|
VIJF MILLIOEN VOOR LEIDEN
Plan voor de stichting van Ziekenhuis-inrichtingen, ten behoeve der Rijks-Universiteit te Leiden.
£3
3
AAN DEN RAND
VAN DEN AFGROND
DOOR FRANK H. SHAW (Vervolg).
IJNHEER Baker! Wat doet u daar?” Het
was Bessie. Zij had de gebogen gestalte gezien
!en de reuk van opium herkend.
„O! hoe schandelijk vanu!” Innigveronti waardigd snelde zij haastig toe en toen hij zijn
gelaat naar haar toekeerde, rukte zij hem het
fieschje uit de hand. Het viel met een slag op den grond in
stukken. Baker wierp zich op zijn knieën en likte gulzigalles,
wat overgebleven was van het vocht, van de planken.
III.
„Ik zei je al, dat het niet zou gaan, meisje; hij is te
ver weg, om nu nog te kunnen veranderen. Hij ligt daar
te slapen als een varken, zoo bedwelmd is bij — we
kunnen onze pogingen nu wel staken.”
„Nog niet, Jack; we zullen het tot zeventig keer toe
probeeren, als dat noodig is. Er is iets goeds in hem; dat
hebben we toch ondervonden?” Vanuit de aangrenzende
hut hoorde men de diepe, zware ademhaling van den bedwelmden man, „Hij bad berouw; gisteren nog vertelde
hij mij, hoe hij hoopte, nog iets goeds te kunnen uitrichten
in zijn leven.”
„Zijn berouw is niet veel waard, kindje. Het zou het
beste voor hem zijn, als hij overboord sprong en een einde
maakte aan zijn leven.”
„Wij hadden eraan moeten denken; wij hadden de
verleiding buiten zijn bereik moeten houden. Hij was zwak,
vermoeid — niet in staat er zich tegen te verzetten. Maar
wij zijn nog sterk, Jack ; laten wij den moed niet laten
zinken.”
Maxwell bleef stil luisteren naar de ademhaling vanuit
de aangrenzende hut. Eindelijk zei hij een weinig onvriendelijk :
„Je dacht, dat die man zich uit louter dankbaarheid
goed zou houden. Wel, hij wist, dat jij er om gaf, of hij den
goeden of den slechten weg ging en dat had hem genoeg
moeten zijn. De man is door en door slecht, er is geen greintje
goeds meer in hem.”
HOOFDINGANG VAN HET OUDE ZIEKENAUIS.
Bij het plan voor het nieuwe ziekenhuis leek het ons niet
onaardig ook een foto te geven van het tegenwoordige
gebouwen-complex. Onze foto werd genomen juist bij
den aanvang van het bezoekuur.
Maar Bessie gaf alle hoop nog niet op. Zij had de medicijnkist al opgezocht en er het andere fieschje landanum
uitgenomen, dat zij zorgvuldig opborg. Zij was bitter
teleurgesteld; zij had gehoopt deze verloren ziel te redden
en iedere andere vrouw zou den moed al opgegeven hebben.
Maar de zee had haar geleerd, dat er geen strijd is die geheel
hopeloos is; zelfs al heeft hij geen bepaald resultaat, men
heeft toch altijd de voldoening, dat men gedaan beeft,
wat gedaan kon worden.
Twee dagen later kwam Baker weer uit zijn hut, ongesteld, mager, bevende en zeer zwak. Er was niemand in
de kajuit en hij stapte met onzekere schreden naar de medicijnkist. Terwijl hij het deksel oplichtte, verscheen Bessie;
hij schrok, klapte bet deksel weer dicht en keek haar bijna
uitdagend aan.
„Wel, wat is er ?” antwoordde hij op de droevige vraag
in haar oogen. „Ge ziet, dat gij U hebt vergist; ik ben
niet waard, dat gij moeite doet om mij te redden.”
„Ja, dat is u wel. Ik geloof in u ; ik weet, dat u den strijd
zult voortzetten. O, om Gods wil, mijnheer Baker, toon
u een man. Denk er aan, dat ik vertrouwen in u stel. Ik
ben een vrouw en heb misschien meer inzicht dan een
man; misschien kan ik de heldere diepte van uw hart
peilen door al uw slechte eigenschappen heen.” Hij schudde
treurig het hoofd.
„Ik ben verloren — hopeloos verloren; u verspilt uw
tijd. Wat is dat?” Er werden plotseling voetstappen
op het dek boven gehoord : een angstige kreet van „Brand !”
De scheepsklok werd geluid. De man volgde het meisje
naar het dek. De storm woedde nog steeds, hoewel niet
zoo hevig meer ; het schip dreunde en stootte nog verschrikkelijk. Men rook een eigenaardige lucht; en vooruitziende,
kon men rookwolkjes zien opstijgen aan den voorsteven.
De stuurman keek heel angstig.
„Er is brand in het voorschip, mijnheer,” zei hij. „Het
schijnt flink te branden bij de lading.”
„Zet alle mannen aan ’t werk bij de pompen. Hak een
gat in het luik ; er valt geen tijd te verliezen.”
De stuurman ging weer naar het voorschip en gedurende
een uur hoorde men op het achterschip de geluiden van
het pompen.
„Is er gevaar, Jack?” De kapitein schudde het hoofd.
Hij had nauwelijks de tegenwoordigheid van Baker op
het dek opgemerkt. Deze verborg zich, omdat hij bang
was, om den minachtenden blik in de oogen van den kapitein
te ontmoeten.
„Ik hoop van niet. Troster zou het mij gezegd hebben,
als het ernstig was. God zal ons bijstaan, kind, als het
gevaarlijk is. Wij hebben geen booten en een vlot zou
ons niet kunnen redden met dit weer.”
Weer volgde een tijd van wachten en de angst nam
toe. Nu en dan rook men op ’t achterschip de brandlucht;
eens, toen Maxwell scherp naar den voorkant keek, meende
hij een opflikkerend vlammetje te zien. (Wordt vervolgd).
|