|
Qrtis Ontwaaktl
©oor “Tom Schüperoort.
K heb een vaag besef, dat er niet veel
menschen zijn, die zich, als ze iederen
middag hun wandelingetje in Artis gaan
maken, precies rekenschap geven van
wat ze daar eigenlijk allemaal te zien
krijgen, en wat een schitterend veld voor
leering en nut, maar bovenal voor levende
schoonheid en levensleer, hier voor hen
ter bestudeering is opengelegd. Of is het niet verbazend te
bedenken, dat in deze naar den aard betrekkelijk kleine
ruimte zoo’n beetje de fauna van den heelen aardbol vertegenwoordigd is? Dat in dit klein bestek de bevolking
der Drentsche of Geldersche hei er hun vertegenwoordigers tellen, dat de Europeesche wouden, de poesta’s van
Hongarije, de vlakten van Rusland, de regionen der Alpen
en die der Poolstreken, vervolgens de woestijnen van Nubië
en Azië, de wouden van Afrika, van Amerika, de Indische
zoowel als de Japansche er door hunne bewoners vertegenwoordigd zijn?
Ik geloof nu juist niet, dat het die vertegenwoordigers
een bijzonder genoegen is, in Amsterdam te logeeren, en
ik betwijfel of er vele opgewekte correspondenties naar
hun land zouden worden gezonden, indien zij in staat
waren te verhalen, wat ze zoo al ondervonden, nu ze;
om zoo te zeggen „gemeubileerd in Amsterdam” wonen;
ik denk, hoe tevreden of ze ook met hun hospita, in
casu: ,,Artis Natura Magistra”, zijn, ze toch over hun
logement weinig te spreken zouden wezen als ze daarbij
hun schitterende wouden of vlakten of woestijnen vergeleken, waarin ze gewoon waren gehuisvest te zijn. Ik
zie den leeuw al met dat air de dédan, waarmede hij
gewoon is, over de bij-zijn-grootheid-wat-beduusd-staandetoeschouwers heen te zien, z’n haat in breede klauwletters uiten, schrijvend aan z’n verren neef, die nu in zijn
plaats de schrik der woestijn geworden is, over dat gekrioel der stumpers voor zijn kooi, en met wat melancholie zich uiten over het feit, dat zelfs z’n gebrul geen
vlieg meer wegjaagt. Er moet wat sarcasme in zijn bepeinzingen zijn, als hij daarbij denkt aan de stamnegers,
die al draafden, als ze in de verte z’n staart zwiepen
zagen, en die thans met bruine schoenen en lichte grijze
pakken aan met hem converseeren komen, als hadden ze
elkaar op school intiem gekend. Nu stapt de arme kerel
in z’n kooi van 10 M2. rond, uitziend over het grasveld.
Soms staat hij even stil en tuurt starend naar een punt
in de verte, als zag-ie daar ’n tipje woestijn; hij kan
turen, als geloofde hij zijne bevrijding naderen. Dat
denkt-ie vaak, maar telkens is het mis en dan, alleen
even met z'n oogen knippend, om z’n teleurstelling te
verbergen, te trotsch om iets van z’n smart te laten
vermoeden, aan het hem aanstarende menschdom,
zet hij de wandeling in z’n kooi weer voort, stap voor
stap, van wand tot wand, als ’n koninklijke gevangene,
stappend langs de ijzeren tralies, of vlijt hij zich neer in
’n hoek, de kop gekeerd naar buiten, waar de Noordelijke
zon hem even aan die der tropen doet denken, en slaapt
hij in, droomend van goudgele woestijnen en azuurblauwe hemels, met fel-groene palmen en ’n koninklijke
prooi ..
Hij is van z’n collega’s in de galerij, de meer driftige
en haatdragende tijgers, poema’s, jaguars en panters,
EEN BRUTALE ZEEMEEUW.
DE PRACHTIGE LEEUWIN.
die nog steeds het snel-opbruisende zuidelijk bloed moeilijker
bedwingen en sneller uitvallen bij iedere poging van de
menschen, hen dichter dan het ijzeren hek veroorlooft te
naderen, degene, die zijn lot het waardigst draagt. Den
anderen is hun aard te machtig, ze zijn verstoord en
kortaangebonden, heftig, en vaak elkaar hatelijk gezind;
dan davert hun schor gebrul door de hallen van het
gebouw, dat de andere beesten, de antilopen, de geiten,
de schapen uit hun buurt, bij de herinnering er aan
nog even stilstaan en huiveren, één oogenblik de oude
vrees hen pakt, al is *t ook maar om de herinnering
alleen.
Heel anders gedraagt zich de kameel (na z’n vorm te
oordeelen, de uitvinder van de kromme lijn). Die stapt
rustig rond, als was z’n gevangenschap ’n renteniers*
leventje, dat-ie zich na jaren werken veroverde. Trots
staat-ie in z’n lompige vacht temidden van het door
traliewerk omrasterde stukje grond schuilend in z’n huisje,
waar-ie nèt in past, bij slecht weer. Z’n oogen onder de
zware oogleden in den hoog opgericbten kop zien speurend uit.
Er is een deftige ernst in z’n doen; soms toch komt
even ’n dreiging in z’n kijken, alsof-ie jongens zag, die
z’n tuintje wilden vernielen, en met z’n zwaren woestijnpas, de zware zolen den grond drukkend, stapt hij dan
naar het hek, waar kleine menschjes hem apennootjes
toereiken, die hij met waardigheid negeert. Hij is de
parvenu, die zijn oorspronkelijken staat vergat, nu hem
de kost en ’n lapje grond ter belooning geboden werd,
dat-ie z’n eigen noemen kan.
Tegenover hem logeert de lama, de zwarte, die coquet
rondstapt en met ’n hatelijke impertinentie de bezoekers
monstert, ieder oogenblik gereed onmiddellijk de geringste
beleediging of zelfs maar den schijn ervan, met ’n
vriendelijke attentie uit z’n spitsen bek op je overjas te
beantwoorden. Vergissingen zijn daarbij uitgesloten. Hij
mist nooit.
Door de fraaie laan, waar nu in den lentetijd de
kastanjes, roode en witte, bloeien, komen we aan het
vogelgebouw. Het is ’n leven en ’n gesjilp van geweld.
Op hun manier maken zij nestjes, ze fladderen heen en
weer, en doen alle moeite het elkaar aangenaam te
maken.
Daar logeeren de gaaien, waaronder de Z.-Amerikaansche
prachtkapgaai, zwart en groenig met zwarte kap en
blauwe vlek erop. Het zijn kleine prachtmanteltjes welke
die vogeltjes aanhebben, en waarmede ze wonderlijk coquet
van tak tot tak vliegen of op en neerstappen. De veeren
van ’n vogel, ziedaar een heel hoofdstuk over Artis apart.
Het donzige, bet zachte, de zoo fraaie nekveertjes en
schitterende kleurenharmonie. Zoo ook de roodkuifkardinaal, met ’n kopje in rood als ’n narrenkap, met grijze
borst en zoo onregelmatig afgescheiden, alsof hij z’n kop
in de verf had geduwd en er weer overhaast had uitgetrokken.
Of wat ’n nufje is niet de Brazil fluweel-Tanagra, die
zwarte vleugels over ’n oranjelijfje heeft, als ’n net jacquetje
over ’n gekleurde blouse; ik geloof ze voelen het, dat ze
zoo mooi zijn, zoo doffen ze zich op en plukken ze aan
hun veertjes, draaien ze en keeren ze zich, met ’n air
van ’n mondaine. Er tegenover wonen de kroonduiven, die
lijken op dames uit den Lodewijk-XVI tijd, hoog gekuifd
met blauw-grijze aigrettes op de kokette koppen.
Daarnaast komen we in het gekkenhuis. Daar krijschen
en kraaien de papegaaien. Als ze even stil houden —
niemand weet waarom — en allemaal in lange rij in hun
bonte dracht in hun kooien zitten, lijken ze op ’n rij
pedante mannequins of haast, als je alleen de kleuren
bekijkt, op ’n étalage van moderne damesstoffen. Maar
lang stil zijn kunnen ze niet. Dan krijschen ze weer
raak, net als menschen, die bang zijn, dat hun pronk
niet voldoende opvalt. Een toekan daarnaast uit MiddenAmerika met grooten prachtigen geel en groen gevlekten
snavel is net^aan z’n diner bezig. Hij eet of hij met z’n
diner aan het converseeren is, en naar het tegenpruttelen
van iederen rijstkorrel, die hij tot z’n leedwezen verorberen
moet, behoort te luisteren. Daarboven zit, als’n waardige
matrone, half verscholen achter ’n neus, die de kleur en
den vorm heeft van ’nstuk kreeft, de Neushoorn-vogel.
Hij heeft ’n oranjen en zwarten snavel, zwart jak en ’n
breeden grijzen staart met zwarte dwarsstreep, als ’n Zondagsch-japon. Hij zit stil en onbewegelijk en lijkt op ’n
koopvrouw in fruit op haar Zondagsch.
Du sublime au ridicule, il n’ y a qu’un pas! Een
pas......... en we staan in het apengebouw. Hier zijn we
in het Variété-theater van Artis. Daar balanceeren aan
staart, armen en beenen de getrouwe nabootsers onzer
menschelijke natuur. In hun bijzonder verzorgde hokken
oefenen ze zich in hun vak: de acrobatie. Geruischloos,
met volmaakte meesterschap, slingeren ze zich van den
boom in het midden, naar het hek aan de buitenzijde,
langs de touwen, of de touwladder, die van den zolder
neerhangen. Wat je bij hunne behendigheid het meest
verwondert, is, dat ze zich nooit in hunne ledematen
vergissen. Ze grijpen en hangen en slingeren zich, nu
eens aan den staart, dan aan de armen of beenen, soms
lijkt het of ze vier armen hebben, en dan weer of hunne
beenen aan hunne schouders zitten. Zelf schijnen ze er
best uit wijs te kunnen. Toch is een aap ’n mooi beest.
Ik zeg dat niet uit ’n familie-standpunt. Menschen, die
me kennen, weten dat dit geen zwak van me is. ’n Aap
is een mooi dier. Hij heeft ’n prachtige zachte huid,
soms vriendelijke, watmelancholieke kijkers, aardig gevormde
handen; hij is beleefd als-ie wat krijgt, grist nooit wat
weg, als-ie gelooft* dat-ie ’t toch krijgen zal, en eet
altijd wat-ie krijgt in tegenwoordigheid van den gever
op, wat bewijst dat-ie de gift op prijs stelt. Hij is vegetariër,
en heeft z’n naam aan ’n soort nootjes, de apennootjes
gegeven, zooals sommige menschen doen aan liefdadige
instellingen. Bovendien soigneert hij zich op zijn manier,
wat van ieder mensch niet gezegd kan worden.
De twee Chimpansé?s in Artis behooren tot de intelligentste van de soort. Zij hebben ’n donkere zijige vacht;
de oudste is grover van type dan de jongste, die de
grappenmaker van de kooi is en de geestigste kwajongensstreken uithaalt. Z’n vel is nog wat ruim. En z’n handen
zien er uit of ze in heele wijde oude glacé-handschoenen
gestoken zijn. Met dat al heeft-ie ’n behendigheid, waarop
de meest geraffineerde Amsterdamsche straatjongen
jaloersch zou kunnen zijn, indien er tenminste ’n exemplaar daarvan bestaat dat geestig zijn kan, wat nu niet
juist door de practijk bewezen wordt. Wat dat betreft,
zie ik liever den jongen Chimpansé in Artis. Hij ziet er
uit als ’n goochem schooiersjochie, die gewend is op straat
te leven, zit graag, de beenen onder zich gekruist, z’n
nootjes te verorberen en gooit z’n ouderen rasgenoot dan
met de schillen. Als de oppasser komt, om het hok te
dweilen, is z’n eerste werk mee te helpen. Met z’n onverstoorbaar kwajongensgezicht begint hij met de dweil uit
den emmer te halen en uit te wringen, maar zit onder de
hand z’n collega er mee te plagen. Dan gaat-ie den vloer
dweilen. Alles met ’n ernst van ’n Amerikaanschen Clown
en den humor van ’n Punch-redacteur. Onderwijl vliegt-ie
even den oppasser in ’n bui van vurige genegenheid om
den hals, en laat-ie zich kietelen. De derde lotgenoot is
’n jonge Orang-Oetan (Pithecus satyrus), die, veelernstiger
dan z’n vriendje, zich alleen door hem laat beetnemen,
zonder veel terug te doen. In de kooi daarnaast is een
ouder exemplaar, ’n volwassen Orang-Oetan.
Zoo zacht* als de chimpansé van karakter is, zoo ruw
en bruut ziet de Orang-Oetan eruit. In z’n langen, slordigen
roodbruinen haardos, om het zware, brute-kracht verradende
plompe lichaam, en met den grooten, haast afzichtelijk gevormden kop, lijkt-ie op ’n krankzinnige in ’nchauffeurspels.
Hij heeft al de afschrikwekkende kwaliteiten van het edele
menschenras, de kracht en de wreedheid van ’n waanzinnige.
Zoo verzorgd als de chimpansé er uit ziet, wat
z’n glanzenden haardos betreft, zoo ruig is de volwassen
Orang-Oetan. Z’n toilet soigneeren doet-ie niet. Zelfs z’n
haar kammen vindt-ie overbodig. Hem buiten tegenkomen, vanwege z’n onredelijk sterke kwaliteiten, doe ik
ook niet, graag zelfs al kende ik jiu jitzu.
Dan lijkt me de Lampongaap beter van karakter.
Ook de zwarte Bosch duivel, hoe schrikaanjagend de naam
ook is.
Z’n sluik gitzwart haar hangt hem tot vèr over
het voorhoofd op de melancholieke, verschrikte oogen. Hij
|