Panorama

Blad 
 van 2380
Records 741 tot 745 van 11897
Nummer
1914, nr.20, 13 mei 1914
Blad
04
Tekst
De muziek van de lijfwacht voor het Koninklijk slot Amalienborg, te Kopenhagen. „Sorgenfri”, het buitenverblijf van Koning Christiaan. £03=56=% HAAR VLUCHT Door G. A. Dieterle jj .......cOltw INLEIDING. AAR VLUCHT” is een kort spel van den huiselijken haard, met intermezzo op straat. Personen: twee; Willy, de ontaarde echtgenoot en Hortense, de diep ongelukkige vrouw. Het spel bestaat uit drie kleine bedrijven en begint na een huiselijke oneenigheid over een door Hortense gekochten hoed. Het eerste bedrijf speelt in de huiskamer. Willy zit in een crapeau voor de open veranda-deuren en leest in een boek. Hortense, gekleed om uit te gaan, staat bij de kamerdeur. Verder heerscht er in de kamer een drukkende stilte. EERSTE BEDRIJF. Hortense: „Ik loop van je weg!”... Stilte. Hortense: „Ik loop van je weg, Willy,... weg loop ik en kom nooit meer terug. .. Willy . .. Willy.. . boor jij het niet!” Willy (zonder op te kijken): „Zeg je wat, kind?” Hortense: „Zeg je wat.. Dat vraagt zeg je wat! Ik zeg, dat ik je haat, dat ik je niet meer zien kan, dat je een mispunt bent... Ik zou je wel willen vermorzelen ... Je hebt me ongelukkig gemaakt. .. Maar blijf je daar dan maar kalm zitten, als ik wil wegloopen ... Je denkt zeker dat ik het niet doe. .. Maar ik doe het zeker.” (Zij opent de deur, blijft in den post staan en kijkt met minachtenden blik naar Willy, die nu een sigaret aansteekt en de wolkjes blauwen rook langzaam uit zijn mond laat pluimen). Hortense: „Ik weet dat ik je vrouw geweest ben 1” (Zij slaat de kamerdeur hard dicht, even later hoort men de huisdeur dichtslaan). TWEEDE BEDRIJF. Plaats van handeling: de straten waarin Hortense loopt. Het bedrijf bestaat alleen uit stil spel van Hortense, De Koningin van Denemarken met haar twee zonen. (Foto Laurberg & Gad, Kopenhagen.) omdat zij niet hardop zegt, wat zij denkt. De figuratie in dit bedrijfje zijn een paar mannelijke voorbijgangers, die Hortense nastaren omdat zij er aardig uitziet. Hortense (denkt): „Zóó zijn de mannen allemaal; ze denken alleen om zichzelf en om hun vrouw nooit, die moet maar zorgen dat meneer niets ontbreekt. Vóór hun trouwen zijn ze lief en aardig en daarna gunnen ze je niet eens een nieuwen hoed... Wat een naarheid van een vent om een zuur gezicht te zetten, als-ie zoo’n dot van een hoed ziet.. . Duur ... duur .. . die kwibus is mal__ stapel gek is hij! Die hoed is heelemaal niet duur. Echt panama, gegarneerd met libertyzijde en roode kersen. Wat is die hoed rijk aan kleuren en wat een zwier zit er in ... Ik heb er vast reuzen-chance mee . . . Duur. .. mal is-ie ... ze vroegen me dertig gulden en ik heb net zoo lang afgedongen dat ik hem voor vijfentwintig kreeg. Je hebt een geheele kast vol hoeden .... ’t Mocht wat. . . Zoo’n stumperd van een man weet natuurlijk niet dat je een hoed van verleden jaar deze zomer niet meer dragen kan . . . Daar kan-ie met zijn bekrompen verstand niet bij.. . Maar hij krijgt nu een lesje ... Wat een mispunt, om me niet tegen te h ouden . . . Ik dacht dat hij op zou springen, me tegenhouden en me om vergiffenis vragen ... Maar, oelepietje... Hij stak een cigaret op . . . Zou-ie nou in angst zitten? .... Wat zou hij nu doen?... Hij kan berouw hebben en in zijn stoel zitten huilen. Maar ’t blijft een onbeschaamdheid, om te zeggen: je had me toch eerst kunnen vragen of je hem koopen kon . . . Zoo iemand spreekt nog over gelijke rechten tusscben man en vrouw........Er is deze maand nog al veel te betalen, we zijn een beetje court d’argent. .. Hij had wel gelijk . . . Nee, gelijk heeft een man bij mij nooit; uit principe niet... Ik was een heel klein beetje onnadenkend . .. Het verveelt me op straat... Waarom heeft-ie me niet tegengehouden ... Wat zou hij onmiddellijk na mijn vertrek zijn gaan doen. .. Zou hij de buren bij elkaar geroepen hebben ?... Wat een angst!... Stel je voor dat het buis leeg is .. . Waar zou hij dan wezen ... En als hij thuis is en om me zit te treuren, wat zal hij dan juichen als ik ineens voor hem sta .. . ’t Is vreeselijk warm... Hoe dichter ik bij buis kom, des te benauwder krijg ik het... Gelukkig, er staan geen menschen voor m’n deur... De buren heeft hij er nog niet bijgehaald.” (Ze steekt den sleutel in het slot van de huisdeur). DERDE BEDRIJF. Hortense loopt snel op baar teenen dcor de gang. Ze luistert aan de kamerdeur, maar hoort niets. Ze wordt hoe langer hoe zenuwachtiger en zou nu wel heusch willen vluchten. Ze luistert nog eens heel aandachtig. Buiten rijdt een kar voorbij. Hortense: „Hè, die akelige kar. . maar wachten totdat-ie voorbij is... Ja, ik hoor wel iets... een iets vreemds, iets dat een schrapend geluid maakt... Wat zou. het wezen? (Ze werpt de deur open). Willy, Willy, sta jij je te scheren?” Willy (zijn met zeep bedekt gelaat naar de deur wendend): „Zooals je ziet. .. Ik dacht niet dat je binnen het kwartier terug zou zijn.” De Koning op een wandelrit door Kopenhagen. Zooals men op deze foto ziet, beweegt Z. M. zich vrij door de straten en worden er niets geen bijzondere maatregelen getroffen. (Foto Ferslew & Co.)
PDF
Nummer
1914, nr.20, 13 mei 1914
Blad
05
Tekst
Zitting van de Tweede Kamer der Staten-Generaal q=o op Woensdag 6 Mei 1914, onder presidium van Mr. H. Goeman Borgesius. 0=9 Ministers. Van links naar rechts'. Dr. Lely, Mr. Pleijte, Prof. Treub, Bertling. Staande: Mr. Cort v. d. Linden, Mr. B. Ort. Van links naar rechts: Achterste rij: Mr. P. Rink, Mr. Th. H. de Meester. Staande: Mr. P. J. M. Aaiberse. 2e rij van achteren: W. J. de jong, Mr. J. H. ter Spill, F. J. W. Drion, J. E. W. Duijs, Mr. P. J. Troelstra, F. W. Hugenholtz, Mr. G. Sannes, A. B. Kleerekooper. 3e rij van achteren: E. M. Teenstra, F. Lieftinck, Dr. J. van Leeuwen, J. H. A. Schaper, W. H. Vliegen, A. Roodhuijzen, A. H. Gerhard. 4e rij van achteren: Mr. 0. Th. van Deventer, Mr. L. N. Roodenburg, Mr. W. Dolk, J. ter Laan (Rott.) W. P. G. Helsdingen, Jhr. Mr. W. van Doorn, Mr. M. Schim v. d. Loeff. 5e rij van achteren: Jhr. G. Schimmelpenninck, F. M. Knobel, Mr. R. J. Patijn, Mr. Fock, Mr. H. Marchant, Dr. D. Bos, Mr. H. Smeenge, Mr. J. Heeres. Voorste rij: Jhr. Mr. P. van Foreest, Mr. W. H. de Beaufort, Mr. M. Mendels, W. Boissevain, Mr. E. E. van Raalte, K. Eland.. Mr. F. J. Jansen, Mr. G. Jannink. Van links naar rechts: Achterste rij: B. J. Gerritsen, C. v. d. Voort v. d. Zijp, Mr. V. H. Rutgers, A. Brummelkamp, Dr. H. Nolens, A. H. Arts. 2e rij van achteren: J. G. Scheurer, L. F. Duymaer van Twist, Dr. E. J. Beumer, Mr. J. B. baron Wykerslooth. 3e rij van achteren: K. Spiekman, Mr. H. A. v. d. Velde, F. H. de Monté verLoren, Mr. A. J. baron van Wijnbergen, Jhr. Mr. van Nispen tot Sevenaer (Nijmegen). 4e rij van achteren : A. H. Gerhard, j_. v. d. Molen, Mr. J. A. Loeff, W. H. Bogaardts, Mr. Th. J. A. Duijnstee, J. H. J. Beckers. 5e rij van achteren: Dr. B. D. Eerdmans, P. Otto, Mr. R. van Veen, Mr. J. Ankerman, Jhr. Ruijs-de Beerenbrouck, P. F. Fruijtier, Mr. D. A. P. N. Kooien. 6erij van achteren: Jhr. Mr. D. J. de Geer, Jhr. G. J. A. Schimmelpenninck, Mr. O. J. E. baron v. Wassenaer v. Catwijck, Mr. J. van Idsinga, Jhr. Mr. Victor de Stuers. Mr. J. van Best, J. C. Jansen. Voorste rij: W. Boissevain, E. J. W. Drion, Jhr. Mr. A. T. de Savornin Lohman, Mr. W. K. Graaf van Bylandt, Jhr. v. Nispen tot Sevenaer (Rheden), A. N. Fleskens. Zittend v. d. banken: J. H. A. Schaper, A. C. A. van Vuuren, Mr. W. Dolk. Staande rechts v. d. banken: Mr. P. J. M. Aaiberse, Jhr. J. B. v. d. Berch v. Heemstede. Presidentszetel, van links naar rechts: Mr. A. R. Arntzenius, Griffier, Mr. H. Goeman Borgesius, Voorzitter, Mr. J. G. Meilink, Com.-Griffier, Mr. W. G. A. van Sonsbeeck, Comm.-Griffier. Speciaal opnamen van het Haagsch Hl. en Persbureau.
PDF
Nummer
1914, nr.20, 13 mei 1914
Blad
06
Tekst
/ HOE IK EEN VROUW MET VIER TON VERSPEELDE MARGARET STRICKLAND zijn menschen die beweren dat men het best doet verklaringen van dit soort maar voor zich te houden, d. w. z. dat men wijs doet geen zaken op te rake len, die een slecht licht op ons karakter werpen. Het is evenwel mijn overtuiging, dat ik schandelijk belasterd ben, die mij noopt de redenen te vertellen, waarom ik mijn vriendschap met de Kelway’s heb verbroken. Mijn vader en kolonel Kelway waren van hun jeugd af vrienden geweest en beiden hadden, dit weet ik, eenmaal de hoop gekoesterd dat de beide families door teederder banden zouden zijn verbonden. Zeker, Mamie en Trixie» Kelway waren een paar bekoorlijke meisjes, maar veel te wispelturig en lichtzinnig voor mijn smaak. Ik houd niet van meisjes die er jongensmanieren op na houden en kwajongensstreken uithalen. Zulk soort dingen kunnen mij niet behagen. Nochtans, Strathcourt was een heerlijke buitenplaats en zooals mijn moeder terecht zei: „het was nuttig de menschen daar te vriend te houden.” Laat ik allereerst zeggen, dat ik voor mijn moeder een groote vereering koester; ze is een degelijke schotsche vrouw met een verstandig oordeel. Mijn arme vader, dat herinner ik mij nog wel, nam haar dikwijls in het ootje over haar zuinigheid, maar de goeie man was zoo hopeloos verkwistend met alles, dat we spoedig aan het bedelen hadden kunnen gaan, als zijn vrouw niet zoo verstandig was geweest hem een beetje in toom te houden. Gelukkig erfde ik deze zwakheid van hem niet over, maar had het karakter mijner moeder en menigmaal zei deze reeds in mijn jeugd: „Jij zult nog eens een rijk man worden, Cuthbert!” Mijn vader had altijd gehoopt, dat ik eenmaal in militairen dienst zou gaan, maar ook hier won het verstand het. Soldaatje spelen had mij nooit bekoord. De jonge dames Kelway waren tenhoogste verwonderd, toen ze mijn besluit vernamen. , „Hoe is ’t mogelijk om te gaan bakken op een paar muffige kamers in de stad, als je in dienst zou kunnen gaan,” zei Mamie met een hoonenden trek op het gelaat; doch zooals ik hierboven reeds zeide, haar manieren waren soms bepaald onhebbelijk. „Ik heb geen zin om te verkeeren met een zootje stommelingen, die tegenwoordig dienst nemen,” antwoordde ik vinnig. „Maar, waarde Cuthbert/’zei nu Trixie, „jij met je fijn intellect zou je spoedigverheffen boven deze leeghoofden. En denk eraan, hoe goed ’t zou klinken „Majoor De Tooker” of „Generaal deTooker,”er zit iets zeer heldhaftigs in.” Dit veroorzaakte een onnoodig gelach te mijnen koste; ik deed echter of ik de opmerking niet hoorde. Ik vind niets bespottelijks in mijn naam en beschouw dergelijke aardigheden als een volslagen gebrek aan goede manieren. Natuurlijk was de kolonel eveneens van meening, dat ik geen goede keus gedaan had en hij vond het van mijn vader verkeerd, dat hij zich in deze zaak had laten overreden. Mevrouw Kelway alleen bezag de dingen wat verstandiger. „Hij zal een beter advocaat zijn dan een soldaat,” verklaarde zij, „en goed geld verdienen.” Ongelukkigerwijze stierf mijn vader spoedig, nadat ik mijn eerste examen had gedaan. Ik had dus de voldoening niet, dat hij getuige was van de vervulling dezer profetie. Mijn moeder had echter alle reden trots op mij te zijn, Ik werkte hard en had spoedig het geluk bij de rechterlijke macht te'worden benoemd. Gedurende dezen tijd zag ik weinig van de Kelways. De kolonel zocht mij een paar maal op en noodigde mij om te lunchen. Op een anderen keer ontmoette ik zijn zoon Alex met eenige van zijn vrienden. Ze kwamen juist met veel lawaai uit een restaurant en noodigden mij uit met hen wat te drinken. Aangezien ik echter van deze buitensporigheden niet houd en zij bovendien al genoeg gedronken hadden, weigerde ik mee te gaan. Onnoodig te zeggen, dat de verstandhouding tusschen mij en Alex sedert dien tijd niet van de beste was. In spijt van deze bekoelde vriendschap ontving ik kort daarna onverwachts een uitnoodiging om op villa Strathcourt te komen logeeren. Mamie was meerderjarig geworden en dat zou feestelijk worden gevierd. Ze hadden mij noodig voor een openluchtspel, dat zij wilden opvoeren. De uitnoodiging kwam op een gunstigen tijd, toen de rechtbank vacantie had. Ik nam ze dus aan. Ik vernam dat zij voornemens waren een groot feest te geven. Wijl ze mij noodig hadden voor de repetitie, kwam ik een week vroeger dan de andere gasten. „We hebben jou gevraagd, Cuthbert,” legde Trixie me uit, „omdat we weten dat jij gemakkelijk kunt leeren. Mannen doen gewoonlijk zoo hopeloos idioot als ze moeten meespelen. Ze nemen het nooit ernstig op en doen niets dan plagen den geheelen tijd, maar dat zul jij niet doen.” „Zeker niet,” antwoordde ik met waardigheid. „Ik houd niet van flauwe grappen en wanneer ik iets onderneem, dan volbreng ik het ook.” Ik beschouwde mijzelf als een acteur van ongewone bekwaamheid. Toen alle gasten waren aangekomen, was het huis geheel vol en mevrouw Kelway vroeg mij daarom mijn kamer te willen deelen met Billy Raynor. Welnu, ik had Raynor al meermalen ontmoet en er dus geen bezwaar tegen, ’t Was een goeie jongen, ofschoon een beetje dwaas, zooals u uit het vervolg bemerken zult. Hij wist over niets te praten dan over honden en paarden en aangezien dit onderwerpen zijn die mij niet het minst interesseeren, hadden wij geen punten van overeenkomst. O ja, toch één — wij beminden hetzelfde meisje. „FREDENSBORG”, het buitenverblijf van de Koningin-Weduwe van Denemarken Dit slot ligt 50 K. M. buiten Kopenhagen. Hetty Vining was een nicht van de Kelways en kort te voren uit het buitenland teruggekeerd. Ik had nog een vage herinnering haar vroeger gezien te hebben. Ze was toen nog een kleine meid en ik hoorde den kolonel tot mijn vader zeggen: „Dit meisje is een van de gelukskinderen. Ze zal als ze haar jaren heeft vier ton bezitten!” Verbeeld je nu niet dat het om haar geld was dat ik haar beminde. In ’t geheel niet. Ze was een bekoorlijk meisje, een volkomen contrast van haar heidensche nichten, begaafd, mooi en vol gratie en ze speelde schitterend piano. Dit was gelukkig voor mij, want ik was, zonder hoogmoed gezegd, een even uitstekend violist. Met haar als accompagnatrice maakten we werkelijk verdienstelijke muziek. Dit was een goed excuus voor mij om zooveel mogelijk haar gezelschap te houden; en zij scheen deze tête-è-tête*s niet onaangenaam te vinden. We konden soms langen tijd samen keuvelen over de verdiensten van verschillende componisten en al dien tijd zat Raynor ons gade te slaan en zijn noodlot te verwenschen, dat hij uit onwetendheid niet in staat was aan ons gesprek deel te nemen. Overigens was zij heel vriendelijk tegen hem. Er was iederen dag het een of ander feest en het weer werkte bijzonder mee. Er was een bal, een avondfeest met het reeds vermelde openluchtspel, verschillende gezelschapsspelen, een picnic en een tuinfeest. Ik moet dan ook eerlijk bekennen: de Kelways onthaalden ons bijzonder royaal. Het tuinfeest was het laatste der feestelijkheden en den dag daarop moest ik zoowel als de andere gasten vertrekken. Ik besloot daarom op den laatsten avond met Hetty Vining tot een verklaring te komen. Ik wist niet of Raynor haar al reeds zijn liefde betuigd had, in allen geval wilde ik het doen bij de eerste gunstige gelegenheid. Zoodra die zich dan ook aanbood, leidde ik haar naar een rustig tuinhuisje en vroeg haar daar mijn vrouw te worden. Ik was zeker geweest van haar antwoord, maar zij scheen dat niet te wezen, want hoewel half overwonnen door mijn welsprekendheid aarzelde ze en vroeg mij den tijd, er over na te kunnen denken. Ik vond dit goed op voorwaarde dat ze mij mijn vonnis zou meedeelen, voordat ik den volgenden dag vertrok. Zij stemde hierin toe. IkwasevenweLovertuigd dat zij „ja” zou zeggen, want zij was zeer lief tegen mij en bood niet den minsten tegenstand toen ik haar kuste. Trouwens ik geloof dat de meisjes er een genoegen in vinden om hun aanbidders zoo lang mogelijk op de pijnbank te laten, daarom gaf ik Hetty haar zin en besprak nog alleen den tijd en de plaats wanneer en waar ik haar den volgenden morgen ontmoeten zou. Toen keerde ik naar het gezelschap terug. Een paar uur later, toen ik in derestauratiezaal eenige ververschingen gebruikte, zag ik Raynor binnenkomen met doodsbleek gelaat. Hij zwelgde een glas brandysoda naar binnen. Ik grinnikte in mijzelf, want ik begreep de reden van zijn vertoorndheid. Toen hij mij evenwel zag, herstelde hij zich, kwam naar mij toe en bood mij zijn sigarenkoker aan. Ik weigerde niet, want Raynor heeft altijd fijne sigaren. Vervolgens wandelde ik alleen den tuin in: deze was nu geheel verlaten. Bijna alle gasten waren reeds vertrokken. Ik wilde nu rustig mijn sigaartje rooken en sloeg daartoe een smal boschpad in, toen ik in mijn nabijheid stemmen hoorde. Ik stond stil, de eerste woorden die ik hoorde werden gesproken door Trixie’s scherpe, snijdende stem en deden mij den adem inhouden. „Maar, Hetty, je hebt hem toch zeker niet genomen?” Als ze met dat „hem” mij bedoelde, was haar intonatie bepaald beleedigend. Ik wachtte angstig af wat de ander zou antwoorden. „Neen, ik heb hem nog niet genomen, maar zal het waarschijnlijk doen.” „Mijn hemel, zoo’n kwast als Cuthbert de Tooker, terwijl Billy bereid is aan je voeten neer te knielen.” „Maar hij is zoo weinig ontwikkeld, Trix; onze smaken komen weinig overeen.” „Hij is een sportman,” verklaarde Trixie vurig, „en een van de beste.” „O, ja! dat weet ik,” hernam Hetty, „ik houd ook wel van hem, werkelijk, ik .. . ik zei hem dit ook, toen hij mij daarstraks vroeg, maar....” „Heeft hij je gevraagd?” „Ja, ongeveer een half uur geleden. Hij was zeer lief, de arme jongen, en ik heb wel met hem te doen. Hij vroeg mij of hij nog hoop mocht koesteren. Ik zei, dat ik vreesde van niet. „In allen geval zal ik wachten en als ge geen ander bemint dan beproef ik het later nog eens!” zei hij. „Hm! Dus Cuthbert heeft hem het voetje gelicht. Nou, ik feliciteer je, hij is knap!” „O ja!” riep Hetty enthousiast uit, „en zoo muzikaal. Ik geloof niet ooit een dilettant zoo goed viool te hebben hooren spelen.” „Hm,” kwam het weer van Trixie’s lippen. „Niet kwaad. Zijn vader, dat was een aardig man.” „En zijn moeder?” vroeg Hetty. „Slechtseen paarkeergezien ! Een groot mensch, steeds gehuld in Isabellakleurig brokaat. Een figuur als’n contrabas.” Hetty barstte in lachen uit, maar ik gloeide van verontwaardiging. Maar och, het was juist een karaktertrek van de jonge dames Kelway om goedkoope grappen ten koste van anderen ten beste te geven. „In allen geval,” hernam Hetty, „heeft tante mij verteld dat ze hoopte, een van jullie met Cuthbert te zien trouwen. Zij heeft dus een goede opinie van hem. Trixie trok den neus op. „Hij is anders niet bijzonder gezien bij zijn kennissen, dat kan ik je verzekeren Alex zegt, dat hij gierig is en verwaand en niet het miste gevoel voor humor bezit.” Maar nu stoof mijn getrouwe Hetty op. „Jaloerschheid is gewoonlijk de bron van kwaadsprekerij.” „Och,” zei Trixie onverschillig. „Hij is niet waard dat er over hem getwist wordt. Sedert dat jij je voorgenomen hebt mevrouw de Tooker te worden, behoeven we niet meer over hem te praten. Laten we naar binnen gaan.” I
PDF
Nummer
1914, nr.20, 13 mei 1914
Blad
07
Tekst
PANORAMA Ik maakte nu dat ik weg kwam. Gierig en verwaand, waarlijk! Gierig, terwijl ik Mamie voor haar verjaardag een mooie doos chocolade had meegebracht. Wel had Raynor haar een Slazenger tennisracket gegeven en Alex’ vrienden hadden allen meer of minder kostbare cadeaux gegeven, maar ik ben uit beginsel eigenlijk tegen het geven van cadeaux. Bovendien zijn meisjes zoo gauw geneigd er gevolgtrekkingen uit te maken en ik wenschte niet bij Mamie eenige valsche hoop te vestigen. Ik was trouwens ten hoogste verwonderd dat haar ouders haar toestonden van al die jonge mannen geschenken aan te nemen. Wat overigens de opmerking van jongenheer Alex betreft, zooals ik hierboven reeds heb medegedeeld: we waren nu niet bepaald boezemvrienden. Jaloezie, natuurlijk, want ik had alle reden te gelooven dat die jonge kwiebus er aan gedacht had zijn mooie nicht in te palmen. Ik allen geval, dacht ik met voldoening, is het Trixie niet gelukt Hetty tegen mij in te nemen. Natuurlijk begreep ik de reden van Trixie’s kwaadsprekerij: ,,de druiven waren te zuur!” en dat begreep Hetty ook. Ik was nu ten minste zeker van haar antwoord, Ik werd den anderen dag vroeg wakker, want Raynor moest met den trein van negen uur weg en was reeds druk aan het pakken, toen ik ontwaakte. Ik vroeg mij zelf af of zijn blauwtje bij Hetty oorzaak was van zijn haastig vertrek en of hij wist dat ik de gelukkige was. Als dit het geval was, dan alle respect voor hem, want dan droeg hij zijn ongeluk moedig en toonde niet de minste vijandschap. Hij ging naar Oostende, vertelde hij mij, met een poging om vroolijk te schijnen, „ik ga me daar een weinig amuseeren.” Ik glimlachte, dat kon ik doen. Oostende leek mij al een zeer geringe schadeloosstelling voor het verlies van Hetty en — vier ton. „Ik zal een eenzaam ontbijt hebben, van morgen,” ging hij voort. „Iedereen ligt nog te bed, niet?” Toen ik uit het bad kwam, had hij juist zijn koffer gesloten, greep met beide handen in zijn zakken en haalde er eenig geld uit, dat hij ernstig bekeek. „Zeg, de Tooker, heb je klein geld bij je?” vroeg hij mij. Ik aarzelde een oogenblik, vreezende dat hij mij geld ter leen wilde vragen, maar toen ik eenige goudstukken zag glinsteren, begreep ik dat mijn vrees ongegrond was. „O, ja,” antwoordde ik vriendelijk. „Wacht een oogenblik en ik zal zien of ik je helpen kan. Hoeveel moet je hebben ?” Ik haalde een handvol geld voor den dag en hij nam er een rijksdaalder uit. „Dank je, da’s voldoende! Kijk we moeten het kamermeisje een fooitje geven. Ik geloof dat vijf pop genoeg is. Hier ligt dus een gouden vijfje, dat is een rijksdaalder ieder.” Ik staarde hem verbluft aan, maar hij had te veel haast om het op te merken. Hij legde het gouden vijfje op de waschtafel, bromde nog een „adieu” en wasverdwenen. Ik heb reeds vroeger gezegd, dat Raynor een gek was, maar nu wist ik het zeker. Vijf gulden fooi voor een dienstmeid. Ik had nog nooit van zoo’n verkwisting gehoord. En dan wat ’n impertinentie om te denken dat ik aan die dwaasheid zou meedoen. Ik ben, uit beginsel natuurlijk, een vijand van fooien geven. Ik vind dat dienstboden tegenwoordig voldoende salaris ontvangen en dat gasten niet verplicht zijn er aan mee te betalen. En bovendien zou één riks voldoende zijn geweest voor ons beiden. Ik stelde mij voor hoe verontwaardigd mijn moeder zou zijn geweest in mijn plaats. Het fooien geven was een van haar grootste grieven tegen mijn vader. Ik behoef dus niet te zeggen, dat Raynor’s handelwijze me ten zeerste ergerde. Desniettegenstaande maakte ik zorgvuldig toilet voor mij n ontmoeting met Hetty Vining, en was juist bezig hieraan de laatste hand te leggen, toen ik de dogcart zag heenrijden, die den teleurgestelden Raynor naar het station bracht. Mijn eigen trein ging eerst 12.40, toch pakte ik alvast mijn goed in, om zooveel mogelijk tijd te hebben voor Hetty. Toen schoot mij op eens Raynor’s dwaasheid te binnen: vijf gulden voor zoo’n armzalige kamermeid. Nooit, zoolang ik het verhinderen kon. Het was al erg genoeg dat het dienstpersoneel geleerd werd op fooien te speculeeren, de jacht naar fooien bij hen aan DE OPENBARE LEESZAAL TE NAARDEN-BUSSUM. Meer en meer wordt het nut van openbare leeszalen ingezien en eenige dagen terug is te Naarden-Bussum zulk een inrichting plechtig ingewijd. Wij vertrouwen, dat in dit prettig uitziende en naar de eischen des tijds ingerichte gebouw, dat onder leiding van den architect C. J. Kruisweg verrezen is, velen aangename uren zullen worden bezorgd. Op de foto links geven wij het front van dit gebouw; de foto rechts is een aardig plekje in het gestadig vooruitgaande Bussum: gezicht vanaf het Nassaupark naar den Meerweg. te kweeken — nog eens, neen! Ik zou aan dergelijke dwaasheid niet meewerken. Na dit flinke besluit liep ik naar de waschtafel, greep kordaat het gouden vijfje en stopte het in mijn zak. Raynor’s aandeel was al wat ze krijgen zou. Ik haalde vervolgens mijn beurs voor den dag, en maakte dit nuttig voorwerp open. Een rijksdaalder was al wat ik noodig had. doch Raynor had den laatsten genomen en nu had ik niets anders dan eenige guldens, een kwartje en wat kopergeld. Dat was nu bepaald vervelend. Ik had geen zin om drie gulden te geven, twee-vijftig kon ik niet maken, er schoot dus niets anders over dan twee gulden en een kwartje neer te leggen, toch nog een respectabele fooi voor zoo’n jong kamerkatje. Ik vertrouw, waarde lezers, dat u mijn handeling niet zult miskennen. Ik herhaal nog eens, ik was niet in staat het juiste 'bedrag te geven en mijn geweten verzette er zich tegen om ze meer te geven en door een buitensporige fooi bij een eenvoudig dienstmeisje hebzucht en ijdelheid op te wekken of aan te wakkeren. Als u de zaak aldus beschouwt, dan zult u, daarvan ben ik overtuigd, mijn handelwijze volkomen goedkeuren. Het was met een zekere vriendelijke toegeeflijkheid voor de onwaardige dienstbare, dat ik schelde om mijn koffers weg te halen. „Wil je dit naar beneden brengen?” vroeg ik toen het kamermeisje verscheen. „Ik vertrek om twaalf uur!” Daarna gaf ik haar de twee gulden en het kwartje. Let wel op, ik zei niet dat de fooi van mijzelf was; evenmin nam ik haar dankbetuiging voor mijzelf aan. Ik vervulde alleen een onaangename taak, da’s al. Toen, in de overtuiging dat ik mij hiervan zoo goed mogelijk had gekweten, ging ik naar beneden om te eten. Kolonel Kelway, Mamie, Alex en een paar nog aanwezige gasten waren reeds aan tafel. Het was een schoone dag en daarom wandelden de meesten van ons na afloop van het ontbijt den tuin in. Een kwartier later, de kolonel en ik zaten in de schaduw op een bank, kwam mevrouw Kelway haastig het huis uit naar ons toe. „Ik hoop niet dat ik stoor,” zei ze een weinig opgewonden, „maar er heerscht een klein misverstand dat Cuthbert wellicht kan oplossen. Ik moet je wel excuus vragen dat ik je over zulk een discreet onderwerp moet spreken, maar... e. .. heb je Parker, de kamermeid, van morgen een fooi gegeven?” Ik geloof dat ik een beetje onthutst keek bij deze onverwachte vraag, maar ik antwoordde toch met waardigheid : „Zeker, ik gaf haar twee gulden en een kwartje I ” „01” zei ze. Er was een verlegen uitdrukking in haar oogen en de kolonel trok de wenkbrauwen te zamen, verontwaardigd dat zijn vrouw zoo’n delicate vraag deed aan een der gasten. „Lieve!” mompelde hij, „zeker, zeker....” maar zij viel hem in de reden. „Ik weet het, Robert, ik weet het! Maar dit is noodzakelijk. Ja I Er... er heeft op de waschtafel in jouw kamer, Cuthbert, een goudstuk gelegen. Heb jij dat soms gezien?” Het zweet brak mij uit, zoo ontroerde ik bij deze vraag. Versta mij goed: het was niet, omdat ik mij schuldig gevoelde, heelemaal niet; maar omdat die ezel van een Raynor zoo tactloos was geweest om zijn gastvrouw over een fooi aan haar personeel te spreken. Juist op dit oogenblik kwam tot mijn groote ergernis Alex van de veranda naar ons toestappen. Mevrouw Kelway haastte zich om nadere uitlegging te geven. * „Billy Raynor heeft daar juist aan Alex getelefoneerd dat hij een abuis had begaan I n plaats van een vijfguldenstukje neer te leggen als fooi had hij een zeldzame gouden munt genomen, die hij dezer dagen voor zijn verzameling had aangekocht. Natuurlijk zou hij deze graag terughebben.” Ik voelde de zweetdruppels van mijn voorhoofd parelen, onder den spottenden blik van Alex. Ik had altijd het land gehad aan dien snaak, maar nu had ik hem met het grootste genoegen gewurgd. „Hoor eens,” begon hij, „jij moet er van afweten, want Raynor zegt: jij gaf hem een rijksdaalder voor jou deel en hij legde daarvoor een gouden vijfje in de plaats.” „Ja, ik gaf hem een rijksdaalder,” antwoordde ik met alle kalmte waarover ik kon beschikken. „Welnu,” viel mevrouw Kelway in, „hij verzoekt mij u excuus te vragen voor den last, dien hij u veroorzaakt en vraagt u zoo goed te willen zijn ’t vreemde goudstuk terug te willen zenden, dan stuurt hij u een postwissel. „Wat wij eigenlijk weten moeten,” begon die vervloekte Alex weer, „is, waar toch dat goudstuk gebleven is. In de kamer is het niet, de meid heeft het niet, en.... a propos I de Tooker... ik wil je niet beleedigen maar... e.. waarom gaf je de meid nog 12.25, terwijl je al de helft betaald had van de vijf pop?” „Ik heb hem geen oogenblik gezegd, dat ik de helft betalen zou,” zei ik verontwaardigd. „01” riep die beroerde idioot met een grijnslach. „Er komt licht in de duisternis. Ik moet bekennen,datik verbluft was, toen ik hoorde dat jij zoo’n reuzeniooi gegeven had.” „Je bedoelt,” vroeg mevrouw Kelway met een kleur in het gelaat, „dat je je deel hebt achtergehouden?” „Ja,” antwoordde ik stijf. „Er is geen enkele reden waarom ik aan dienstboden fooien zou geven. Dat is eert dwaasheid, waaraan ik mij nimmer heb schuldig gemaakt”. „Volkomen waar! Maar, hm, ƒ2.25 is meen ik niet de helft van ƒ 5.—I” De koelbloedige manier, waarop die kerel mij ondervroeg, was bepaald beleedigend. Nochtans trachtte ik de zaak uit te leggen, maar de vormelijke houding waarmede die menschen mijn verklaringen aanhoorden, deed mij duidelijk inzien, dat zij onwellevend genoeg waren om aan mijn woorden geen geloof te hechten. „Ja, we begrijpen de zaak volkomen,” zei Alex op brutalen sarcastischen toon. „Het is alleen onverklaarbaar, dat niettegenstaande jouw afkeer van het fooienstelsel, je toch de voor jou onaangename taak op je nam het meisje de fooi te geven en... hm!... te doen alsof die van jou was.” „Ik heb met geen enkel woord gezegd dat die van mij was!” protesteerde ik. „Neen, natuurlijk niet,” hoonde hij. „Je hebt alleen maar verzuimd te zeggen dat zij van Raynor was.” „Jou manieren, meneer,” riep ik woedend uit, „zijn zeer beleedigend en ik verzoek U, kolonel Kelway, hem te noodzaken mij hiervoor excuus aan te bieden.” De kolonel had aan het onderhoud geen deel genomen. De geheele zaak ergerde hem, dat kon ik zien, en ik hoopte dan ook dat hij zoo hoffelijk zou zijn het» voor zijn gast op te nemen. Hierin vergiste ik mij evenwel. Hij was een waardig vader van zijn zoon. „Ik bemoei me er niet mee,” zei hij kortaf. „Als je zelf nog verontschuldigingen hebt, dan zal het mij genoegen doen ze te hooren, ter wille van je vader. Hij was een gentleman, en haatte de gierigheid.” „Ondertusschen,” schamperde Alex, „zou het mij genoegen doen, als je mij die munt van Raynor zoudt willen teruggeven. Het spijt me dat ik genoodzaakt ben je het kwartje winst te ontnemen, waarover je je al verheugd had.” Toen zijn beleefden toon latende varen, ging hij op de meest schaamtelooze wijze voort: „Hier pak aan, je geld, jou ploertige kerel! Pak aan. je kostbare ƒ4.75,” en hij wierp het mij toe. „Ik zal het met Raynor wel in orde brengen. Geneer je intusschen niet ons na deze beleediging van je gewaardeerd gezelschap te berooven en met den eerstvolgenden trein ons te verlaten.” Ik knarste op mijn tanden van woede, toen ik aan Hetty dacht. Hij las mijn gedachten op mijn gelaat en ging op schimpenden toon voort: „O, maak je over Hetty niet ongerust, hoor! Ik zal ze alles wel uitleggen.” Ik wilde geen oogenblik langer blijven en met alle waardigheid, waaroverik beschikte, stapte ik op het huistoe. Tien minuten later bracht dezelfde dogcart die Raynor weggebracht had ook mij naar het station. Het was misschien een zwakheid van me, maar ik deed geen poging meer om Hetty te ontmoeten. De geheele atmosfeer op Strathcourt was zoo tegen me in opstand dat ik maar zoo gauw mogelijk zocht heen te komen. Twee weken later las ik een advertentie in de bladen van de verloving van Hetty Vining en William Raynor. Het is ten minste een troost voor mij, al is ze wat schraal, dat Alex Kelway, dat mispunt, de vier ton niet gekregen heeft.
PDF
Nummer
1914, nr.20, 13 mei 1914
Blad
08
Tekst
UIT HET VOLLE LEVEN DE VORSTIN VAN WALDECK-PYRMONT. H.M. de Koningin-Moeder heeft de vorige week bezoek gehad van de Vorstin en de Prinses van Waldeck-Pyrmont. Bovenstaande foto van de Vorstin is genomen door het Haagsch 111. & Persbureau na een bezoek aan het Mauritshuis. DE PRINSES VAN WALDECK-PYRMONT. De jeugdige Prinses van Waldeck-Pyrmont, die in het „Hotel des Indes” logeert, begeeft zich geregeld naar het Paleis. Hierbij een foto van H. D. H. op een wandelrit. (foto Haagsch IlL bureau). AANKOOP DOOR H.M. DE KONINGINMOEDER. Door H.M. de Koningin-Moeder is enkele weken terug aangekocht een aquarel van Dr. Q. H. Dee. Conrector a. h. Gymn. te Gorkum, in lijst. NEERLAND’S ONAFHANKELIJKHEID. Op 5 Mei is te Middelburg de 100-jarige onafhankelijkheid van Walcheren gevierd. Op onze foto ziet men Mr. F. A. Wagthe de proclamatie van vóór 100 jaar oplezen. KERKBRAND TE STREEFKERK. Het typische, oude kerkje te Streefkerk, een der merkwaardigheden van deze streek is, zooals onze foto laat zien, totaal door brand vernield. Alleen de wankelende muren staan nog. DE LEEUWARDER TURNBOND. Door den Leeuwarder Turnbond is op het terrein v. d. Ijsclub, dat daarvoor door den Ned. Bond v. Lich. Opv. speciaal geschikt was laten maken, een openlucht-gymnastiekuitvoering georganiseerd. EEN NIEUWE ISRAËLITISCHE BEGRAAFPLAATS. De vorige week heeft te Diemen de plechtige inwijding plaats gehad van de gronden, die door de Isr. Gemeente te Amsterdam zijn aangekocht ten behoeve van een nieuwe begraafplaats. De plechtigheid ^werd bijgewoond door tal van autoriteiten uit de beide Israëlitische gemeenten, alsmede door het Gemeentebestuur van Diemen. Hierboven de officieele groep. (Ver. Fotobureaux). Dr. P. H. EYCKMAN f, de bekende geneesheer te Scheveningen, is de vorige week te Nauheim overleden. Mr. O. J. E. BARON v. WASSENAER v. CATWIJCK, lid van de 2e Kamer, is benoemd tot lid van de le Kamer. (Haagsch HL bur.) Prof. Mr. Dr. A. A. H. STRUYCKEN, hoogleeraar a. d. Uniyersiteit te Amsterdam, is benoemd tot staatsraad. (Ver. Fotobureaux). BARON SWEERTS DE LANDAS herdenkt 16 Mei a.s. zijn 25-jarig jubileum als Burgemeester van Epe. (Ver. Fotobureaux). H. PILGER t, de door zijn humoristiek en oolijkheid welbekende artist, is de vorige week overleden. (Ver. Fotobureaux). GEN. MAJOOR A. A. J. QUANJER, insp. v. d. geneesk. dienst der landmacht heeft 1 Mei den dienst met pensioen verlaten. (Ver. Fotobureaux.) BARON J. J. G. VAN VOORST TOT VOORST is benoemd als Voorzitter van de le Kamer, in de plaats van den pas overleden president Baron Schimmelpenninck van der Oye van Hoevelake. (Ver. Fotobureaux). 25-JARIG JUBILEUM DANSON DERWIJZER. De heer H. J. van Leeuwen Jr. te Leiden, herdacht de vorige week onder zeer veel blijken van belangstelling zijn 25-jarig jubileum als dansleeraar. Wij geven hierboven een onder zijne leiding ingestudeerden dans „Lentegroet”; rechts bovenaan het portret van den jubilaris, (foto Argus). DE HAGHESPELERS. Hierboven de slotscène uit „666”, dat op ’t oogenblik met groot succes bij de Haghespelers gaat. 1. Dirk Verbeek, 2. Annie v. Ees, 3. J. Faust, 4. Ed. Verkade, 5. Cor Ruys, 6. Phil de la Chapelle, 7. Ant. Verheyen, 8. Tilly Lus, 9. Paul de Groot, 10. Henri v. Ees, 11. Wijnnobel. (foto Couvee.) <
PDF
Blad 
 van 2380
Records 741 tot 745 van 11897