Panorama

Blad 
 van 2380
Records 761 tot 765 van 11897
Nummer
1914, nr.21, 20 mei 1914
Blad
08
Tekst
6en merkwaardige vondst op kunstgebied, P een onlangs te Amsterdam gehouden veiling werd een doek verkocht, dat, niet opgebracht zijnde, voor een luttelen prijs verkocht werd. Het doek verkeerde in dusdanigen staat, dat het overdekt was met een dikke kalklaag, waardoor de voorstelling geheel onzichtbaar was. Na verwijdering van de eerste laag rees al aanstonds het vermoeden, dat men hier met een interessant kunstwerk te doen had. Het schoonmaken en restaureeren werd toevertrouwd aan de zorgen van de bekende herstellers van schilderijen, de Heeren J. A. Hesterman & Zonen, in kunstenaarskringen welbekend. Na eenigen arbeid werd dit vermoeden dan ook bewaarheid 1 Een schitterend kunstwerk is, dank zij de zoo uitmuntend geslaagde restauratie, te voorschijn gekomen I . . . Het is een gewijd tafereel door den Vlaming Caspar de Crayer, geboren te Antwerpen in 1585, een tijdgenoot en kunstverwant van Rubens en door dezen grooten meester uitbundig geprezen. Het doek heeft een afmeting van ruim 5 bij 2 meter in de hoogte. Op het eerste gezicht doet de groote middenfiguur, welke nagenoeg het geheele doek vult, denken aan werk uit het atelier van Rubens. Het stelt voor de opstanding van Christus. De prachtig gemodelleerde figuur staat, komend uit een purperen mantel, op een zerk. Hij houdt een vaandeltje met rood kruis in de hand, een soort van oriflamme. De andere arm is omhoog gericht. De houding is als het eerste begin van zweven. Het gelaat is dat van een blonden, weelderig gebaarden man en de onderste ledematen zijn tamelijk forsch en zeer fraai gemodelleerd. Geen lijdensfiguur dus, maar hetfiguur van een overwinnaar van den Dood, die zijn verheerlijking-in-eeuwigheid tegemoet gaat. Bij de zerk, grootendeels als in de lijst weggewerkt, een ruwe krijgsman, opgeschrikt uit den slaap. Men ziet het wit van zijn oogen en zijn mond verwrongen van schrik en verbazing en de hand geheven. Deze figuur is op zichzelf al een zeer mooi stuk schilderkunst. Een andere krijgsman-bewaker (rechts), evenals de vorige in Romeinschen wapentooi, is nog in diepen slaap, het hoofd op de zerk steunend. Verder, in dieper schaduw beneden, nog een krijgsmanskop. Boven, rechts, een element in de compositie, dat de lichtende ingang van een grot schijnt, waaruit engelenkopjes te voorschijn komen. Het geheel van een bewonderenswaardige factuur, is dun geschilderd. De gloed van den purperen mantel is diep, het vleesch van de Christusfiguur is van een door en door rijpen toon. In het Rijksmuseum zijn van De Crayertwee groote stukken alstegenhangers: ,,De aanbidding der Herders en ,,De afneming van het Kruis . Zoo vaak wordt vermeld, dat er in het buitenland een oud kunstwerk van groote beteekenis ,,ontdekt’ is. Nu mogen wij eens goed nieuws in Nederland vertellen 1 Laat ons dan ook hopen, dat dit belangrijk meesterwerk, dat zich door zulke buitengewone qualiteiten onderscheidt en in welks aanblik men zich dag aan dag verheugen — en het hart verheffen kan, voor Nederland behouden moge blijven. (foto B. Jacobs, Amsterdam). HET R.-K. GYMNASIUM TE KATWIJK DOOR BRAND VERWOEST. Donderdagavond is het R.-K. Gymnasium te Katwijk door brand geteisterd. In een paar uur tijd waren Kleinenburg, waarin de slaapzalen en de speel- en gymnastieklokalen waren, alsmede Middenburg totaal uitgebrand. Alleen het hoofdgebouw Grootenburg en de kostbare kapel zijn bewaard gebleven, wat te danken is aan den gunstigen wind, die van deze gebouwen afwoei. Bovenstaande * foto’s geven een denkbeeld van de reusachtige verwoesting die het vuur heeft aangericht. (foto's Jonker & Zoon).
PDF
Nummer
1914, nr.21, 20 mei 1914
Blad
09
Tekst
DE DOOPPLECHTIGHEID IN BRUNSWIJK. Den 9en Mei heeft in tegenwoordigheid van den Keizer en de Keizerin van Duitschland en verscheidene andere hooge gasten de doopplechtigheid plaats gehad van den Erfprins van Brunswijk. Op onze foto links zien wij den Keizer en zijn schoonzoon, den Hertog van Brunswijk, bij de aankomst voor de kerk; foto rechts de Keizerin met haar dochter, de Hertogin van Brunswijk op weg naar de kerk. DE NIEUWE KARDINAAL. In de plaats van den onlangs gestorven Kardinaal Kopp is tot kardinaal gekozen Mgr. D. Hartmann, aartsbisschop van Keulen. (foto Perscheid). DE AARDBEVINGEN OP SICILIË. Sicilië is in de laatste dagen wederom door aardbevingen geteisterd. Een groot aantal huizen zijn beschadigd en ingestort. Verscheidene menschen zijn dakloos. Bovenstaande foto, die genomen is in de buurt van Giarre, geeft een idee van de verwoesting. ALBANIË. Hierboven een aardig kiekje uit Durazzo: Prinses Elianora, de jongste dochter van het Vorstelijk paar, in den tuin van het paleis. Mr. EN Mrs. bramwell booth. de leiders van het Leger des Heils, verlaten de We&- minster-Kerk te Londen. Mrs. Booth is de vorige week op bezoek geweest bij onze Koningin. (foto Newspaper lil.) DE DEENSCHE GASTEN IN LONDEN. DE OORLOG MET MEXICO. Tot heden is men in Mexico nog tot geen schikking kunnen komen en de Vereenigde Staten gaan voort hun maat regelen te nemen door schepen en manschappen naar het oorlogsterrein te zenden. Wij geven hierboven een foto vari het inschepen van manschappen in de haven van Philadelphia. Ook in Londen ontbreekt de belangstelling voor de Deensche buren niet; overal worden zij allerhartelijkst begroet, hetgeen ook zeker in ons land wel het geval zal zijn. (foto Newspaper lil.) DE ENGELSCH-AMERIKAANSCHE TENTOONSTELLING TE LONDEN. Den 14en Mei is in White City te Londen de Anglo-American Exhibition geopend. Een van de meest frappante gezichten is wel een voorstelling van de Amerikaansche scyscrapers met de haven van New-York (foto rechts). Een groot aantal Amerikaansche Indianen (foto links) zijn aangekomen en zullen deelnemen aan de uitbeeldingen van het Amerikaansche leven.
PDF
Nummer
1914, nr.21, 20 mei 1914
Blad
10
Tekst
Qrtis Ontwaaktl ©oor “Tom Schüperoort. K heb een vaag besef, dat er niet veel menschen zijn, die zich, als ze iederen middag hun wandelingetje in Artis gaan maken, precies rekenschap geven van wat ze daar eigenlijk allemaal te zien krijgen, en wat een schitterend veld voor leering en nut, maar bovenal voor levende schoonheid en levensleer, hier voor hen ter bestudeering is opengelegd. Of is het niet verbazend te bedenken, dat in deze naar den aard betrekkelijk kleine ruimte zoo’n beetje de fauna van den heelen aardbol vertegenwoordigd is? Dat in dit klein bestek de bevolking der Drentsche of Geldersche hei er hun vertegenwoordigers tellen, dat de Europeesche wouden, de poesta’s van Hongarije, de vlakten van Rusland, de regionen der Alpen en die der Poolstreken, vervolgens de woestijnen van Nubië en Azië, de wouden van Afrika, van Amerika, de Indische zoowel als de Japansche er door hunne bewoners vertegenwoordigd zijn? Ik geloof nu juist niet, dat het die vertegenwoordigers een bijzonder genoegen is, in Amsterdam te logeeren, en ik betwijfel of er vele opgewekte correspondenties naar hun land zouden worden gezonden, indien zij in staat waren te verhalen, wat ze zoo al ondervonden, nu ze; om zoo te zeggen „gemeubileerd in Amsterdam” wonen; ik denk, hoe tevreden of ze ook met hun hospita, in casu: ,,Artis Natura Magistra”, zijn, ze toch over hun logement weinig te spreken zouden wezen als ze daarbij hun schitterende wouden of vlakten of woestijnen vergeleken, waarin ze gewoon waren gehuisvest te zijn. Ik zie den leeuw al met dat air de dédan, waarmede hij gewoon is, over de bij-zijn-grootheid-wat-beduusd-staandetoeschouwers heen te zien, z’n haat in breede klauwletters uiten, schrijvend aan z’n verren neef, die nu in zijn plaats de schrik der woestijn geworden is, over dat gekrioel der stumpers voor zijn kooi, en met wat melancholie zich uiten over het feit, dat zelfs z’n gebrul geen vlieg meer wegjaagt. Er moet wat sarcasme in zijn bepeinzingen zijn, als hij daarbij denkt aan de stamnegers, die al draafden, als ze in de verte z’n staart zwiepen zagen, en die thans met bruine schoenen en lichte grijze pakken aan met hem converseeren komen, als hadden ze elkaar op school intiem gekend. Nu stapt de arme kerel in z’n kooi van 10 M2. rond, uitziend over het grasveld. Soms staat hij even stil en tuurt starend naar een punt in de verte, als zag-ie daar ’n tipje woestijn; hij kan turen, als geloofde hij zijne bevrijding naderen. Dat denkt-ie vaak, maar telkens is het mis en dan, alleen even met z'n oogen knippend, om z’n teleurstelling te verbergen, te trotsch om iets van z’n smart te laten vermoeden, aan het hem aanstarende menschdom, zet hij de wandeling in z’n kooi weer voort, stap voor stap, van wand tot wand, als ’n koninklijke gevangene, stappend langs de ijzeren tralies, of vlijt hij zich neer in ’n hoek, de kop gekeerd naar buiten, waar de Noordelijke zon hem even aan die der tropen doet denken, en slaapt hij in, droomend van goudgele woestijnen en azuurblauwe hemels, met fel-groene palmen en ’n koninklijke prooi .. Hij is van z’n collega’s in de galerij, de meer driftige en haatdragende tijgers, poema’s, jaguars en panters, EEN BRUTALE ZEEMEEUW. DE PRACHTIGE LEEUWIN. die nog steeds het snel-opbruisende zuidelijk bloed moeilijker bedwingen en sneller uitvallen bij iedere poging van de menschen, hen dichter dan het ijzeren hek veroorlooft te naderen, degene, die zijn lot het waardigst draagt. Den anderen is hun aard te machtig, ze zijn verstoord en kortaangebonden, heftig, en vaak elkaar hatelijk gezind; dan davert hun schor gebrul door de hallen van het gebouw, dat de andere beesten, de antilopen, de geiten, de schapen uit hun buurt, bij de herinnering er aan nog even stilstaan en huiveren, één oogenblik de oude vrees hen pakt, al is *t ook maar om de herinnering alleen. Heel anders gedraagt zich de kameel (na z’n vorm te oordeelen, de uitvinder van de kromme lijn). Die stapt rustig rond, als was z’n gevangenschap ’n renteniers* leventje, dat-ie zich na jaren werken veroverde. Trots staat-ie in z’n lompige vacht temidden van het door traliewerk omrasterde stukje grond schuilend in z’n huisje, waar-ie nèt in past, bij slecht weer. Z’n oogen onder de zware oogleden in den hoog opgericbten kop zien speurend uit. Er is een deftige ernst in z’n doen; soms toch komt even ’n dreiging in z’n kijken, alsof-ie jongens zag, die z’n tuintje wilden vernielen, en met z’n zwaren woestijnpas, de zware zolen den grond drukkend, stapt hij dan naar het hek, waar kleine menschjes hem apennootjes toereiken, die hij met waardigheid negeert. Hij is de parvenu, die zijn oorspronkelijken staat vergat, nu hem de kost en ’n lapje grond ter belooning geboden werd, dat-ie z’n eigen noemen kan. Tegenover hem logeert de lama, de zwarte, die coquet rondstapt en met ’n hatelijke impertinentie de bezoekers monstert, ieder oogenblik gereed onmiddellijk de geringste beleediging of zelfs maar den schijn ervan, met ’n vriendelijke attentie uit z’n spitsen bek op je overjas te beantwoorden. Vergissingen zijn daarbij uitgesloten. Hij mist nooit. Door de fraaie laan, waar nu in den lentetijd de kastanjes, roode en witte, bloeien, komen we aan het vogelgebouw. Het is ’n leven en ’n gesjilp van geweld. Op hun manier maken zij nestjes, ze fladderen heen en weer, en doen alle moeite het elkaar aangenaam te maken. Daar logeeren de gaaien, waaronder de Z.-Amerikaansche prachtkapgaai, zwart en groenig met zwarte kap en blauwe vlek erop. Het zijn kleine prachtmanteltjes welke die vogeltjes aanhebben, en waarmede ze wonderlijk coquet van tak tot tak vliegen of op en neerstappen. De veeren van ’n vogel, ziedaar een heel hoofdstuk over Artis apart. Het donzige, bet zachte, de zoo fraaie nekveertjes en schitterende kleurenharmonie. Zoo ook de roodkuifkardinaal, met ’n kopje in rood als ’n narrenkap, met grijze borst en zoo onregelmatig afgescheiden, alsof hij z’n kop in de verf had geduwd en er weer overhaast had uitgetrokken. Of wat ’n nufje is niet de Brazil fluweel-Tanagra, die zwarte vleugels over ’n oranjelijfje heeft, als ’n net jacquetje over ’n gekleurde blouse; ik geloof ze voelen het, dat ze zoo mooi zijn, zoo doffen ze zich op en plukken ze aan hun veertjes, draaien ze en keeren ze zich, met ’n air van ’n mondaine. Er tegenover wonen de kroonduiven, die lijken op dames uit den Lodewijk-XVI tijd, hoog gekuifd met blauw-grijze aigrettes op de kokette koppen. Daarnaast komen we in het gekkenhuis. Daar krijschen en kraaien de papegaaien. Als ze even stil houden — niemand weet waarom — en allemaal in lange rij in hun bonte dracht in hun kooien zitten, lijken ze op ’n rij pedante mannequins of haast, als je alleen de kleuren bekijkt, op ’n étalage van moderne damesstoffen. Maar lang stil zijn kunnen ze niet. Dan krijschen ze weer raak, net als menschen, die bang zijn, dat hun pronk niet voldoende opvalt. Een toekan daarnaast uit MiddenAmerika met grooten prachtigen geel en groen gevlekten snavel is net^aan z’n diner bezig. Hij eet of hij met z’n diner aan het converseeren is, en naar het tegenpruttelen van iederen rijstkorrel, die hij tot z’n leedwezen verorberen moet, behoort te luisteren. Daarboven zit, als’n waardige matrone, half verscholen achter ’n neus, die de kleur en den vorm heeft van ’nstuk kreeft, de Neushoorn-vogel. Hij heeft ’n oranjen en zwarten snavel, zwart jak en ’n breeden grijzen staart met zwarte dwarsstreep, als ’n Zondagsch-japon. Hij zit stil en onbewegelijk en lijkt op ’n koopvrouw in fruit op haar Zondagsch. Du sublime au ridicule, il n’ y a qu’un pas! Een pas......... en we staan in het apengebouw. Hier zijn we in het Variété-theater van Artis. Daar balanceeren aan staart, armen en beenen de getrouwe nabootsers onzer menschelijke natuur. In hun bijzonder verzorgde hokken oefenen ze zich in hun vak: de acrobatie. Geruischloos, met volmaakte meesterschap, slingeren ze zich van den boom in het midden, naar het hek aan de buitenzijde, langs de touwen, of de touwladder, die van den zolder neerhangen. Wat je bij hunne behendigheid het meest verwondert, is, dat ze zich nooit in hunne ledematen vergissen. Ze grijpen en hangen en slingeren zich, nu eens aan den staart, dan aan de armen of beenen, soms lijkt het of ze vier armen hebben, en dan weer of hunne beenen aan hunne schouders zitten. Zelf schijnen ze er best uit wijs te kunnen. Toch is een aap ’n mooi beest. Ik zeg dat niet uit ’n familie-standpunt. Menschen, die me kennen, weten dat dit geen zwak van me is. ’n Aap is een mooi dier. Hij heeft ’n prachtige zachte huid, soms vriendelijke, watmelancholieke kijkers, aardig gevormde handen; hij is beleefd als-ie wat krijgt, grist nooit wat weg, als-ie gelooft* dat-ie ’t toch krijgen zal, en eet altijd wat-ie krijgt in tegenwoordigheid van den gever op, wat bewijst dat-ie de gift op prijs stelt. Hij is vegetariër, en heeft z’n naam aan ’n soort nootjes, de apennootjes gegeven, zooals sommige menschen doen aan liefdadige instellingen. Bovendien soigneert hij zich op zijn manier, wat van ieder mensch niet gezegd kan worden. De twee Chimpansé?s in Artis behooren tot de intelligentste van de soort. Zij hebben ’n donkere zijige vacht; de oudste is grover van type dan de jongste, die de grappenmaker van de kooi is en de geestigste kwajongensstreken uithaalt. Z’n vel is nog wat ruim. En z’n handen zien er uit of ze in heele wijde oude glacé-handschoenen gestoken zijn. Met dat al heeft-ie ’n behendigheid, waarop de meest geraffineerde Amsterdamsche straatjongen jaloersch zou kunnen zijn, indien er tenminste ’n exemplaar daarvan bestaat dat geestig zijn kan, wat nu niet juist door de practijk bewezen wordt. Wat dat betreft, zie ik liever den jongen Chimpansé in Artis. Hij ziet er uit als ’n goochem schooiersjochie, die gewend is op straat te leven, zit graag, de beenen onder zich gekruist, z’n nootjes te verorberen en gooit z’n ouderen rasgenoot dan met de schillen. Als de oppasser komt, om het hok te dweilen, is z’n eerste werk mee te helpen. Met z’n onverstoorbaar kwajongensgezicht begint hij met de dweil uit den emmer te halen en uit te wringen, maar zit onder de hand z’n collega er mee te plagen. Dan gaat-ie den vloer dweilen. Alles met ’n ernst van ’n Amerikaanschen Clown en den humor van ’n Punch-redacteur. Onderwijl vliegt-ie even den oppasser in ’n bui van vurige genegenheid om den hals, en laat-ie zich kietelen. De derde lotgenoot is ’n jonge Orang-Oetan (Pithecus satyrus), die, veelernstiger dan z’n vriendje, zich alleen door hem laat beetnemen, zonder veel terug te doen. In de kooi daarnaast is een ouder exemplaar, ’n volwassen Orang-Oetan. Zoo zacht* als de chimpansé van karakter is, zoo ruw en bruut ziet de Orang-Oetan eruit. In z’n langen, slordigen roodbruinen haardos, om het zware, brute-kracht verradende plompe lichaam, en met den grooten, haast afzichtelijk gevormden kop, lijkt-ie op ’n krankzinnige in ’nchauffeurspels. Hij heeft al de afschrikwekkende kwaliteiten van het edele menschenras, de kracht en de wreedheid van ’n waanzinnige. Zoo verzorgd als de chimpansé er uit ziet, wat z’n glanzenden haardos betreft, zoo ruig is de volwassen Orang-Oetan. Z’n toilet soigneeren doet-ie niet. Zelfs z’n haar kammen vindt-ie overbodig. Hem buiten tegenkomen, vanwege z’n onredelijk sterke kwaliteiten, doe ik ook niet, graag zelfs al kende ik jiu jitzu. Dan lijkt me de Lampongaap beter van karakter. Ook de zwarte Bosch duivel, hoe schrikaanjagend de naam ook is. Z’n sluik gitzwart haar hangt hem tot vèr over het voorhoofd op de melancholieke, verschrikte oogen. Hij
PDF
Nummer
1914, nr.21, 20 mei 1914
Blad
11
Tekst
VRIEND PELIKAAN. EEN KONINGSTIJGER. is wat verlegen, als ’n schuw kind van het oerwoud, en lijkt op ’n zigeuner. Z’n bewegingen getuigen van vlugheid. Heel anders zijn de bavianen. Jong zijn ze handelbaar, ouder worden ze woest en valsch en haast niet te temmen. Juist toen ik hen verliet kregen ze allen hun nachtdeken, bestaande uit jute-zakken. Die in de kooi van mijn vriend, het schooiersjochie, werden met hangsloten, een voor ieder, apart bevestigd. ,,M’n jonge vriend nam ze anders alle drie/’ vertelde me de oppasser! Ik verliet hen in den schemer. Ze zaten parmantig met de zakken als capes om, ieder in hun hoek. De oude chauffeur lag er in het middelste hok in drie gewikkeld. Achter hen, door de glazen ruiten van hun zomerkooi, waar hooge palmen in oprijzen, drong nog wat laat zonlicht. En wie weet droomden ze nu stil, even, na het drukke gedoe en gezwaai van den heelen dag, van hunvèr, mooi land. Als ze zoo menschelijk zijn op alle gebied, waarom dan daarop niet? Is misschien de melancholie in hun heldere oogjes niet het latente leed van te naderen tot de bewustheid van ’t menschelijke, doch te voelen die nooit te zullen benaderen ? . .. De kaaimannen, de boa-constrictors in het slangenhuis denken er .anders over. Die slapen den heelen dag. De slangenhokken lijken meest op bergplaatsen van vreemd gekleurde oude auto- of fietsbinnenbanden. Soms alleen kan ’n enkele giftige, kwaadaardige slangenkop uit de bonte slappe massa zich sissend tegen het glas drukken. En er naast loopt ’n zenuwachtige salamander, als ’n koorddanseres met Bühnenfieber, in ’n geel-gespikkeld groene tricot plunje om zijn lenig lichaam, haastig heen en, weer, en roeien er tegenover de schildpadden met hunne pootjes als platte, korte riemen door ’n vijvertje met wat troebel water. Daar buiten stappen met de wijde klaphekken de pelikanen, als welgestelde professoren in de philosophie zonder betrekking; ze doen zoo’n beetje, als u weet wel: de beste stuurlui, die aan wal staan en kwebbelen over hooggeleerde dingen, die niemand snapt, als zij. Hierin lijken ze op de maraboe’s, die allemaal arme dorpsschoolmeesters lijken, of in het dogma verouderde proffen. Hun pedanterie zit in hunne onbewegelijkheid, dat is hun manier van protest. Ze knippen alleen wat met hun dwaze oogjes en kijken onderwijl met diepinnerlijke verontwaardiging naar de wereldsche kraanvogels en roode flamingo’s aan den overkant, die behoedzaam de lange rosé pooten afspoelen in het water, bang voor ieder smetje op hunne besmettelijke jurken. Trots?g stapt het ,,juffertje van Numidië” met de lichte grisperle zomerjapon in den lente-zonneschijn, stappen de flamingo’s, nuffig hoog de pooten optrekkend, langs den rand van hun vijvertje. Ze kennen geen ander genot dan zich te doen bewonderen, en poseeren statiglijk in hunne schitterende zacbt-rose dracht, als in ’n feestzaal. De ooievaars er vlak bij maken zich minder druk en twee maraboe’s, als hoogteersren met kale kruinen peinzen ovet de onsterfelijkheid, waarvan ze werkelijk, hoogbejaard als ze lijken, niet ver af schijnen. De olifanten zijn zakenlui. Dat zie je subiet aan hun slimme oogjes. Zóó zien ze je of ze steken de slurf door het breede hek en animeeren je hun wat te geven. Er zijn er vier. En in hunne wijde plunje, dat om de zware ledematen slobbert, als ’n oude, te wijde regenjas, schommelen ze langs het hek. Ze zijn niet modieus en, als échte krachtmenschen, goedig. Dandy’s daarbij vergeleken zijn de giraffen. Hun gevlekte pakje vinden ze zelf keurig, dat zie je ze aan. Hun tijd begint weer te komen, want ’s winters zijn ze in huis en huizen dan in hun woonkamer, en moeten dan, om naar buiten te zien, door het raam van de eerste verdieping kijken, wat lastig kan worden, in gevallen dat je klein behuisd bent. Zijn ze eenmaal buiten, dan draven ze, als circuspaarden, het groote perk van hun huis achter elkaar eenige malen rond, met ’n air van ’n bijzondere prestatie te hebben verricht, en die de neiging bij je wekt, te applaudisseeren. Dat ze nog geen boorden en manchetten dragen, zal wel aan de onmogelijke maat van hun hals liggen. Ik ben overtuigd dat ze ’t anders doen zouden, nu ze zooveel bekijks hebben en zich er ongekleed door voelen. Laat ik voor ditmaal met de arenden besluiten, de aristocraten onder de vogels, en die alle van ouden adel zijn. Vooral de harpij (thrasaëtus harpya) met haar weduwe kapje, heeft geheel het uiterlijk van een trotsche oude douairière. Ze kent ook geen mensch en is alleen nieuwsgierig maar wil het niet laten blijken; kijkt subiet voor zich, als je haar aanziet. De gieren zijn van ordinairder ras, zij zijn als verworpelingen, van wraak alleen levend. In hun trotschheid is' wreedheid tevens. Door den heerlijken voorjaarstuin, onder het jonge groen en het malsche, frissche loover der hooge boomen Artis verlatend, passeerde ik nog even de beren, die in hun goudbruine vacht, op hun sokken door hun hokken sloffen. Ze dansten hun eeuwigen rusteloozen dans. Zij zijn het meest gevangenen, twee passen op, twee passen neer, steeds bewogen door hun nooit te stillen onrust, die hen nooit aan hunne opsluiting zal doen gewennen. Langs Rhododendrons, rosé, witte en paarse, langs magnolia’s, de planten die eerst bloeien vóór ze bladeren krijgen, langs bedden tulpen, door de thans verlaten papegaaien-laan, verlieten we Artis weer, met het voldaan gevoel van ’n mooien middag en het besef nog maar ’n heel klein deeltje van het mooie en belangrijke in dit milieu van dierenlevens te hebben genoten 1 TOM SCHILPEROORT. Onze Wedstrijden. I N den loop van de volgende week zal de uitslag van den No^ellen-Wedstrijd aan de deelnemers worden bekend gemaakt. Tevens herinneren wij er aan, dat 1 Juni de deelname aan den Fotografie-Wedstrijd wordt gesloten. APENLIEFDE. DE GIRAFFEN, (en zeer zeldzame opname, daar het zeer moeilijk is de dieren bij elkaar te houden.) DE OLIFANT
PDF
Nummer
1914, nr.21, 20 mei 1914
Blad
12
Tekst
De „BUGRA’ Een wereldtentoonstelling van het hoek en de grafische kunst te Leipzig. I N dedagbladen hebben de uitvoerige verslagen gestaan, welke verlek den van de openingder Bugra. En menig lezer heeft dat foei-leelijke afkortingswoord pas begrepen toenhij deze verslagen doorgewerkt had. Aan zijn principe getrouw, geeft Panorama hier in beeld, wat elders uitvoerig met het woord werd beschreven. En ons blad doet dit met groote liefde, omdat het meevoelt de bedoeling van mannen als Dr. Volkmann, den volijverigen voorzitter van het tentoonstellings-hoofdcomité, om te getuigen voor de beteekenis van de boeknijverheid en de grafische kunst. Zij beide toch zijn draagsters der beschavingsidee en bevorderen het schoone, dat zij op ruime wijze *onder de oogen en in de hoofden en harten van velen brengen. Daarom was de I.G.T.A. vorig jaar in Amsterdam en de Bugra thans in Leipzig van beteekenis ook voor hen, die niet in de grafische vakken werkzaam zijn. Het beeld, dat wij hier van de tentoonstelling zelve brengen, laat de toestand zien zooals die thans nog is: een geheel in wording. Welke tentoonstelling is dat niet, acht dagen na haar officieele opening! Doch er komt teekening in den chaos, de werkelijke voltooing nadert snel. Als een lichtpunt mogen wij het hier noemen: wij Nederlanders, die de Chineezen van Europa heeten, in langzame bedachtzaamheid voortgaand, ditmaal kwamen wij vooraan. De hollandsche afdeeling was de eerste die werkelijk klaar was. Op den dag van de opening zelfs! De mannen, die er zich hebben voorgespannen, verdienen daarvoor allen lof en eer, temeer omdat deze afdeeling ons* land waardig vertegenwoordigt, zoowel wat de boeknijverheid als de vrije en toegepaste grafische kunst betreft. Als een blijvend souvenir aan deze Nederlandsche afdeeling is ook een album verschenen, dat reproducties geeft naar voorbeelden van grafische kunst over het tijdperk dat ligt tusschen de jaren 1300 en 1800. Behalve een herinnering aan het verleden is dit album een bewijs van het kunnen onzer grafische inrichtingen van heden, omdat de reproducties, welke door verschillende vooraanstaande firma’s op grafisch gebied werden vervaardigd, zonder voorbehoud uiterst welgeslaagd mogen worden genoemd. Z L. (Foto's Kirstein & Co., Leipzig). HET AFSCHEID VAN PROFESSOR LAKE. Op een der laatste colleges die door Prof. Lake, die, zooals men weet, een benoeming als Professor in Amerika heeft aangenomen en nu spoedig Leiden gaat verlaten, werd gegeven, is door den fotograaf Jonker een opname gemaakt van den beminden hoogleeraar, omringd van zijn leerlingen.
PDF
Blad 
 van 2380
Records 761 tot 765 van 11897