|
Foto links: Een personengroep van een gedeelte van het personeel. Zittend v.l.n.r.: J. P. H. Weusten, hoofdonderwijzer, L. Straub, opv. ambten., J. Klootsema, directeur, J. Keyser, commies,
G. J. Wind, adj.-directeur. Staande, le rij, v.l.n.r.: W. J. Schiphouwer, opv. ambtenaar, A. Slot, schrijver, en de opvoedend ambtenaren: A. C. L. Bon, H. Herks, G. Batterman, J. M. Loderus,
P Cadee, H. de Haan, D. B. Siliakus, commies. Staande op de bank v. 1. n. r. de opv. ambtenaren J. H. Wiggers, G. L. Kroes, D. Horst, T. Feenstra, D. Harmanni. Staande op de leuning v. 1. n. r.
de opv. ambtenaren J.J. F. Heidenreich, P. C. Faber, Tj. Wouters, H. F. Snijders, F. W. H. W. Schotsman. Foto rechts: De directeurswoning. Op den voorgrond een tweetal dochtertjes van den
hoofdonderwijzer en een pleegkind van den heer directeur.
zijde was het Rijk zelf. Het Departement van Justitie
kocht De Kruisberg en bij besluit van den Koning d.d.
20 Augustus 1866 werd de jongensgevangenis te Rotterdam
opgeheven en aan De Kruisberg opnieuw gevestigd.
Buitenstaanders beweeiden bij die gelegenheid, dat men
voor zijn plezier uit was, als men het voorrecht had,
om een jeugdige veroordeelde te mogen zijn. Wie ter
wereld in Nederland woont nu in zoo’n schoone omgeving 1 Maar de jeugdige veroordeelden dachten er anders
over, en hoe aanlokkelijk de natuur ook was, ze konden
het aan De Kruisberg toch niet recht harden. Je moest
er in zoo’n raar pakje loopen, en dan die bewaarders
met hunne heldhaftige uniformen, sabel op zij, en een
geweldigen pruim in den mond, links rechts, één, twee, sectie,
halt, dat was den jeugdigen veroordeelden te machtig.
Je mocht niet eens een „chijntje” uithalen met die
bewaarders, zooals je dat in Amsterdam met je meesters
dee. Daar stond „teunis” op, water en brood, zonder
meer, en als je met die bewaarders twee keer een
„chijntje” uithaalde, dan kreeg je „steenkolen” of te wel
water eri brood, met gelijktijdige toepassing van cachotstraf. Ook kon het zöö erg met je loopen, dat je een
groote S voor je borst kreeg, hetgeen wilde zeggen, dat
je geteekend was.. Dan behoorde je tot de strafklasse
en wie daartoe behoorde, mocht voorloopig zijn hoop
wel laten varen. Zoodoende kwam er eene eigenaardige
schifting onder de jongens. Ze vormden wel één groote
groep, maar nochtans waren ze verdeeld in: de kaantjespiepers, die altijd mooi weer met het personeelspeelden;
de schoften, die nooit terecht komen zouden, maar waar
dikwijls alles van terecht gekomen is; de vromen, die ze
achter den elleboog hadden; en de pikkies, dat aardige
jongens waren en daarom in een goed blaadje stonden.
Een andere psychojogische indeeling bestond er destijds
aan De Kruisberg niet. Nochtans leerden velen er een
nuttig ambacht, en is er een grooter aantal geslaagd,
dan door zorgzame paedagogen soms wordt vermoed.
Toen in 1886 de nieuwe strafwet ingevoerd werd,
ondervond ook De Kruisberg daarvan de gevolgen. Voorloopig kreeg het gesticht een dubbele functie: voor de
eene helft een gevangenis voor jeugdige veroordeelden,
en voor de andere helft een opvoedingsgesticht. Het
verschil in behandeling tusschen beide groepen werd
aangeduid, mogelijk ook wel gesymboliseerd, door het
verschil in kleeding. De gevangenen droegen witte en de
De voorworpen op deze foto tentoongesteld, zijn alle vervaardigd
door verpleegden van dit gesticht. Op gebied van timmeren, Kerbschnitt, houtslojd, cartonnagewerk, teekenwerk (aquarel en olieverf) wordt zeer fraai werk vervaardigd. De liefhebberij is hiervoor
zeer groot en met menig postpakketje naar huis wordt vaak een
ouder verblijd met heusch degelijk, tevens eigengemaakt werk
van een der knapen.
De school, in welke zich de kleinste ventjes op het oogenblik
bezig houden, is een der vele beneden-schoollokalen. Ruim, luchtig, gezellig ingericht, wordt alles aangewend om de misdadige
jeugd het goede in te prenten. Deze serie jeugdige misdadigers
vormen de jongste groep (van 8—10 jaar oud) welke thans
in het gesticht aanwezig is.
opvoedelingen bruine pakjes. Deze dubbele functie zou
echter niet lang voortduren daar de gevangenen successievelijk overgebracht werden naar de bijzondere strafgevangenis te ’s-Hertogenbosch, zoodat De Kruisberg
langzamerhand in een opvoedingsgesticht veranderde
zonder meer. Dit bleef zoo gedurende 25 jaar. Want wel
waren in 1905 de Kinderwetten ingevoerd, maar voorloopig zou dat van weinig beteekenis voor De Kruisberg
zijn. Het bleef een opvoedingsgesticht, zooals vroeger,
zij het dan ook meer voor oudere knapen.
Intusschen was de inrichting bestemd om in een
observatiegesticht te worden veranderd, en wel voor
knapen, die ter beschikking van de regeering waren
gesteld, zonder dat dadelijk over de wijze van beschikking
beslist kon worden. Daarvoor was eene belangrijke vertimmering van het gesticht noodig. In verband met de
nieuwere eischen in zake gestichtsopvoeding was het
wenschelijk, om het systeem van collectieve opvoeding,
dat vroeger gevolgd werd, te vervangen door het zoogenaamde groepsysteem, waarbij de verpleegden in kleine
families van hoogstens 16 ingedeeld zijn. Deze vertimmering
kwam in 1912 tot stand, en in Augustus van dat jaar
kon het nieuwe gesticht worden geopend. Dit is in alle
stilte geschied, kort voor Minister Regout zijn werkzaam
leven geëindigd heeft. In de pers is er nauwelijks gewag
van gemaakt, en verslagen, zooals bij de opening van de
gestichten te Amersfoort en Avereest verschenen zijn,
hebben van De Kruisberg het belangstellend publiek niet
bereikt.
Voor ons was dit reden om tot den Directeur te gaan
met verzoek om alsnog eenige inlichtingen te mogen
ontvangen, die ons welwillend verstrekt werden. Eerst
vond hij wel, dat de gestichten al vaak genoeg gekiekt,
waren, maar een journalist weet van volhouden, en toen
we hem zeiden, dat juist De Kruisberg daarop eene
uitzondering maakte, en dat het publiek toch recht had,
om ook van De Kruisberg iets gewaar te worden, nog
wel een observatiegesticht, waarin Nederland alle andere
landen vooruit is, gaf hij welwillend aan ons volhouden
toe.
We beginnen dan met te zeggen, dat de Directeur
de heer J. Klootsema is, vroeger in een zelfde functie
werkzaam te Alkmaar, en nog vroeger Directeur, de
eerste, van de school voor achterlijkekinderen teAmsterdam.
De heer Klootsema is psycholoog, wat hem in een observatiegesticht goed te pas komt. Hij schreef een boek over
misdeelde kinderen waaraan hij te danken heeft, dat hij
eerelid werd van het Institut nationale de pédologie te
Brussel. De observatie is hier tweeërlei. Bij binnenkomst
moet de verpleegde eerst een korten tijd van afzondering
doormaken, eensdeels, omdat het voor niemand goed is,
dat de nieuw ingekomenen zoo maar van de straat
tusschen de overige jongens worden geplaatst, maar ook
om enkele voorloopige waarnemingen te kunnen doen
omtrent de geestelijke en lichamelijke gezondheid van de
nieuwelingen, zooals deze knapen in gestichtstaal worden
genoemd. Na de afzonderingsobservatie worden ze in
gemeenschap met andere jongens gebracht, die in groepen
van 12 ingedeeld zijn, en daarbij zooveel mogelijk naar
leeftijd en ontwikkeling van elkaar zijn gescheiden. De
duur van deze gemeenschapsobservatie is onbepaald, doch
zoodra men weet, wat er in de jongens zit, en dat weet
men in den regel na drie of vier maanden, worden ze
naar elders overgeplaatst. De meest geschikten gaan in
gezinsverpleging over, anderen komen in particuliere
opvoedingsgestichten, als b.v. in het Katholieke gesticht
Harreveld bij Lichtenvoorde of in het Protestantsche
gesticht Hoenderloo bij Apeldoorn. Wat hiervoor niet in
aanmerking komt, gaat naar Rijksopvoedingsgestichten,
de schooljongens naar Amersfoort, de ambachts- en
landbouwjongens beneden 18 jaar naar Avereest, en de
oudere knapen, benevens zij, die wegens karaktereigenschappen met oudere knapen gelijk staan, naar het
tijdelijk Rijksopvoedingsgesticht te Leiden.
De directeur wordt in zijn dagelijksch werk bijgestaan
door den adjunet-directeur G. J. Wind, en den hoofdonderwijzer J. P. H. Weusten. Overigens zijn er aan het
gesticht, behalve dienende beambten, nog 28 opvoedende
ambtenaren werkzaam. Deze opvoedende ambtenaren zijn
met het eigenlijke werk van observatie en leiding belast.
Voor ongeveer de helft bezitten ze het verplicht radikaal
van onderwijzer, voor de andere helft bezitten ze geen
verplicht radikaal. Om voor opvoedend ambtenaar in
aanmerking te kunnen komen, is een zeker fond van
kennis vereischt, het eindexamen M. U. L. O. of daarboven, terwijl men zich bovendien onderwerpen moet
aan een soort van examen, dat echter in hoofdzaak
strekt om een onderzoek in te stellen naar de persoonOm twaalf uur wordt het middagmaal gebruikt. Op tafel vaasjes
bloemen en een helder tafellaken. De winterkost voor de knapen
is van Zondag tot Zaterdag: rijstesoep; bruine boonen m. spek;
aardappelen m. groenten en vet; gort met stroop; erwtensoep;
stokvisch, aardappelen en rijst; toebereide aardappelen. De
zomerkost is eenigszins varieerend, bijv, linzen en karnemelk
komen op het menu voor, niet te vergeten zelfs vele vruchten
en voorzoover de tuinen het opbrengen, aardbeien en bessen.
|