Panorama

Blad 
 van 2380
Records 746 tot 750 van 11897
Nummer
1914, nr.20, 13 mei 1914
Blad
09
Tekst
I Het Rijksopvoedingsgesticbt te Ambt-Doetinchem „De Kruisberg” De terugblik op uw verleden zij een waarschuwing voor de toekomst. ........... —1-----------------------------------■ l — Het gebouw van voren. Eenige groepen jongens, onder leiding van hun opvoedend ambtenaar, staan op het voorplein. Het middengebouw is de woning van den symphatieken Adjunct-Directeur G. J.Wind. Iedere groep vormt zijn eigen huisgezin. En de eene groep komt niet met de jongens van de andere groep in aanraking. De best oppassende jongen van een groep wordt „president” genaamd, en is dan leider van zijn groepgenooten. ■I ■k> • ■i ■ V F» De slaapzalen bestaan uit dubbele rijen chambretten, geheel van hout en staal. De jongen wordt er ’s avonds ingelaten en kan er onmogelijk uitbreken. De zoldering bestaat uit zeer sterk staaldraad, de deur is van glas en daardoor kan men den jongen zien liggen. Bij elke slaapzaal is een wacht die over alle chambretten in een zaal heen kan zien, zoodat dus onopgemerkte verbreking van dat staaldraad onmogelijk is. De oppervlakte van eene slaapchambrette is ongeveer gelijk aan de oppervlakte van een 2-persoons-ledikant Meer zeker niet. Aan den muur prijken plaatjes en prentjes, bidprentjes, tip-topjes enz. Waschruimten zijn er ’s morgens in nabijgelegen zeer zindelijk ingerichte waschkamers. e Kruisberg! — Er zullen in Nederland weinigen zijn, die niet wel eens van dit gesticht gehoord hebben ; maar ook weinigen, die goed weten, wat voor een gesticht het toch eigenlijk is. Ze hebben wel eens van Willem Roda gelezen, waarin allerlei van De Kruisberg verteld wordt; maarWillem Roda is nu al 25 jaar oud, en er kan in 25 jaar heel wat veranderen in de wereld. Als de heer Heymans thans aan De Kruisberg komt, dan denkt hij er niet meer aan, omeenjongensroman te schrijven. Dan gaat hij het veld in, om een zeldzaam plantenexemplaar te zoeken, of naar een bastaardnachtegaal te kijken, en er over te schrijven in natura, wat hem tegenwoordig meer boeit, dan hem indertijd de romantiek heeft geboeid. Ook De Kruisberg van thans is De Kruisberg van vroeger niet meer. Doch laten we eerst vertellen, wat De Kruisberg eigenlijk aanvankelijk was. Aanvankelijk was het een mooi landhuis, dat in het laatst der achttiende eeuw toebehoorde aan iemand, dien men baron noemde, hetzij dan, dat hij voor de Fransche Revolutie werkelijk baron was geweest, of dat hij in den mond van het Kruisbergsche volk alleen maar zoo heette. Mij is meegedeeld, dat hij Prinsgezind was, en ook nog eens naar Cleeff gevlucht is, maar in het doodenregister niet als baron staat vermeld. ’t Kan trouwens ook aan de achttiende eeuw zelf gelegen hebben, dat men hem zoo noemde, aangezien het toen meer gebeurde, dat men zich maar adellijke titels aanschafte, zonder ooit van adel te zijn geweest. Deze baron nu was rijk genoeg, om tusschen Hummeloo en Doetinchem, dicht bij den ouden zandweg, een landhuis te koopen, waarbij ’t,,zalig lot, hoe kleen, om geen koningskroon zou geven,” zooals een achttiende-eeuwer eens heeft gezegd. Het is precies een lustoordje daar. Mooie lanen, groote bosschen, begroeide heuvelen, een landje voor natuurliefhebbers, om te watertanden. Waarom men dit landhuis Kruisberg genoemd heeft, weet intusschen niemand. Natuurlijk brengt men het in verband met het klooster Sion, dat in de nabijheid gelegen heeft. Zulke namen brengt men altijd met kloosters in verband, en met de onderaardsche gangen, die bij een klooster behooren. Maar de onderaardsche gang ontbreekt hier, ook als legende, en wijl nu verder alle overige gegevens eveneens ontbreken, is het niet onwaarschijnlijk, dat we niet alleen het landhuis zelf, maar dat we ook zijn naam aan de achttiende eeuw te danken hebben. Dat was de eeuw van het burleske en van het sentimenteele. Geen landhuis toen, of er hoorde een berceau bij, wat zoo geschikt voor buitenpartijen was. Ook aan de Kruisberg is een berceau en de legende spreekt zelfs van banketten, die hier mogelijk onder het groene dak werden gehouden. Waarom zou dan ook de naam niet uit dien tijd afkomstig kunnen zijn? ’t Is net een achttiende-eeuwsche naam, dat woord Kruisberg, en zelfs als de meester-dichter van dien tijd, Rhijnvis Feit.h, eventueel in dit landhuis gewoond hadde, was het onmogelijk geweest, om er een beteren naam voor te vinden. Een mooie gracht, schaduwrijke lanen, broeikassen en vijgeboompjes, en dan half weggedoken tusschen twee heuvels .... hoe kon men beter doen, dan van De Kruisberg te spreken hier: Der eeuwen eeuwigheid zweve, eeuwig grensloos voort; Door hare oneindigheid wordt, Kruis! uw lof gehoord, En worm en seraf juicht, en rijst door U in waarde, Waar immer leven werd verspreid, Verhoogt ge, o Kruis! de zaligheid, En zonnen tanen weg bij Uw heerlijkheid, o Aarde! Echter Rhijnvis Feith heeft er niet gewoond, en ook de sentimenteele geest zou aan De Kruisberg niet steeds blijven leven. In den tijd van Willem Roda was het heel anders. Dat was in den tijd toen het mooie landhuis........ een strafgevangenis voor jeugdige veroordeelden geworden was. Inderdaad was De Kruisberg van landhuis in een strafgevangenis veranderd. Dat is gebeurd in het jaar 1866. De heer Altorphius Grevelink, hoofdinspecteur over het Gevangeniswezen herinnerde zich in dat jaar, dat hij eens naar Aalten gereisd was, maar dat hij even voorbij Doetinchem met zijn karretje in den zandweg was blijven steken. Ze konden met het rijtuig niet voorof achteruit komen, en toch moest de heer Grevelink onderdak hebben dien nacht. Men wist niet beter te doen dan „zoo’n hooge meneer uit den Haag” maar naar den „baron” te brengen en daar nachtverblijf te verzoeken. Dit is het begin geweest van de verandering, die er later voor het landhuis zou aanbreken. Toen de baron dood was, een paar jaar daarna, werd de heer Grevelink door goede vrienden ter weerszijden, op zijn Achterhoeksche tocht indachtig gemaakt, en daar hij al af en toe eens uitgekeken had naar een geschikte gelegenheid, om ergens buiten, een gevangenis voor jeugdige veroordeelden te stichten, konden de wederzijdsche vrienden het best met elkaar vinden toen. De vriend ter eenre zijde was de heer Craandijk, die „Wandelingen door Nederland” geschreven heeft, en de Kruisberg na’s barons dood van de „freules” had overgenomen. Die ter andre De Kerk. Door het gordijn dicht te trekken kan men het altaar aan het oog onttrekken en is het een Protest. Kerk. Eerst heeft gewoonlijk de R.-K. kerkdienst plaats, daarna is er prot. godsd. oefening. De schoenmakerij in het gesticht maakt voor verschillende gestichtsambtenaren nette schoenen. De jongens, op deze groep bezig, zijn allen achterlijk in leeren en benutten hun tijd met het „schoenenvak”. Op gebied van ontginning zijn steeds vele jongens verzot. Ze werken in de open lucht en gevoelen niet zoozeer de muren om zich heen. De jongens hierboven in beeld gebracht zijn onder leiding van hun wakkeren ambtenaar ijverig bezig om zand te vervoeren. Mocht er af en toe eens een op den loop gaan, een feit blijft het, dat landontginning gezonde arbeid is. Schertsenderwijze wordt deze groep „de Heidemaatschappij” genoemd.
PDF
Nummer
1914, nr.20, 13 mei 1914
Blad
10
Tekst
Foto links: Een personengroep van een gedeelte van het personeel. Zittend v.l.n.r.: J. P. H. Weusten, hoofdonderwijzer, L. Straub, opv. ambten., J. Klootsema, directeur, J. Keyser, commies, G. J. Wind, adj.-directeur. Staande, le rij, v.l.n.r.: W. J. Schiphouwer, opv. ambtenaar, A. Slot, schrijver, en de opvoedend ambtenaren: A. C. L. Bon, H. Herks, G. Batterman, J. M. Loderus, P Cadee, H. de Haan, D. B. Siliakus, commies. Staande op de bank v. 1. n. r. de opv. ambtenaren J. H. Wiggers, G. L. Kroes, D. Horst, T. Feenstra, D. Harmanni. Staande op de leuning v. 1. n. r. de opv. ambtenaren J.J. F. Heidenreich, P. C. Faber, Tj. Wouters, H. F. Snijders, F. W. H. W. Schotsman. Foto rechts: De directeurswoning. Op den voorgrond een tweetal dochtertjes van den hoofdonderwijzer en een pleegkind van den heer directeur. zijde was het Rijk zelf. Het Departement van Justitie kocht De Kruisberg en bij besluit van den Koning d.d. 20 Augustus 1866 werd de jongensgevangenis te Rotterdam opgeheven en aan De Kruisberg opnieuw gevestigd. Buitenstaanders beweeiden bij die gelegenheid, dat men voor zijn plezier uit was, als men het voorrecht had, om een jeugdige veroordeelde te mogen zijn. Wie ter wereld in Nederland woont nu in zoo’n schoone omgeving 1 Maar de jeugdige veroordeelden dachten er anders over, en hoe aanlokkelijk de natuur ook was, ze konden het aan De Kruisberg toch niet recht harden. Je moest er in zoo’n raar pakje loopen, en dan die bewaarders met hunne heldhaftige uniformen, sabel op zij, en een geweldigen pruim in den mond, links rechts, één, twee, sectie, halt, dat was den jeugdigen veroordeelden te machtig. Je mocht niet eens een „chijntje” uithalen met die bewaarders, zooals je dat in Amsterdam met je meesters dee. Daar stond „teunis” op, water en brood, zonder meer, en als je met die bewaarders twee keer een „chijntje” uithaalde, dan kreeg je „steenkolen” of te wel water eri brood, met gelijktijdige toepassing van cachotstraf. Ook kon het zöö erg met je loopen, dat je een groote S voor je borst kreeg, hetgeen wilde zeggen, dat je geteekend was.. Dan behoorde je tot de strafklasse en wie daartoe behoorde, mocht voorloopig zijn hoop wel laten varen. Zoodoende kwam er eene eigenaardige schifting onder de jongens. Ze vormden wel één groote groep, maar nochtans waren ze verdeeld in: de kaantjespiepers, die altijd mooi weer met het personeelspeelden; de schoften, die nooit terecht komen zouden, maar waar dikwijls alles van terecht gekomen is; de vromen, die ze achter den elleboog hadden; en de pikkies, dat aardige jongens waren en daarom in een goed blaadje stonden. Een andere psychojogische indeeling bestond er destijds aan De Kruisberg niet. Nochtans leerden velen er een nuttig ambacht, en is er een grooter aantal geslaagd, dan door zorgzame paedagogen soms wordt vermoed. Toen in 1886 de nieuwe strafwet ingevoerd werd, ondervond ook De Kruisberg daarvan de gevolgen. Voorloopig kreeg het gesticht een dubbele functie: voor de eene helft een gevangenis voor jeugdige veroordeelden, en voor de andere helft een opvoedingsgesticht. Het verschil in behandeling tusschen beide groepen werd aangeduid, mogelijk ook wel gesymboliseerd, door het verschil in kleeding. De gevangenen droegen witte en de De voorworpen op deze foto tentoongesteld, zijn alle vervaardigd door verpleegden van dit gesticht. Op gebied van timmeren, Kerbschnitt, houtslojd, cartonnagewerk, teekenwerk (aquarel en olieverf) wordt zeer fraai werk vervaardigd. De liefhebberij is hiervoor zeer groot en met menig postpakketje naar huis wordt vaak een ouder verblijd met heusch degelijk, tevens eigengemaakt werk van een der knapen. De school, in welke zich de kleinste ventjes op het oogenblik bezig houden, is een der vele beneden-schoollokalen. Ruim, luchtig, gezellig ingericht, wordt alles aangewend om de misdadige jeugd het goede in te prenten. Deze serie jeugdige misdadigers vormen de jongste groep (van 8—10 jaar oud) welke thans in het gesticht aanwezig is. opvoedelingen bruine pakjes. Deze dubbele functie zou echter niet lang voortduren daar de gevangenen successievelijk overgebracht werden naar de bijzondere strafgevangenis te ’s-Hertogenbosch, zoodat De Kruisberg langzamerhand in een opvoedingsgesticht veranderde zonder meer. Dit bleef zoo gedurende 25 jaar. Want wel waren in 1905 de Kinderwetten ingevoerd, maar voorloopig zou dat van weinig beteekenis voor De Kruisberg zijn. Het bleef een opvoedingsgesticht, zooals vroeger, zij het dan ook meer voor oudere knapen. Intusschen was de inrichting bestemd om in een observatiegesticht te worden veranderd, en wel voor knapen, die ter beschikking van de regeering waren gesteld, zonder dat dadelijk over de wijze van beschikking beslist kon worden. Daarvoor was eene belangrijke vertimmering van het gesticht noodig. In verband met de nieuwere eischen in zake gestichtsopvoeding was het wenschelijk, om het systeem van collectieve opvoeding, dat vroeger gevolgd werd, te vervangen door het zoogenaamde groepsysteem, waarbij de verpleegden in kleine families van hoogstens 16 ingedeeld zijn. Deze vertimmering kwam in 1912 tot stand, en in Augustus van dat jaar kon het nieuwe gesticht worden geopend. Dit is in alle stilte geschied, kort voor Minister Regout zijn werkzaam leven geëindigd heeft. In de pers is er nauwelijks gewag van gemaakt, en verslagen, zooals bij de opening van de gestichten te Amersfoort en Avereest verschenen zijn, hebben van De Kruisberg het belangstellend publiek niet bereikt. Voor ons was dit reden om tot den Directeur te gaan met verzoek om alsnog eenige inlichtingen te mogen ontvangen, die ons welwillend verstrekt werden. Eerst vond hij wel, dat de gestichten al vaak genoeg gekiekt, waren, maar een journalist weet van volhouden, en toen we hem zeiden, dat juist De Kruisberg daarop eene uitzondering maakte, en dat het publiek toch recht had, om ook van De Kruisberg iets gewaar te worden, nog wel een observatiegesticht, waarin Nederland alle andere landen vooruit is, gaf hij welwillend aan ons volhouden toe. We beginnen dan met te zeggen, dat de Directeur de heer J. Klootsema is, vroeger in een zelfde functie werkzaam te Alkmaar, en nog vroeger Directeur, de eerste, van de school voor achterlijkekinderen teAmsterdam. De heer Klootsema is psycholoog, wat hem in een observatiegesticht goed te pas komt. Hij schreef een boek over misdeelde kinderen waaraan hij te danken heeft, dat hij eerelid werd van het Institut nationale de pédologie te Brussel. De observatie is hier tweeërlei. Bij binnenkomst moet de verpleegde eerst een korten tijd van afzondering doormaken, eensdeels, omdat het voor niemand goed is, dat de nieuw ingekomenen zoo maar van de straat tusschen de overige jongens worden geplaatst, maar ook om enkele voorloopige waarnemingen te kunnen doen omtrent de geestelijke en lichamelijke gezondheid van de nieuwelingen, zooals deze knapen in gestichtstaal worden genoemd. Na de afzonderingsobservatie worden ze in gemeenschap met andere jongens gebracht, die in groepen van 12 ingedeeld zijn, en daarbij zooveel mogelijk naar leeftijd en ontwikkeling van elkaar zijn gescheiden. De duur van deze gemeenschapsobservatie is onbepaald, doch zoodra men weet, wat er in de jongens zit, en dat weet men in den regel na drie of vier maanden, worden ze naar elders overgeplaatst. De meest geschikten gaan in gezinsverpleging over, anderen komen in particuliere opvoedingsgestichten, als b.v. in het Katholieke gesticht Harreveld bij Lichtenvoorde of in het Protestantsche gesticht Hoenderloo bij Apeldoorn. Wat hiervoor niet in aanmerking komt, gaat naar Rijksopvoedingsgestichten, de schooljongens naar Amersfoort, de ambachts- en landbouwjongens beneden 18 jaar naar Avereest, en de oudere knapen, benevens zij, die wegens karaktereigenschappen met oudere knapen gelijk staan, naar het tijdelijk Rijksopvoedingsgesticht te Leiden. De directeur wordt in zijn dagelijksch werk bijgestaan door den adjunet-directeur G. J. Wind, en den hoofdonderwijzer J. P. H. Weusten. Overigens zijn er aan het gesticht, behalve dienende beambten, nog 28 opvoedende ambtenaren werkzaam. Deze opvoedende ambtenaren zijn met het eigenlijke werk van observatie en leiding belast. Voor ongeveer de helft bezitten ze het verplicht radikaal van onderwijzer, voor de andere helft bezitten ze geen verplicht radikaal. Om voor opvoedend ambtenaar in aanmerking te kunnen komen, is een zeker fond van kennis vereischt, het eindexamen M. U. L. O. of daarboven, terwijl men zich bovendien onderwerpen moet aan een soort van examen, dat echter in hoofdzaak strekt om een onderzoek in te stellen naar de persoonOm twaalf uur wordt het middagmaal gebruikt. Op tafel vaasjes bloemen en een helder tafellaken. De winterkost voor de knapen is van Zondag tot Zaterdag: rijstesoep; bruine boonen m. spek; aardappelen m. groenten en vet; gort met stroop; erwtensoep; stokvisch, aardappelen en rijst; toebereide aardappelen. De zomerkost is eenigszins varieerend, bijv, linzen en karnemelk komen op het menu voor, niet te vergeten zelfs vele vruchten en voorzoover de tuinen het opbrengen, aardbeien en bessen.
PDF
Nummer
1914, nr.20, 13 mei 1914
Blad
11
Tekst
PANORAMA lijkheid van de verschillende candidaten. Zoodra ze als opvoedend ambtenaar in functie getreden zijn, bestaat er voor hen gelegenheid om een driejaarlijkschen cursus te volgen tot opleiding van leeraar bij het Rijksopvoedingswezen, welke cursus in ieder der gestichten zelf wordt gegeven. De opvoedende ambtenaren zijn eigenlijk de groote werkers in het gesticht. Op hen komt alles aan. Iedere groep heeft zijn vast personeel van opvoedende ambtenaren. Zij zijn de familievaders van een groep. Het moeten zeer toegewijde personen wezen, én ik heb den indruk gekregen, dat ze dat aan De Kruisberg ook duidelijk zijn. Ze zijn bij alles aanwezig, wat door de knapen verricht wordt, bij het opstaan en het slapen gaan, bij het wasschen, bij de maaltijden, in school en kerk, bij het spel, bij de reiniging van het gesticht, bij het aardappelschillen, bij den arbeid, bij het teekenen, bij slöjd en huisvlijt, in het kort bij het heele doen en laten van de verpleegden, en ze achten zich niet te hoog om bij het dagelijksch werk zelf een hand mee uit te steken. Er is ook arbeid in het observatiegesticht. Wel geen ambachtsonderwijs, want de jongens blijven er maar zeer korten tijd, maar toch nuttigen arbeid, zoowel wat betreft de jongens, als wat de observatie betreft. Voor het grootste gedeelte is dit buitenwerk. We zagen een groep jongens bezig met de ontginning van woesten grond, een andere groep was bezig met het optassen van door den boschbouw verkregen takkenbossen, terwijl een derde groep werkzaam was aan het onderhoud van den grintweg tusschen Doetinchem en De Kruisberg, die grootendeels aan het gesticht behoort. Wanneer de jongens niet op de buitenterreinen werken, gaan ze naar school, gymnastiek- en teekenschool daaronder begrepen, of houden ze zich bezig met de reiniging van het gesticht. In hunne vrije uren beoefenen ze vlijtig slöjd en huisvlijt waarin sommige zeer groote vorderingen hebben gemaakt. Behalve dit wordt er ook nog gewerkt aan het landen tuinbouwbedrijf. Dit geschiedt echter door een afzonderlijke groep verpleegden, die we tot nog toe niet hebben vermeld. Aan het gesticht is n.1. een annex voor achterlijken verbonden, die weer in twee groepen ingedeeld is. De eene groep tot een capaciteit van 15, vormen de achterlijken, die nog geschikt zijn voor landen tuinbouw; de andere groep, ook tot een capaciteit van 15, is voor deze buitenvakken niet geschikt, en wordt voor schoenmaker opgeleid. Het verblijf voor deze achterlijken in een afzonderlijk gedeelte van het gesticht is niet op observatie, maar op opvoeding ingericht, zoodat als regel deze knapen niet naar elders overgeplaatst worden. Het godsdienstonderwijs is ingedeeld naar de drie hoofdsekten, en wordt gegeven door godsdienstleeraren uit Doetinchem, die tevens met de godsdienstoefeningen Hierboven een foto van Mej. Trijn Witt, woonachtig op De Kruisberg, geboren 28 Nov. 1844 en sedert 55 jaar dienstbaar bij de familie Swager te Alkmaar geweest. Bij het huwelijk van de jongste dochter ging ze met deze mede en geniet er thans van een rustigen ouden dag. belast zijn. In zake godsdienst wordt verder rekening gehouden met de wenschen der ouders. Maar ook overigens wordt groote zorg aan den godsdienst besteed. De directeur is van meening, dat de godsdienst een zielkundig beginsel is, hier meer, daar minder ontwikkeld, maar dat bij opvoeding nooit kan worden gemist. In zijn boek : „Uit ’s Levens Diepte” zegt hij ervan, dat de godsdienst een onzichtbare realiteit is, die met psychologische onvermijdelijkheid bij ieder mensch aangetroffen wordt, en die door iedereen, maar die zeker door den opvoeder moet worden erkend, ook als mogelijk de menschen verschillende uitingsvormen gekozen hebben voor deze onzichtbare realiteit. Zóózeer moet de opvoeder de innerlijkheid van den godsdienst met alle menschen deelen, hoe ook hun vormen zijn, dat hij zich zelf niet zou eerbiedigen, wanneer deze vormen door hem niet geëerbiedigd worden. Op het innerlijke leven komt daarbij alles aan. Waar zoo over de geestelijke belangen geoordeeld wordt, spreekt het van zelf, dat ook de lichamelijke belangen niet zijn verwaarloosd. Geest en lichaam oefenen altijd wisselwerking op elkaar uit. De voeding is uitstekend en wordt op gedekte tafels toegediend. Geen verblijfzaaltje, of men vindt er schilderijen en schilderijtjes, die soms door de jongens zelf geteekend zijn, en altijd bloemen, als ze niet versch te krijgen zijn, dan maar droog. De jongens poetsen en schuren den halven dag. Er wordt druk gegymnastiseerd en op de speelterreintjes (elke groep heeft een eigen terreintje) wordt naar Hollandschen aard flink gespeeld. Toch waarschuwt de Directeur voor overdrijving in deze richting. De kerk moet midden in het dorp blijven, zegt hij, maar al het overige ook. Men moet rustig zijn in zulke dingen. In zaken van opvoeding is de waan van den dag niets waard. Uiterlijkheden zijn ook niets waard. Daar worden de jongens geen mannen mee; en de jeugdige misdadigers worden er geen geschikte burgers door. Dan zegt hij liever met Betje Wolff: Bedrieg U toch niet zoo door schijn, Eer vaderlandsche zeden, De beste vreemde scholen zijn Niet ingericht naar reden. Gelukkig, zegt hij, is deze verkeerde kant van den tegenwoordigen tijdgeest nog weinig in het gesticht doorgedrongen. ’t Is de wal, die het schip er keert. Men wordt vanzelf tot den arbeid teruggedrongen in de gestichten. Gestichtsopvoeding zonder wezenlijkheid is niet mogelijk. Het brengt maar misères aan, en misères wreken zichzelf. Met redeneeringen komt men ook niet veel verder in de gestichten. Ieder houdt er zoo zijn eigen redenatie op na, en dat verwart maar. Het komt er op handelen aan, op doen, wat het meeste voor de hand ligt, op frisch en spontaan handelen, op een lijf vol kracht, en een hart y°l liefde. ... jammer, dat we zoo dikwijls falen, zegt de Directeur. Maar nochtans heeft uw verslaggever den indruk gekregen, dat er niet meer te strijden zou wezen, als er niet meer gefaald werd, en dat overigens door het gansche gesticht heen gestreefd wordt naar een der wandspreuken, die ergens in deze omgeving is opgehangen: „Callinghe, mallinghe, doen is een dinek”. Praten en bezwaar maken geeft niets. Het beste blijft er maar door liggen, en de jongens mogen niet blijven liggen. Aanpakken is daarom de boodschap, namelijk aanpakken wat het meest voor de hand ligt. Dan blijft er ook wel wat liggen, maar het zijn geen jongens; en wat dan liggen blijft, dat krijgt straks zijn beurt ook toch. Dat is de indruk, die bij ons bezoek aan De Kruisberg sterk naar voren gedrongen werd. Drempt. TAUPE ÉTOILE. Foto links: Een der oudste groepen heeft onder degelijke leiding gymnastiekles. Deze gymnastiekzaal is een op zichzelf staand gebouwtje en is van alle gemakken voorzien. De werktuigen zijn prima, waar menig turner jaloersch op zou kunnen zijn. Foto rechts: De keuken is een voorbeeld van zindelijkheid. Een der jongens verklaarde mij dat het eten altijd goed is, hetgeen niet alleen te wijten is aan het feit, dat deze beide koks zooveel symphatie en genegenheid voor de knapen betoenen, maar ook aan den onvermoeiden ijver van den symphatieken commies J. Keyser, (zittend bij de brooden) die er onverbiddelijk voor waakt, dat alle etenswaren van een deugdelijk en goed gehalte zijn. Zooals de Hr. Keyser hier zit, kunt gij aan zijne gelaatstrekken zien dat het brood, hetwelk bij wagonladingen wordt aangevoerd, is goedgekeurd voor gebruik. De heer H. L. J. M. van Ishoven herdacht op 1 Mei den dag, waarop hij voor 25 jaar het ambt aanvaardde van Directeur van het Tehuis voor volwassen blinden aan de Stadhouderskade te Amsterdam. Hij heeft zich in dien tijd moeite noch kosten gespaard om de in duister gedompelden het leven nog zoo aangenaam mogelijk te maken. Op de foto links zien wij een groep blinden met in het midden den heer v. Ishoven; foto rechts: de werkzaal voor vrouwen en meisjes.
PDF
Nummer
1914, nr.20, 13 mei 1914
Blad
12
Tekst
VEERTIG JAAR PROFESSOR ATERDAG 2 MEI. Degroote collegezaal van het physisch chemisch laboratorium vulde zich geheel met autoriteiten, professoren en studenten. De breede bank, waarop anders tal van instrumenten en praeparaten een plaats vinden, was nu bezet met fijne en sierlijke bloemstukken. De groote borden waren zonder de karakteristieke krijtvegen en verborgen hun effen zwart achter groote groene palmen. Daarboven troonden vrij en frank de ingewikkelde organische formules... Plotseling een stilte. Dan ’n spontaan oprijzen van het geheele publiek en *n klaterend handgeklap. Het was het eerste huldebetoon tegenover den figuur, om wien allen tezamen gekomen waren: professor Franchimont, die zijn veertigjarig professoraat dien dag herdacht. Weer viel de stilte, ’n imponeerende stilte, toen professor Romburgh plaats nam achter het versierde spreekgestoelte. Het was te voelen: hier werd de ware beteekenis van veertig jaar wijding aan de wetenschap in zijn volle waarde Prof. A. P. N. Franchimont (rechts) bij zijn huldiging; links prof. Romburgh, die namens vrienden, oud-leerlingen en leerlingen sprak. gepubliceerd, doch vanaf dat jaar in een eigen blad: „Recueil des travaux Chimiques des Pays-Bays” (Uitgave A. W. Sijthoffs Uitgevers-Mij., Leiden). %Nog kort geleden bewezen de verhandelingen over monalkylnitraminenen nitrilotrimethylnitraminonithyleen zijn frischheid van geest... „Al is nu ook de voor den professor fatale termijn van 70 jaar daar, blijf voor de wetenschap behouden”. Weer daverde toen het applaus. En weer herhaalde het zich toen prof. Romburgh namens vele vereerders een bronzen plaque aanbood door Toon Dupuis gemodelleerd (waarvan eveneens een afgietsel in de vestibule als blijvende hulde straks zou worden onthuld) een plaque, die den energieken kop van den professor sprekend uitbeeldt. Nog voerden verschillende sprekers het woord; nog werd in verschillenden toonaard — ernstig door den burgemeester, geestig door prof. Cohen die de initialen van den* professor „bioscopisch geformuleerd” had — de jubilaris gehuldigd. Toen vertrokken allen voor de geschetst. En welk een beteekenis! De inaugureele rede in 1874 door den jeugdigen professor receptie, werd de college zaal weer leeg en eenzaam en verlaten .... Maar toch kwam prof. Franchimont uitgesproken over het thema: „De verschillende richtingen der chemie; blikken in het verleden, het heden, de toekomst dier wetenschap” hield reeds een belofte in. De studiën te Bonn en Parijs waren een waarborg. De bekleeding van het buitengewoon hoogleraarsambt door prof. Franchimont beteekende een revolutie voor het onderwijs en het onderzoek in de organische nog even die leege zaal opnemen, die zaal waarin hij zijn levendige colleges en demonstraties geeft, die zaal waarin hij nü de erkenning zijner verdiensten door bevoegden had mogen vernemen. C. V. De huldiging van prof. Franchimont, welke plechtigheid door tal van autoriteiten werd bijgewoond. In de groote werkzaal van prof. Franchimont’s schitterend ingericht laboratorium. Het physisch-chemisch laboratorium door Prof. Franchimont dank zij zijn onvermoeid streven, in 1901 verkregen, waardoor de studie der organische chemie de plaats kreeg die haar toekomt. chemie. Nieuw leven bruiste in het laboratorium en onder het bezielend onderwijs werden de studenten tot ijver en studie geprikkeld. Zoo vormde prof. Franchimont een eigen school; zoo gaf hij de organische chemie een eigen, hooger staande plaats in de studie-vakken; zoo wist hij te bewerken dat er een geheel eigen laboratorium gebouwd werd dat door zijn onvermoeide toewijding een modelinrichting is, voorzien van een verzameling praeparaten en toestellen zoo volledig en systematisch als geen buitenlandsch laboratorium bezit. Voor de wetenschap zelve zijn de onderzoekingen van prof. Franchimont van groote beteekenis. Streng-wetenschappelijk als zij meest allen zijn zou een opsomming of zelfs een aanduiding van de meest belangrijke nutteloos zijn. Gestadig echter werd de wetenschap verrijkt met belangrijke ontdekkingen uit de organische chemie, welke tot 1882 in buitenlandsche tijdschriften werden Het bronzen medaillon van Prof. Franchimont, ontworpen door Toon Dupuis, onthuld in het laboratorium.
PDF
Nummer
1914, nr.20, 13 mei 1914
Blad
13
Tekst
DE HERTOG VAN ARGYLLt De vorige week is op 68-jarigen leeftijd overleden de Hertog van Argyll, die bezitter was van 5 adellijke titels. Hij huwde een dochter van Koningin Victoria en was dus de oom van den tegenwoordigen Koning. WERELD-PANORAMA MEXICO EN DE VER. STATEN. Admiraal Allen Fiske, die met een speciale opdracht van den Amerikaanschen minister van Marine uit Washington is vertrokken, ten einde 2ich bij Generaal Badger te voegen. SCHAAKWEDSTRIJD TE ST.-PETERSBU RG. Hierboven een foto van de deelnemers aan het meestertornooi te St.-Petersburg; zittend v. 1. n. r. Alechin, Janowski, Capablanca, Dr. Bernstein, Marshall, Blackburne, Dr. Lasker, Dr. Tarrasch, Rubinstein, Niemzowitsch, Gunsberg. NIEUW STANDBEELD TE KEULEN. Te Keulen is onlangs een standbeeld onthuld, vervaardigd door de beeldhouwers A. Hertel en S. Kirschbaum. Uit dit prachtstuk kan men wederom zien, dat ook in Duitschland een ommekeer in de architectuur plaats heeft. DE OORLOG. Mexico en de Vereen. Staten zijn nog steeds op gespannen voet en een oplossing is nog niet gevonden. Hierboven een foto van Amerik. matrozen, die druk aan het exerceeren zijn methet oog op de troebelen in Mexico. VROUWENKIESRECHT. In den Staat Massachusetts zijn op het oogenblik de kansen gunstig voor het verkrijgen van het vrouwenkiesrecht. Een extra campagne is op touw gezet en wij geven hierboven een foto van een der voorvechtsters DE ENGELSCHE BEGROOTING. Het Ulstervraagstuk is in Engeland een oogenblik op den achtergrond gedrongen door de begrootingsdebatten. Op bovenstaande foto ziet men Lloyd George met ?ijn secretarissen op weg naar het Lagerhuis om deze begrooting, tot nu toe de hoogste van alle, in te dienen. (foto Newspaper lil.) DE PROPAGANDA. Een ongeveer 40-jarige suffragette Mrs. Wood heeft in de Royal Academy het portret van den auteur Henry James, door J. S. Sargent R. A., ernstig beschadigd. Hierboven het doek. DE „JARDIN DE JENNY”. De vorige week heeft te Parijs de uitdeeling plaats gehad van de „Jardin de Jenny”. Het was prachtig weer en er werden uitgegeven 120.000 planten, 10.000 beeldjes, 10.000 bloempotten enz. enz., zoodat een reusachtige menigte zich om de karren verdrong.
PDF
Blad 
 van 2380
Records 746 tot 750 van 11897