|
Z)(Z
E oude in zijn witte kiel zat op de
bank voor de herberg, de beenen gekruist en deelleboog van zijn rechterhand
rustende in de palm van zijn linker.
Tusschen de vingers van zijn rechterhand schommelde een tabakspijp. De
pijp was leeg; toch ging de oude man
u voort met lange halen aan zijn pijp te
trekken. Al dien tijd keken zijn waterige oogen met troosteloozen blik naar het kerkhof aan de overzijde van den weg,
dat hiervan door een ijzeren hek gescheiden was. Er was een
kleine grafheuvel dichtbij het hek en ik verbeeldde mij nu te
begrijpen wat de reden was van den kommer die in het dorpje
heerschte.Wijzende naar den grafheuvel, zei ik tot den oude:
„Dit dorp schijnt een vallei van tranen 1”
Hij nam de pijp uit den mond en blies een denkbeeldige rookwolk weg.
„E-ja-a!” zei hij en zuchtte.
„Ik ben sedert twee dagen hier, maar heb nog niemand
zien lachen.”
„We hebben geen reden om te lachen,” antwoordde hij.
„Iemand gestorven?”
„E-ja!” Opnieuw een zucht. „Noach Knobbeldam!”
„Kort geleden?”
„Vijftien jaar!”
„Sapperloot! Da’s ’n heele tijd. Hij was een philantroop, niet?”
De oude bukte met moeite en raapte een steentje op.
„Dat is heel mooi,” zei Schenkelman dan, „maar ik
moet mijn rekeningen betalen en als mijn klanten het
mij niet doen, dan werd ik door mijn schuldeischers op
straat gezet. Snap je dat, Noach!”
„Ezra,” antwoordde Noach plechtig, „lees je de schrift?
Daar staat in: Voor geschoren lammeren tempert Hij
den wind.”
„Dat mag waar wezen,” zei baas Schenkelman, „maar
ik heb nog nooit gehoord, dat lammeren geschoren
worden.”
„Soms wel, soms wel,” hernam Noach, zijn lippen
afvegende met den rug van zijn hand. „Ik wacht binnenkort een erfenis en dan .... en dan, Ezra ... •”
„Jij >,wacht” al zoolang op je erfenis,” bromde de
slager, „’t Is alleen lam dat ze niet op jou wacht. Nee,
je krijgt deze kluif niet, die is voor den meester. Hij
betaalt.”
„Ah!” zuchtte Noach, zijn oogen van de begeerde kluif
afwendende. „Als mijn rijke broer in Amerika wist, dat
mij een kluif geweigerd wordt! Hij werd ziek van ergernis!
Doch laat ons er niet meer over praten, Ezra!”
„Als ik jou was, Noach,” zei Schenkelman op gemoedelijken toon, „dan zou ik niet zoo dikwijls over mijn
rijke familie praten. De winkeliers in ’t dorp zijn niet
zoo geleerd als Noach Knobbeldam, maar ze zullen je
niet eeuwig op dat ouwe praatje krediet geven. Ze zijn
al zóó dikwijls beetgenomen, dat ze je leugens ruiken,
een uur in den wind!”
Binnen een half uur wist het geheele dorp dat baas
Knobbeldam het slachtoffer was geworden van een lafhartige aanranding en nu bewusteloos lag in zijn kamer
achter de werkplaats.
Een week lang was het dorp in zorg gedompeld;
vooral voor de winkeliers was het een kwelling. Kruidenier,
slager, bakker, groenteboer allen kwamen om beurten
kijken aan het raam van de kamer waar de oude man
den grootsten strijd streed, die eenig man of vrouw te
strijden heeft. Doch gaandeweg verminderde de angst in
de gemoederen der wachtenden en tegen het einde der
week maakten ze hun berekeningen hoeveel het inboedeltje
wel zou opbrengen. Ze keken nu uit of de blinden nog
niet gesloten werden, om dan dadelijk met hun rekeningen
te komen.
Maar Noach herstelde. Arabella verbaasde de wachtende
schuldeischers, toen ze huilende het huis kwam uitloopen,
in haar hand een papier. Het was een chèque, geteekend
door Noach Knobbeldam en op naam van Arabella Poedel
voor een bedrag van tien duizend gulden.
Schenkelman, de slager, trok de chèque uit haar hand
en las haar hardop voor aan de andere schuldeischers
rondom hem. Voor een oogenblik keken ze elkander
half ongeloovig, half beteuterd aan, toen lachte de slager
grimmig en greep Arabella bij den arm.
„We laten ons niet lijmen, vrouwtje,” zei hij haar het
papier teruggevend. „Nou, vort ermee!”
,,lk zei hem ’t is niets,” zuchtte zij, „maar hij is
Het onlangs te Olst geopende nieuwe Ziekenhuis.
(Foto F. A. M. Topman, Zwolle.)
Oud-Katholieke Kerk a. h. Willemsplantsoen
te Utrecht, gebouwd n. h. ontwerp van den
architect E. G. Wentink
De Koningin Wilhelmina-school, die enkele weken terug in de Marthastichting te Alfen is geopend. (Foto F. Mulder Jr.)
„Zoo noemde hij z’n zelve,” zei hij, „maar hij was
zoo hard als deuze steen, ’t Dorp was gelukkig als de
vogels in de lucht voor hij kwam, en nou geen lach
meer, sinds hij weg is, niks niet!”
Bij gedeelten hoorde ik de geschiedenis van Noach
Knobbeldam, van beroep schoenmaker, die ik hieronder
volgen laat.
Noach Knobbeldam was een man van twee en vijftig
jaar en ongetrouwd. De eenige persoon in het dorp die
vertrouwen in hem had en hem hulde bracht voor zijn
geleerdheid (hij was een hartstochtelijk lezer) was zijn
oude huishoudster, een stumperd, die blij was dat ze op
haar ouden dag bij hem een onderdak gevonden had. Hij
was de eenige schoenmaker in het plaatsje en had daarom
al het werk, voor zooveel het waard was; en jaar in,
jaar uit zat hij daar met een gelapten schoen tusschen
de knieën en een olielampje naast zich, waaraan hij de
was warmde voor het afwerken der zolen.
Noach had geen enkelen vriend in het dorp, ten gevolge van zijn onbedwingbare geringschatting voor wat
hij noemde de allerdroevigste onwetendheid van de boerenbevolking. Hij keek verachtelijk op hen neer en bespotte
hen, zich zelf honderdmaal afvragende, waarom hij toch
onder hen bleef wonen. Alleen zijn schuldeischers waren
gevrijwaard voor zijn geleerde schimpscheuten. Zij werden
integendeel heel beleefd door hem behandeld. Daar was,
bij voorbeeld, Schenkelman, de slager.
„Wel, Noach, hoe staat het er mee?” vroeg deze vaak,
terwijl hij wederom een nieuwen post bij de oude schuld
schreef. Dit „hoe staat het er mee” beteekende dan:
„wanneer zal je toch eens betalen.”
Maar Noach, met de vaardigheid van een in het nauw
gedreven spreker op een verkiezingsmeeting, wist snel
van onderwerp te veranderen.
„Schenkelman,” zei hij dan, terwijl hij zijn hoofd
schudde, „het hangt van mijn eigen oordeel af, wanneer
ik dit dorp van uilskuikens den rug zal toekeeren; doch
als er een mensch zal zijn voor wien mij dit spijten zal, dan
is het de heer EzraSchenkelman, wiens groote bekwaamheid
in het debiteeren van levenswaarheden het eenige lichtende punt is in deze atmosfeer van onwetendheid.”
„Mijnheer,” zei Noach, wijzende naar een stuk vleesch
op de toonbank, „het is een beleediging voor je eigen
merkwaardige scherpzinnigheid om de dorpelingen zooveel
schranderheid toe te dichten. Wil je zoo vriendelijk zijn
dit vleesch te wegen, zonder been?”
„Nee,” zei de slager nog steeds op vriendelijken tóón.
„Je zult een ander smoesje moeten verzinnen; we hebben
nou genoeg van het ouwe praatje.”
Noach ging naar huis, de wenkbrauwen gefronst, en
met den ongeschoren mond mompelende, woorden, die
toonden, dat zijn geest werkzaam was. Hij riep zijn huishoudster.
„Arabella!” zei hij zacht en overredend, „ik laat het
aan je zorg over, overtuigd dat je het tot een goed einde
weet te brengen. Ga jij eens naar baas Grabbel, breng
hem de betuiging van mijn diepste hoogachting en van
mijn ongeschokt vertrouwen dat zijn oudste zoon bestemd
is om een groot man te worden. Zeg hem dat hij als een
groenteboer die zijn vak verstaat mijn bewondering wegdraagt en vraag hem dan tegelijkertijd om een zak aardappelen, maar breng vooral niet minder mee dan vijf pond.”
„Hij was gisteren zeer onvriendelijk,” zei Arabella
weifelend. „Ja, hij was ruw!”
Noach wuifde met zijn hand dat zij heen zou gaan.
„Je kan geen zijden beurs maken van een varkensoor,
Arabella!” merkte hij op. Daarna hervatte hij zijn arbeid,
het lappen van een ouden schoen. Hij boog zijn grijs
hoofd over zijn werk en peinsde over de woorden van
den slager: „Je zult een ander smoesje moeten verzinnen 1”
Gedurende dien namiddag vond Noach Knobbeldam
gelegenheid om een half dozijn dorpsbewoners den mantel
uit te vegen. Hij ging zelfs zoo ver dat hij er een bedreigde; en gezegend met een robuste gestalte was hij
in staat aan zijn bedreiging klem bij te zetten. Toen de
schemer viel eindigde hij met werken. Hij ging voor zijn
woning zitten en rekende uit dat hij zestig cent en
dertig cent dat is negentig cent verdiend had met
schoenenlappen.
Daar kwam eensklaps uit het duister van de dorpsstraat
een welgemikte steen aanvliegen. Hij trof Noach Knobbeldam aan den slaap, zoodat hij voorover viel met een
zucht en zoo vond Arabella hem, toen ze thuis kwam.
geheel in de war. Hij scheldt zichzelf uit voor een ouwe
ellendige gierigaard en bidt om vergeving voor zijn
zonden.”
Schenkelman vatte haar bij den schouder. „Heeft de
dokter hem gezien?” vroeg hij ernstig.
„Hij kwam dezen morgen,” zei Arabella, „maar Knobbeldam was net ingeslapen en toen wou hij niet hebben
dat ik hem wakker maakte. Een half uur later ging de
dokter....”
,JBaas Grabbel,” zei Schenkelman, „met je permissie,
we zullen even in jouw winkel gaan, om dat vrouwmensch
nader te ondervragen. Het is onze plicht haar te waarschuwen voor het gevaar dat zij medeplichtig zou kunnen
worden aan een misdaad.”
Ze begaven zich naar de achterkamer in baas Grabbel’s
winkel. Er voegden zich nog eenige klanten bij hen. De
deur van de kamer werd gesloten en Arabella werd
aangeraden alles naar waarheid te vertellen en niets te
verzwijgen.
„Toen hij ontwaakte,” zei ze huilende, „riep hij mij
aan zijn bed. „Hoeveel heb ik nog te goed van de
bank, vrouw!” vroeg hij, zijn oogen half gesloten. Ik
vertelde hem, hij had ongeveer honderdvijftig gulden
tegoed.”
Een zucht van verlichting ging door het vertrek. Niet
een van de schuldeischers was ooit zoo hoopvol geweest.
„„Honderdvijftig gulden!” riep hij uit, mij bij den
arm grijpende zóó!” ze deed het voor. „ „Vijftien millioen,
meen je,” zei hij en toen ik hem in zijn arme oogen keek,
zag ik wel dat het mis met hem was. Een van mijn broeders is denzelfden weg gegaan. „Vijftien millioen,” zei hij
weer, „en al deze jaren, Arabella, was ik een ellendige,
schrapende, ouwe gierigaard. Onhebbelijk tegen mijn
vrienden en ruw tegen 4e arme boeren. Ik heb steeds
ruzie tegen hen gemaakt, heb hen bespot en uitgelachen,
maar zij hebben mij telkens hun andere wang toegekeerd. ” ”
.,0, ja,” zei baas Schenkelman en ofschoon hij lachte,
terwijl hij dit zei, was er een hatelijke klank in zijn
stem. Hij keek met een blik van verstandhouding naar
baas Grabbel.
Arabella wischte haar oogen af met de punt van haar
schort.
|