27. Reeds verscheidene der hier aanwezige stukken prijken met het woord „verkocht”, hetgeen wij ook zeer goed kunnen begrijpen. Men kan van dezen schilder nog veel verwachten. Het loont dan ook in alle opzichten de moeite Esher Surrey te bezoeken, waar men buiten genoemde tentoonstelling nog een aantal goede werken van verschillende andere meesters kan bezichtigen. GRETA N, [E^vRouwELi^insÈNELUHNs^^EEs K liep weg uit zuivere vervelingen het amuseert mij nu nog als ik er aan denk, dat verschillende adellijke families in Wellminster er voor verantwoordelijk worden gesteld. Het verwondert mij steeds hoe het mogelijk is, dat een groot deel van ons volk huichelarij, en schijnheiligheid als nationale deugden schijnen te beschouwen. Ik heb hier hoofdzakelijk het oog op de bevolking van Wellminster (waar ik het ongeluk had de laatste vijf jaren mijn leven te slijten); hoe het ergens anders is, weet ik niet. Dèar bestaat het eene deel uit volleerde bedriegers, de andere helft is te onnoozel en onschuldig voor deze slechte wereld. Het zijn zeer geachte steunpilaren der maatschappij, strijders in dienst der gerechtigheid en liefdadigheid, of beweren dit ten minste te zijn. In werkelijkheid vieren echter wangunst, haat en vijandschap, zich uitende in lasterlijke kletspraat hoogtij in Wellminster. Gewoonlijk vindt men dit bij menschen, die met hun deugden en goede werken te koop loopen. Hoe ik dit alles vijf jaren lang verdragen heb, is meer dan ik zeggen kan. Het verbaast mij nog steeds dat het mij mogelijk is geweest mijzelve in te houden en mijn kennissen niet hun huichelachtigheid in het gezicht te slingeren. O, er zijn tijden geweest, dat ik het wel had kunnen uitschreeuwen, en iederen cent dien ik bezat had willen geven om aan Lady Bagstow te zeggen, hoe ik werkelijk over haar dacht. Ik herinner me hoe, eens op een Kerstdag — het sneeuwde hard — zij en haar echtgenoot twee arme, hongerende oude schepsels wegjoeg. „Onverstandige liefdadigheid is een groote fout, lieve I” zei ze regen mij. Een dag later beroemde ze er zich op dat ze duizend gulden gegeven had voor een missie naar de binnenlanden van Afrika. Dat de beide oude stumperds dien dag gevonden waren, gestorven van kou en gebrek, dót bezwaarde blijkbaar hun geweten niet. Het eenige wat ze onaangenaam vonden was, dat de menschen gevonden waren in een oude schuur op hun eigen grond. Ik vermeld dit geval, omdat de Bagstows beschouwd worden als de leiders der plaatselijke liefdadigheid en geëerd worden als toonbeelden van Christelijke liefde en edelmoedigheid. Maar ik heb ze op mijn lijst staan en ik zal ze een lesje geven in liefdadigheid, zoodra ik er de gelegenheid toe vind. Doch laat ik van mijzelve vertellen en van wat ik wil noemen, mijn „vlucht”. De naam, waaronder ik bij het voorname publiek in Wellminster bekend ben, is Griselda Felton, en dit is mijn werkelijke naam; want ik was vier en een half jaar de vrouw van Hugh Felton, een van de beste en liefste menschen, ondanks de omstandigheden hem noodzaakten in Wellminster te wonen. U moet weten, hij had daar een landgoed, Drave Hall, geërfd, een mooi buiten, en wijl hij geld genoeg had, was hij instaat zijn liefhebberij te volgen, namelijk wetenschappelijke landbouwcultuur. Hij deed dit niet voor eigen voordeel, maar in het belang van zijn ondergeschikten en pachters. Het was een goed werk, maar het werd door de andere grondbezitters met scheele oogen aangezien. Hugh werkte zelf als een daglooner hard mee en dat vonden de anderen vernederend voor een edelman. Daardoor waren we weinig populair bij onze kennissen, hoewel ze schijnbaar heel lief tegen ons waren. De Feltons waren namelijk van zeer ouden landadel en dwongen daardoor meer respect af dan bijv, de Bagstows, die hoewel rijker, een twijfelachtigen stamboom hadden. Hugh bezat bovendien een grooten familietrots. Er was niets wat hij meer vreesde, dan een smet op zijn naam. Daarom moet ik zeer voorzichtig zijn, hoewel ik eigenlijk geen vrees behoef te koesteren, want al werd ik bekend in mijn tegenwoordige leefwijze, dan zou toch niemand in Griselda Keene, de kasteleines van het landgoed Drave Hall, Griselda Felton, herkend hebben. Ik heb alle mogelijke voorzorgen genomen en ben van de macht van mijn persoonlijkheid volkomen overtuigd. Mijn meisjesnaam is Keene. Mijn vader, ik zal het maar eerlijk bekennen, was een handige dief en een der voornaamste leden van een internationale bende van oplichters. Hij was van geboorte een edelman, en ik erfde alle adellijke eigenschappen, gelukkig, want door opvoeding zou ik ze niet gekregen hebben. Over mijn moeder zal ik maar zwijgen, dit is ’t best; ze stierf voor ik haar goed kende. Van mijn vroegste jeugd af werd ik bestemd mijn vaders voetstappen te volgen en daarvoor afgericht. Ik toonde mij een ijverig leerlinge. Als kind was ik reeds zeer scherpzinnig en handelde vaak op eigen verantwoording. Ik had dan ook toen reeds een goeden naam, bij ónze kennissen, wel te verstaan. Ik zou werkelijk met genoegen verschillende avonturen uit mijn jeugd willen meedeelen en ... misschien doe ik dit nog wel eens als ik er tijd en gelegenheid voor vinden kan. Toen ik wat ouder werd, toonde ik mij bijzonder bekwaam in het vermommen. Ik had al het talent hierin van een volleerde actrice, om nog niet te spreken van de gave van nabootsen, die ik meermalen met succes toepaste. Mijn vader was trotsch op mij en behandelde mij zoo goed hij kon. Ik moet voorts nog vermelden, ter wille van de waar heid en zonder de minste ijdelheid, dat ik zeer bekoorlijk was en nog ben. Lief is misschien het juiste woord. Een onschuldig gezichtje. Dit is misschien een mijner grootste voordeelen. Ik zie er zoo beminnelijk en onschuldig uit, dat men mij, zooals de Franschen zeggen, vergiffenis zou schenken, voordat ik bekend had. Men zal misschien wat meer omtrent mijn uiterlijk willen weten, denk er evenwel om, dat ik Griselda Felton beschrijf en niet Griselda Keene. Nu ik een dubbel leven leid, is het noodzakelijk dat er zoo weinig mogelijk ge lijkenis bestaat tusschen deze twee, zoodat de eene niet voor de andere kan worden aangezien. Ik ben bekwaam genoeg dit te bewerkstelligen. . Toen ik Hugh trouwde, had ik een zacht, verstandig gelaat, ik was van middelmatige grootte en goed geproportionneerd. Ik had een massa glanzend blond haar, dat ik natuurlijk bijzonder goed wist op te maken. Als me vrouw Felton droeg ik het eenvoudig; een soort van concessie aan den stijven toon, die er te Wellminster heerschte. Mijn gelaatskleur was zeer blank zonder een zweem van sproeten, die gewoonlijk met een blanke huid en licht haar vergezeld gaan. Wat mijn oogen betreft, niemand was in staat te zeggen welke kleur ze hadden. Ze waren grijs en blauw en groen naar de kleur van het licht, waarin men ze zag. Het zal ieder duidelijk zijn hoe goed mijn gelaat zich leende voor vermomming. Licht haar en een blanke huid kunnen gemakkelijk donker gekleurd worden; voorts oogen die geen bepaalde kleur hadden; geen enkel opvallend kenteeken, of het moesten de wenkbrauwen zijn, die eigenaardig gebogen waren; maar deze konden gemakkelijk veranderd worden. Voeg hier nu nog bij een ietwat droomerige, engelachtig onschuldige gelaatsuitdrukking en ge hebt eenigszins een beeld van mij uit den tijd toen Hugh mij leerde kennen. Als Hugh’s vrouw heb ik steeds dit onschuldig uiterlijk behouden, deels omdat dit mijn werkelijke natuur is en deels misschien omdat ik vaag vermoedde, dat er een tijd zou komen, waarin ik mijn voorkomen geheel zou moeten wijzigen. Er is niets dat een mensch zoo verandert als zijn uiterlijk. Als Griselda Keene zie ik er uit als een kleine duivelin; ’t doet mij lachen als ik mijzelve in den spiegel zie. Het is niet noodig u te vertellen hoe ik met Hugh trouwde. Laat mij alleen zeggen dat ik hiertoe genoodzaakt was om mijn vader en mijzelf voor gebrek te behoeden. Ik was toen eenentwintig jaar oud. Hugh wist niets omtrent mij. Hij had kennis met mij gemaakt op een buitenlandsche badplaats en was tot over zijn ooren op mij verliefd geworden. Ik moet bekennen, dat ik hem bedroog door hem te doen gelooven, dat ik zoo onschuldig was als ik er uitzag. Ik beminde hem in ’t geheel niet in dien tijd. Ik was een klein harteloos ding en offerde hem op aan mijn eigen behoeften. Doch voor we zes maanden getrouwd waren, bad ik er spijt van, want toen kreeg ik hem lief; ik kon er niets aan doen: hij was zoo goed en nobel. Mijn vader stierf spoedig nadat ik gehuwd was, er was dus geen enkele reden meer om anders dan respectabel te leven. Het was nu ook niet noodig een woord over mijn verleden te zeggen; niemand wantrouwde mij. Toch deed ik het. Ik vertelde Hugh alles; ik kon het niet verdragen eenig geheim voor hem te hebben. En hij beoordeelde het alles zeer edel. Het eenige wat hij mij beslist afvroeg was, of ik al eens een anderen man bemind had. Dat was echter niet het geval, dat kon ik hem bezweren. Ik ben niet van dat soort. Welnu, hij nam mij mede naar Wellminster en ik schikte mij hierin om zijnentwil. Was hij niet plotseling gestorven door een ongeluk tijdens de jacht, dan zou ik hier wellicht mijn geheele leven hebben doorgebracht. Na zijn dood kreeg echter mijn onrustige geest weder de overhand. De bekrompen atmosfeer in de kringen van Wellminster en het eentonige leven prikkelde mijn zenuwen en ik verlangde vurig naar eenige afleiding wat het ook wezen mocht. Er was nog iets anders: er was geld noodig, wilde het landbouwbedrijf op dezelfde wijze worden voortgezet als toen Hugh nog leefde. Hij had hiervoor zooveel kapitaal gebruikt, dat hij mij bij zijn dood in niet zulk een onbekrompen staat achterliet als zijn vrienden en kennissen wel geloofden. Maar ik wilde dit bedrijf niet stop zetten en daardoor vele trouwe ondergeschikten met hun gezinnen hun middelen van bestaan ontnemen, te meer niet, omdat dit aan de aristocratie van Wellminster de woorden zou hebben ontlokt: „dat hebben we altijd wel gedacht 1” Het zien van de grocte weelde van velen dezer adellijke kennissen — Lady Bagstow, bijvoorbeeld, had prachtige diamanten en hield ervan ze vol trots te toonen — deden mijn vingers soms tintelen om hun oud handwerk weer op te nemen. Doch dit was te gevaarlijk: ontdekking zou noodlottig zijn geweest. Al was het mijzelf onverschillig geweest, dan moest ik toch denken om den goeden naam van mijn overleden echtgenoot Diens eer, dat zwoer ik, zou nimmer in gevaar worden gebracht. Maar daar waren andere middelen, andere wegen. Het noodlot, als men wil, hielp mij om een beslissing te nemen, door mij toevallig te Londen in kennis te brengen met niemand minder dan Ormesby Fox. Ik moet u eerst het een en ander vertellen van dezen
PDF
Blad 
 van 2380
Records 771 tot 775 van 11897