Panorama

Blad 
 van 2380
Records 756 tot 760 van 11897
Nummer
1914, nr.21, 20 mei 1914
Blad
03
Tekst
1E JAARGANG mmMM M mMM mM 20 MEI 1914 PANORAMA VeVlIV UITGAVE VAN A. W. SIJTHOFF’S UITGEVERSMAATSCHAPPIJ Redactie en Administratie: DOEZASTRAAT 1 - Telefoonnummer 1 - LEIDEN PRIJS BIJ NUMMERVERKOOP 1O CENT, VOOR BELGIË 20 CENTIEMEN © © © © © © © VAN ’T ZEEBANKET ©©©©©©© ARING — nieuwe haring!” — Brengt dit woord als ’t ware geen electrischen schok onder de liefhebbers van ’t zeebanket? De haring — hoe menigmaal is zijn lof bezongen. We meenen dat Speenhof zelfs een ode aan den haring heeft gedicht, welke zeer aandoénlijk (?) eindigt. En zongen we in onze jeugd niet reeds: „Daar komt de kiel met goud belaan, Zij brengt ons d’ eerste haring aan ’t Is feest in Nederland! ... Maar haring'en haring, daar is groot verschil in, lezer(es). Volgens deskundigen zwemmen er in de zilte wateren wel meer dan 60 soorten. In de Indische zeeën schijnen zelfs enkele vergiftige soorten voor te komen. Ik zeg dit niet om u bang te maken, geachte lezer. Heeft iemand ooit gehoord van haringvergiftiging? Neen: wij blijven smullen van ’t zeebanket, dat in ontzaglijke scholen leeft in het noordelijk deel van den Atlantischen Oceaan. Ook de zeeën ten Noorden van Azië, de Noord- en Oostzee zijn bekend als haringzeeën bij uitnemendheid. Trouwens de haring zorgt er voor, dat zijn soort niet uitsterft. Een enkele haring legt namelijk niet minder dan 10.000 tot 30.000 eitjes. Deze eieren (de kuit) van den haring kleven in massa aan elkander vast, en planten zich in, voornamelijk op zandbanken. Soms worden op deze wijze geheele velden van haringeieren gevormd, welke op geringe diepte zeer goed zichtbaar zijn. Uit de eitjes komen spoedig de larven, welke zeer snel groeien en na verloop van een maand of drie, vier den vischvorm reeds hebben aangenomen. Deze jonge vischjes zijn dan 3*/2 è 4 cM. lang, en dragen den naam van ,,bliek.” Bliek zijn alzoo de zeer jonge harinkjes. In den mond van den Theems worden deze jonge vischjes in groote hoeveelheid gevangen. Vervolgens worden ze met jonge sprot vermengd en vormen dan het zoogenaamde „whitebait,” voor de Engelschen een bijzondere lekkernij. Ook in de Zuiderzee wordt de bliek bij massa gevangen door dè kuilvisschers, die zich bedienen van een vischtuig met bijzonder fijne mazen, ,,kuil” genaamd. De Nederlanders maken echter geen „whitebait,” maar de Zuiderzeebliek wordt door de visschers verkocht aan „eendeboeren”, die de jonge visch, „nest” geheeten, gebruiken als eendenvoer. Niet te verwonderen, dat velen het betreuren, dat op deze manier duizenden en duizenden haringen worden verkocht, vóór ze volwassen zijn. En ’t is te begrijpen, dat er van verschillende zijden een krachtige strijd wordt gevoerd tegen ’t gebruik van den kuil. Is de mensch alzoo een geduchte levensvijand van den haring, ook onder de zeebewoners zijn er talrijke, welke bet op ’t leven van dezen zilverachtigen visch gemunt hebben. Walvisschen, dolfijnen en haaien maken voortdurend jacht op den haring. De geduchtste vijand is de Doornhaai, een vlug zwemmer, die de haringscholen volgt. Ettelijke haringen maakt deze roover buit. Menigmaal raakt deze haai op zijn rooftochten in de netten verward waaraan hij dan belangrijke schade toebrengt. Waar dus de haring zich op enorme wijze vermenigvuldigt behoeft er vooralsnog geen vrees te bestaan, dat deze smakelijke vischsoort zal uitsterven. Trouwens, dit zou een verschrikkelijke ramp zijn, want nog altijd is de haringvangst de voornaamste tak van visscherij, welke aan velen nog brood verschaft. Oude schrijvers noemden de haringvangst dan ook de „Groote Visscherije,” — terwijl men bovendien sprak van „’slands principale goudmijne.” — Moeilijk kan met zekerheid worden gezegd, wanneer voor ’t eerst onze schepen ter haringvangst uitzeilden. Volgens enkele schrijvers werd er omstreeks de helft der 12e eeuw reeds Hollandsche haring aangevoerd. ’t Was echter de uitvinding van het „haringkaken” door Willem Beukelszoon, welke aan het bedrijf een enorme vlucht zou geven. Hierdooris het mogelijk geworden de gevangen haring voorloopig tegen bederf te beveiligen. Na het ophalen der netten wordt de haring dadelijk van GABRIËL METSU. „DE HARINGVROUW”. (Collectie Six, Amsterdam). de ingewanden ontdaan, en vervolgens met zout in lagen in de haringtonnen gelegd. Deze tonnen werden vroeger „kaeckjens” genaamd, en zeer waarschijnlijk kreeg Beukelszoon’s uitvinding naar deze „kaeckjens” den naam van „haringkaken.” Nog een tweede uitvinding, namelijk het maken van ’t eerste „groote net”, leidde tot groote verbetering van ■ ’t bedrijf. Het eerste groote haringnet werd in 1416 te Hoorn gebreid. Zoo kwam de haringvisscherij allengs tot grooten bloei, welke haar gloriepunt bereikte omstreeks het jaar 1600. Niet minder dan 2000 haringbuizen kozen toen zee. In doorslag werd iedere „buis” gerekend op ruim 3000 gulden. Meestal maakte de haringvisscher drie reizen per jaar. Iedere reis van zoo’n haringbuis kostte aan uitrusting van netten, voedsel der bemanning, verdiensten enz. ongeveer 7000 gulden. De gemiddelde vangst bedroeg toen ter tijde ongeveer 560 ton per buis, en de geheele aanvoer van de vloot werd op 21 millioen gulden per jaar geschat. Was het wonder, dat men lofdichten maakte op den haring, dat men in vervoering zong: „Daar komt de kiel met goud belaan?” Later is de haringvisscherij geducht ingekrompen. Een eeuw later bestond de vloot uit 219 haringbuizen en 31 . jagerschepen. Een haringjager was een zeer snelvarende schuit waarmee i in de eerste weken van de vangst de pas gevangen haring t naar land werd gebracht. In de laatste jaren zijn ze vervangen door de zoogenaamde „stoomtrawlers.” De gemeenten, welke aan de haringvangst op de Noordzee i deelnemen worden „reederijplaatsen” genoemd. Dit zijn in ons land: Vlaardingen, Pernis, Schiedam, Maassluis, Rotterdam, Middelharnis, Scheveningen, Katwijk aan Zee, Noordwijk aan Zee, IJmuiden, Amsterdam, Enkhuizen en Den Helder. In ’t jaar 1906 bezat Scheveningen de grootste vloot, n. 1. 4 stoomschepen, 187 zeilschepen, 137 bommen, te zamen 328 stuks. Hierop kwamen Vlaardingen, Katwijk en Maassluis. Waar we meer in het bijzonder onze aandacht gewijd hebben aan de haringvangst op de Noordzee willen we ook nog iets vertellen van de visscherij op de Zuiderzee. De haring op de „waschtobbe” (zooals in de matrozentaal de Zuiderzee genoemd wordt) — gevangen, is een gewilde vischsoort. Gerookt is hij als „Zuiderzeebokking” al bijzonder in trek. .In de maand Maart is de haringvangst op de Zuiderzee begonnen; deze campagne duurt tof ongeveer Mei, èn wordt de „wintervisscherij” genoemd. De volwassen haring begint namelijk van Februari af door de zeegaten de Zuiderzee in te trekken, en vertoeft er ongeveer tot Juni. In vroeger tijd kwam ook in ’t najaar veel haring in de Zuiderzee voor. Na het jaar 1880 heeft die vangst echter zeer weinig opgeleverd. Hoe het komt, dat de haring in de herfstmaanden tegenwoordig niet meer in zoo’n groote hoeveelheid wordt aangetroffen als vroeger, heeft men totdusver niet kunnen verklaren. De haringnetten, welke door de visschers bij de Zuiderzeevangst worden gebruikt, verdeelt men in de volgende drie soorten: a. bewegelijk want: schakels en wonderkuilen; b. staand want: reepnetten en fuiken; c. zegens; Opmerkelijk is het, dat op sommige bepaald reepnetten, op andere meer gebruikt. De „wonderkuil” gebruikt plaatsen meer fuiken worden men in Volendam en op Urk. Trouwens, het gebruik van de soort netten hangt nauw samen met de plaats, waar de haring zich ophoudt. In het begin van de teelt houden de visschen zich namelijk in diep water op; vandaar, dat dan vooral wonderkuilen, reepnetten en schakels worden gebruikt. Komt de haring later meer onder de kust, dan maakt men voornamelijk van fuiken en zegens gebruik. Het centrum van de Zuiderzeeharing is Urk. Vooral
PDF
Nummer
1914, nr.21, 20 mei 1914
Blad
04
Tekst
EEN JUBILEEREND STADJE. MAASSLUIS 1614 De visschers verlaten de haven; men ziet het Enkhuizer havenhoofd en de vloot die uittrekt. (foto B. Reekers). 00 juist aansluitend bij het voorgaand artikel zijn zeker wel de plaatjes op pag. 7, van het stadje Maassluis, dat grootendeels van de vischvangst bestaat. Er zijn in ons land tal van stadjes, oude stadjes ontstaan, voor of in den bloeitijd der Nederlanden, die nöch door de een of andere daad in de geschiedenis beroemdheid verkregen hebben, nöch de aandacht trekken door schitterende overblijfselen of curieuse souvenirs uit vroeger tijd. Stadjes, die bescheiden opgezet, een bescheiden bestaan voerden, stil en pretentieloos de eeuwen over zich zagen heengaan . . . Maar' die toch niet te rekenen zijn onder „doode plaatsen”, doch een karakteristiek verbergen, interessant bij nadere kennisname en dikwijls eene stille schoonheid bezitten in hun sobere anspruchslose geschiedenis. Onder zulke stadjes valt Maassluis. De karakteristiek van het stadje is de. visscherij. Zij is haar ontstaan geweest, en nu na honderden jaren is zij nog het bestaan. Die visscherij, zij is voor ons ook de stille schoonheid waarop we boven doelden en welke ligt in de stoere handhaving van het bedrijf, in den voortdurenden strijd met de zee in al de jaren van zijn bestaan. De visscherij is één, geheel één met de geschiedenis van Maassluis. Het merkwaardige ontstaan is er geheel aan te danken. In overoude tijden lag daar, in verre eenzaamheid, de Maaslandsche sluis, waardoor de lage landen van Delfland en Maasland hun overtollig water ontlastten in in de maand April is het daar aan den vischafslag bijzonder druk. Dat de vangst op de Zuiderzee nogal van beteekenis is, en bovendien zeer uiteenloopen kan, moge blijken uit de volgende cijfers. In ’t jaar 1905 werd op de Zuiderzee gevangen ruim 572.000 tal (een tal is 200 stuks); in 1897 daarentegen 277.000 tal. Ook de prijzen zijn zeer wisselvallig. In 1892 betaalde men gemiddeld 61 cent per tal; in 1906 echter f 1.765. Men ziet het duidelijk: de haringvangst is een zeer wisselend bedrijf. Ruime vangsten worden weer afgewisseld met magere jaren. Gelukkig als de vangst mild is en er zegen rust op den moeilijken arbeid van den visscher. Wel mocht De Genestet dan ook getuigen: ,,Ja, ruw bedrijf! de lucht is zwart, geen starre lacht; Het wiss’lend plekjen, als in duisternis bedolven, Waar, onder ’t barnend schuim der opgeruide golven De visch te zamenschoolt, bij rots en blinde klip, Is, op den Oceaan, vast niet meer dan een stip, Groot, als de kamer! En om nu die stip van zegen Juist uit te vinden, in den mist, den killen regen, Te middernacht en op die bolle woestenij — Dat is geen kinderwerk! Venhuizen. U. G. DORHOUT. EEN RUIME VANGST. (foto A. Dekema). Een haringkoopman aan de Groenmarkt te Amsterdam. (f»*0 Bern. f. Eiiers). de Maas. Om die sluis vestigden zich visschers, en zóó gunstig was die plaats, dat aan het begin der 17e eeuw een eigen beheer gewenscht werd. Zoo scheidde Maassluis zich af van de moedergemeente Maeslandt en ontwikkelde zich tot een beduidende visschersplaats. En een van de eerste dingen, welke door de visscherij tot stand werd gebracht, was de bouw van een groote, eigen kerk. Geheel uit eigen middelen werd die bouw bestreden „buiten eenige subsidiën ofte van het gemeene land ofte van eenige nabuurige steden, door visschers die armelijk, suurlijk en met groot perijckel haerbrootsijn winnende.” Een ander overblijfsel uit de eerste periode van Maassluis is het gemeenlandshuis van Delfland, waarin de vergaderingen van het waterschapsbestuur gehouden worden. Het is geen schitterend staal van Oud-Hollandsche bouwkunst doch de ingang is niet van belang ontbloot als type van Oud-Hollandsche renaissance. Voor wie nu in Maassluis komt, treft de typische ligging. Een hooge dijk loopt dwars door het stadje heen en kruist twee eindelooze vlieten, die onder dien dijk door met sluizen uitmonden in de haven. De kom van die haven is ook de kom der gemeente. De schepen liggen er een paar meter slechts van de woonhuizen; uit de kamers zijn bijna de masten en zeilen te grijpen. Hoog boven de masten uit rijst op den achtergrond de ranke toren van de Groote Kerk. Elke vierkante meter aan de kade is ingenomen door kuipers, die het „kostelijk zeebanket” bij duizenden in tonnen met sterke pekel verwerken, zoodat de straten ervan druipen en... de niet-inwoner een beweging maakt om den neus te bedekken. Hoe anders is het aan de andere zijde van den hoogen dijk. Proper zijn er de straten langs de rechte vlieten; rustigjes en bijkans onbewogen tintelt het water. Zelfs de trekschuit ontbreekt een paar maal in de week niet om het beeld van landelijkheid dat alreeds gevormd wordt door ranke ophaalbrugjes en een knus marktplein, tot een volkomen geheel te maken. En tot voor kort reed er zelfs nog een omnibus met een heuschen postillon, die lustig vroolijke wijsjes de lucht intoeterde. Inmiddels viert Maassluis terecht met opgewektheid haar feest, haar zeldzaam feest, haar driehonderdjarig jubileum. Hoeveel plaatsen in ons land zijn er, die zoo nauwkeurig, op den datum, af haar ontstaan kunnen aanwijzen? C. V.
PDF
Nummer
1914, nr.21, 20 mei 1914
Blad
05
Tekst
DE KONINKLIJKE FAMILIE. Hierboven een foto van Prinses Juliana in het Haagsche bosch, vergezeld door freule v. d. Poll, Zuster Marting en den pony van H. K. H. (foto J. Sijes). De foto’s links en rechts zijn genomen tijdens het Koninklijk bezoek aan Haarlem. M r. F. D. GRAAF SCHIMMELPENNINCK, Comm. d. Koningin in Prov. Utrecht, wien op zijn verzoek met ingang van 1 Aua. a.s. op de meest eervolle wijze uit gemelde betrekking ontslag is verleend. J. A. D. BAKX.t Oud-Hoofdambtenaar, (Chef v. d. Goed, dienst) der H. IJ. S. M. is den len Mei in den ouderdom van bijna 80 jaar te Tiel overleden. (foto C. Reyers). BISSCHOPSWIJDING. Te Roermond heeft den 13en Mei de plechtige wijding plaats gehad van den nieuwen bisschop van Roermond, Mgr. L. J. A. H. Schrijnen. Bovenstaande foto geeft den Aartsbisschop en den Bisschop op weg naar de Kathedraal. Ds. P. HEERING, die zijn emeritaat heeft aangevraagd als predikant der Remonstrantsche Gemeente te ’s-Gravenhage. (foto J. B. Hijmans). TENTOONSTELLING TE EINDHOVEN. Den 9en Mei werd te Eindhoven in tegenwoordigheid van den burgemeester en verdere autoriteiten de tentoonstelling voor Handel en Nijverheid geopend. Hierboven de hoofdingang. COLLECTE. De vorige week is er te ’s-Gravenhage een collecte gehouden voor „Toevlucht voor onverzorgde zuigelingen” (Pres. Mevr. A. S. van Sandick—v. Schilfgaarde) en voor de St-Annastichting (Pres. Mevr. M. Krul—Schütz). Hierboven het comité. (foto J. B. Hijmans) Mej. B. A. DE WEERD, die op 16 Mei 50 jaar als dienstbode in betrekking was b. d. heer B. W. G. v. Erkel te ’s-Gravenhage. Zeker wel een unicum in dezen tijd van dienstbodennood.(foto Susan & Co.) Ds. R. J. W. RUDOLPH f, oud-predikant der Gereformeerde Gemeente te Leiden, die de vorige week te Amersfoort is overleden. NED. HOTELHOUDERSBOND. Den 9en Mei is te Middelburg de jaarvergadering gehouden van den Nederlandschen Hotelhoudersbond. Hierboven een foto * van de aanwezigen. (foto Gebr. Helder). ZANGVEREEN. „HARMONIE" TE BEEMSTER. De zangvereeniging „Harmonie” te Beemster heeft de vorige week Zondag feestelijk haar 50-jarig bestaan gevierd. (foto J. H. P. Coppens). SLUITZEGELS. Op aanvrage ontvangen onze abonné’s en zij, die abonné wenschen te worden, GRATIS EEN SERIE PANORAMA-SLUITZEGELS.
PDF
Nummer
1914, nr.21, 20 mei 1914
Blad
06
Tekst
Z)(Z E oude in zijn witte kiel zat op de bank voor de herberg, de beenen gekruist en deelleboog van zijn rechterhand rustende in de palm van zijn linker. Tusschen de vingers van zijn rechterhand schommelde een tabakspijp. De pijp was leeg; toch ging de oude man u voort met lange halen aan zijn pijp te trekken. Al dien tijd keken zijn waterige oogen met troosteloozen blik naar het kerkhof aan de overzijde van den weg, dat hiervan door een ijzeren hek gescheiden was. Er was een kleine grafheuvel dichtbij het hek en ik verbeeldde mij nu te begrijpen wat de reden was van den kommer die in het dorpje heerschte.Wijzende naar den grafheuvel, zei ik tot den oude: „Dit dorp schijnt een vallei van tranen 1” Hij nam de pijp uit den mond en blies een denkbeeldige rookwolk weg. „E-ja-a!” zei hij en zuchtte. „Ik ben sedert twee dagen hier, maar heb nog niemand zien lachen.” „We hebben geen reden om te lachen,” antwoordde hij. „Iemand gestorven?” „E-ja!” Opnieuw een zucht. „Noach Knobbeldam!” „Kort geleden?” „Vijftien jaar!” „Sapperloot! Da’s ’n heele tijd. Hij was een philantroop, niet?” De oude bukte met moeite en raapte een steentje op. „Dat is heel mooi,” zei Schenkelman dan, „maar ik moet mijn rekeningen betalen en als mijn klanten het mij niet doen, dan werd ik door mijn schuldeischers op straat gezet. Snap je dat, Noach!” „Ezra,” antwoordde Noach plechtig, „lees je de schrift? Daar staat in: Voor geschoren lammeren tempert Hij den wind.” „Dat mag waar wezen,” zei baas Schenkelman, „maar ik heb nog nooit gehoord, dat lammeren geschoren worden.” „Soms wel, soms wel,” hernam Noach, zijn lippen afvegende met den rug van zijn hand. „Ik wacht binnenkort een erfenis en dan .... en dan, Ezra ... •” „Jij >,wacht” al zoolang op je erfenis,” bromde de slager, „’t Is alleen lam dat ze niet op jou wacht. Nee, je krijgt deze kluif niet, die is voor den meester. Hij betaalt.” „Ah!” zuchtte Noach, zijn oogen van de begeerde kluif afwendende. „Als mijn rijke broer in Amerika wist, dat mij een kluif geweigerd wordt! Hij werd ziek van ergernis! Doch laat ons er niet meer over praten, Ezra!” „Als ik jou was, Noach,” zei Schenkelman op gemoedelijken toon, „dan zou ik niet zoo dikwijls over mijn rijke familie praten. De winkeliers in ’t dorp zijn niet zoo geleerd als Noach Knobbeldam, maar ze zullen je niet eeuwig op dat ouwe praatje krediet geven. Ze zijn al zóó dikwijls beetgenomen, dat ze je leugens ruiken, een uur in den wind!” Binnen een half uur wist het geheele dorp dat baas Knobbeldam het slachtoffer was geworden van een lafhartige aanranding en nu bewusteloos lag in zijn kamer achter de werkplaats. Een week lang was het dorp in zorg gedompeld; vooral voor de winkeliers was het een kwelling. Kruidenier, slager, bakker, groenteboer allen kwamen om beurten kijken aan het raam van de kamer waar de oude man den grootsten strijd streed, die eenig man of vrouw te strijden heeft. Doch gaandeweg verminderde de angst in de gemoederen der wachtenden en tegen het einde der week maakten ze hun berekeningen hoeveel het inboedeltje wel zou opbrengen. Ze keken nu uit of de blinden nog niet gesloten werden, om dan dadelijk met hun rekeningen te komen. Maar Noach herstelde. Arabella verbaasde de wachtende schuldeischers, toen ze huilende het huis kwam uitloopen, in haar hand een papier. Het was een chèque, geteekend door Noach Knobbeldam en op naam van Arabella Poedel voor een bedrag van tien duizend gulden. Schenkelman, de slager, trok de chèque uit haar hand en las haar hardop voor aan de andere schuldeischers rondom hem. Voor een oogenblik keken ze elkander half ongeloovig, half beteuterd aan, toen lachte de slager grimmig en greep Arabella bij den arm. „We laten ons niet lijmen, vrouwtje,” zei hij haar het papier teruggevend. „Nou, vort ermee!” ,,lk zei hem ’t is niets,” zuchtte zij, „maar hij is Het onlangs te Olst geopende nieuwe Ziekenhuis. (Foto F. A. M. Topman, Zwolle.) Oud-Katholieke Kerk a. h. Willemsplantsoen te Utrecht, gebouwd n. h. ontwerp van den architect E. G. Wentink De Koningin Wilhelmina-school, die enkele weken terug in de Marthastichting te Alfen is geopend. (Foto F. Mulder Jr.) „Zoo noemde hij z’n zelve,” zei hij, „maar hij was zoo hard als deuze steen, ’t Dorp was gelukkig als de vogels in de lucht voor hij kwam, en nou geen lach meer, sinds hij weg is, niks niet!” Bij gedeelten hoorde ik de geschiedenis van Noach Knobbeldam, van beroep schoenmaker, die ik hieronder volgen laat. Noach Knobbeldam was een man van twee en vijftig jaar en ongetrouwd. De eenige persoon in het dorp die vertrouwen in hem had en hem hulde bracht voor zijn geleerdheid (hij was een hartstochtelijk lezer) was zijn oude huishoudster, een stumperd, die blij was dat ze op haar ouden dag bij hem een onderdak gevonden had. Hij was de eenige schoenmaker in het plaatsje en had daarom al het werk, voor zooveel het waard was; en jaar in, jaar uit zat hij daar met een gelapten schoen tusschen de knieën en een olielampje naast zich, waaraan hij de was warmde voor het afwerken der zolen. Noach had geen enkelen vriend in het dorp, ten gevolge van zijn onbedwingbare geringschatting voor wat hij noemde de allerdroevigste onwetendheid van de boerenbevolking. Hij keek verachtelijk op hen neer en bespotte hen, zich zelf honderdmaal afvragende, waarom hij toch onder hen bleef wonen. Alleen zijn schuldeischers waren gevrijwaard voor zijn geleerde schimpscheuten. Zij werden integendeel heel beleefd door hem behandeld. Daar was, bij voorbeeld, Schenkelman, de slager. „Wel, Noach, hoe staat het er mee?” vroeg deze vaak, terwijl hij wederom een nieuwen post bij de oude schuld schreef. Dit „hoe staat het er mee” beteekende dan: „wanneer zal je toch eens betalen.” Maar Noach, met de vaardigheid van een in het nauw gedreven spreker op een verkiezingsmeeting, wist snel van onderwerp te veranderen. „Schenkelman,” zei hij dan, terwijl hij zijn hoofd schudde, „het hangt van mijn eigen oordeel af, wanneer ik dit dorp van uilskuikens den rug zal toekeeren; doch als er een mensch zal zijn voor wien mij dit spijten zal, dan is het de heer EzraSchenkelman, wiens groote bekwaamheid in het debiteeren van levenswaarheden het eenige lichtende punt is in deze atmosfeer van onwetendheid.” „Mijnheer,” zei Noach, wijzende naar een stuk vleesch op de toonbank, „het is een beleediging voor je eigen merkwaardige scherpzinnigheid om de dorpelingen zooveel schranderheid toe te dichten. Wil je zoo vriendelijk zijn dit vleesch te wegen, zonder been?” „Nee,” zei de slager nog steeds op vriendelijken tóón. „Je zult een ander smoesje moeten verzinnen; we hebben nou genoeg van het ouwe praatje.” Noach ging naar huis, de wenkbrauwen gefronst, en met den ongeschoren mond mompelende, woorden, die toonden, dat zijn geest werkzaam was. Hij riep zijn huishoudster. „Arabella!” zei hij zacht en overredend, „ik laat het aan je zorg over, overtuigd dat je het tot een goed einde weet te brengen. Ga jij eens naar baas Grabbel, breng hem de betuiging van mijn diepste hoogachting en van mijn ongeschokt vertrouwen dat zijn oudste zoon bestemd is om een groot man te worden. Zeg hem dat hij als een groenteboer die zijn vak verstaat mijn bewondering wegdraagt en vraag hem dan tegelijkertijd om een zak aardappelen, maar breng vooral niet minder mee dan vijf pond.” „Hij was gisteren zeer onvriendelijk,” zei Arabella weifelend. „Ja, hij was ruw!” Noach wuifde met zijn hand dat zij heen zou gaan. „Je kan geen zijden beurs maken van een varkensoor, Arabella!” merkte hij op. Daarna hervatte hij zijn arbeid, het lappen van een ouden schoen. Hij boog zijn grijs hoofd over zijn werk en peinsde over de woorden van den slager: „Je zult een ander smoesje moeten verzinnen 1” Gedurende dien namiddag vond Noach Knobbeldam gelegenheid om een half dozijn dorpsbewoners den mantel uit te vegen. Hij ging zelfs zoo ver dat hij er een bedreigde; en gezegend met een robuste gestalte was hij in staat aan zijn bedreiging klem bij te zetten. Toen de schemer viel eindigde hij met werken. Hij ging voor zijn woning zitten en rekende uit dat hij zestig cent en dertig cent dat is negentig cent verdiend had met schoenenlappen. Daar kwam eensklaps uit het duister van de dorpsstraat een welgemikte steen aanvliegen. Hij trof Noach Knobbeldam aan den slaap, zoodat hij voorover viel met een zucht en zoo vond Arabella hem, toen ze thuis kwam. geheel in de war. Hij scheldt zichzelf uit voor een ouwe ellendige gierigaard en bidt om vergeving voor zijn zonden.” Schenkelman vatte haar bij den schouder. „Heeft de dokter hem gezien?” vroeg hij ernstig. „Hij kwam dezen morgen,” zei Arabella, „maar Knobbeldam was net ingeslapen en toen wou hij niet hebben dat ik hem wakker maakte. Een half uur later ging de dokter....” ,JBaas Grabbel,” zei Schenkelman, „met je permissie, we zullen even in jouw winkel gaan, om dat vrouwmensch nader te ondervragen. Het is onze plicht haar te waarschuwen voor het gevaar dat zij medeplichtig zou kunnen worden aan een misdaad.” Ze begaven zich naar de achterkamer in baas Grabbel’s winkel. Er voegden zich nog eenige klanten bij hen. De deur van de kamer werd gesloten en Arabella werd aangeraden alles naar waarheid te vertellen en niets te verzwijgen. „Toen hij ontwaakte,” zei ze huilende, „riep hij mij aan zijn bed. „Hoeveel heb ik nog te goed van de bank, vrouw!” vroeg hij, zijn oogen half gesloten. Ik vertelde hem, hij had ongeveer honderdvijftig gulden tegoed.” Een zucht van verlichting ging door het vertrek. Niet een van de schuldeischers was ooit zoo hoopvol geweest. „„Honderdvijftig gulden!” riep hij uit, mij bij den arm grijpende zóó!” ze deed het voor. „ „Vijftien millioen, meen je,” zei hij en toen ik hem in zijn arme oogen keek, zag ik wel dat het mis met hem was. Een van mijn broeders is denzelfden weg gegaan. „Vijftien millioen,” zei hij weer, „en al deze jaren, Arabella, was ik een ellendige, schrapende, ouwe gierigaard. Onhebbelijk tegen mijn vrienden en ruw tegen 4e arme boeren. Ik heb steeds ruzie tegen hen gemaakt, heb hen bespot en uitgelachen, maar zij hebben mij telkens hun andere wang toegekeerd. ” ” .,0, ja,” zei baas Schenkelman en ofschoon hij lachte, terwijl hij dit zei, was er een hatelijke klank in zijn stem. Hij keek met een blik van verstandhouding naar baas Grabbel. Arabella wischte haar oogen af met de punt van haar schort.
PDF
Nummer
1914, nr.21, 20 mei 1914
Blad
07
Tekst
PANORAMA —......... " ------.'. ...........—. 1 ■" Een oud sluisje, waaraan Maassluis zijn naam en ontstaan dankt. „„Ik heb ’n vreeselijken droom gehad, Arabella,” begon hij weer na eenige oogenblikken. „Hij zal er spoedig weer een hebben,” bromde baas Schenkelman. „„Een afschuwelijken droom,” zei hij. „Ik dacht dat ik dood was en toen ik voor den grooten Rechter kwam, vroeg Hij mij: ,,wat heb je gedaan met al je geld, Noach Knobbeldam? ” ” ” „Dat is ’t wat we allen ook graag willen weten,” merkte de slager droogjes op. „Hij greep mijn hand, kijk zoo!” ging Arabella voort, „en zei met berouwvolle stem: „ik kon niet antwoorden, vrouw. Ik wist dat ik mijn geld maar had opgestapeld in de bank; ik had geweigerd mijn schulden te betalen; ik was een ouwe zondaar zonder een enkele deugd.”” „En toen hij bemerkte dat hij niet dood'was, wat toen?” Baas Grabbel had nu de rol van rechter van instructie op zich genomen. „Hij zei: „ik heb nog één kans, Arabella! Ik zal het verleden goed maken. Jij,” en zijn arme oogen vulden zich, met tranen, „jij bent een getrouwe dienstmeid geweest. Ik zal jou het eerst beloonen.” Hij vroeg mij om pen en inkt en gaf mij deze cheque.” „Ze is het papier niet waard, dat er aan verknoeid is,” zei baas Schenkelman brutaal. Arabella scheen dit niet gehoord te hebben, want ze vouwde het papier zorgvuldig op en stak het in haar zak. „Ik geef je er geen dubbeltje voor,” verklaarde baas Grabbel. „Het was de manier waarop hij het gaf,” peinsde Arabella. „Het was het eerste waar zijn geschokte geest aan dacht.” „Is hij op,” vroeg baas Grabbel. „Lieve hemel!” riep ze uit. „Hij schijnt niks te mankeeren, zoolang hij zijn mond houdt. Maar als hij aan ’t praten gaat, dan spreekt-ie van huizen die hij laat bouwen en wat hij er mee doen moet vóór hij sterft. En hij praat over zijn chef en over den huisknecht die zijn kleeren moet borstelen. O, mijn hart breekt als ik hem zoo hoor praten!” $ „Ja,” zei baas Schenkelman spottend, terwijl hij naar de deur liep. „Ik zal morgen naar hem komen kijken. Het is vandaag slachtdag. Jammer, dat ik alleen een koe en een paar schapen den hals moet afsnijden.” Op den avond van dienzelfden dag kleedde Noach Knobbeldam zich in een oud zwart pak, dat reeds meer dan twintig jaar op den bodem van een koffer gelegen had, nam een stok onder den arm en ging een pelgrimstocht ondernemen ter boetedoening, zooals hij ’t noemde. De eerste persoon, dien hij bezocht, was baas Ezra Schenkelman, die juist zoo druk bezig was eenige klanten te helpen, dat hij den bezoeker nauwelijks groette. Noach Knobbeldam nam met een zekere deftigheid een chèque uit een leeren taschje en reikte het ernstig den slager over. „Neen, geen dank! Geen dank!” riep hij met autoriteit, met dé hand wuivende als wilde hij een uitbarsting van dankbaarheid voorkomen. „Geen woord! Je bent een goed vriend voor me geweest, een waar vriend. „Dat” is slechts een geringe belooning mijnerzijds!” „Dèt” was een chèque van vijfduizend gulden, ten name van den slager. Baas Schenkelman greep naar een been, maar Noach was den winkel reeds uit vóór het projectiel kon worden gebruikt. Toen ging Noach naar baas 'Grabbel. Met hetzelfde ceremonieel overhandigde hij den groenteboer een chèque van tweeduizend gulden. Spat, de bakker, ontving een gift van drie duizend; Pilger, de kleermaker, een van duizend gulden. En gesterkt door de overtuiging dat hij nu een kleine vergiffenis had verdiend, stapte Noach naar huis. Daar las hij Arabella eenige gedichten van Jan Luiken voor en vertelde haar van de reis die hij voornemens was rondom de wereld te maken. Te middernacht ging hij naar bed en sliep kalm tot den anderen morgen. Dien morgen te negen uur was er een kleine vergadering in de achterkamer van baas Grabbel. „We zullen opstappen en den millionnair eens den schrik injagen,” zei Grabbel. „Als het aan mij gelegen had...” en hij keek naar baas Schenkelman, „zou je een stelletje gekken gezien hebben. Waar is de veldwachter?” De kleermaker voegde zich er ook bij en in gezelschap van den man der wet gingen ze op weg naar Knobbeldam. Noach had zijn deftigheid grootendeeis weder afgelegd en zat over zijn schoenwerk gebogen toen de schuldeischers zijn werkplaats binnentraden. Hij keek hen aan, terwijl ze een halven cirkel vormden rondom zijn schoenmakerstafel. „ik wensch jelui goeden morgen, heeren!” riep hij vroolijk uit. „Erschijnt een massa werk te komen vandaag.” „Hoe is het met je memorie?” vroeg Schenkelman, den veldwachter wenkende naderbij te komen. „Uitstekend! Dank je!” zei Noach een stukje was boven zijn olielampje warmende. „Wonderlijk, wat een goede nachtrust soms kan uitwerken, hè?” Baas Schenkelman nam zijn chèque uit zijn zak en sloeg er nog een blik in, een laatsten blik. „Wonderlijk,” stemde Knobbeldam toe. „Hoeveel duizenden heb je vannacht verloren?” ging de slager voort. „Je was erg royaal met je geld gisteravond!” De ingang van het z.g. „Gemeenlandshuis van Delfland” te Maassluis. Dit gebouw is in het begin van de 17e eeuw gebouwd. Knobbeldam legde zijn schoenwerk neer en veegde zijn handen aan zijn voorschoot af. „Waarde Schenkelman,” zei hij langzaam. „Als je hier gekomen bent om me verlegen te maken met je dankbetuigingen voor ^het kleine cadeautje dat ik je gegeven heb, dan zou het mij haast spijten het gegeven te hebben. Philanthropie is moeilijk!” De slager barstte in lachen uit, dat echter plotseling onderbroken werd door de komst van Arabella. Woedend drong ze door den kring heen en plaatste zich tusschen den slager en den schoenlapper als een tijgerin, die haar jongen verdedigen wil. Met gebalde vuisten voor den slager staande riep ze uit: „Je zult hem niet voor den gek houden, zoolang ik nog adem heb. Schamen jullie ie niet een ouwen man te komen lastig vallen, die pas van het ziekbed is opgestaan?” En een els opnemende voer ze voort: „Gaat weg, hondsvotten, of sommigen van jullie zullen een dokter noodig hebben.” Noach Knobbeldam was nog meer verwonderd dan de bezoekers. „Arabella, mensch,” riep hij verschrikt dit, „wat scheelt je?” Toen brak ze in tranen uit. „Ze zijn gekomen om je te bespotten,” snikte ze, „en dat kon ik niet aanzien.” „Je bent een trouw schepsel,” zei Noach vriendelijk, „en ik kan op dit oogenbli< niet de juiste woorden vinden om je te zeggen, hoezeer ik ie gehechtheid op prijs stel. Maar ik geloof toch dat je de bedoelingen van deze heeren verkeerd begrepen hebt.” „Heeft ze?” Baas Schenkelman gaf de anderen een teeken. „Als je ’t mij vraagt, Noach Knobbeldam, dan zeg ik je: ze heeft ’t bij ’t rechte eind, ’t Is uit met jouw grapjes. Hier is je chèque, let op!” Hij hield het papier boven de brandende lamp. „Kom op met je papiertjes!” zei hij tot de anaeren en in een paarseconden lag er naast de lamp een hoopje verbrand papier. „Een klein vuurwerk voor jouw plezier, Knobbeldam,” zei de slager. „Je ziet we zijn niet zulke ezels als jij wel denkt. Heb ik je niet gezegd dat we al zoo dikwijls bij den neus .. ..” Hier hield hij plotseling op. Knobbeldam gedroeg zich heel anders dan ze verwacht hadden. Hij vouwde zijn handen te zamen, en boog zijn hoofd zoo laag, dat zijn kin niet meer te zien was, terwijl de tranen over zijn rimpelige wangen stroomden. „We zullen je nog een kans geven, Knobbeldam,” zei nu Grabbel. „Je hebt je spelletje gespeeld zoo goed als je kon, en nou zeg ik je: als je vijftien gulden op de bank hebt, dan schelden wij je je schuld kwijt ” Langzaam lichte Knobbeldam zijn hoofd op en zijn oogen rustten op het hoopje asch. „Da’s nobel!” zei hij met een zucht. „Arabella!” Ze viel op haar knieën naast de tafel „Ik heb de mijne nog!” riep ze uit met een vijandigen blik naar de mannen rondom haar, „en ik zal er voor niets ter wereld van scheiden.” Hij glimlachte flauwtjes en legde liefkoozend zijn vuile werkhand op haar hoofd. „Ik geloof,” zei hij met een diepe zucht, „ik geloof dat ik gisteren een beetje in de war was, maar dezen morgen .... dezen morgen is alles terecht gekomen. Kun je lezen, Arabella? Kun je lezen? Lees dan dezen brief eens voor aan de vrienden hier. Hij kwam van morgen — dezen morgen.” Hij haalde onder zijn voorschoot een brief vandaan en Arabella las hardop: Amsterdam, Nov. 1899. Den Heer Noach Knobbeldam. Mijnheer, We hebben de eer u mee te deelen, dat u door bijlen uw broeder Angus Knobbeldam, in leven veehouder in Texas, benoemd zijt tot eenig erfgenaam van zijn vermogen groot honderd veertig duizend gulden. Het geld werd heden te onzen kantore gestort en het zal ons een eer zijn, wanneer u een dag bepalen wilt, waarop onze vertegenwoordiger u kan komen bezoeken om de noodige formaliteiten met u te regelen. Hoogachtend, Uw dienstw. HOUTHUIS en SCHRAMP, notarissen Een drukkende stilte heerschte er onder de verzamelde mannen. Toen wees Noach naar het hoopje asch naast de olielamp en zei op tevreden toon: „Arabella, beste, haal even een varken en blik! Jij bent ’n trouwe ziel.” De oude in zijn witte kiel stond op, zijn verhaal was ten einde. Hij had den steen nog steeds in de hand. „Toen hij stierf,” zei hij bitter, „liet Noach alles wat hij bezat na aan dat intrigeerende vrouwmensch en de laatste woorden die ze tegen me zei waren: „Schenkelman, je moet nooit een gegeven paard in den bek zien.” Hij smeet den steen over het roestige hek aan de overzijde en strompelde naar huis De mooi gesneden regeeringsbank in de kerk te Maassluis, welke bank nog geheel gaaf is.
PDF
Blad 
 van 2380
Records 756 tot 760 van 11897