Panorama

Blad 
 van 2380
Records 726 tot 730 van 11897
Nummer
1914, nr.19, 6 mei 1914
Blad
05
Tekst
UIT HET VOLLE LEVEN NIEUWE KERK TE ’S-GRAVEN HAGE. De vorige week is door den Deken van ’s-Gravenhage Mar. Wiitenburg den eersten steen gelegd voor de nieuwe R.K. kerk die zal komen tusschen de Kritzinger- en Brandstraat (foto P. van ToL)' DE VERJAARDAG VAN PRINSES JULIANA. Ter gelegenheid van den verjaardag van H. K. H. Prinses Juliana heeft het 3e Reg. Huzaren langs het Huis ten Bosch gedefileerd. Hierboven de Koninklijke familie. Mevr. MART MORRIS. de bekende harpspeelster, is deze’ week voor onbepaalden tijd naar Berlijn vertrokken ter voortzetting harer studiën. (foto J. B. Hijwtans ’s-Hage.) JUBILEUM STADSBANK VAN LEENING. Naar aanleiding van het 300-jaria bestaan van de Stadsbank van Leening te Amsterdam geven wij hierbij het portret van den tegenwoordigen Directeur den heer H. M. Giltay. VERGADERING VAN „ONZE VLOOT” Ter gelegenheid van de jaarvergadering zijn de verschillende bestuursleden enz. van de Vereeniging „Onze Vloot” door B. en W. der gemeente Haarlem officieel ten stadhuize ontvangen. (foto M. Zwarteer). DE STATIE-AUTO VAN TAN CHIN HAN. Een rijke Chinees, Tan Chin Han, heeft bij de firma Verwey en Lugard te ‘s-Hage een auto besteld die iets bijzonders moest zijn. De wagen is 5M. lang, en bijna 2 M. breed en is natuurlijk over ’t geheel zeer schitterend afgewerkt. INTOCHT VAN EEN AM BACHTSVROUWE. Naar aanleiding van het feit dat de ambachtsvrouwe Douairière Bosch van Drakensteyn voorgoed haar intrek nam op haar buitenverblijf te Lage Vuursche is zij door de dorpelingen feestelijk ingehaald. (foto Jochmann), EXAMEN VOORGEOEFENDHEID. In tegenwoordigheid van Z. Exc. den Minister van Oorlog zijn den 26en April op het terrein van de Amst. Ijsclub door het Ned. Gymn. Verbond oefeningen gehouden, als omschreven in art. 70 van de militiewet TREINRAMP BIJ KALI MATI. Bij Kali Mati, tusschen Batavia en Tandjong Priok, heeft een ontzettend spoorwegongeluk plaats gehad, waardoor 22 personen zijn gedood en 50 gewond. De locomotief en 3 111e klas wagens vielen in ondiep water. DE BELGISCHE SOUVEREINEN TE LUXEMBURG. De Koning en Koningin van België hebben een bezoek gebracht aan Luxemburg, waar zij zeer hartelijk zijn ontvangen. Hierboven de vorstelijke bezoekers op weg naar het paleis. DE ROTTERDAMSCHE HUIDENCLUB opende Woensdag 30 April haar nieuwe pakhuizen te Rotterdam. De heer Stulemeyer, wethouder van Rotterdam hield de openingsrede, aan het einde waarvan hij den voorzitter der R. H. C., den heer J. P. Nije, mededeeling deed van zijn benoeming tot Ridder in de Oranje Nassau-Orde. JUBILEUM STADSBANK V. LEENING. Hierboven het bekende karakteristieke poortje van de Stadsbank van Leening te Amsterdam waardoor men in het gebouw komt. 29 April was het 300 jaar geleden dat het eerste pand werd aangeboden. 25-JARIG JUBILEUM ORANJEBOND. Den 23en April herdacht de Oranjebond, waarvan Jhr. mr. dr. Karnebeek, burgemeester van den Haag, ^ere-voorzitter is, zijn 25-jarig bestaan. Hierboven een foto van het tableau vivant dat gegeven is.
PDF
Nummer
1914, nr.19, 6 mei 1914
Blad
06
Tekst
DE NIEUWE DIERENTUIN TE ROME Het jaarlijksche tijdperk van reizen en trekken is weder aangebroken en straks trekken de reizigers uit het hooge Noorden en uit West-Europa weder in drommen naar het iand „waar de citroenen bloeien", het wonderschoone Italië. „Napels zien en dan sterven" moge slechts figuurlijk bedoeld zijn — het is althans te hopen — de uitdrukking is niet minder gangbaar dan die dat te Rome geweest zijn en den Paus niet gezien te hebben slechts half werk is. Intusschen, dit voorrecht is aan slechts weinigen beschoren, maar wie niet te Rome kwam loopt zelfs de kans op dit voorrecht mis. En, in elk geval, in Italië geweest te zijn en niet te Rome *.. Het zal wel onnoodig zijn zelfs een vluchtig denkbeeld te geven van al het schoons en het merkwaardigs dat de stad der Imperatoren den reiziger biedt. Dat is alles overbekend. Maar minder bekend mag het heeten, dat Rome thans ook een diergaarde bezit die met geen andere van dien aard in de gansche wereld te vergelijken is, dan wellicht met het dierenpark te Stellingen, bij Hamburg, eigendom va^ de befaamde firma Carl Hagenbeek, die ook den aanleg van den Romeinschen dierentuin heeft bezorgd. Dan, omnis comparatio claudicat, hebben de Latijnen gezegd • Het bedrog ven Robinson Crusoë, (Vermakelijke historie van een reis door het luchtruim,) E eenige rechtvaardiging voor een wonderlijk verhaal is zijn ontwijfelbare waarheid. Wat ik u nu vertellen wil is het zuivere, onvervalschte en onopgesmukte verhaal van een wonderlijke gebeurtenis door mijzelf ondervonden. Het begint met een schipbreuk op een onbewoond eiland en geloof me, toen de Voorzienigheid mij schipbreuk liet lijden, was dat niet zoo’n pretje als bij Robinson Crusoë, maar een hoogst ernstig geval. Ik was op een reis van Burmah naar Londen met een lading zijde. We waren goed en wel de Kaap om, toen eensklaps onze stoomketel sprong en alle manschap in de nabijheid doodde. Het woei onderwijl een orkaan — en de kapitein vloekte als de Vliegende Hollander, terwijl het schip werd voortgezweept. De storm nam ons op en joeg ons naar het Zuiden en zou ons steeds zuidelijker gejaagd hebben, als aan den horizont niet een klein eilandje uit de zee was opgedoken, dat ons den weg versperde. Het was een van de met palmen begroeide koraalriffen, die men in den Stillen Oceaan zooveel aantreft. We vlogen er recht op af met een snelheid van dertig knoopen — het was een storm zooals Crusoë nooit doorleefd had — en wij allen wisten dat de kans om dit te overleven al zeer geringwas. Het rif was ruim dertig voet breed en de golven bruisten. Het was ons eigenlijk onverschillig waar we terechtkwamen, nu we toch den dood voor oogen hadden. Wat mij betreft, ik kroop naar voren en plaatste mij kruiselings op het uiterste einde van den boegspriet. Ik haatte het om langzaam weg te glijden in de kokende golven; als ik toch sterven moest, dan zou dat in elk geval op een grootscher wijze gebeuren. We waren nu dichtbij. Nog een oogenblik en — krak! Wat ’n schok was dat! Ik had echter geen tijd hierover na te denken, want ik vloog van den boegspriet af het luchtruim in met een geweldigen vaart. Wat ’n vlucht! Beneden mij zag ik de schuimende golven. Ik vloog over de branding, daalde neer en viel eindelijk in kalm water. Toen ik weer aan de oppervlakte kwam, keek ik rond. Ik was over het rif heengevlogen en in het rustige water van de kreek terechtgekomen. Ik zwom naar de kust en bereikte het strand. Doornat, mijn lucifers doorweekt, mijn sigaren eveneens, was ik er niet al te best aan toe. Ik liep het strand op en neer in de hoop, dat eenigen van het scheepsvolk insgelijks gered zouden zijn en vroeg mijzelf af wat ik zou beginnen. De woedende golven beukten nog steeds het rif en het oude schip met zijn neus uit de golven schudde heen en weer. Al mijn metgezellen schenen te zijn omgekomen. Ik wendde mij daarom af van het wrak en ging landwaarts in, mijzelf afvragende wat soort van eiland ik eigenlijk geërfd had. Ik had nog niet ver geloopen, toen ik tot mijn verwondering een paal zag staan. Ik liep ei heen en zag dat er een vierkant bord aan bevestigd was. Dit bord droeg, zoover ik in de duisternis onderscheiden kon, een opschrift. Er zat niets anders op, dan in den paal te klimmen, als ik het lezen wilde. Dit deed ik en nu las ik het volgende: Ik kwam aan deze kust 30 Sept. 1659 R. C. Ik gleed naar beneden, ten zeerste verwonderd. Het kostte mij geen de minste moeite te ontcijferen waar ik was. Het was niet noodig dat de getrouwe Vrijdag voor mij oprees om mij dit te vertellen. Ik wist dat ik op hetzelfde eilandwas, waar Robinson Crusoë, heerlijke gedachtenis, ruim twee en een halve eeuw geleden geleefd had. Ik was ten zeerste verheugd te bemerken dat de oude Robinson niets verzonnen had. Ik weende bijna bij de gedachte dat ik in latere jaren getwijfeld had aan de waarheid van deze geschiedenis, waarmede ik in mijn jonkheid zoo gedweept had. Helaas, wat zijn we op lateren leeftijd soms blind voor de waarheden uit onze jeugd. Ik begaf mij naar den kleinen heuvel en nu kwam alles mij bekend voor. Daar was het voorgebergte waar hij uitzag naar het schip dat eenmaal komen moest. En hier, ja hier was de hooge muur van boomen voor zijn woning Ik spoedde mij er heen om ze te bezichtigen. De vervlogen eeuwen hadden ze doen ineengroeien tot een ondoordringbare barricade. Het was een onmogelijk werk er door te dringen, toch wilde ik het beproeven. Niet dat ik niet wist wat zich aan de andere zijde bevond. Ik wist het zeker. Ik twijfelde er niet aan of hij had de waarheid verteld. Natuurlijk de geiten waren dood en de papegaai was verdwenen; maar tal van andere dingen zou ik weten te vinden, blindelings, in de duisternis. Maar hoe zou ik dezen hoogen muur overkomen? Dat was de vraag. Ik betastte hem en voelde tot mijn blijdschap dat de natuur de takken zoo ineengeweven had, dat ze aan handen en voeten steunsel boden. Voorzichtig klom ik naar boven en kwam eindelijk op een plek, wel tien meter boven den grond, waar ik mij door de takken kon heen werken. Hier rustte ik even om wat op adem te komen, en hoorde nu opeens een zacht gesuis, evenals van een laag brandende gaspit. Wat zou dat nu in ’shemelsnaam zijn? Ik luisterde met alle aandacht. Het gesuis ging onafgebroken voort en kwam ergens beneden mij vandaan. Ik pijnigde mijn hersens wat het zou wezen, maar kon mij uit de geschiedenis van Robinson Crusoë niets dergelijks herinneren. Doodelijk bevreesd werkte ik mijzelve door de takken als een aap zonder staart, welke laatste mij anders goed te pas zou zijn gekomen. Toen ik mij ver genoeg er door gewerkt had om doorbet gebladerte te kunnen gluren was ik hoogst verbaasd op het zien van een helder licht, dat door de deur der hut naar buiten straalde. Ik was ontgoocheld, dat wil ik wel zeggen. Dat had niets te maken met Robinson Crusoë. Doch wellicht kon iemand zijn hut in bezit genomen hebben en er een smederij zijn begonnen. Wat kon er in twee en een halve eeuw al niet gebeurd zijn. Ik was echter zoo verbluft, dat ik de vervlogen eeuwen geheel vergat en ik begon te roepen; „Zeg, Robinson, Robin, ouwe jongen, ben je daar? Crusoë, geef antwoord, als je hier bent!" Geen antwoord. Maar het geruisch ging onafgebroken voort en het licht bleef schijnen door de deuropening en wierp zijn schijnsel op het ruwe houten paalwerk rond de hut en op eenig oude pannen. Ik was geheel verbijsterd. Ik naderde de omheining, ze leek mij nog vrij stevig, maar toen ik een der palen greep, was hij in den grond verrot. Ik wierp hem terzijde, en wandelde door de opening als een man, die op het punt staat een groote ontdekking te doen. Ik stapte door de hut naar de grot er achter, hield hier stil en keek rond. In den versten hoek uit een nauwe spleet in de rots kwam een kleine blauwe vlam, die het geruisch deed hooren als een gasvlam, waar een sterke drukking op staat. Ik beken eerlijk, ik was op dat oogenblik geheel sprakeloos. Toen begon ik na te denken en zag ik den ouden Crusoë in het ware licht. „De leugenaar!” riep ik uit, terwijl ik mijn zuidwester op den grond wierp en er woedend op trapte. „Die helsche bedrieger! ’t Is nitrogeen. Ik geloof dat de oude zwendelaar wegliep 254 jaar geleden en het gas hier liet branden. En hij heeft er geen woord van gezegd. Wie anders kan het aangestoken hebben? O, die verleider van een argelooze jeugd!” Ik zag duidelijk de reden van zijn stilzwijgen: hij was een lafaard. Hij vertelde het niet, omdat hij vreesde dat niemand hem gelooven zou. Het zou te vreemd, te wonderbaar geschenen hebben in zijn overigens zoo geloofwaardige geschiedenis en daarom bedroog hij ons. Hij was niet zooals ik. Hij had niet den moed om de waarheid te schrijven en aldus den toom op zich te laden van een ongeloovige wereld. Ik was woedend over een dergelijk lafhartig verraad en zat stil neer op den driepootigen stoel van den ouden bedrieger, het hoofd in de handen, diep geschokt in mijn vertrouwen in s menschen eerlijkheid. De gasstroom was buitengewoon sterk. Ik keek er met belangstelling naar en bemerkte eensklaps in de nabijheid een inscriptie uitgehouwen in de rots. Wat stond daar: „Ik, Robinson Crusoë, ontstak deze vlam bij toeval en werd daarbij gewond. 20 Oct. 1659." Zoo, dacht ik, de ouwe ezel was aan het ijsbeeren met zijn zwam en tondeldoos, toen plotseling door een vonk dit gas ontplofte. Nou, hij kreeg zijn verdiende loon. Toen, terwijl ik probeerde aan de vlam een sigaar aan te steken, kreeg ik plotseling een prachtig idee. Ik duizelde en het was of de hut in het rond draaide. Hydrogeen 1 Zijde! Zijde! Hydrogeen! Ik, de beroemdste uitvinder, was juist de man om een dergelijk denkbeeld tot werkelijkheid te maken. Had ooit eenig man op een verlaten eiland zulke hulpmiddelen gehad. Robinson Crusoë zou ongetwijfeld dit deel van zijn wedervaren hebben verzwegen, maar ik was van ander deeg. Het was een zonderling geval! Zijde! Hydrogeen! Ik zag mijzelf reeds vliegen over de zee, gedragen door het in de zijde opgesloten hydrogeen. Al had ik aan den horizont schepen gezien, wachtende op het wuiven van mijn zakdoek om mij op te nemen, ik had niet gewuifd, nog voor geen duizend schepen. Ik zou de zijdestoffen uit het wrak halen, de stukken aan elkaar naaien, ze vullen met het gas, en ik zou heenvliegen naar de bewoonde wereld en aan een uitgever mijn geschiedenis overhandigen, een geschiedenis die de geheele waarheid zou vertellen en het goedgeloovige menschdom zou doen zuchten, zooals ik gedaan had, over de lafheid en het bedrog van Robinson Crusoë. Ik keek rond naar eenige overblijfselen van Robinsons huisraad en vond een ouden vijzel en stamper, die hij gebruikt had om zijn koren fijn te stamoen. Even later, rommelende in zijn oude potten, vond ik er een, nog half gevuld met graan. Och, hij was toch nog zoo heel onbetrouwbaar niet. Hier was ten minste iets, dat in zijn boek vermeld was. Op het zien van het graan bemerkte ik dat ik honger had. Ik stampte de korrels fijn in den vijzel, maar toen ik er deeg van wilde maken, vond ik niets om mee aan te lengen. De geiten waren alle dood of heengegaan; het regenseizoen was voorbij. Toen herinnerde ik mij dat ik een flesch met brandy-soda bij mij had. Ik haalde mijn flesch te voorschijn, maakte een deeg van het fijngestampte graan, bevestigde een oude pan boven de vlam en kookte hierin mijn maal, dat, ik erken het, wel een beetje duf smaakte, net alsof het koren eenigen tijd gestaan had. Toen ik gegeten had, voelde ik me tamelijk vermoeid, ik legde me daarom op het oude bed en probeerde te slapen en te droomen van zijde en hydrogeen en van reizen over landen en zeeën, waarvan ik later een nauwkeurig verhaal zou samenstellen. Den volgenden morgen ontwaakt, gold mijn eerste gedachte het wrak. Ik verloor geen tijd om mij meester te maken van de overblijfselen van het verongelukte schip. Ik ging naar de kust en zag dat het wrak bovenop het rif lag Wat een geluk 1 De vloed zou het in het lagune werpen. De omstandigheden waren mij gunstiger dan Crusoë. Eenige uren later zóu de lading zijde goed en wel aan het strand liggen, in allen geval, genoeg voor mijn luchtvaartplannen. Ik brak mijn nek bijna, toen ik weder over den muur klom; dat zou mij trouwens leelijk gehinderd hebben bij het vertellen van mijn wedervaren. Doch ix heb altijd
PDF
Nummer
1914, nr.19, 6 mei 1914
Blad
07
Tekst
(wij zijn in Rome!) of, om het in goed Nederlandsch te zeggen : elke vergelijking gaat mank. Ook de vergelijking tusschen Stellingen en Rome; zij hinkt zelfs naar twee kanten. Wie Hamburg bezoekt — en natuurlijk niet verzuimde naar Stellingen te gaan, — weet, dat Hagenbeck’s Tierpark geen diergaarde is in den gewonen zin. De firma handelt in dieren en de mogelijkheid is niet uitgesloten, dat waar gisteren Siberische wilde schapen rondliepen heden Arabische steenbokken klauteren, dat waar heden Afrikaansche muilezels waren ondergebracht mórgen Shetlandsche ponies dartelen. Men vindt er dus niet alleen steeds iets nieuws, maar bovendien treft men er van de dieren in grootste verscheidenheid gewoonlijk meerdere exemplaren aan. Dit is al één verschil tusschen de diergaarden van Rome en Stellingen, maar bovendien is er dit andere, dat het klimaat van Rome zooveel gunstiger is voor een aantal diersoorten, in het bijzonder voor die welke uit tropische of subtropische streken afkomstig zijn en dat dus in de Romeinsche diergaarde sterker kon worden doorgevoerd — en daar ligt de overeenkomst — het beginsel, voor het eerst door Hagenbeek in toepassing gebracht, om voor de dieren een omgeving te scheppen, die hun natuur het minst geweld aandoet, de gelegenheid om zich in de open lucht zoo vrij mogelijk te bewegen, in aansluiting met hun eigen aard en met klimatorische en geologische eigenschappen van de streken waar zij geboren werden. Onze platen behoeven geen toelichting; zij spreken voor zichzelf. geluk. Ik ben nog nooit doodgegaan bij al mijn avonturen. Ik begaf mij dus naar het wrak en begon van de wrakstukken een vlot samen te stellen. Terwijl ik hier aan bezig was, was de vloed opgekomen en begon het schip te deinen. Het was mij niet mogelijk het te naderen op het rif en daarom zette ik mij op het strand neer en wachtte geduldig tot ’t aan het wrak zou believen in de lagune af te dalen; dit deed het binnen een half uur op de meest bevallige wijze. Als ik je moest vertellen wat al zaken ik behalve de zijde uit het schip haalde en met behulp van het vlot op de kust bracht, dan zou ik je wel een maand bezig kunnen houden. Doch stel je mij maar voor als een modernen Robinson Crusoë met luchtvaart-ideeën, een sigaar in rriijn mond en een kistje droge havana’s onder den arm, nauwkeurig alles inspecteerende wat mij bij mijn plannen van dienst zou kunnen zijn. Een gedeelte van de zijdestof was nat geworden, dat hinderde evenwel niet. Maar het dynamiet was droog en dat was ook het geval met den champagne. En ik was het eveneens totdat ik een der flesschen op den goeden afloop geledigd had. Den volgenden dag was ik druk in de weer, ik nam de meest uitgebreide maatregelen en was niet eerder voldaan, totdat ik in den muur rond Crusoë’s hut een opening gemaakt had, zoo groot als een schuurdeur. Daardoor voerde ik al mijn benoodigdheden voor den te vervaardigen ballon. En toen ik alles binnen had, begon ik vol ijver de zijden lappen aan elkaar te naaien en te oliën. Weken gingen zoo voorbij; en de weken werden maanden en ik ging maar steeds voort met naaien en oliën. Gedurende dezen tijd kwam menig schip voorbijvaren, maar ik liet het gaan. Ik zou ze binnenkort alle overbluffen en lachte in mij zelf bij de gedachte hoe ik medelijdend op hen zou neerzien van uit het luchtruim. Zeeschepen zijn traag voortgaande vervoermiddelen. Geef mij een luchtschip en een flinken wind en het snelstvarend stoomschip laat ik vèr achter mij I Ten laatste was alles gereed, ballon, netwerk, touwen, mand enz., en kon ik met het vullen beginnen. De omheinde ruimte was groot genoeg en voldoende beschermd tegen den wind. Toen ik de touwen goed had vastgemaakt, en de mand met ballast was gereed gekomen, maakte ik van zijde een slang en bevestigde deze luchtdicht aan den ballon. Nu kwam echter de grootste moeilijkheid, namelijk om het andere einde van de slang vast te maken aan de spleet waaruit het gas stroomde. Ik doofde allereerst de vlam met een natten doek, lilmde het einde van de slang op de rotsspleet vast en maakte het gat verder met stopverf luchtdicht, zoodat het gas door de slang in den ballon kon stroomen. Toen de lijm en de stopverf goed droog waren, ging ik naar buiten om naar den ballon te kijken en zag tot mijn blijdschap dat deze zich met gas begon te vullen en omhoog te stijgen. Ik zette mij nu neer en stak een sigaar op. Te middernacht was hij zoo vol, dat hij de geheele ruimte binnen de omheining vulde. Ik wandelde er omheen en streek liefkoozend langs het gespannen doek. De ballon had zich geheel opgericht en zweefde majestueus heen en weer. Ik wou wel dat de ouwe Robinson dat nog eens had kunnen zien en Vrijdag, zijn knecht, er was geweest om er omheen te dansen. De zon ging op en «verwarmde den ballon en deze begon te rukken aan zijn touwen. Naarmate de zon steeg, zette het gas uit en de ballon scheen te steigeren als een oud vurig jagerspaard en plan te hebben zich van de touwen los te rukken en zonder mij naar het vaderland te willen gaan. Ik sneed dus de gasslang af, knoopte ze dicht en wierp het losse eind in de mand om als veiligheidsklep dienst te doen; toen stak ik het gas in de spleet weer aan voor het geval dat ik daar nog eens zou aanspoelen met niets bij mij dan natte lucifers. AUes was klaar, ik klom in het schuitje, wuifde met mijn hoed over den rand naar de menigte volks, die een der schoonste oogenblikken in hun leven misten, doordat ze niet tegenwoordig waren, en sneed de touwen door, Rrstl Een oogenblik dacht ik er aan een gat te boren in den bodem van de mand, het volgende oogenblik bukte ik onwillekeurig, opdat ik mijn hoofd niet zou stooten aan de sterren. Ik staarde naar beneden over den rand en keek naar de aarde, die er uitzag of men het ondersteboven door een verrekijker gluurde. Toen werd ik toch een beetje ongerust. Ik had te veel gas. Voorzichtig maakte ik de veiligheidsklep open, want ik gevoelde mij toch nog te zeer aan de aarde gehecht, om haar nu zoo stiekum in den steek te laten. Bovendien was ik een uitvinder en kon dus slecht gemist worden. Het gas ontsnapte met een sissend geluid uit de opening, en ik begon te dalen tot op ongeveer een halve mijl boven de zee, toen sloot ik de opening weer en keek rond. De zee was zoo kalm als een molenbeek en de visschen spartelden rond. Plotseling kreeg ik een idee om tot tijdverdrijf wat te gaan visschen. Onder al den ballast en de bagage, die ik in het schuitje geborgen had, bevonden zich ook eenige sterke hengelsnoeren. Ik koos er de sterkste en langste uit, deed aan den haak een stuk geconserveerd vleesch, toen liet ik den ballon nog wat dalen en wierp de lijn uit. Het was een zonderlinge visscherij over den rand van het schuitje, maar ik had anders leven genoeg en haalde na eenige oogenblikken een flinken hondshaai op. Ik lei hem naast mij neer als extra-ballast. Weer wierp ik de lijn uit en na verloop van twintig minuten had ik een half dozijn verschillende visschen gevangen. De 30 a 40 pond gewicht deed den ballon nog meer dalen, zoodat ik nu beter zien kon, waar ik de lijn moest uitgooien. Opnieuw wierp ik den snoer uit, maar toen ik hem wilde ophalen, werd er zoo hevig aan getrokken dat hij brak. Drommels, dacht ik, dat moet een haai wezen. Zoo’n beest moest ik in mijn bezit hebben, al kostte het mij een millioen. Ik nam een bijzonder sterk ineengedraaiden snoer, met een grooten haak en bevestigde hieraan een smakelijk hapje. Nauwelijks had ik hem uitgeworpen of ik kreeg een schok die mij bijna uit de mand wierp. Wat had ik nou te pakken ? Een reuzenhaai. , Hij schoot naar beneden en trachtte den ballon mee te sleuren. Ik was echter op mijn qui-vive. Eerst liet ik de lijn vieren, en gooide ik al de visch die ik gevangen had over boord. De ballon rees weer en trok den visch het water uit. Het was een vermakelijk gezicht hem met zijn staart door de lucht te zien zweepen. Maar dat duurde niet lang, want boven water was hij zwaarder en deed bij den ballon zakken, doch zoodra hjj weer in zee was, werd hij lichter en trok de ballon hem weer omhoog. Dat g’ng zoo voort, de haai spartelde soms zoo hevig dat ik bang was, dat de snoer zou breken. Maar hij hield het uit. Daar schoot mij op eens te binnen, dat ik den haai uitstekend voor anker zou kunnen gebruiken, ik wierp dus nog wat ballast uit, waardoor de visch eenige meters boven het water kwam te hangen. De wind begon nu op te steken en we vlogen over den zeespiegel met den haai hangende aan de lijn. Ik keek op mijn kompas, en zag dat we noordoost gingen, dat was juist de goede richting. De wind werd langzamerhand een stevige bries, wat ik bemerkte aan het rollen van de golven beneden mij. We vlogen nu met woedende vaart voort, passeerden verscheidene eilanden, we landden echter nergens. Een paar maal zagen we in de verte schepen passeeren, ze kwamen evenwel niet dicht genoeg bij om ze eenige hulp te kunnen aanbieden. Den geheelen nacht hield de bries aan, mij steeds noordoost voortjagende; tegen den avond evenwel ging hij liggen — en ik ook. Het was een heerlijke nacht; ik rookte en sliep, doch werd tegen den ochtend wakker en bemerkte dat de wind weer was opgestoken, ten minste we gingen weer eenzelfde vaart als den dag te voren. We hadden vier è vijfhonderd mijlen afgelegd vóór ik ’t wist. Den geheelen dag vlogen we voort in angstwekkende vaart, de ballon, de haai en ik. Des avond werd het weer kalmer. Waar ik was. wist ik niet, maar aan de hitte en aan het gebrom van den haai bemerkte ik dat we om en nabij den equator waren. Ik dacht er een oogenblik aan om den snoer door te snijden en den haai aan zijn lot over te laten, maar ik kon dit niet over mijn hart krijgen. Niets te doen hebbende, viel ik spoedig in slaap en droomde van huis, doch plotseling werd ik ruw uit mijn droomen opgeschrikt door een hevigen ruk gevolgd door een zwaaien van de mand, alsof de ballon werd vastgehouden en heftig heen en weer geschud. Ik zat ineens rechtop, verwonderd wat er gebeurd kon zijn. Ik meende, dat een of andere leviathan mijn haai te pakken had gekregen en nu in zee dook om hem daar kalmpjes op te peuzelen. In een ondeelbaar oogenblik had ik een mes gegrepen en boog mij over den rand van het schuitje o.n de lijn door te snijden. Maar nu eerst bemerkte ik wat er werkelijk gebeurd was, en dit was voldoende om mij te doen aarzelen. Ik zag beneden mij een groote zwarte massa met lichten en hoorde een verward geroep van stemmen. Zooals je weet, heb ik me voorgenomen om de waarheid te vertellen en niets dan de waarheid. Welnu, ik had een stoomschip aangehaakt. De haai was door het want heengevlogen en hierin vastgeraakt. Het was een wonder dat de snoer niet gebroken was. Ik hoorde het signaal geven om de machines te doen stoppen, en onze vaart verminderde. Eindelijk was alles zoo bewegingloos als een geschilderde ballon boven een geschilderd schip op een geschilderde zee. Ik leunde over de mand en riep: „Goeien avond!” Een koor van stemmen klonk terug. Hallooi Wie ben je?” En zoo voort. „Ballon no. 1, op weg naar Engeland,” antwoordde ik. „En wat is dat voor een schip?” „De „Aconcagua” van Liverpool.” „Goed,” riep ik verheugd uit, want ik kende den kapitein. „Hier is mijn kaartje 1” Snel bevestigde ik een van mijn naamkaartjes aaneen stukje ballast en liet het langs de lijn zakken. Op hetzelfde oogenblik hoorde ik de stem van kapitein Ring: „Halloo, laat een lijntje zakken en ik zal er een sterk touw aan vastmaken, dan kun je naar beneden komen. „Accoord!” riep ik terug en liet gauw een der vischlijnen zakken. Ik hoorde beneden een gemompel van stemmen, toen riepen ze me toe de lijn op te halen en ik haalde op. In enkele minuten had ik een stevig touw aan boord en maakte deze aan de mand goed vast; toen klom ik overboord, riep dat ik kwam en liet mij langs het touw naar beneden zakken. Sapperloot! Wat ’n ontvangst was dat! En toen ik mijn wedervaren ging vertellen, keek iedereen mij eerst wat ongeloovig aan, maar de waarheid zegeviert natuurlijk en zoo ook hier. De kapitein nam mij mee naar zijn hut en daar zaten we te boomen tot den vroegen morgen. Toen stond ik op en zei dat ik mij haasten moest om met de eerste bries Engeland te bereiken. Daar wilde de kapitein echter niets van hooren. „Neen vriend,” bulderde hij, „je bent te veel waard voor het menschdom om je leven nog langer aan zoo’n onbetrouwbaar vliegtuig toe te vertrouwen. Blijf hier!” Ik verzette mij en weigerde, maar hij was onvermurwbaar, en zoo bleef ik zijn gast, op voorwaarde dat hij voor mijn ballon zorgen zou. Dienzelfden dag gaf hij aan den haai zijn vrijheid terug, daarna werd de ballon naar beneden gehaald en in het ruim geborgen. Niemand van het scheepsvolk was echter over Robinson Crusoë te spreken. Ze vonden hem allen, evenals ik, een schobbejak, om op zoo’n manier de waarheid te verdraaien. Ze stemden nu toe dat het veel beter was zooals ik, eerlijk zijn lotgevallen te vertellen, al waren die dan ook een beetje onwaarschijnlijk.
PDF
Nummer
1914, nr.19, 6 mei 1914
Blad
08
Tekst
DE EERSTE ATHLETIEK-WEDSTRIJDEN IN HET STADION TE AMSTERDAM J de opnamen van den voetbalwedstrijd HollandBelgië in het Stadion te Amsterdam, die wij in ons vorig nummer gegeven hebben, plaatsten wij ook een foto van den Nederlandschen kampioen-hardlooper Grijseels op het oogenblik dat hij de finish bereikt. Het lijkt ons een bijzonder goed denkbeeld van de Amsterdamsche Athletiek-vereeniging om dergelijke wedstrijden te houden op een dag als deze, wanneer zich zooveel duizenden sportliefhebbers uit alle oorden des lands en daarbuiten vereenigd hebben. Toen de athletiek-wedstrijden een aanvang namen leek het stadion geheel en al gevuld; op de tribunes zag men de menschen reeds schouder aan schouder zittende of staande wachten op de dingen die komen zouden en de menschenmassa in aanmerking genomen was de bijval, dien de wedstrijden hadden, tamelijk gering. Het was duidelijk te bemerken, dat deze wedstrijden slechts als bijzaak werden beschouwd, wat zij inderdaad dan ook waren, doch toch is dit jammer. Het mag toch immers niet uit het oog worden verloren dat juist de athletiek het uithoudingsvermogen grooter maakt en daardoor goede voetballers gekweekt worden. Meermalen is er op gewezen, dat er juist in ons land te weinig aan athletiek wordt gedaan en dat onze voetballers nog beter werk zouden kunnen geven, wanneer zij zich meer algemeen op de athletiek wilden toeleggen. Duitschland is hiervoor wel het beste bewijs, want het kan toch niet worden ontkend, dat de vooruitgang, die bespeurd wordt in de Duitsche voetbalelftallen te danken is aan de alzijdige ontwikkeling op sportgebied. Ook in Engeland en Denemarken treft men meer de beoefening van athletiek aan en de resultaten zijn dan ook niet uitgebleven. Wij hopen daarom dat wedstrijden als op den 26en April meermalen zullen worden gehouden, liefst op grooter schaal. Dan zal ook zeker de belangstelling in de athletiek grooter worden. Het was wel te bemerken, dat het athletiek-seizoen nog niet lang begonnen was, want naar het ons voorkwam werd nog niet met die snelheid geloopen als op het eind van een seizoen. Er werd begonnen met 800 Meter hardloopen doch hierbij bleken de voorgiflen wel wat groot te zijn geweest; het gelukte tenminste den hardlooper, die van meet af ging, niet den achterstand in te halen. Bij den 400-Meter-wedstrijd wist Grijseels de 35 Meter die hij had voorgegeven meesterlijk in te halen en in de laatste bocht liep hij onder groot gejuich van het publiek meters uit om aldus het eerste de finish te bereiken. De eerste foto bovenaan op deze pagina is een oogenblik uit de demonstratie van het speerwerpen, die door een tweetal heeren werd gegeven en door wie zeer mooie worpen werden gedaan. Hoezeer de houdingen van den tegenwoordigen discuswerper verschillen van die uit den Grieksch-Romeinschen tijd werd ook nog gedemonstreerd. Op onze tweede foto brengen wij een dezer standen in beeld. Op onze foto onderaan links geven wij de start van den hardloopwedstrijd met voorgift over 800 Meter, terwijl wij op de laatste foto enkele der deelnemers juist een bocht zien omgaan. Onze foto’s zijn van den Heer Bern. F. Eilers te k 4 » De Eotografie-Wedstrijd. Wij herinneren nogmaals aan onzen nieuwen fotografie-wedstrijd waarvan wij de volledige voorwaarden hebben medegedeeld in No. 42 van 15 April. De eerste prijs bedraagt f 30.— Verder verschillende prijzen van f 15,— f 7,50 en f 5,—. Inzendingen, goed verpakt, moeten worden gericht aan: Redactie ..Panorama . Leiden, terwijl op de buitenzijde het woord „wedstrijd’ duidelijk moet worden aangebracht. In de advertentie van de Firma L. ZÉLANDER te Amsterdam in ons vorig nummer is de foto in den rechteronderhoek verkeerd geplaatst. Deze moet worden omgedraaid.
PDF
Nummer
1914, nr.19, 6 mei 1914
Blad
09
Tekst
I WERELD-PANORAM A | VLIEGEN. Er gaat geen week voorbij of de naam van den een of anderen vliegenier moet worden bijgeboekt op de doodenlijst, doch ondanks deze risico blijft de animo voor het vliegen toenemen. Hierboven een foto van den vliegenier Poulet, die het duurrecord op 16 uur 28 min. en 56 sec. heeft gebracht. (foto Henri Manuel). THORMANN, DE 8U RGEM EESTER-BEDRI EG ER. De Duitsche politie heeft de vorige week den 2en burgemeester van Köslin, die zich Dr. Ed. Alexander noemde, in hechtenis genomen, daar gebleken was, dat dit een aangenomen naam was, Dr. Alexander in het geheel geen docter was en ook nog een gevangenisstraf van 400 dagen te goed had. De papieren had hij zich maar toegeëigend. (foto Boedecker) ELZASS-LOTHARINGEN. Hierboven een foto van den nieuwen Stadhouder van ElzassrLotharingen Mr. den Dallwitz, den opvolger dus van Graaf von Wedel, die bij deze gelegenheid tot Vorst is benoemd. Men beweert dat hij in hoofdzaak dezelfde meeningen heeft als de Rijkskanselier Bethmann-Hollweg. f/oto C. Biebef). DE VERKIEZINGEN IN FRANKRIJK. Hierboven een drietal foto’s van de verkiezingen in Frankrijk. Op de foto links ziet men president Poincaré op weg naar de stembus; de twee andere foto’s zijn genomen bij het stembureau voor de vrouwen. Zooals men weet is door „Le Journal” een proefstemming gehouden. Op de middelste foto (copyright Ch. Trampus) ziet men het stembureau en op de andere foto ziet men , de dames hun biljetten inleveren. Er werd door de dames ijverig gestemd alsof er werkelijk een zetel moest worden veroverd. ULSTER. Nog altijd is het Ulster-vraagstuk niet van de baan en zoolang zullen ook de vrijwilligers hun wapens gereed houden om zoo mogelijk met hand en tand hun belangen te verdedigen. Een eigenaardige doch uitstekende maatregel is. dat de wapens eiken avond moeten worden ingeleverd. Op bovenstaande foto ziet men een tent vol geweren. VOETBAL-ENTHUSIASME IN ENGELAND. Bij de laatste internationale voetbalmatches in ons land is wederom gebleken dat ook hier te lande de belangstelling toeneemt en dat het te Amsterdam gebouwde stadion weldra te klein zal zijn. Dit is evenwel nog niets vergeleken bij Engeland, waar bij de Cup final de toeschouwers het er voor over hebben anderhalf uur op een paaltje te vertoeven. (Copyright Newspaper Hl.)
PDF
Blad 
 van 2380
Records 726 tot 730 van 11897