|
PANORAMA
Ik maakte nu dat ik weg kwam.
Gierig en verwaand, waarlijk! Gierig, terwijl ik Mamie
voor haar verjaardag een mooie doos chocolade had
meegebracht. Wel had Raynor haar een Slazenger tennisracket gegeven en Alex’ vrienden hadden allen meer of
minder kostbare cadeaux gegeven, maar ik ben uit
beginsel eigenlijk tegen het geven van cadeaux. Bovendien zijn meisjes zoo gauw geneigd er gevolgtrekkingen
uit te maken en ik wenschte niet bij Mamie eenige valsche
hoop te vestigen. Ik was trouwens ten hoogste verwonderd
dat haar ouders haar toestonden van al die jonge mannen
geschenken aan te nemen. Wat overigens de opmerking
van jongenheer Alex betreft, zooals ik hierboven reeds heb
medegedeeld: we waren nu niet bepaald boezemvrienden.
Jaloezie, natuurlijk, want ik had alle reden te gelooven dat
die jonge kwiebus er aan gedacht had zijn mooie nicht in te
palmen.
Ik allen geval, dacht ik met voldoening, is het Trixie
niet gelukt Hetty tegen mij in te nemen. Natuurlijk
begreep ik de reden van Trixie’s kwaadsprekerij: ,,de
druiven waren te zuur!” en dat begreep Hetty ook. Ik
was nu ten minste zeker van haar antwoord,
Ik werd den anderen dag vroeg wakker, want Raynor
moest met den trein van negen uur weg en was reeds
druk aan het pakken, toen ik ontwaakte. Ik vroeg mij
zelf af of zijn blauwtje bij Hetty oorzaak was van zijn
haastig vertrek en of hij wist dat ik de gelukkige was.
Als dit het geval was, dan alle respect voor hem, want
dan droeg hij zijn ongeluk moedig en toonde niet de
minste vijandschap. Hij ging naar Oostende, vertelde
hij mij, met een poging om vroolijk te schijnen, „ik ga me
daar een weinig amuseeren.” Ik glimlachte, dat kon ik
doen. Oostende leek mij al een zeer geringe schadeloosstelling voor het verlies van Hetty en — vier ton.
„Ik zal een eenzaam ontbijt hebben, van morgen,”
ging hij voort. „Iedereen ligt nog te bed, niet?”
Toen ik uit het bad kwam, had hij juist zijn koffer
gesloten, greep met beide handen in zijn zakken en
haalde er eenig geld uit, dat hij ernstig bekeek.
„Zeg, de Tooker, heb je klein geld bij je?” vroeg hij mij.
Ik aarzelde een oogenblik, vreezende dat hij mij geld
ter leen wilde vragen, maar toen ik eenige goudstukken
zag glinsteren, begreep ik dat mijn vrees ongegrond was.
„O, ja,” antwoordde ik vriendelijk. „Wacht een oogenblik
en ik zal zien of ik je helpen kan. Hoeveel moet je hebben ?”
Ik haalde een handvol geld voor den dag en hij nam
er een rijksdaalder uit.
„Dank je, da’s voldoende! Kijk we moeten het kamermeisje een fooitje geven. Ik geloof dat vijf pop genoeg is.
Hier ligt dus een gouden vijfje, dat is een rijksdaalder ieder.”
Ik staarde hem verbluft aan, maar hij had te veel
haast om het op te merken. Hij legde het gouden vijfje
op de waschtafel, bromde nog een „adieu” en wasverdwenen.
Ik heb reeds vroeger gezegd, dat Raynor een gek was,
maar nu wist ik het zeker. Vijf gulden fooi voor
een dienstmeid. Ik had nog nooit van zoo’n verkwisting gehoord. En dan wat ’n impertinentie om te
denken dat ik aan die dwaasheid zou meedoen. Ik ben,
uit beginsel natuurlijk, een vijand van fooien geven. Ik
vind dat dienstboden tegenwoordig voldoende salaris ontvangen en dat gasten niet verplicht zijn er aan mee te
betalen. En bovendien zou één riks voldoende zijn geweest voor ons beiden. Ik stelde mij voor hoe verontwaardigd mijn moeder zou zijn geweest in mijn plaats.
Het fooien geven was een van haar grootste grieven
tegen mijn vader. Ik behoef dus niet te zeggen, dat
Raynor’s handelwijze me ten zeerste ergerde. Desniettegenstaande maakte ik zorgvuldig toilet voor mij n ontmoeting
met Hetty Vining, en was juist bezig hieraan de laatste hand
te leggen, toen ik de dogcart zag heenrijden, die den
teleurgestelden Raynor naar het station bracht.
Mijn eigen trein ging eerst 12.40, toch pakte ik alvast
mijn goed in, om zooveel mogelijk tijd te hebben voor
Hetty. Toen schoot mij op eens Raynor’s dwaasheid te
binnen: vijf gulden voor zoo’n armzalige kamermeid. Nooit, zoolang ik het verhinderen kon. Het was
al erg genoeg dat het dienstpersoneel geleerd werd op
fooien te speculeeren, de jacht naar fooien bij hen aan
DE OPENBARE LEESZAAL TE NAARDEN-BUSSUM.
Meer en meer wordt het nut van openbare leeszalen ingezien en eenige dagen terug is te Naarden-Bussum zulk een inrichting plechtig ingewijd. Wij vertrouwen, dat in dit prettig uitziende
en naar de eischen des tijds ingerichte gebouw, dat onder leiding van den architect C. J. Kruisweg verrezen is, velen aangename uren zullen worden bezorgd. Op de foto links geven wij het front
van dit gebouw; de foto rechts is een aardig plekje in het gestadig vooruitgaande Bussum: gezicht vanaf het Nassaupark naar den Meerweg.
te kweeken — nog eens, neen! Ik zou aan dergelijke
dwaasheid niet meewerken.
Na dit flinke besluit liep ik naar de waschtafel, greep
kordaat het gouden vijfje en stopte het in mijn zak.
Raynor’s aandeel was al wat ze krijgen zou.
Ik haalde vervolgens mijn beurs voor den dag, en
maakte dit nuttig voorwerp open. Een rijksdaalder was al
wat ik noodig had. doch Raynor had den laatsten genomen
en nu had ik niets anders dan eenige guldens, een kwartje
en wat kopergeld. Dat was nu bepaald vervelend. Ik
had geen zin om drie gulden te geven, twee-vijftig kon
ik niet maken, er schoot dus niets anders over dan twee
gulden en een kwartje neer te leggen, toch nog een
respectabele fooi voor zoo’n jong kamerkatje.
Ik vertrouw, waarde lezers, dat u mijn handeling niet
zult miskennen. Ik herhaal nog eens, ik was niet in
staat het juiste 'bedrag te geven en mijn geweten verzette er zich tegen om ze meer te geven en door een
buitensporige fooi bij een eenvoudig dienstmeisje hebzucht en ijdelheid op te wekken of aan te wakkeren.
Als u de zaak aldus beschouwt, dan zult u, daarvan
ben ik overtuigd, mijn handelwijze volkomen goedkeuren.
Het was met een zekere vriendelijke toegeeflijkheid
voor de onwaardige dienstbare, dat ik schelde om mijn
koffers weg te halen.
„Wil je dit naar beneden brengen?” vroeg ik toen
het kamermeisje verscheen. „Ik vertrek om twaalf uur!”
Daarna gaf ik haar de twee gulden en het kwartje.
Let wel op, ik zei niet dat de fooi van mijzelf was;
evenmin nam ik haar dankbetuiging voor mijzelf aan.
Ik vervulde alleen een onaangename taak, da’s al. Toen,
in de overtuiging dat ik mij hiervan zoo goed mogelijk
had gekweten, ging ik naar beneden om te eten.
Kolonel Kelway, Mamie, Alex en een paar nog aanwezige gasten waren reeds aan tafel. Het was een schoone
dag en daarom wandelden de meesten van ons na afloop
van het ontbijt den tuin in.
Een kwartier later, de kolonel en ik zaten in de
schaduw op een bank, kwam mevrouw Kelway haastig
het huis uit naar ons toe.
„Ik hoop niet dat ik stoor,” zei ze een weinig opgewonden, „maar er heerscht een klein misverstand dat
Cuthbert wellicht kan oplossen. Ik moet je wel excuus
vragen dat ik je over zulk een discreet onderwerp moet
spreken, maar... e. .. heb je Parker, de kamermeid,
van morgen een fooi gegeven?”
Ik geloof dat ik een beetje onthutst keek bij deze
onverwachte vraag, maar ik antwoordde toch met waardigheid : „Zeker, ik gaf haar twee gulden en een kwartje I ”
„01” zei ze. Er was een verlegen uitdrukking in haar
oogen en de kolonel trok de wenkbrauwen te zamen,
verontwaardigd dat zijn vrouw zoo’n delicate vraag deed
aan een der gasten.
„Lieve!” mompelde hij, „zeker, zeker....” maar zij
viel hem in de reden.
„Ik weet het, Robert, ik weet het! Maar dit is noodzakelijk. Ja I Er... er heeft op de waschtafel in jouw kamer,
Cuthbert, een goudstuk gelegen. Heb jij dat soms gezien?”
Het zweet brak mij uit, zoo ontroerde ik bij deze
vraag. Versta mij goed: het was niet, omdat ik mij
schuldig gevoelde, heelemaal niet; maar omdat die ezel
van een Raynor zoo tactloos was geweest om zijn gastvrouw over een fooi aan haar personeel te spreken.
Juist op dit oogenblik kwam tot mijn groote ergernis
Alex van de veranda naar ons toestappen. Mevrouw
Kelway haastte zich om nadere uitlegging te geven. *
„Billy Raynor heeft daar juist aan Alex getelefoneerd
dat hij een abuis had begaan I n plaats van een vijfguldenstukje neer te leggen als fooi had hij een zeldzame gouden
munt genomen, die hij dezer dagen voor zijn verzameling
had aangekocht. Natuurlijk zou hij deze graag terughebben.”
Ik voelde de zweetdruppels van mijn voorhoofd parelen,
onder den spottenden blik van Alex. Ik had altijd het
land gehad aan dien snaak, maar nu had ik hem met
het grootste genoegen gewurgd.
„Hoor eens,” begon hij, „jij moet er van afweten,
want Raynor zegt: jij gaf hem een rijksdaalder voor jou
deel en hij legde daarvoor een gouden vijfje in de plaats.”
„Ja, ik gaf hem een rijksdaalder,” antwoordde ik met
alle kalmte waarover ik kon beschikken.
„Welnu,” viel mevrouw Kelway in, „hij verzoekt mij
u excuus te vragen voor den last, dien hij u veroorzaakt
en vraagt u zoo goed te willen zijn ’t vreemde goudstuk
terug te willen zenden, dan stuurt hij u een postwissel.
„Wat wij eigenlijk weten moeten,” begon die vervloekte
Alex weer, „is, waar toch dat goudstuk gebleven is. In
de kamer is het niet, de meid heeft het niet, en....
a propos I de Tooker... ik wil je niet beleedigen maar... e..
waarom gaf je de meid nog 12.25, terwijl je al de helft
betaald had van de vijf pop?”
„Ik heb hem geen oogenblik gezegd, dat ik de helft
betalen zou,” zei ik verontwaardigd.
„01” riep die beroerde idioot met een grijnslach. „Er
komt licht in de duisternis. Ik moet bekennen,datik verbluft
was, toen ik hoorde dat jij zoo’n reuzeniooi gegeven had.”
„Je bedoelt,” vroeg mevrouw Kelway met een kleur in
het gelaat, „dat je je deel hebt achtergehouden?”
„Ja,” antwoordde ik stijf. „Er is geen enkele reden
waarom ik aan dienstboden fooien zou geven. Dat is eert
dwaasheid, waaraan ik mij nimmer heb schuldig gemaakt”.
„Volkomen waar! Maar, hm, ƒ2.25 is meen ik niet de
helft van ƒ 5.—I”
De koelbloedige manier, waarop die kerel mij ondervroeg,
was bepaald beleedigend. Nochtans trachtte ik de zaak
uit te leggen, maar de vormelijke houding waarmede die
menschen mijn verklaringen aanhoorden, deed mij duidelijk inzien, dat zij onwellevend genoeg waren om aan
mijn woorden geen geloof te hechten.
„Ja, we begrijpen de zaak volkomen,” zei Alex op
brutalen sarcastischen toon. „Het is alleen onverklaarbaar,
dat niettegenstaande jouw afkeer van het fooienstelsel, je
toch de voor jou onaangename taak op je nam het meisje
de fooi te geven en... hm!... te doen alsof die van jou was.”
„Ik heb met geen enkel woord gezegd dat die van
mij was!” protesteerde ik.
„Neen, natuurlijk niet,” hoonde hij. „Je hebt alleen
maar verzuimd te zeggen dat zij van Raynor was.”
„Jou manieren, meneer,” riep ik woedend uit, „zijn
zeer beleedigend en ik verzoek U, kolonel Kelway, hem
te noodzaken mij hiervoor excuus aan te bieden.”
De kolonel had aan het onderhoud geen deel genomen.
De geheele zaak ergerde hem, dat kon ik zien, en ik
hoopte dan ook dat hij zoo hoffelijk zou zijn het» voor
zijn gast op te nemen. Hierin vergiste ik mij evenwel.
Hij was een waardig vader van zijn zoon.
„Ik bemoei me er niet mee,” zei hij kortaf. „Als je
zelf nog verontschuldigingen hebt, dan zal het mij genoegen
doen ze te hooren, ter wille van je vader. Hij was een
gentleman, en haatte de gierigheid.”
„Ondertusschen,” schamperde Alex, „zou het mij genoegen doen, als je mij die munt van Raynor zoudt willen
teruggeven. Het spijt me dat ik genoodzaakt ben je het
kwartje winst te ontnemen, waarover je je al verheugd
had.” Toen zijn beleefden toon latende varen, ging hij
op de meest schaamtelooze wijze voort: „Hier pak aan, je
geld, jou ploertige kerel! Pak aan. je kostbare ƒ4.75,”
en hij wierp het mij toe. „Ik zal het met Raynor wel
in orde brengen. Geneer je intusschen niet ons na deze
beleediging van je gewaardeerd gezelschap te berooven en
met den eerstvolgenden trein ons te verlaten.”
Ik knarste op mijn tanden van woede, toen ik aan
Hetty dacht. Hij las mijn gedachten op mijn gelaat en
ging op schimpenden toon voort: „O, maak je over Hetty
niet ongerust, hoor! Ik zal ze alles wel uitleggen.”
Ik wilde geen oogenblik langer blijven en met alle
waardigheid, waaroverik beschikte, stapte ik op het huistoe.
Tien minuten later bracht dezelfde dogcart die Raynor
weggebracht had ook mij naar het station.
Het was misschien een zwakheid van me, maar ik
deed geen poging meer om Hetty te ontmoeten. De geheele
atmosfeer op Strathcourt was zoo tegen me in opstand
dat ik maar zoo gauw mogelijk zocht heen te komen.
Twee weken later las ik een advertentie in de bladen
van de verloving van Hetty Vining en William Raynor.
Het is ten minste een troost voor mij, al is ze wat schraal, dat
Alex Kelway, dat mispunt, de vier ton niet gekregen heeft.
|