|
... . —......... ' .. -............ ■....... PANORAMA ========—=—==^=——=^=
bij den dood van zijn vader nog aan de Hoogere Burgerschool te Semarang studeerende, werd als de toekomstige
opvolger aangewezen. Gedurende zijn studietijd op de
H. B. S. te Semarang en later in de Afdeeling B. (opleiding O.-1.-ambtenaar) van het z.g. Gymnasium Willem III
te Batavia, werd het bestuur tijdelijk door Pangéran
Ario Sasraningrat — zoon van Pakoe Alam III —
waargenomen. Na den dood van dezen, 2 jaar later,
werd daarna als waarnemend hoofd aangesteld de zoo
even reeds genoemde Pangéran Ario Notodirodjo.
Bovendien was er in dien tijd een Raad van Beheer,
waarin behalve het wd. hoofd zelf ook zitting hadden de
resident, de gewestelijke secretaris, de assistent-resident
van de afdeeling, in welke het Pakoealamsch gebied ligt
en verder nog de patih (= rijksbestierder) van het Huis.
Toen R. M. Ario Soerardjo zijn studie had geëindigd,
werd' hij in 1903 tot Pakoe Alam VII benoemd met den
titel en onder den naam van Pangéran Adipati Arjo
Praboe Soerjo-di-Logo. Tegelijkertijd werd als waardeering
voor zijn bewezen diensten de prins-regent Pangéran
Notodirodjo, die toen kapitein bij den Generalen Staf
was, bevorderd tot majoor titulair, terwijl hij het officierskruis van de Oranje-Nassau-orde kreeg.
De jonge vorst Pakoe Alam VII van thans werd den
9den December 1882 geboren, zoodat hij nu pas 31 jaar
oud is. Uit zijn huwelijk met een dochter van den
Soesoehoenan van Solo in 1909 zijn reeds twee spruitjes
geboren, waarvan het oudste een flinke zoon belooft te
worden.
Het bovenstaande is uitteraard slechts een overzichtelijke vermelding van de vorsten van het vorstenhuis
Pakoe Alam, dat nu juist 100 jaar heeft bestaan. Aangezien vele leden en telgen uit die vorstelijke familie tot
•de hedendaagsche intellectueelen in de Javaansche wereld
behooren, meent schrijver dezes het niet ondienstig, dat
ook het Hollandsché publiek van het bestaan en de vooruitstrevende richting van het Huis Pakoe Alam kennis
neemt.
We wéten reeds, dat een der pretendenten als gymnasiast hier in Nederland stierf, n. 1. R. M. Soertio.
Later is nog een lid van dat Huis hetzelfde lot beschoren.
Het was Raden Mas Ario Notowirojo, meer bekend onder
zijn jongensnaam Setiono, zoon van wijlen Pakoe
Alam V.
Deze jonkman kwam in 1910 op de handelsschool te
Amsterdam. Na een operatie, welke de doctoren noodig
vonden, werd hij naar Leysin vervoerd tot volkomen
herstel zijner ziekte. Dit heeft echter niets mogen baten,
want reeds enkele weken late’V stierf Raden Mas Ario
Notowirojo op 16 April 1913 in den ouderdom van 22
jaar. In het hooggebergte van Zwitserland ligt hij begraven.
In een „in memoriam” schreef Mr. Abendanon ergens:
„Vol geestdrift kwam Notowirojo in Nederland
om kennis te vergaren ten einde later zijn volk
voor te gaan op een der wegen, die voeren moeten
tot economische ontwikkeling. Hij was doordrongen
van de gedachte, dat geen werkelijke vooruitgang
mogelijk is zonder grondige kennis van handel en
nijverheid, zonder juist begrip van het wereldverkeer ................”
Verder is de bekende Raden Mas Ario Koesoemojoedo —
de eerste Javaan, die in Nederland het groot-ambtenaarsexamen heeft • afgelegd en thans controleur is bij het
Credietwezen op Java, een lid qok uit het Pakoe Alamsche
Huis. Hij is, evenals R. M. A. Setiono, een zoon van
Pakoe Alam V.
Op het oogenblik studeeren hier in Holland de volgende
Pakoe-Alammers:
1. Raden Mas Ario Soerjopoetro, technisch student in
Delft. Hij is een zoon van Pakoe Alam V.
2. Raden Mas Noto Kworo, med. cand. te Leiden.
3. Raden Mas Noto Soeroto, jur. cand. te Leiden en
Reserve 2de Luit, bij de cavalerie.
4. Raden Mas Notodiningrat, techn. student te Delft.
5. Raden Mas Gondowinoto, jur. candidaat te Leiden.
De vier laatstgenoemde studenten zijn allen zoons van
Pangéran Ario Notodirodjo.
Volledigheidshalve dienen wij nog te vermelden, dat de
thans in Den Haag verblijvende banneling Raden Mas
Suardhy Suryaningrat en diens vrouw, ook leden zijn van
het Pakoe Alamsche huis.
De heer Suryaningrat is een zoon van Pangéran Ario
Soerjaningrat, den bovengenoemden, blinden kroonpretendent. zoon van Pakoe Alam III, terwijl zijn echtgenoote,
vroeger Raden Adjeng Soetartina genaamd, een ‘dochter
is van wijlen Pangéran Ario Sasraningrat, die wel eens
tijdelijk wd. hoofd was van het Huis, zie boven.
B. A.
K heb het land aan alles,” zei Clement
Hales op vermoeiden toon. „lederen
dag hetzelfde of bijna hetzelfde. Het
maakt mij moedeloos, ’k Heb er genoeg
van. Ik verlang naar iets nieuws, naar
emotie, zou wel het een of ander willen
doormaken, Megson, wat bijzonders!”
De goed geschoolde huisknecht boog
een weinig afkeurend. ,,Ik vrees dat ik u niet helpen
kan, mijnheer,” zei hij langzaam.
„Ik wou dat ik maar iets wist om me te amuseeren,
maar ik hèb al van alles gedaan,” ging zijn meester
voort. „Wat doe jij, Megson, als je een avond vrij hebt?”
Megson kuchte verontschuldigend. „Ik ben dol op
tooneel, mijnheer, en daarom neem ik gewoonlijk een
kaartje voor den engelenbak, hier of daar.... soms met
een meisje,” bekende hij.
„De engelenbak?” vroeg Hales. „O ja! je bedoelt in
den schouwburg.”
„Juist, mijnheer,” zei Megson.
Hales dacht een oogenblik na; toen met zeker enthusiasme: „Ik ga ook eens naar den engelenbak. Dat is
iets nieuws voor me. Is ’t daar amusant, Megson?”
„Nou, meneer, voor u geloof ik niet bijzonder!’’
„Ik ga er in allen geval heen,” antwoordde zijn
meester vastbesloten. „*t Is een bijzonder goed idee!”
En zoo gebeurde het dien avond om acht uur, dat
Clement Hales zich beijverde de eindelooze lange trap te
beklimmen die leidde naar de hoogste rangen in de
Playgoers’ schouwburg. Hij zocht in zijn zak naar de
onmisbare shilling voor zijn plaats; de uitgave was niet
buitensporig, dacht hij bij zichzelf. Niemand kon hem
beschuldigen dat hij verkwistend was bij zijn avonduitspanning, zei hij glimlachend. Zonder zijn onschatbaren
Megson zou hij echter een groote dwaasheid hebben begaan, door zich in avondtoilet te kleeden, wat hem,
volgens zijn cicerone, zou hebben blootgesteld aan ongewenschte belangstelling.
Hij kwam uit kracht der gewoonte aan den schouwburg eenige minuten, nadat volgens de kennisgeving de
voorstelling beginnen zou, zonder er aan te denken dat
de galerij-bezoekers gewend waren vroeg te komen en
voor de gesloten deuren te wachten. Hij vond dan ook,
toen hij boven kwam, bijna alle plaatsen bezet en kon
nog slechts aan de uiterste punt van de achterste rij een
zitplaatsje vinden. Hij keek zijn affiche eens in en toen
dat gedaan was, wijdde hij zijn aandacht aan de omgeving. Het grootste deel van het publiek, hij merkte
het met verwondering op, was van een betere klasse dan
hij verwacht had. Het verheugde hem, dat zijn komst
niet het minst de aandacht trok. Hij was aanvankelijk
bang geweest voor de vuurproef, die nu bleek geen vuurproef te zijn. Het gaf aan zijn eigenwaarde een kleinen
schok te bemerken, dat hij door dit publiek beschouwd
werd als een der hunnen.
De ouverture was reeds begonnen, toen hij binnentrad
en dadelijk daarop nam het stuk een aanvang. Het was
een knap geschreven satiriek tooneelstuk en toen hij de
gespannen aandacht bemerkte op de gezichteh rondom
hem, begon Clement Hales zelf met meer belangstelling
te luisteren, dan in maanden bij hem het geval was geweest. Aan het eind van het eerste bedrijf applaudiseerde
hij even hard als de rest, zoo’n invloed ondervindt de
mensch van zijn omgeving.
Zich weer nederzettende op zijn ver van gemakkelijke
zitplaats, vermaakte hij zich een wijle de bewegingen te
volgen van een langen man, die voor hem zat op de
eerste rij, vlak aan de balustrade. Deze had blijkbaar
een kennis opgemerkt op een der andere rangen en wuifde
hem toe. De onbekende bleef echter zoo lang staan en
hij keek zoo aandachtig naar beneden, dat Hales nieuwsgierig werd. Van zijrfplaats opstaande, liep hij het gangpad
af tot hij naast den man aan de balustrade stond. Nu
deed hij zijn best den persoon uit te vinden, wien
de belangstelling van den vreemdeling gold en bemerkte
spoedig dat dit een oudachtig heer was met bakkebaarden
en een bril op, die in een der loges gezeten was. Deze
richtte zijn kijker op de galerij naar de plaats waar zij
zich bevonden. Hales merkte voorts op, dat zijn buurman verschillende bewegingen maakte, alsof hij den heer
in de loge iemand wilde aanwijzen, die in het parterre
gezeten was. Hij trachtte nu ook dezen persoon uit te
vinden. Een groot gedeelte van het parterre-publiek had
zijn plaats verlaten, daardoor was het hem niet moeilijk,
de richting van zijns buurmans vinger volgende, op te
merken dat diens ongewone attenties een bekoorlijke
jongedame golden, die geheel alleen te midden van een
aantal ledige stoelen gezeten was.
Toen het licht voor de tweede acte opnieuw werd uitgedraaid, zocht Hales zijn zitplaats weer op, peinzende en
zichzelf afvragende wat dit alles beteekende, zonder
evenwel een oplossing te vinden. Hij besloot daarom
bij de volgende pauze nog eens goed op te letten, want
in spijt van zichzelf brandde hij van nieuwsgierigheid.
Aan het eind van het tweede bedrijf zag hij den
langen man stil op zijn plaats zitten. Hales was juist
voornemens zijn vorige plaats weer in te nemen, toen hij
tot zijn verbazing den vreemdeling plotseling opgewonden
met de hand zag wuiven, opstaan en zich naar den uitgang spoeden. Hales was een oogenblik verbluft, toen, een
haastigen blik door den schouwburg werpende, zag hij dat
de heer in de loge, eveneens verdwenen was en dat het
meisje was opgestaan en een sjaal omdeed, blijkbaar van
plan om te vertrekken.
„Zoo”, peinsde Hales, „zij weet oogenschijnlijk niet dat
deze twee hier zijn. En dat dit geen vrienden van haar
zijn is duidelijk. Waarom anders deze geheimzinnigheid. Ik
zal mijn langen buurman volgen en zien wat er gebeurt”.
Het was een impulsief besluit; het volgend oogenblik
gevoelde hij dat hij eigenlijk een kinderlijke nieuwsgierigheid 0onde, geheel vreemd aan zijn natuur.
„Och, wie weet,” zei hij tot zichzelf, „kan ik mij
misschien hiermede amuseeren.” Hij wandelde ondertusschen naar den uitgang. Bij het loket gekomen, zag hij
den beambte bezig de ontvangen entrées na te tellen.
„Waar is de uitgang van het parterre?” vroeg Hales
haastig.
„Den hoek om, rechts,” was het' antwoord. Hales
spoedde zich heen en aan den hoek van het gebouw
gekomen, zag hij de jongedame den schouwburg verlaten. De lange man en de andere uit de loge stonden
haar op te wachten en zoodra ze verscheen, naderden
ze haar en begonnen op opgewonden toon tegen haar te
praten. Hales, naderbij gekomen, kon duidelijk het gesprek
hooren.
„Wilt u zoo goed zijn mij door te laten?” zei de
jongedame op trotschen toon. „Ik ken u niet en wat
meer is, ik wensch u niet te kennen.-Ik beschouw het
als een onverantwoordelijke onbeschaamdheid van u om
mij te durven lastig vallen.”
„Maar u kent Parkson, George Parkson,” protesteerde
de oudste der beide mannen. „Wij wens:hen te weten
waar hij is op dit oogenblik. Gij moet het weten, want
ik zag u dezen middag van zijn kamer komen.”
„Ik weet dat ik bespionneerd ben,” antwoordde het
meisje smalend.
„Een vraag,” zei de lange man, „je lijkt sprekend op
Parkson, ben je wellicht zijn zuster?”
„Neen, dat ben ik niet,” zei ze kort. „En al kon ik
je de inlichtingen geven, die je verlangt, dan deed ik het
toch niet. Ik verzoek je vriendelijk mij hier niet langer
lastig te vallen, anders zou ik verplicht zijn de politie
te hulp te roepen.” Ze sprak kordaat, maar Hales, die
nu vlak in hun nabijheid was, meende toch angst in
haar toon te hooren en overlegde bij zichzelf wat hij
doen zou.
„De politie?” riep de lange sarcastisch uit. „Ik ben
overtuigd dat je de politie liever niet in je nabijheid
hebt.” Hij scheen dit erg grappig te vinden, want hij
lachte. Hales bloed begon te koken; hij had grooten lust
den man zijn vuist te doen voelen, maar hij hield zich
in. Oogenschijnlijk kalm naderde hij het drietal, nam
zijn hoed af voor het meisje en zei beleefd:
„Goedenavond, juffrouw Jones, kan ik u van dienst
zijn?” Men zal toestemmen dat zijn handeling moed
toonde een betere zaak waardig.
Het drietal keerde zich naar hem, de beide mannen
met een trek van ergernis, het meisje met verwondering
op het gelaat. Toen lachte zij hem bekoorlijk toe en
ging hem met uitgestrekte hand te gemoet.
„Wel, hoe maakt u het,” zei ze met zwakke stem.
Hales riep onderwijl een taxi aan. „Deze.... Deze
heeren zijn zeer opdringerig. Ik geloof dat ze zich vergissen en mij voor een van hun kennissen houden.”
Hales keerde zich tot de beide mannen en zei hun in
korte maar krachtige termen zijn meening. Het meisje
liep achter hem aan en steeg in den wachtenden auto.
„Maar,” protesteerde de oudste der beide heeren, „zij
weet iets. Ik ben er zeker van — en ze wil niets zeggen.
Uw houding is alleronbillijkst 1 Ik waarschuw u,” richtte
hij zich dreigend tot het meisje, „als je durft wegrijden,
roep ik de politie.”
„Nonsens,” antwoordde Hales reeds met zijn voet op
de trede van den taxi. „Je verdient een flinke afstraffing,
jullie allebei, voor het beleedigen van deze dame, en als
ik den tijd had, dan zou ik je die geven. Vooruit,
chauffeur, rechtuit!”
De lange man deed nog een vergeefsche poging den
taxi tegen te houden, maar zag, zooals Hales bemerkte,
van verdere vervolging af. Met een zucht van verlichting
zonk hij op zijn zitplaats neer.
„O, ik ben u zoo dankbaar,” zei een zachte stem
naast hem, „wilt u den chauffeur zeggen naar het CharingCross-Station te rijden, zoo gauw mogelijk. Ik moet den
trein halen en er is weinig tijd te verliezen.”
Hales gaf door de spreekbuis den chauffeur de noodige
instructies. De snelle opeenvolging van de verschillende
onverwachte gebeurtenissen lieten niet na indruk op hem
te maken. Hij kwam in een opgewékte stemming bij de
gedachte aan het ongewone avontuur waarin hij zich thans
bevond.
„Ik dank u wel,” zei de schoone onbekende. „Ik gevoel dat ik u eenige uitlegging verschuldigd ben, in dank
voor uw vriendelijkheid. Deze twee mannen hebben mij
gevolgd van af vijf uur vanmiddag, niettegenstaande,”
|