|
DE NIEUWE
DIERENTUIN TE ROME
Het jaarlijksche tijdperk van reizen en trekken is weder
aangebroken en straks trekken de reizigers uit het hooge
Noorden en uit West-Europa weder in drommen naar het iand
„waar de citroenen bloeien", het wonderschoone Italië.
„Napels zien en dan sterven" moge slechts figuurlijk bedoeld zijn — het is althans te hopen — de uitdrukking is
niet minder gangbaar dan die dat te Rome geweest zijn en
den Paus niet gezien te hebben slechts half werk is. Intusschen,
dit voorrecht is aan slechts weinigen beschoren, maar wie
niet te Rome kwam loopt zelfs de kans op dit voorrecht mis.
En, in elk geval, in Italië geweest te zijn en niet te
Rome *..
Het zal wel onnoodig zijn zelfs een vluchtig denkbeeld te
geven van al het schoons en het merkwaardigs dat de stad
der Imperatoren den reiziger biedt.
Dat is alles overbekend. Maar minder bekend mag het
heeten, dat Rome thans ook een diergaarde bezit die met
geen andere van dien aard in de gansche wereld te vergelijken
is, dan wellicht met het dierenpark te Stellingen, bij Hamburg,
eigendom va^ de befaamde firma Carl Hagenbeek, die ook
den aanleg van den Romeinschen dierentuin heeft bezorgd.
Dan, omnis comparatio claudicat, hebben de Latijnen gezegd •
Het bedrog ven Robinson Crusoë,
(Vermakelijke historie van een reis door het luchtruim,)
E eenige rechtvaardiging voor een wonderlijk verhaal is zijn ontwijfelbare
waarheid. Wat ik u nu vertellen wil is
het zuivere, onvervalschte en onopgesmukte verhaal van een wonderlijke
gebeurtenis door mijzelf ondervonden.
Het begint met een schipbreuk op een
onbewoond eiland en geloof me, toen de
Voorzienigheid mij schipbreuk liet lijden, was dat niet zoo’n
pretje als bij Robinson Crusoë, maar een hoogst ernstig geval.
Ik was op een reis van Burmah naar Londen met een
lading zijde. We waren goed en wel de Kaap om, toen
eensklaps onze stoomketel sprong en alle manschap in de
nabijheid doodde. Het woei onderwijl een orkaan — en de
kapitein vloekte als de Vliegende Hollander, terwijl het
schip werd voortgezweept.
De storm nam ons op en joeg ons naar het Zuiden
en zou ons steeds zuidelijker gejaagd hebben, als aan den
horizont niet een klein eilandje uit de zee was opgedoken, dat ons den weg versperde. Het was een van de
met palmen begroeide koraalriffen, die men in den Stillen
Oceaan zooveel aantreft. We vlogen er recht op af met
een snelheid van dertig knoopen — het was een storm
zooals Crusoë nooit doorleefd had — en wij allen wisten
dat de kans om dit te overleven al zeer geringwas. Het
rif was ruim dertig voet breed en de golven bruisten.
Het was ons eigenlijk onverschillig waar we terechtkwamen, nu we toch den dood voor oogen hadden. Wat
mij betreft, ik kroop naar voren en plaatste mij kruiselings op het uiterste einde van den boegspriet. Ik haatte
het om langzaam weg te glijden in de kokende golven;
als ik toch sterven moest, dan zou dat in elk geval op
een grootscher wijze gebeuren.
We waren nu dichtbij. Nog een oogenblik en — krak!
Wat ’n schok was dat! Ik had echter geen tijd hierover
na te denken, want ik vloog van den boegspriet af het
luchtruim in met een geweldigen vaart.
Wat ’n vlucht! Beneden mij zag ik de schuimende
golven. Ik vloog over de branding, daalde neer en viel
eindelijk in kalm water.
Toen ik weer aan de oppervlakte kwam, keek ik rond.
Ik was over het rif heengevlogen en in het rustige water
van de kreek terechtgekomen. Ik zwom naar de kust en
bereikte het strand. Doornat, mijn lucifers doorweekt,
mijn sigaren eveneens, was ik er niet al te best aan toe.
Ik liep het strand op en neer in de hoop, dat eenigen
van het scheepsvolk insgelijks gered zouden zijn en vroeg
mijzelf af wat ik zou beginnen. De woedende golven
beukten nog steeds het rif en het oude schip met zijn
neus uit de golven schudde heen en weer. Al mijn metgezellen schenen te zijn omgekomen. Ik wendde mij
daarom af van het wrak en ging landwaarts in, mijzelf
afvragende wat soort van eiland ik eigenlijk geërfd had.
Ik had nog niet ver geloopen, toen ik tot mijn verwondering een paal zag staan. Ik liep ei heen en zag
dat er een vierkant bord aan bevestigd was. Dit bord
droeg, zoover ik in de duisternis onderscheiden kon, een
opschrift. Er zat niets anders op, dan in den paal te
klimmen, als ik het lezen wilde. Dit deed ik en nu las
ik het volgende:
Ik kwam aan deze kust
30 Sept. 1659
R. C.
Ik gleed naar beneden, ten zeerste verwonderd. Het
kostte mij geen de minste moeite te ontcijferen waar ik
was. Het was niet noodig dat de getrouwe Vrijdag voor
mij oprees om mij dit te vertellen. Ik wist dat ik op
hetzelfde eilandwas, waar Robinson Crusoë, heerlijke gedachtenis, ruim twee en een halve eeuw geleden geleefd had.
Ik was ten zeerste verheugd te bemerken dat de oude
Robinson niets verzonnen had. Ik weende bijna bij de
gedachte dat ik in latere jaren getwijfeld had aan de
waarheid van deze geschiedenis, waarmede ik in mijn
jonkheid zoo gedweept had. Helaas, wat zijn we op
lateren leeftijd soms blind voor de waarheden uit onze jeugd.
Ik begaf mij naar den kleinen heuvel en nu kwam
alles mij bekend voor. Daar was het voorgebergte waar
hij uitzag naar het schip dat eenmaal komen moest. En
hier, ja hier was de hooge muur van boomen voor zijn
woning Ik spoedde mij er heen om ze te bezichtigen.
De vervlogen eeuwen hadden ze doen ineengroeien tot een
ondoordringbare barricade.
Het was een onmogelijk werk er door te dringen, toch
wilde ik het beproeven. Niet dat ik niet wist wat zich
aan de andere zijde bevond. Ik wist het zeker. Ik twijfelde
er niet aan of hij had de waarheid verteld. Natuurlijk
de geiten waren dood en de papegaai was verdwenen;
maar tal van andere dingen zou ik weten te vinden,
blindelings, in de duisternis.
Maar hoe zou ik dezen hoogen muur overkomen? Dat
was de vraag. Ik betastte hem en voelde tot mijn blijdschap dat de natuur de takken zoo ineengeweven had,
dat ze aan handen en voeten steunsel boden.
Voorzichtig klom ik naar boven en kwam eindelijk op
een plek, wel tien meter boven den grond, waar ik mij
door de takken kon heen werken. Hier rustte ik even om
wat op adem te komen, en hoorde nu opeens een zacht
gesuis, evenals van een laag brandende gaspit. Wat zou
dat nu in ’shemelsnaam zijn? Ik luisterde met alle
aandacht. Het gesuis ging onafgebroken voort en kwam
ergens beneden mij vandaan. Ik pijnigde mijn hersens
wat het zou wezen, maar kon mij uit de geschiedenis
van Robinson Crusoë niets dergelijks herinneren.
Doodelijk bevreesd werkte ik mijzelve door de takken
als een aap zonder staart, welke laatste mij anders goed
te pas zou zijn gekomen. Toen ik mij ver genoeg er
door gewerkt had om doorbet gebladerte te kunnen gluren
was ik hoogst verbaasd op het zien van een helder licht,
dat door de deur der hut naar buiten straalde.
Ik was ontgoocheld, dat wil ik wel zeggen. Dat had
niets te maken met Robinson Crusoë. Doch wellicht kon
iemand zijn hut in bezit genomen hebben en er een smederij
zijn begonnen. Wat kon er in twee en een halve eeuw
al niet gebeurd zijn. Ik was echter zoo verbluft, dat ik
de vervlogen eeuwen geheel vergat en ik begon te roepen;
„Zeg, Robinson, Robin, ouwe jongen, ben je daar?
Crusoë, geef antwoord, als je hier bent!"
Geen antwoord. Maar het geruisch ging onafgebroken
voort en het licht bleef schijnen door de deuropening en
wierp zijn schijnsel op het ruwe houten paalwerk rond
de hut en op eenig oude pannen. Ik was geheel verbijsterd.
Ik naderde de omheining, ze leek mij nog vrij stevig,
maar toen ik een der palen greep, was hij in den grond
verrot. Ik wierp hem terzijde, en wandelde door de
opening als een man, die op het punt staat een groote
ontdekking te doen. Ik stapte door de hut naar de grot
er achter, hield hier stil en keek rond. In den versten
hoek uit een nauwe spleet in de rots kwam een kleine
blauwe vlam, die het geruisch deed hooren als een gasvlam, waar een sterke drukking op staat.
Ik beken eerlijk, ik was op dat oogenblik geheel sprakeloos. Toen begon ik na te denken en zag ik den ouden
Crusoë in het ware licht.
„De leugenaar!” riep ik uit, terwijl ik mijn zuidwester
op den grond wierp en er woedend op trapte. „Die helsche
bedrieger! ’t Is nitrogeen. Ik geloof dat de oude zwendelaar wegliep 254 jaar geleden en het gas hier liet
branden. En hij heeft er geen woord van gezegd. Wie
anders kan het aangestoken hebben? O, die verleider
van een argelooze jeugd!”
Ik zag duidelijk de reden van zijn stilzwijgen: hij was
een lafaard. Hij vertelde het niet, omdat hij vreesde dat
niemand hem gelooven zou. Het zou te vreemd, te wonderbaar geschenen hebben in zijn overigens zoo geloofwaardige geschiedenis en daarom bedroog hij ons. Hij
was niet zooals ik. Hij had niet den moed om de waarheid
te schrijven en aldus den toom op zich te laden van
een ongeloovige wereld. Ik was woedend over een dergelijk lafhartig verraad en zat stil neer op den driepootigen stoel van den ouden bedrieger, het hoofd in de handen,
diep geschokt in mijn vertrouwen in s menschen eerlijkheid.
De gasstroom was buitengewoon sterk. Ik keek er met
belangstelling naar en bemerkte eensklaps in de nabijheid
een inscriptie uitgehouwen in de rots. Wat stond daar:
„Ik, Robinson Crusoë, ontstak deze vlam bij toeval
en werd daarbij gewond. 20 Oct. 1659."
Zoo, dacht ik, de ouwe ezel was aan het ijsbeeren met
zijn zwam en tondeldoos, toen plotseling door een vonk
dit gas ontplofte. Nou, hij kreeg zijn verdiende loon.
Toen, terwijl ik probeerde aan de vlam een sigaar aan
te steken, kreeg ik plotseling een prachtig idee. Ik duizelde en het was of de hut in het rond draaide. Hydrogeen 1 Zijde! Zijde! Hydrogeen! Ik, de beroemdste
uitvinder, was juist de man om een dergelijk denkbeeld
tot werkelijkheid te maken. Had ooit eenig man op een
verlaten eiland zulke hulpmiddelen gehad.
Robinson Crusoë zou ongetwijfeld dit deel van zijn
wedervaren hebben verzwegen, maar ik was van ander
deeg. Het was een zonderling geval! Zijde! Hydrogeen!
Ik zag mijzelf reeds vliegen over de zee, gedragen door
het in de zijde opgesloten hydrogeen. Al had ik aan den
horizont schepen gezien, wachtende op het wuiven van
mijn zakdoek om mij op te nemen, ik had niet gewuifd,
nog voor geen duizend schepen.
Ik zou de zijdestoffen uit het wrak halen, de stukken
aan elkaar naaien, ze vullen met het gas, en ik zou
heenvliegen naar de bewoonde wereld en aan een uitgever
mijn geschiedenis overhandigen, een geschiedenis die de
geheele waarheid zou vertellen en het goedgeloovige
menschdom zou doen zuchten, zooals ik gedaan had, over
de lafheid en het bedrog van Robinson Crusoë.
Ik keek rond naar eenige overblijfselen van Robinsons
huisraad en vond een ouden vijzel en stamper, die hij
gebruikt had om zijn koren fijn te stamoen. Even later,
rommelende in zijn oude potten, vond ik er een, nog
half gevuld met graan. Och, hij was toch nog zoo heel
onbetrouwbaar niet. Hier was ten minste iets, dat in
zijn boek vermeld was. Op het zien van het graan bemerkte ik dat ik honger had.
Ik stampte de korrels fijn in den vijzel, maar toen ik
er deeg van wilde maken, vond ik niets om mee aan te
lengen. De geiten waren alle dood of heengegaan; het regenseizoen was voorbij. Toen herinnerde ik mij dat ik een
flesch met brandy-soda bij mij had.
Ik haalde mijn flesch te voorschijn, maakte een deeg
van het fijngestampte graan, bevestigde een oude pan
boven de vlam en kookte hierin mijn maal, dat, ik erken
het, wel een beetje duf smaakte, net alsof het koren
eenigen tijd gestaan had. Toen ik gegeten had, voelde ik
me tamelijk vermoeid, ik legde me daarom op het oude
bed en probeerde te slapen en te droomen van zijde en
hydrogeen en van reizen over landen en zeeën, waarvan
ik later een nauwkeurig verhaal zou samenstellen.
Den volgenden morgen ontwaakt, gold mijn eerste gedachte het wrak. Ik verloor geen tijd om mij meester
te maken van de overblijfselen van het verongelukte
schip. Ik ging naar de kust en zag dat het wrak
bovenop het rif lag Wat een geluk 1 De vloed zou het
in het lagune werpen. De omstandigheden waren mij
gunstiger dan Crusoë. Eenige uren later zóu de lading zijde
goed en wel aan het strand liggen, in allen geval, genoeg
voor mijn luchtvaartplannen.
Ik brak mijn nek bijna, toen ik weder over den muur
klom; dat zou mij trouwens leelijk gehinderd hebben bij
het vertellen van mijn wedervaren. Doch ix heb altijd
|