Panorama

Blad 
 van 2380
Records 731 tot 735 van 11897
Nummer
1914, nr.19, 6 mei 1914
Blad
10
Tekst
pakoe-alam; h. (foto Bongenaar). PAKOE-ALAM PAKOE-ALAM V. III. (foto Bongenaar-). PAKOE-ALAM IV. (foto Bongenaar). PAKOE-ALAM VI. (Opgenomen vóór zijne verheffing tot vorst.) (foto Cephas). PAKOE-ALAM VII die thans regeert. Tiet javaansche Vorstenhuis „pakoe-CLlem’ . 1815-1915 (foto Cephas). E jubelfeesten, die hier in Holland gevierd zijn geworden tot herdenking van het herstel der Nederlandsche onafhankelijkheid, nu honderd jaar geleden, zijn thans achter den rug. De lezers van dit blad hebben, voor zoover zij niet zelf aan de festiviteiten hebben deel genomen, dan toch zeker een denkbeeld kunnen vormen — dank zij de talrijke, goede reproducties in „Panorama” — yan de wijze, waarop het Nederlandsche volk de groote gebeurtenis heeft herdacht. Nu de opgewondenheid, de geestdrift, de* opgewekte gemoederen allengs gaan kalmeeren. nu zal het zeker niet te veel gevergd zijn van de geachte lezers, om even hun aandacht te verzoeken voor een zaak, een herdenking ook van het honderdjarig bestaan van een vorstenhuis, ginds in de aziatische bezittingen van Nederland. Men wete echter vooraf, dat deze herdenking slechts uitgaat van den schrijver van dit artikel. Ik zal het n.1. hebben over het Javaansche Vorstenhuis „Pakoealam1’, waarvan eenige leden thans hier in Nederland studeeren. Om niet te vervelen zal ik daarbij kort zijn; zal ik den lezers geen saaie geschiedenis voor zetten, doch bepaal ik me alleen tot het strikt noodige om de zaak toe te lichten. Het Pakoealamsche Huis dan is een van de vier nu nog bestaande vorstendommen op Java, dat in Indië bekend staat als het vooruitstrevendste leenrijk van de landsch-Indische regeering. Het gebied van den vorst ligt in de residentie Jogjakarta, welke bekend is door de ruïnen, overblijfselen van groote bouwwerken uit den Hindu-tijd, die zich daar en in de nabijheid bevinden. Hoewel dit vorstenhuis een instelling was van het Engelsche tusschenbestuur, werd het toch later door de Nederlandsche regeering als zoodanig gehandhaafd, omdat het bestaan daarvan inderdaad veel gewicht legde in de schaal der koloniale politiek. Het Pakoealamsche Huis werd n.1. door Raffies in het jaar 1813 tot stand gebracht met het kennelijke het leven geoordeeld zonderlijk in die tijden de intrige — die overal ter wereld een hoofdrol speelt in vorstenhuizen — in het Jogjasche Sultanshuis hoogtij vierde. In ons geval kwam er nog het feit bij, dat men niet alleen met binnenlandsche, of Iaat ik zeggen familie-twisten te maken had, doch dat aan den anderen kant de vreemde regeering alle moeite deed, om invloed in de zaken te krijgen tot behoud van haar eigen gezag. Het geïntrigeer nam zulk een karakter aan, dat de Regeering in het jaar 1810 den Jogjaschen Sultan Hamangkoe Boewono II noodwendig moest afzetten. Het bestuur in den kraton werd toen door den kroonprins tot 1811 waargenomen, gedurende welken tijd de onttroonde vorst in het hof mocht verblijven. In 1811 weder in zijn eer hersteld zag de regeering om politieke redenen zich weder genoodzaakt om Hamangkoe Boewono II voor de tweede maal af te zetten. Raffies stuurde hem toen naar Poeloe Pinang in ballingschap; dit was in 1812. Vier jaar later werd de ex-sultan naar Batavia teruggezonden, terwijl een jaar later, in 1817, de Nederlandsche regeering hem naar Amboina als balling wegzond. Daarop volgde de kroonprins zijn vader als Spltap III op, in welke hoedanigheid hij twee jaar slechts regeerde. De oudste zoon, dien hij naliet, was toen eerst 10 jaar oud. Desniettemin werd deze toch op den troon geplaatst, echter onder voogdij. Vorst Pakoe Alam I —waarover wij het nog zullen hebben — werd het vorstelijk kind als voogd aangewezen. Dit feit was blijkbaar een misgreep van de regeering. Bij de andere prinsen van het hof van den Sultan ontstond er althans daardoor eenig verzet, hetwelk een lijdelijk verzet zcu worden. Immers was Pakoe Alam I een vorst van een ander Huis, dat niets met het Jogjasche hof te maken had. Hoe het ook zij, de laatste Sultan werd meerderjarig, kreeg het bestuur in handen, doch stierf belaas reeds in 1822 in den ouderdom van achttien jaar. Zijn eerste zoon, die toen twee jaar oud was, volgde hem op onder voogdij van de grootmoeder, de moeder, den oudoom Prins Mangkoe Boemi en den oom Prins Diponegoro. De laatste, die nimmer kon dulden, dat de regeering als het ware alles regelde, wat het vorstenhuis betrof — en vooral toen er een baby-sultan was — werd later opstandeling, om in de toekomst de held te worden van den bekenden 5-jarigen Java-oorlog. Zietdaar een meer dan beknopte schets van den toestand op Java, nu ± honderd jaar geleden. Schrijver dezes wilde daarmee enkel aantoonen, hoe het voor de regeering noodig was, in dien roerigen tijd zich te verzekeren van een zekere barricade, als tegenwicht van eventueele rebellige hoofden. Dat was de reden, dat Raffies Pakoe Alamsche Huis stichtte. Als het eerste hoofd van dit Huis werd gekozen toenmaligen Pangéran Notokoesoemo, broeder van verbannen Sultan II, die na twee malen te zijn afgezet ten slotte toch weer op den troon kwam, juist toen Diponegoro zijn opstand begon. Dat Pangéran Notokoesoemo als hoofd werd gekozen hem een de oude kinderen het den den Nedervan het nieuwe vorstenhuis, vond blijkbaar hierin zijn verklaring, dat hij in die dagen uitblonk als ’n ernstige, intelligente en edele vorstenzoon. Hij was een der weinige prjnsen, die zich zeer interesseerde voor de Javaansche literatuur, terwijl de studie der politiek en der staatsinstellingen zijn lust en zijn leven was. Zeer diplomatisch van aard zijnde, was hij dan ook niet zelden de persoon, die botsingen tusschen familieleden wist te voorkomen door zijn tactvol en vredelievend optreden. , Ook zijn vader,, de oude Sultan I, vond in dankbaren, toewijdenden zoon. Het feit, dat vorst eens aan dezen prins de zorg zijner toevertrouwde, teekent wel, hoeveel meer liefde en vertrouwen hij hem schonk dan aan den kroonprins, den toekomstigen troonopvolger. En had de sultan geest- en wilskracht genoeg gehad, dan had hij den Pangéran Notokoesoemo reeds tot kroonprins verheven. Intusschen zagen we reeds, dat deze prins later als Pakoe Alam I voogd en regent werd gedurende de minderjarigheid van den Sultan 111, een achterneef. Hoewel hij eens beschuldigd werd van een complot te hebben gesmeed — waarvoor hij zelfs te Batavia werd geïnterneerd — toch bleek dit later een misleiding te zijn geweest. Hij werd dan ook daarna gerehabiliteerd. Pangéran Notokoesoemo dan werd den 17den Maart van het jaar 1813 door de Engelsche regeering verheven tot hoofd van her Pakoe Alamsche Vorstenhuis, hetwelk geheel onafhankelijk was van den Sultan en alleen onder suzereiniteit van Engeland stond. Toen was deze vorst reeds doel om daarmede een barricade in te roepen, wat zeer urgent werd met het oog op de woelingen, bijin Jogjakarta. Men wete, dat vooral RADEN MAS SUARDHY SURYANINGRAT, zoon van Pangéran Ario Soerjaningrat, die wegens het schrijven van zijn brochure „Als ik Nederlander was!” uit Indië verbannen is; thans in Holland. (foto C. L. Kooyker.) 53 jaar oud. Toch bleef hij 16 jaar lang het bestuur over zijn gebied voeren, totdat hij den 4den October 1829 stierf. Zijn oudste zoon, die toen 44 jaar oud was, volgde hem op als Pakoe Alam II. Deze vorst regeerde gedurende 29 jaren en stierf in 1858, opgevolgd door diens zoon Pakoe Alam III, die tusschen 1858 en 1864 het land bestuurde en meer bekend stond onder zijn vroegeren naam Soerjo Sasraningrat. Toen deze jonge vorst stierf liet hij twee zoons uit de p a d m i — d. i. de eerste gemalin — na, die echter nog onvolwassen kinderen waren, daarvan de oudste, d. i. Pangéran Arja Soerjaningrat, later blind is geworden. Tot opvolger werd toen uitverkoren Pangéran Nataningrat, die een zoon was van den ouderen broeder van den overledene. Tot goed begrip zij even vermeld, dat de bewuste oudere broeder, de eigenlijke kroonprins dus, reeds in 1857 gestorven was. Deze vierde vorst van het Pakoealamsche Huis stierf in 1878 en werd als zoodanig opgevolgd door Pangéran Arja Soerjodilogo, een jongeren bloeder van Pakoe Alam III. Pakoe Alam bewind voerde, bet jaar 1900. vermelden, dat zijn kinderen degelijk, europeesch school-onderwijs deed geven. De vooral in den laatsten tijd bekende en populair geworden Pangéran Notodirodjo, die in verscheidene besturen van nationaal-democratische vereenigingen zitting neemt, is een zoon van Pakoe Alam V. Pangéran Ario Notokoesoemo, de oudste zoon van den evengenoemden vorst, mocht helaas slechts anderhalf jaar als Pakoe Alam VI regeeren. Toen hij in 1901 op den troon kwam, sukkelde hij reeds aan een ernstige keelaandoening, die hem spoedig ten grave zou slepen. Eigenlijk was het ook prins Notodirodjo, die toen het bestuur waarnam. De lezer mag hier weten, dat de oudste zoon van den ziekelijken vorst, d. i. Raden Mas Soertio, indertijd in Nederland studeerde, en wel op ’t gymnasium te Nijmegen. Reeds toen zijn vader nog Pangéran Notokoesoemo was, stierf hij echter hier in het voor hem vreemde land, waar hij te Nijmegen begraven ligt. Een jongere broeder, Raden Mas Ario Soerardjo, V, die gedurende 22 jaren het stierf den 6den November van Als bijzonderheid moet ik hier deze vorst de eerste was, die
PDF
Nummer
1914, nr.19, 6 mei 1914
Blad
11
Tekst
... . —......... ' .. -............ ■....... PANORAMA ========—=—==^=——=^= bij den dood van zijn vader nog aan de Hoogere Burgerschool te Semarang studeerende, werd als de toekomstige opvolger aangewezen. Gedurende zijn studietijd op de H. B. S. te Semarang en later in de Afdeeling B. (opleiding O.-1.-ambtenaar) van het z.g. Gymnasium Willem III te Batavia, werd het bestuur tijdelijk door Pangéran Ario Sasraningrat — zoon van Pakoe Alam III — waargenomen. Na den dood van dezen, 2 jaar later, werd daarna als waarnemend hoofd aangesteld de zoo even reeds genoemde Pangéran Ario Notodirodjo. Bovendien was er in dien tijd een Raad van Beheer, waarin behalve het wd. hoofd zelf ook zitting hadden de resident, de gewestelijke secretaris, de assistent-resident van de afdeeling, in welke het Pakoealamsch gebied ligt en verder nog de patih (= rijksbestierder) van het Huis. Toen R. M. Ario Soerardjo zijn studie had geëindigd, werd' hij in 1903 tot Pakoe Alam VII benoemd met den titel en onder den naam van Pangéran Adipati Arjo Praboe Soerjo-di-Logo. Tegelijkertijd werd als waardeering voor zijn bewezen diensten de prins-regent Pangéran Notodirodjo, die toen kapitein bij den Generalen Staf was, bevorderd tot majoor titulair, terwijl hij het officierskruis van de Oranje-Nassau-orde kreeg. De jonge vorst Pakoe Alam VII van thans werd den 9den December 1882 geboren, zoodat hij nu pas 31 jaar oud is. Uit zijn huwelijk met een dochter van den Soesoehoenan van Solo in 1909 zijn reeds twee spruitjes geboren, waarvan het oudste een flinke zoon belooft te worden. Het bovenstaande is uitteraard slechts een overzichtelijke vermelding van de vorsten van het vorstenhuis Pakoe Alam, dat nu juist 100 jaar heeft bestaan. Aangezien vele leden en telgen uit die vorstelijke familie tot •de hedendaagsche intellectueelen in de Javaansche wereld behooren, meent schrijver dezes het niet ondienstig, dat ook het Hollandsché publiek van het bestaan en de vooruitstrevende richting van het Huis Pakoe Alam kennis neemt. We wéten reeds, dat een der pretendenten als gymnasiast hier in Nederland stierf, n. 1. R. M. Soertio. Later is nog een lid van dat Huis hetzelfde lot beschoren. Het was Raden Mas Ario Notowirojo, meer bekend onder zijn jongensnaam Setiono, zoon van wijlen Pakoe Alam V. Deze jonkman kwam in 1910 op de handelsschool te Amsterdam. Na een operatie, welke de doctoren noodig vonden, werd hij naar Leysin vervoerd tot volkomen herstel zijner ziekte. Dit heeft echter niets mogen baten, want reeds enkele weken late’V stierf Raden Mas Ario Notowirojo op 16 April 1913 in den ouderdom van 22 jaar. In het hooggebergte van Zwitserland ligt hij begraven. In een „in memoriam” schreef Mr. Abendanon ergens: „Vol geestdrift kwam Notowirojo in Nederland om kennis te vergaren ten einde later zijn volk voor te gaan op een der wegen, die voeren moeten tot economische ontwikkeling. Hij was doordrongen van de gedachte, dat geen werkelijke vooruitgang mogelijk is zonder grondige kennis van handel en nijverheid, zonder juist begrip van het wereldverkeer ................” Verder is de bekende Raden Mas Ario Koesoemojoedo — de eerste Javaan, die in Nederland het groot-ambtenaarsexamen heeft • afgelegd en thans controleur is bij het Credietwezen op Java, een lid qok uit het Pakoe Alamsche Huis. Hij is, evenals R. M. A. Setiono, een zoon van Pakoe Alam V. Op het oogenblik studeeren hier in Holland de volgende Pakoe-Alammers: 1. Raden Mas Ario Soerjopoetro, technisch student in Delft. Hij is een zoon van Pakoe Alam V. 2. Raden Mas Noto Kworo, med. cand. te Leiden. 3. Raden Mas Noto Soeroto, jur. cand. te Leiden en Reserve 2de Luit, bij de cavalerie. 4. Raden Mas Notodiningrat, techn. student te Delft. 5. Raden Mas Gondowinoto, jur. candidaat te Leiden. De vier laatstgenoemde studenten zijn allen zoons van Pangéran Ario Notodirodjo. Volledigheidshalve dienen wij nog te vermelden, dat de thans in Den Haag verblijvende banneling Raden Mas Suardhy Suryaningrat en diens vrouw, ook leden zijn van het Pakoe Alamsche huis. De heer Suryaningrat is een zoon van Pangéran Ario Soerjaningrat, den bovengenoemden, blinden kroonpretendent. zoon van Pakoe Alam III, terwijl zijn echtgenoote, vroeger Raden Adjeng Soetartina genaamd, een ‘dochter is van wijlen Pangéran Ario Sasraningrat, die wel eens tijdelijk wd. hoofd was van het Huis, zie boven. B. A. K heb het land aan alles,” zei Clement Hales op vermoeiden toon. „lederen dag hetzelfde of bijna hetzelfde. Het maakt mij moedeloos, ’k Heb er genoeg van. Ik verlang naar iets nieuws, naar emotie, zou wel het een of ander willen doormaken, Megson, wat bijzonders!” De goed geschoolde huisknecht boog een weinig afkeurend. ,,Ik vrees dat ik u niet helpen kan, mijnheer,” zei hij langzaam. „Ik wou dat ik maar iets wist om me te amuseeren, maar ik hèb al van alles gedaan,” ging zijn meester voort. „Wat doe jij, Megson, als je een avond vrij hebt?” Megson kuchte verontschuldigend. „Ik ben dol op tooneel, mijnheer, en daarom neem ik gewoonlijk een kaartje voor den engelenbak, hier of daar.... soms met een meisje,” bekende hij. „De engelenbak?” vroeg Hales. „O ja! je bedoelt in den schouwburg.” „Juist, mijnheer,” zei Megson. Hales dacht een oogenblik na; toen met zeker enthusiasme: „Ik ga ook eens naar den engelenbak. Dat is iets nieuws voor me. Is ’t daar amusant, Megson?” „Nou, meneer, voor u geloof ik niet bijzonder!’’ „Ik ga er in allen geval heen,” antwoordde zijn meester vastbesloten. „*t Is een bijzonder goed idee!” En zoo gebeurde het dien avond om acht uur, dat Clement Hales zich beijverde de eindelooze lange trap te beklimmen die leidde naar de hoogste rangen in de Playgoers’ schouwburg. Hij zocht in zijn zak naar de onmisbare shilling voor zijn plaats; de uitgave was niet buitensporig, dacht hij bij zichzelf. Niemand kon hem beschuldigen dat hij verkwistend was bij zijn avonduitspanning, zei hij glimlachend. Zonder zijn onschatbaren Megson zou hij echter een groote dwaasheid hebben begaan, door zich in avondtoilet te kleeden, wat hem, volgens zijn cicerone, zou hebben blootgesteld aan ongewenschte belangstelling. Hij kwam uit kracht der gewoonte aan den schouwburg eenige minuten, nadat volgens de kennisgeving de voorstelling beginnen zou, zonder er aan te denken dat de galerij-bezoekers gewend waren vroeg te komen en voor de gesloten deuren te wachten. Hij vond dan ook, toen hij boven kwam, bijna alle plaatsen bezet en kon nog slechts aan de uiterste punt van de achterste rij een zitplaatsje vinden. Hij keek zijn affiche eens in en toen dat gedaan was, wijdde hij zijn aandacht aan de omgeving. Het grootste deel van het publiek, hij merkte het met verwondering op, was van een betere klasse dan hij verwacht had. Het verheugde hem, dat zijn komst niet het minst de aandacht trok. Hij was aanvankelijk bang geweest voor de vuurproef, die nu bleek geen vuurproef te zijn. Het gaf aan zijn eigenwaarde een kleinen schok te bemerken, dat hij door dit publiek beschouwd werd als een der hunnen. De ouverture was reeds begonnen, toen hij binnentrad en dadelijk daarop nam het stuk een aanvang. Het was een knap geschreven satiriek tooneelstuk en toen hij de gespannen aandacht bemerkte op de gezichteh rondom hem, begon Clement Hales zelf met meer belangstelling te luisteren, dan in maanden bij hem het geval was geweest. Aan het eind van het eerste bedrijf applaudiseerde hij even hard als de rest, zoo’n invloed ondervindt de mensch van zijn omgeving. Zich weer nederzettende op zijn ver van gemakkelijke zitplaats, vermaakte hij zich een wijle de bewegingen te volgen van een langen man, die voor hem zat op de eerste rij, vlak aan de balustrade. Deze had blijkbaar een kennis opgemerkt op een der andere rangen en wuifde hem toe. De onbekende bleef echter zoo lang staan en hij keek zoo aandachtig naar beneden, dat Hales nieuwsgierig werd. Van zijrfplaats opstaande, liep hij het gangpad af tot hij naast den man aan de balustrade stond. Nu deed hij zijn best den persoon uit te vinden, wien de belangstelling van den vreemdeling gold en bemerkte spoedig dat dit een oudachtig heer was met bakkebaarden en een bril op, die in een der loges gezeten was. Deze richtte zijn kijker op de galerij naar de plaats waar zij zich bevonden. Hales merkte voorts op, dat zijn buurman verschillende bewegingen maakte, alsof hij den heer in de loge iemand wilde aanwijzen, die in het parterre gezeten was. Hij trachtte nu ook dezen persoon uit te vinden. Een groot gedeelte van het parterre-publiek had zijn plaats verlaten, daardoor was het hem niet moeilijk, de richting van zijns buurmans vinger volgende, op te merken dat diens ongewone attenties een bekoorlijke jongedame golden, die geheel alleen te midden van een aantal ledige stoelen gezeten was. Toen het licht voor de tweede acte opnieuw werd uitgedraaid, zocht Hales zijn zitplaats weer op, peinzende en zichzelf afvragende wat dit alles beteekende, zonder evenwel een oplossing te vinden. Hij besloot daarom bij de volgende pauze nog eens goed op te letten, want in spijt van zichzelf brandde hij van nieuwsgierigheid. Aan het eind van het tweede bedrijf zag hij den langen man stil op zijn plaats zitten. Hales was juist voornemens zijn vorige plaats weer in te nemen, toen hij tot zijn verbazing den vreemdeling plotseling opgewonden met de hand zag wuiven, opstaan en zich naar den uitgang spoeden. Hales was een oogenblik verbluft, toen, een haastigen blik door den schouwburg werpende, zag hij dat de heer in de loge, eveneens verdwenen was en dat het meisje was opgestaan en een sjaal omdeed, blijkbaar van plan om te vertrekken. „Zoo”, peinsde Hales, „zij weet oogenschijnlijk niet dat deze twee hier zijn. En dat dit geen vrienden van haar zijn is duidelijk. Waarom anders deze geheimzinnigheid. Ik zal mijn langen buurman volgen en zien wat er gebeurt”. Het was een impulsief besluit; het volgend oogenblik gevoelde hij dat hij eigenlijk een kinderlijke nieuwsgierigheid 0onde, geheel vreemd aan zijn natuur. „Och, wie weet,” zei hij tot zichzelf, „kan ik mij misschien hiermede amuseeren.” Hij wandelde ondertusschen naar den uitgang. Bij het loket gekomen, zag hij den beambte bezig de ontvangen entrées na te tellen. „Waar is de uitgang van het parterre?” vroeg Hales haastig. „Den hoek om, rechts,” was het' antwoord. Hales spoedde zich heen en aan den hoek van het gebouw gekomen, zag hij de jongedame den schouwburg verlaten. De lange man en de andere uit de loge stonden haar op te wachten en zoodra ze verscheen, naderden ze haar en begonnen op opgewonden toon tegen haar te praten. Hales, naderbij gekomen, kon duidelijk het gesprek hooren. „Wilt u zoo goed zijn mij door te laten?” zei de jongedame op trotschen toon. „Ik ken u niet en wat meer is, ik wensch u niet te kennen.-Ik beschouw het als een onverantwoordelijke onbeschaamdheid van u om mij te durven lastig vallen.” „Maar u kent Parkson, George Parkson,” protesteerde de oudste der beide mannen. „Wij wens:hen te weten waar hij is op dit oogenblik. Gij moet het weten, want ik zag u dezen middag van zijn kamer komen.” „Ik weet dat ik bespionneerd ben,” antwoordde het meisje smalend. „Een vraag,” zei de lange man, „je lijkt sprekend op Parkson, ben je wellicht zijn zuster?” „Neen, dat ben ik niet,” zei ze kort. „En al kon ik je de inlichtingen geven, die je verlangt, dan deed ik het toch niet. Ik verzoek je vriendelijk mij hier niet langer lastig te vallen, anders zou ik verplicht zijn de politie te hulp te roepen.” Ze sprak kordaat, maar Hales, die nu vlak in hun nabijheid was, meende toch angst in haar toon te hooren en overlegde bij zichzelf wat hij doen zou. „De politie?” riep de lange sarcastisch uit. „Ik ben overtuigd dat je de politie liever niet in je nabijheid hebt.” Hij scheen dit erg grappig te vinden, want hij lachte. Hales bloed begon te koken; hij had grooten lust den man zijn vuist te doen voelen, maar hij hield zich in. Oogenschijnlijk kalm naderde hij het drietal, nam zijn hoed af voor het meisje en zei beleefd: „Goedenavond, juffrouw Jones, kan ik u van dienst zijn?” Men zal toestemmen dat zijn handeling moed toonde een betere zaak waardig. Het drietal keerde zich naar hem, de beide mannen met een trek van ergernis, het meisje met verwondering op het gelaat. Toen lachte zij hem bekoorlijk toe en ging hem met uitgestrekte hand te gemoet. „Wel, hoe maakt u het,” zei ze met zwakke stem. Hales riep onderwijl een taxi aan. „Deze.... Deze heeren zijn zeer opdringerig. Ik geloof dat ze zich vergissen en mij voor een van hun kennissen houden.” Hales keerde zich tot de beide mannen en zei hun in korte maar krachtige termen zijn meening. Het meisje liep achter hem aan en steeg in den wachtenden auto. „Maar,” protesteerde de oudste der beide heeren, „zij weet iets. Ik ben er zeker van — en ze wil niets zeggen. Uw houding is alleronbillijkst 1 Ik waarschuw u,” richtte hij zich dreigend tot het meisje, „als je durft wegrijden, roep ik de politie.” „Nonsens,” antwoordde Hales reeds met zijn voet op de trede van den taxi. „Je verdient een flinke afstraffing, jullie allebei, voor het beleedigen van deze dame, en als ik den tijd had, dan zou ik je die geven. Vooruit, chauffeur, rechtuit!” De lange man deed nog een vergeefsche poging den taxi tegen te houden, maar zag, zooals Hales bemerkte, van verdere vervolging af. Met een zucht van verlichting zonk hij op zijn zitplaats neer. „O, ik ben u zoo dankbaar,” zei een zachte stem naast hem, „wilt u den chauffeur zeggen naar het CharingCross-Station te rijden, zoo gauw mogelijk. Ik moet den trein halen en er is weinig tijd te verliezen.” Hales gaf door de spreekbuis den chauffeur de noodige instructies. De snelle opeenvolging van de verschillende onverwachte gebeurtenissen lieten niet na indruk op hem te maken. Hij kwam in een opgewékte stemming bij de gedachte aan het ongewone avontuur waarin hij zich thans bevond. „Ik dank u wel,” zei de schoone onbekende. „Ik gevoel dat ik u eenige uitlegging verschuldigd ben, in dank voor uw vriendelijkheid. Deze twee mannen hebben mij gevolgd van af vijf uur vanmiddag, niettegenstaande,”
PDF
Nummer
1914, nr.19, 6 mei 1914
Blad
12
Tekst
PANORAMA ging ze verontwaardigd voort, „zij mij niet kennen. De oudste van de twee wilde te voren reeds kennis met mij maken, doch ik wist te ontsnappen. Ik dacht niet dat zij in den schouwburg waren, anders was ik er niet heen*- gegaan. ’tWas erg vervelend.” Hales vertelde haar op welke wijze de beide mannen met elkander in connectie waren geweest tot op het oogenblik dat zij de zaal verlaten wilde. „Maar zijt gij geheel alleen?” vroeg hij haar verwonderd. „Hebt ge geen vrienden om u te beschermen? ’t Is niet erg verstandig, excuseer me dat ik u dit zeg.” .,0, ik ben vreeselijk bang geworden” bekende de jongedame. „Maar ik ben juist van plan naar huis te reizen in Kent; ik zal dus niet lang in gevaar verkeeren. X daar is het station. Ik dank u nogmaals hartelijk. Ik weet niet wat ik zonder uw Kuip had moeten beginnen,” zei ze op lieftalligen loon, terwijl ze haar hand op zijn arm legde. Hales ontmoette haar blik, en zijn hart begon ongewoon snel te kloppen. „Dat verwenschte station,” mompelde hij in zichzelf. Daar was evenwel niets aan te doen, en zijn teleurstelling verbergende, hielp hij zijn reisgezel uitstappen. Haar voet gleed hierbij uit en hij had het geluk haar even in zijn armen te mogen houden. Een witkiel die het zag, lachte veelbeteekenend en keerde zich om. Het meisje intusschen trok Hales het station binnen, onder den zenuwachtig herhaalden uitroep, dat zij den trein missen zou. Bij het loket vroeg Hales haar naar de plaats harer bestemming. „O, ik moet een kaartje hebben voor Dover,” antwoordde zij rustig. Hij nam een kaartje eerste klas en beiden gingen toen ademloos op zoek, naar het juiste perron. Eindelijk vonden ze dit; de trein stond op punt van te vertrekken. Langs de waggons rennende vond Hales nog juist op tijd een leege coupé. De deuren werden dichtgesmeten, er werd geschreeuwd, de conducteur floot en de trein zette zich langzaam in beweging. Hales liep mee met den waggon waarin ze zat. „U heeft mij niet eens uw naam gezegd,” zei hij snel: „Mag ik hopen u nog eens weer te zien ?” „Misschien — wie weet?” zei het meisje een weinig scherp. „O, ja,” riep ze uit, „ik moet u het geld van het spoorkaartje nog terugbetalen. Wilt u mij uw adres geven ?” * Hales reikte haar zijn naamkaartje toe en — hij kan zich tot op heden nog geen verklaring geven van zijn handeling op dit oogenblik, — ontsta! haar een kus. De onbekende scheen door deze vrijpostigheid niet beleedigd. „Vaarwel!” riep ze, met haar hand wuivende. „Vaarwel!” Hales stond met het hoofd ontbloot en staarde den tiein na tot deze uit het gezicht verdwenen was. Eerst nu kwam hij tot het bewustzijn hoe allerdwaast zijn handeling was geweest en hoe dom ’t was vertrouwen te stellen in het verhaal van een geheel onbekende. Een bekoorlijkst schepseltje, ’t is waar; maar mooi en — valsch, dacht hij bij zichzelf; valsch en mooi! Hij ontrukte zich aan zijn overpeinzingen en wilde haastig het perron verlaten. „Doch wat kan mij het eigenlijk schelen,” zei hij binnensmonds. „Ik heb een amusant avontuur gehad en voor de rest is ’t mij onverschillig.” Op hetzelfde oogenblik voelde hij een hand op zijn schouder en zich omkeerende, keek hij tot zijn verbazing, in het gelaat van de oudste der beide heeren. „Waar is zij?” vroeg deze ruw. Geen antwoord ontvangende, streek hij nadenkend met de hand langs het voorhoofd. „Je hebt haar toch niet met den trein laten Oe „hameer’, een boerderij aldus genoemd naar den eigenaardigen vorm van het dak, eveneens wel bekend bij de Êarensche kunstenaars. (foto J. C. H. Jansen.). ,öe hut van Gtfsie” een welbekend plekje te ölaricum. (foto J. C. H. Jansen). ontsnappen?” bromde hij. Hales knikte ernstig. „Ja! Het verheugt mij u mede te kunnen deelen, dat de jonge dame buiten uw bereik is.” „Laat mij u eens nader uitleggen,” zei de ander met vermoeide stem. „Ik had beter gedaan u dadelijk op de hoogte te stellen, dan had je zeker anders gehandeld. Ten eerste zij was je volkomen onbekend, nietwaar? Je hebt haar nooit te voren ontmoet? Dat dacht ik wel! Nu, ik ben procureur,” ging hij voort, „de ander was mijn broer. Hier is mijn kaartje. Een klerk, pas eenige dagen in onzen dienst, is met de noorderzon vertrokken. Verschillende belangrijke documenten werden door ons gemist, enfin, u begrijpt! Zijn kamers waren reeds doorzocht door de politie. Dezen middag ging ik echter op eigen initiatief nog eens een onderzoek instellen. Toen ik er aankwam, liep het meisje juist de trap af, klaarblijkelijk van zijn kamers komende. Ik zei haar dit dadelijk, maar zij ontkende.” „Ik begrijp alles, mijnheer... Morris,” zei Hales langzaam, het naamkaartje inziende. „Ik deed alsof ik haar geloofde, doch volgde haar op een afstand. Ze ging naar den Playgoersschouwburg. Mijn broeder en ik besloten eveneens er heen te gaan, ik kocht een plaats in de loge, mijn broeder op de galerij, in de hoop haar te zullen zien. Is het u duidelijk?” „Volkomen,” antwoordde Hales, die een onbehaaglijk gevoel niet onderdrukken kon. „Welnu, bij zag haar het parterre binnentreden en gaf mij dit door een teeken te kennen. Na het tweede bedrijf verliet zij de zaal, wij volgden haar en toen wij haar eenige inlichtingen vroegen, waartoe wij in het belang der gerechtigheid volkomen bevoegd waren, kwaamt gij, dwaas, tusschenbeide en hielpt haar ontvluchten.” „Zij nam een kaartje naar Dover,” zei Hales langzaam. „Dover?” herhaalde Morris snel. „Zooals ik dacht, ze vlucht naar het Continent. Kijk, wat ’n geluk!” riep hij plotseling uit, toen een trein het perron binnenstoomde, die. voor Dover bestemd was. „De nachtboot vaart tweemaal. Ik volg haar.” Hij nam gauw een kaartje en keerde terug. Aan de controle wendde hij zich nog eens tot Hales. „Je bent een vervloekte gek!” riep hij hem toe. Hales lichte zijn vuist op om hem van antwoord te dienen, doch hij bedacht zich, keerde zich om en vertrok. Toen hij het perron verlatende nog eens omkeek, zag hij Morris in den trein stappen. Megson was verwonderd, dat zijn meester over diens bezoek aan den engelenbak een diep stilzwijgen bewaarde. Hij was evenwel een te goed geschoolde knecht, om iets te durven vragen, en maakte uit zijns meesters stilzwijgen de gevolgtrekking dat deze zich niet geamuseerd had. Na een paar dagen kwam voor Hales de climax in den vorm van een brief. De inhoud hiervan bracht hem in de grootste verbazing. Toorn om zijn verregaande domheid en vroolijkheid over het grappige van het geval maakten zich om beurten van hem meester. De brief droeg den poststempel van een zuidoostelijk district van Londen, had geen adres en bevatte het volgende: „Mijnheer, Hierbij ingesloten een postwissel met het bedrag van het plaatskaartje dat u zoo vriendelijk was voor mij te nemen. Ik heb hier bijgevoegd de kosten van den taxi, zoodat ik mijn schuld, ten minste de geldelijke, hiermede heb ingelost. Ik moet u nogmaals bedanken voor uw hulp bij het bedriegen van den zeer energieken heer Morris en diens broeder. Ik zag hem in Dover, maar ik ging niet op de boot zooals hij. Het zal u nu wel bekend zijn dat ik de gevluchte en gezochte klerk ben, ofschoon ik voor deze bijzondere aangelegenheid mijn uiterlijk een weinig veranderd had, in de overtuiging dat dit door galante heeren op prijs zou worden gesteld. U zult moeten toestemmen dat ik in mijn voornemens volkomen geslaagd ben; ook in het om den tuin leiden van de gebroeders Morris. En ik was nog wel een week lang op hun kantoor werkzaam geweest, alvorens ik er in slaagde de papieren machtig te worden, die ik noodig en waarop ik recht had. U zult bemerken, dat ik in afwijking van de gewone manier van doen in dergelijke gevallen, in Londen gebleven ben. Het is hier verreweg het veiligst. Uw dankbare GEORG PARKSON (nog steeds in vrijheid!) P.S. — U zult mij wel voor een volleerde coquette houden ! „Deksels!” riep Clement Hales uit, „wat ’n vlegel! Enfin, laat ik hopen dat dit een les voor mij’is. Maar toch,” ging hij half lachend voort, „er was een excuus voor mijn flater. Zij.... o, pardon, ik bedoel hij was een allerliefste meid!” Natuurlijk had Hales de heeren Morris in kennis moeten stellen van zijn ontdekking. Dat hij het echter niet deed, is begrijpelijk. Geen mensch wil graag erkennen, dat hij een ezel is geweest.
PDF
Nummer
1914, nr.19, 6 mei 1914
Blad
13
Tekst
’s-Gravenhaagsche Vereeniging voor Gesondheidsholonién. 1884-1914. Van ’t zelfde jaar dat Mr. Kerdijk te Amsterdam het initiatief nam om onvermogende kinderen een kort verblijf buiten te verschaffen tot herstel van gezondheid, dagteekent ook het pogen van enkele Hagenaars om een vereeniging te stichten tot hetzelfde doel. In 1884 kwam deze tot stand en in dit jaar werd reeds een groep van 21 kinderen onder geleide van een onderwijzer en zijn echtgenoote naar Princenhage gezonden. Het werk der jonge Vereeniging vond zooveel bijval bij de ingezetenen der Residentie, dat een volgend jaar reeds 2 groepen ieder van 25 kinderen uitgezonden konden worden. Het eerste tiental jaren hielden de kinderen verblijf in logementen bij ’t Liesbosch, ook werd eenige keeren ’t jachthuis van wijlen Prins Frederik, in dat bosch gelegen, in gebruik genomen, totdat in 1894 de opbrengst van een Fancy-Fair de Vereeniging in staat stelde een eigen koloniehuis te bouwen aan den zoom van ’t Liesbosch, dicht bij dè halte der stoomtram. Moest de Vereeniging eenige jaren later door de afneming van de belangstelling in haar werk, een kwijnend bestaan leiden, in 1902 brak weer een betere tijd aan, waardoor het mogelijk werd 75 kinderen in dat jaar uit te zenden. In 1905 klom dit aantal reeds tot 120. Vooral in de latere jaren werd er ijverig propaganda gemaakt voor het schoone doel, zoodat, dank zij ook een jaarlijksche subsidie der gemeente van f 2000.—, ieder jaar een 175-tal kinderen kon uitgezonden worden. Toch blijft dit slechts een luttel getal, daar er alleen op de gemeentescholen in den Haag reeds een 2000-tal kinderen zijn, die de uitzending van noode hebben. Vooral onder voorzitterschap van wijlen. Dr. J. Th. Mouton, oud-wethouder van Onderwijs en den tegenwoordigen voorzitter den heer D. A. J. Kessler, lid der Gemeenteraad, werden verschillende verbeteringen aan het huis aangebracht, zoodat het een der beste, kleine koloniehuizen van ons land mag hêeten. Den 16en April vertrok weer de eerste der 7 kolonies, die deze Vereeniging dit jaar uitstuurt, naar het koloniehuis te Leur. Waar in dit jaar de Vereeniging zich verheugt in haar 30-jarig bestaan, spreken we den wensch uit, dat een nieuw tijdperk van ongekenden bloei het streven van het Bestuur mag bekronen, wat alleen mogelijk is, wanneer de belangstelling van het publiek meer op deze nuttige instelling gevestigd blijft. ’s-Gravenhage, A. M. RlEKERK. Aan den Rand van den Afgrond Door FRANK H. SHAW. (Vervolg). „Wel, Bess, ik hoop, dat je tevreden bent met je koopje. Hij is een mooie vertegenwoordiger van de menschheid — hij is zoo diep gezonken als een man maar kan zijn.” „Ja, Jack. Ik weet, dat hij ver weg is, maar nooit is een man zoo diep gezonken of hij kan nog gebeterd worden. En eens zal hij dankbaar voor onze tusschenkomst zijn.” „Welneen; hij zou ons op dit oogenblik graag naar de keel vliegen. Hij is voor niets meer bruikbaar. Het vergif heeft al zijn besef van goed en kwaad weggenomen. Je kunt ze niet verbeteren, als ze zoo ver weg zijn, als deze man.” Maar Bessie lachte en vrouwen hebben van de meeste dingen meer verstand dan mannen. Inderdaad was er geen enkele reden tot blijdschap, wat Jem Baker betrof. Het schip was al vele dagen op zee en al dien tijd had de verslaafde niets gedaan dan raaskallen en rooken en smeeken om een hoeveelheid van het slaapverwekkende gif, terwijl hij dreigde en vloekte, als het hem niet gegeven werd. Hij had het meisje beleedigd, hij had den kapitein een stortvloed van bittere woorden toegevoegd en als hij er niet voor teruggedeinsd was, dan zou Maxwell in de verzoeking gebracht zijn om hem neer te schieten. Zelfs nu, terwijl Maxwell aan den zonkant van het dek zat, hoorde hij hem beneden razen en om zijn vrouw dat gehoor te besparen, ging hij naar Baker’s hut. Bessie, die genoot van den mooien dag, sloot haar oogen en wenschte, dat zij haar ooren ook zoo goed kon sluiten. Zij trachtte zichzelf wijs te maken, dat haar ingeving, om haar man tusschenbeide te laten komen, een goede ingeving was geweest en een, die meer beteekende dan een gril. Zij deed haar oogen open, om naar het bolle, witte -zeil te kijken, dat wijd uitgespreid was. Zij zag het heldere blauw van den hemel boven haar; zij hoorde* het klotsen van het water dat doorkliefd werd, en het sissen van het schuim; en zij zei bij zichzelf, dat de wereld mooi was — te mooi voor zulke wezens als die man, dien zij gered hadden. „Ik ben blij — ik ben blij, dat Jack het gedaan heeft. Vroeger of later zal die man weer tot bewustzijn komen en dan zal hij weer probeeren, om goed te worden; ja, ik weet zeker, dat hij dat zal doen.” En terwijl zij zoo dacht zag Maxwell in de hut op de gedaante neer, die ineengedoken op de brits lag, gewasschen, maar nog niet geschoren, nu eens in elkaar kruipend, dan weer razende en vloekende. „Je krijgt geen opium,” zei hij streng; „en omdat er een vrouw aan boord is, zal ik je deur afsluiten. Je wilt zeker weten, waarom je hier bent, nietwaar? Welnu, dat zal ik je vertellen. Mijn vrouw zag je liggen als een zwijn in zijn trog in zoo’n smerige opiumkit in Suchoy en zij had medelijden met je. Het scheen, dat niemand er iets om gaf of je naar den duivel ging of niet, maar dat deed zij wel. En daarom zal ik je gelegenheid geven, je te beteren.” Baker siste een vloek tusschen de tanden. „Wat had jij daarmee te maken?” vroeg hij bijna grienend. „Iemand heeft toch het recht zijn eigen weg te gaan?” „Niet wanneer een vrouw belang in hem stelt. Opium kun je hier in geen geval krijgen; maar als je je best wilt doen om er weer bovenop te komen, dan zal ik je helpen.” Een onverstaanbaar gebrom kwam van de brits en Maxwell ging weg. Bessie was in een lichten slaap gezonken, toen hij het dek weer bereikte; hij liep zachtjes, zijn gummizoelen maakten geen geluid op het dek. Zij was heel mooi om te zien, zooals zij daar lag in dien stoel, terwijl de wind speelde met haar krullend haar. „Zij is engelachtig genoeg, om zelfs die arme duivel te verbeteren,” dacht de bezitter van dit lieve schepseltje. „God zegene haar! Maar dezen keer heeft zij een fout begaan 1” Ingevolge zijn belofte ging hij zijn best doen, om het diepgezonken wezen te beteren. Hij ging geduldig met Baker te werk, trachtte het restje van menschelijkheid in hem op te wekken en het goede in hem op te zoeken ; en nadat de eerste folteringen tengevolge van de onthouding van opium voorbij waren, kwam er een langzame verandering in het wrak. Tot nu toe was Baker te zwak geweest om uit bed te komen en Maxwell durfde zijn vrouw hem niet te laten naderen ; maar vol vertrouwen deed de kapitein wat hij kon. „Je had je de moeite wel kunnen besparen,” zei Baker. „Zoodra ik van je vandaan ben, keer ik weer naar de opiumkit terug. Ik heb het nu eenmaal in mijn bloed — ik ben verloren.” „Nonsens ; geen man is zoo diep gezonken of hij kan er weer bovenop komen.” „Maar ik ben al voor de derde maal gevallen,” zei Baker. Met een vastberaden gezicht zei Maxwell: „Ik zal al mijn best doen, je er bovenop te helpen.” En langzamerhand werd de afstomping, veroorzaakt door het langdurig gebruik van opium, minder. De pijnaanvallen kwamen minder dikwijls voor; eindelijk was hij ver genoeg, dat hem toegestaan kon worden op het dek te komen. „Ik zal je wat fatsoenlijke kleeren van mij geven,” zei Maxwell. „Je bent zoowat van mijn grootte en je kunt je zelf scheren met mijn safety razor. Dan zullen we eens zien, wat we van je kunnen maken.” Terwijl Baker zich met bevende hand scheerde, ging Maxwell op de brits zitten en keek scherp toe. „Je denkt zeker, dat ik me de keel wil afsnijden, hè? Wel, niemand gaat het wat aan, als ik het doen wil, nietwaar?” „Neen, dat niet. Maar Bess zou er erg bedroefd om zijn.” De man draaide zich haastig om. „En je wilt me aan je vrouw vertoonen en mij door haar laten beklagen ! Dat vind ik schandelijk, Maxwell — schandelijk. Waarom liet je me niet in tnijn eigen sop gaar koken: dat was het beste voor mij geweest. Wel man, als je eens wist, wat voor leven ik achter mij heb ; weet dat het bezoedeld is.’ „Bess denkt, dat wij menschen allemaal iets goeds in ons hebben,” merkte Maxwell op. „En nu ik dertien maanden met haar getrouwd ben, ben ik tot de slotsom gekomen, dat zij in de meeste dingen gelijk heeft. Ze hoopt je te kunnen redden en, bij God! je bent verplicht je best te doen.” Onbewust draaide Baker zijn hoofd een weinig om; een oogenblik later liet hij het op de borst vallen. Die beweging was niet aan Maxwell’s opmerkzaamheid ontsnapt. „Hij is treurig en bedroefd,” dacht hij. „Ik geloof, dat Bessie gelijk heeft.” Met onzekere stappen en een verlegen gezicht naderde Baker de vrouw van den kapitein. Een duivel woedde in hem. Hij had lust zich van zijn slechtste zijde te laten kennen; om haar te tarten, door zich zoo verdorven mogelijk voor te doen. Doch iets in Bessie’s oogen roerde een vreemde snaar in zijn gemoed aan ; er schoot een brok in zijn keel; zijn oogen deden hem pijn. Bessie toonde geen medelijden met hem; zij naderde hem eenvoudig met uitgestrekte hand en haar handdruk deed hem zijn slecht plan vergeten. „Maar u verspilt uw tijd,” zei hij. „Ik waarschuw u : opium is machtiger dan wij allen.” „Dat zullen we eens zien,” zei Bessie en al de wijsheid van haar sekse sprak uit haar glimlach. „Ja, dat zullen we zeker zien. Ik ben niet goed, mevrouw Maxwell; ik kan er u zelf niet voor bedanken dat u mij uit de goot hebt opgeraapt. Wat gebeurd is, behoort tot het verleden ; en — het doet pijn als gloeiende regen. Waarom hebt u mij niet in mijn ellendigen toestand gelaten ?” „Omdat ik wist, dat — dat —” Zij zocht naar haar woorden en het meisje werd steeds meer verlegen. Eindelijk zei ze ten einde raad: „Omdat ik wist, dat ge op den een of anderen dag blij zoudt zijn, dat we u een weinig geholpen hebben, mijnheer Baker.” „Weet ge wel, dat ge de eerste vrouwzijt, die sedert twee jaar tegen mij spreekt?” zei hij met een eenigszins gebroken stem. „Het is natuurlijk mijn eigen schuld geweest, maar — het doet pijn. Een vrouw is de oorzaak van al mijn ellende.” „En een vrouw zal u er weer uit opheffen, als God wil,” zei Bessie in zichzelf. Gedurende een week werkte de frissche lucht weldadig op Baker; maar de wroeging ondermijnde zijn verzwakte hersenen op een vreeselijke manier. God alleen wist, hoe hij soms zich moest bedwingen om niet overboord te springen en zoo een eind aan zijn zielepijnen te maken — en tevens aan zijn lichamelijke pijnen ; want de duivel hield hem vasr met ijzeren greep. In Bessie’s gezelschap echter moest hij zich herinneren, dat hij lang — lang geleden een net mensch geweest was. Ongetwijfeld was hij eens een fatsoenlijk man geweest. Maxwell zond hem aan het werk, gemakkelijk werk, dat zijn geest bezighield en hem afleidde. Langzamerhand, met horten en stooten, met een gezicht, alsof het hem niets kon schelen, vertelde Baker hem de bijzonderheden van zijn leven, van de vrouw, die zijn verderf had bewerkt. „Het was de oude geschiedenis ; zij kwam tot de ontdekking, dat zij zich vergist had, dat zij een ander liefhad. Maar zij vertelde mij dit niet ronduit; zij ging er met hem vandoor en achteraf hoorde ik, dat zij getrouwd waren; zij was verstandig; zij kende mijn zwakke punt. Maar — het kwetste. En het is heel gemakkelijk, om bergafwaarts te gaan, wanneer je dat wil en er niets is, om je terug te houden.” Maar zijn eigenwaarde kwam langzamerhand terug. De welmeenendheid van Maxwell, de zachte vrouwelijkheid van Bessie, deden hem berouw gevoelen over de jaren, die hij vergooid had; langzamerhand kwam zijn verloren levensmoed terug. Hij probeerde nu de aanvallen van vurig verlangen te bedwingen, hij streed in stilte, hij vocht tegen zijn natuur. En terwijl hij vocht, naderde de t1Shining Light" de Stormkaap in de Stille Zuidzee. Het mooie weer was voorbij en nu volgden donkere luchten, huilende rukwinden en hooge, onstuimige zeeën. Overal was de atmosfeer onheilspellend, maar Maxwell zette zijn beschermeling opnieuw aan het werk, om zoo zijn geest bezig te houden. Gekleed in een oliejas, met kaplaarsen aan, deed de man alles met de zeelieden mee en dit leven van werkzaamheid had een goedeninvloed op hem. Langzamerhand werd de zucht om zich te beteren sterker in hem en hij ging meer zijn best doen. Wanneer hij den trouwhartigen blik van Bessie’s oogen ontmoette, voelde hij zich gesterkt en trachtte zijn verlangen te vergeten. (Wordt vervolgd.)
PDF
Nummer
1914, nr.19, 6 mei 1914
Blad
14
Tekst
TENTOONSTELLING VAN POPPEN IN DE ZALEN D’AUDRETSCH TE ’s-GRAVENHAGE. (Foto Hijmans) ... ....... .... r i. . ..... ...... Voor de Jeugd POPPEN. Dat zijn nu nog eens mooie poppen, hè jongens? Een Duitsche dame, moeten jullui weten, Kathe Kruse geheeten, heeft ze gemaakt en aangekleed, zóó, dat ze er precies uitzien als kleine broertjes en zusjes. Gij kunt ze knuffelen, aan- en uitkleeden, zelfs wasschen, zonder gevaar dat ze hun kleur zullen verliezen en zonder kans om ze kapot te maken. Want ze zijn onbreekbaar en ge kunt niet probeeren om te zien wat er van binnen in zit. Wat ’n leuke snuitjes hè? Kijk die POPPENBRANDWEER AAN HET WERK. dikke broer eens en die aardige zus in haar nachtjapon! Zoo echt natuurlijk, wat? Wie in den Haag woont van jullui, of in de buurt, moet maar eens zien, dat hij Pa of Ma mee krijgt naar de Kunstzalen d Audretsch, waar ze op het oogenblik te zien zijn. Tenminste als deze zes niet gauw verkocht zijn. Maar dan komen er nieuwe. En nu moeten jullui ook nog eens goed kijken naar de plaatjes hieronder. Die zijn van de interessante Poppententoonstelling te Utrecht. Daar waren er honderden, uit olie deeien van de wereld, èn er waren poppenhuizen, poppenspeelgoed in de grootste verscheidenheid, eigenlijk te mooi om er mee te spelen. Maar erg. erg mooi om te zien. En dat hébben dan ook duizenden groote menschen gedaan, want die houden ook van poppen. DE VERKOOP VAN DE POPPEN OP DE TENTOONSTELLING. (foto's Jochmann.)
PDF
Blad 
 van 2380
Records 731 tot 735 van 11897