|
OOALS de eerste zwaluw geen lente
maakt, zoo is het wel heel zeker
dat de eerste toiletten niet noodzakelijk de ,,Mode” voor ’theele
seizoen behoeven te zijn. En dan,
kunnen we nog van ,,de” Mode
spreken? Parijs, dat sedert eeuwen
hét monopolie van „chic” en ,,bon
ton” had, Parijs dat alléén heerschte over de ijdelheid van oude
en nieuwe wereld, Parijs dreigt overschaduwd te worden.
Kent ge niet, ge hebt ze in iedere stad, die fijne,
oude winkels van óppersten goeden smaak? In hun
stemmige etalages lagen een paar stukken, maat duur en
bijzonder. Groote magazijnen kwamen, met schreeuwerige
uitstalkasten, met vertoon van wassen poppen en protsig
veel licht. .. Maar ze bleven d e adressen van goed
allooi. .. Tot op een onzalig oogenblik ze meenden te
moeten meegaan met hun tijd — en deden als de
andere.
Toen was het uit, werden ze één van de vele.
Ziet, zoo was het met Parijs. Sedert onheugelijke tijden
was het de bakermat van alle voornaamheid en distinctie.
Zijn modekunstenaars stoorden zich aan niets, zochten schoonheid en harmonie en Europa’s en Amerika’s
ijdelheid boog eerbiedig en onderdanig voor zijn uitvindsels.
Maar allengs, na 70, leefde Berlijn op, begon Weenen
over de mode te denken, als een mogelijk middel tot
vermeerdering van eigen industrie, voelde ook New-York
een beetje, het vernederende van als groote stad als
hoofdstad van zoo machtig land, voor een levensonderdeel, dat tóch weer, door zijn nauwe betrekking tot de
nijverheid niet te gering geacht diende, afhankelijk te zijn
van Parijs. Weenen, Berlijn, New-York lanceerden op
eigen houtje modes en modetjes met meer of minder
succes. Berlijn maake fiasco, daartoe (tot het uitvinden
van uiterst raffinement in kleeding en materiaal daarvoor)
t’HLocle
is Berlijn te jong, te pas rijk geworden, te weinig zeker
van wat schoonheid is.
Weenen had meer succes, maar toch bleef wat daar
gelanceerd werd, een mode van minder allooi, een grove
mode van opvallenden rijkdom en opdringerigheid.
Bleef New-York! De Yankee, —dat wonderlijk mengsel
van alle nationaliteiten, dat zoo snel zich een eigen cachet
heeft weten te geven, slaagde beter, zoolang die mode
die van daar kwam haar cachet van strenge, starre
eenvoud en krachtige lijnen behield. We zagen overal
in Europa de tailleur zegevieren voor den morgen, we
namen hun shirt-blouses over, hun stofsluiers in vreemde
kleuren, hun schoenen en lange mantels, hun „confortable elegance”. Maar Parijs met zijn groote distinctie
bleef tot voor eenige jaren d e stad vanwaar de echte
goede smaak kwam. En nu dreigt Parijs zijn alleenheerschappij te verliezen. De groote faiseurs zoeken niet meer
naar schoonheid en distinctie, ze laten hun gedegenereerde
fantasie den vrijen loop en hebben aanvankelijk nog
succes met hun „toquades” die ze ons als ,,de” mode
willen opdringen. Ik heb toch met eigen oogen in een
loge van de opera zien zitten, de nieuwe, mauve, groene,
blauwe en roode pruik .. . ,,Le joli bouquet” zei een
actrice... en ze meende het. Dót is zoo treurig. NewYork overtreft daarin Parijs, het vindt niet noodig vier
kleuren over vier vrouwen te verdeelen, het geeft brutaalweg aan ééne ’t recht de tricolore te dragen, ,,the stars
and stripes pruik” (streepjes, loopen wèl te verstaan èn
door de pruik en door de joffer) in rood, wit en blauw
met zilveren sterren, daarbij blauwe wenkbrauwen en
oogharen en vuurroode mouche de beauté. .. Smaken
verschillen ! En hoewel voor geen kleintje vervaard, zie
ik vooreerst van de tricolorepruik af. Hoe smaken verschillen ... I Let alleen maar eens op de keuze van
mannequins. De Fransche zijn pptelées met guitige oogen,
brutale neusjes. De Amerikaansche, hoekig en beenig en
sentimenteel als de juffrouw met den Watteauhoed in
paille d’Italië met de enorme cachepeigne van roze rozen
en zwart fluweel. Dat is een van de lievelingsmodellen
van dezen zomer. Of ze iedereen goed staan? Mijns inziens moet men héél jong, héél frisch en heel slank zijn
voor zoo’n zomersch dingske op straffe van anders een
„vieille sotte” te schijnen,
Maar ik heb kwaad gesproken van Parijs. In de collectie leelijke dingen zijn uitzonderingen. Er zijn nog
faiseurs en faiseuses die niet meedoen aan de jacht op
excentriciteiten.
Een bewijs: deze foto(No.3)genomenvanMe,le.Dornac,genomen om haar jeutig hoedje van schotschen tango taffetas,
een bonnet? Een capeline? Van beide iets, ook iets van
den zuidwester met den heel smallen rand voor, waarop
de twee naïve bouquetjes. Het hoedje is geteekend (als
ieder kunstwerk) Cora Marson. Hoe geraffineerd coquet
staat op dien ernstigen tailleur de dunne negligente,
witte fichu.
Betty Daussmond (foto No. 1) is een tweede bewijs dat alle
distinctie nog niet door „drölerie” verdrongen is. Ziet ze er
niet uit om er mee van door te gaan in haar doodeenvoudige autojapon, die ’t midden houdt tusschen een mantel
en een japon? In peau de pêche waarschijnlijk, beige met
een iets somberder streep, de bolero opgeknipt en nauw
de taille rakend, ’n satijnen kraag in coque de roche,
ceinture dito met wit linon streepen en verder de palmbladversiering van soutache. De ceinture sluit achter onder
de bolero, de japon van voren, ’t Hoedje van repssatijn
met vruchtengarnituur van voren. De nieuwste tasch met
artistiek monogram. Foto No. 2 is een raadsel dat
Maison Carlier ons opgeeft. Een jong weeuwtje? Een
boetvaardige Magdalena? Een .. . ! Houdt maar op. Ge
raadt ’t nooit, ’t Is een doodgewone autohoed in geplooid
stroo met satijnen rand met wolversiering en marronkleurige mousselinen sluier, die natuurlijk in den auto lang
niet zoo keurig blijft zitten. ,,La mystérieuse” noemde een
schilder de foto... Houdt het u voor gezegd en weet
wèl dat het mysterie nog steeds een ontzettende macht
uitoefent en een grosse charme heeft als de „candeur”,
(waarvoor ik op het oogenblik geen hollandsch woord
weet) waarvoor Jeanne Sabrier hier met succes poseert
in haar Alleraardigst toilette van Bourniche. (foto No. 4)
Een grondvorm van mastic satijn, de rok van achter
gedrapeerd, even onder de heup gehouden in strakken
band van dwars genomen stukken schotsch lint, afgezet
met witten rand die dan weer door een band effen
stof met dubbel randversiersel afgezet, saamgehouden
worden.
Over den breeden rand valt, als een slappe panier dan,
het bovendeel der rok. Hetzelfde smalle bandversiersel
vinden we op het in V-vorm uitgesneden vest. Een smal
tullen kraagje staat achter, een beetje van den hals af,
als beschermend uit.
Een guitig hoedje van gedrapeerd stroo, gros grain,
met links een smal opgeslagen randje van dubbel satijn
en rechts enorme aigrette zwarte paradis, gemonteerd
in twee touffes.
Foto acht is een New-Yorksche samenstelling van
een Amerikaansche, een Fransche en een Engelsche zotheid.
Het bri11 antengedoe in schoenen is verleden jaar in NewYork een rage geweest. Twee milliardairsvrouwen wedijverden om de duurste schoenen. Mrs. A. verschijnt op een
diner met schoenen waarvan de hakken bezet waren met
sterren van robijnen, afgezet met brillanten en haar concurrente had rozen van roze en grijze parels in platinahakken.
’t Randje langs den inzet alleen is nieuw aan deze
„sotternije”. Fransch, en elegant, is het kruislint. K')Stbaar
en onpraktisch. Engelsch is de twintig centimeter nooge
hak. Ik weet hoe moeilijk het is iets nieuws te '..^den,
maar een gevoel van angst bekruipt me, als il^denk
aan de armoe die dergelijke uitvindsels ten grondslag
ligt. En leelijk is het en onnatuurlijk!
Neen dan de kanten slobkous. Gruwelijk duur, maar
aardig op het velouren schoentje, en wat een mogelijkheid
tot varieeren 1 Van de sterke degelijke vilaude, langs Cluny
en Bruges, Malines en point de rosé naar Chantilly of
de vreemde Spaansche kanten. In effen kant of in combinaties van kant, tulle, galon, weet ik wat al. Maar o jé,
’t is gevaarlijk, als niet alles daarbij even fijn en elegant
is; als de kanten onnutjes niet altijd onberispelijk proper
zijn, wordt het zoo gauw „dirty finery” en dat is het
hatelijkst soort chic wat er bestaat.
Een zwaluw brengt geen voorjaar, een excentriciteit
vormt geen school, regeert niet als ,,de” mode de ijdelheid van allen. Onze foto’s bewijzen dat er buiten
„Poiret” met zijn dolle creaties nog elders heil te
vinden is.
Bernard en Béchoff, ze blijven nog trouw aan hun echt
Fransch ideaal van chique distinctie — Léoutine Talbot
en Louison, ze brengen nog altijd modellen die ,,1’élégante
de bon aloi” zonder angst genomen te worden voor wat
ze niet is, dragen kan.
ELLEN FOREST.
|