|
LIBERTYs
TASSCHEN
VAN STERK SUEDELEER
IN BRUIN,GRIJS*
GROEN 25 BIJ 18 %
IN BRUIN & GROEN
22 BIJ 10 c/m
IN BRUIN, GRIJS &
GROEN 21 BIJ 21 %
Fl. 3.90 Fl.2.75
upra Costuums
Confectie, doch volmaakte pasvorm.
SUPRA COSTUUMS geven den drager
dat onbeschrijfbare stempel van gratie en
houding, waaraan men terstond den correcten man herkent. _-.5__.195
SUPRA COSTUUMS vernietigen elk
vroeger vooroordeel tegen confectie en het
bewonderenswaardige systeem, waarop ze
vervaardigd worden, verzekeren een onberispelijken pasvorm voor elk figuur. :: ::
Men lette o.a. op de breede belegsels,
de prima voering en de verdere duurzame wijze van bewerking.
Zichtzendingen door het geheele land.
EENIGE VERTEGENWOORDIGERS IN NEDERLAND
METZ&CO LEIDSCH ESTRAAT
AMSTERDAM
EN HOOGSTRAAT 10 ’s GRAVEN HAGE L
ROTTERDAM - AMSTERDAM - DEN HAAG
UTRECHT - HAARLEM.
AAN DEN RAND VAN DEN AFGROND
------------------------ DOOR FRANK H SHAW ------------------------
■AAR ik durf niet te gaan,” zei Mevrouw
i Maxwell, terwijl ze een beetje huiverde bij de
! gedachte. „Is het daar niet verschrikke-
: lijk ?” Haar echtgenoot, een grooteen luchti hartige man, kapitein Maxwell van teShining
Light, lachte.
..Welneen — heelemaal niet, beste kind. Integendeel, je
zult er een heel gewoon soort van hol vinden, niet overmatig
zindelijk; maar wat gevaar betreft —”
„Ik dacht heelemaal niet aan het gevaar, Jack. Maar
om menschen te zien — menschelijke wezens — die gedaald
zijn tot het pijl van redelooze dieren, verslaafd als zij zijn
aan dat vreeselijke, schandelijke bedwelmende middel!”
„Het zijn maar Chineezen, Bessie; en een Chinees is geen
werkelijk menseb. Kom, je kunt niet naar huis gaan en
vertellen, dat je in China geweest, bent en geen opiumkit
gezien hebt.”
„Neen; ik geloof niet, dat ik dat doen kan. Zij verwachten
natuurlijk een volledige beschrijving van alles. Ja, ik zal
meegaan, beste; maar ik hoop, dat het niet te afschuwelijk
zal zijn.”
Haar echtgenoot verzekerde haar lachend, dat zij niet
bang hoefde te zijn, en hun besluit was dus genomen.
De Shining Light had nu iets langer dan een jaar de
golven van drie groote oceanen doorkliefd; en Mevrouw
Maxwell, die getrouwd was, den dag, voordat de reis begon,
had nog niet genoeg van de wonderen van de zee. Zij hield
van haar ontelbare wisselende stemmingen; haar stem
spoorde haar hart tot dapperheid aan, zelfs wanneer hevige
stormen op haar uitgestrekte oppervlakte woedden; de
lange, tropische nachten vervulden haar met een rijkdom
van liefde voor haar grooten en dapperen echtgenoot.
Zij deden heel veel ondervindingen op, terwijl het schip
van de eene streek naar de andere voer : van Kaapstad
naar Mauritius, van Mauritius naar Australië, daarvandaan
naar Chili; maar nu had het schip een haven bereikt, die
heel veel aantrekkelijks beloofde en hierin ook niet teleurstelde. Het meisje — meer was het niet — had genoten
van de vreemde klanken en haar oogen hadden zich verlustigd aan nog vreemder tafereelen; de geheimzinnige
wonderlijkheid van het Oosten greep haar aan, en vervulde
haar met ontzag.
„We zullen vanavond gaan,” zei Maxwell. „We moeten
het ijzer smeden, terwijl het heet is. Je zult pleizier hebben
op dien tocht; slechts weinig vrouwen komen in de gelegenheid om een echte opiumkit te bezoeken, en als de
oude Ah Too niet een beetje verplichting aan mij had,
dan geloof ik niet, dat het ons toegestaan zou worden er
te komen.”
Bessie Maxwe/1 probeerde er erg verheugd uit te zien,
maar dit mislukte haar.volkomen. Zij zou veel liever het
voorgenomen uitstapje niet meegemaakt hebben; maar zij
wilde den man, die haar een nieuwen hemel en een nieuwe
aarde verschaft had, niet zoo teleurstellen.
„Ben je niet blij, dat de eigenaars je toestaan om te
komen?” vroeg haar echtgenoot verliefd. „Zij maken niet
dikwijls een uitzondering op den regel, dat vrouwen geen
toegang hebben. Ik heb nooit geweten, dat het varen zoo
prettig was, als het gebleken is te zijn, lieveling.” Zij waren
nog verliefd genoeg op elkaar om deze verzekering met
een kus te bezegelen. „Ik begrijp niet, hoe ik het zoo lang
heb kunnen uithouden, zonder getrouwd te zijn.” zei Maxwell op gelukkigen toon. „Ik houd toch zoo veel van je,
Bess; en er is niets in de wereld, dat ik niet voor je zou
willen doen, niets.”
„Dat beweer je; dat heb je al dikwijls beweerd. Ik zou
wel eens willen weten, of je het doen zoudt, als ik je eens
vroeg, iets groots voor mij te doen,” fluisterde zij, terwijl
ze naar hem opkeek.
„Natuurlijk zou ik het doen, behalve als je vroeg, of
ik het varen wou opgeven. Dat kan ik niet doen. Dat beteekent heel wat voor mij, de zee; en dat weet je evengoed
als ik.”
„De zee beteekent voor mij ook heel wat, Jack. Tenminste zoolang wij samen op zee kunnen blijven. Neen; ik
wil je niet vragen haar op te geven, zoolang ik met je mee
kan blijven gaan: maar als ik eens heel graag iets zou
willen — heel graag?’*
„Dan heb je er slechts om te vragen, liefste. Alles, zelfs
de helft van mijn koninkrijk, dat niet erg uitgestrekt is,
want ik kan het met mijn twee handen omvatten.”
En hij sloeg zijn arm dicht om haar middel.
Zij maakten een grapje van de zaak, want het leven
was een lange, blijde droom voor hen. Het schip had meestal
gevaren door wateren, die door de zon beschenen werden;
zij hadden geen last met de bemanning gehad; alles was
zoo voorspoedig gegaan, als het op zee maar eenigszins
gaan kan; met juist genoeg kans van gevaar, om het paar
nog nauwer aan elkaar te verbinden.
Het was een donkere avond, toen zij in de Chineesche
haven aan land gingen; en Bess Maxwell drong zich dicht
tegen haar echtgenoot aan, terwijl stille, geheimzinnige
gedaanten haar voorbij gingen op de niet verlichte wegen
die liepen van Dockland naar het hart van de rumoerige
stad. Zij hadden zonderlinge streken van de stad bezocht;
zij hadden haar gezien in het voile licht van een zomermaan,
bont, onzindelijk, maar toch schiiderachtig en zij hadden
zich afgevraagd, wat er achter de geheimzinnige gezichten
van de bewoners schuilde. Zij hadden tezamen een Chineesch theater bezocht, zij hadden een uitstapje op de
rivier gemaakt in tooverachtige bootjes; zij hadden de
wonderlijkste dansen gezien; in één woord, zij hadden alle
bezienswaardigheden gezien en nu gingen zij de laatste
groote merkwaardigheid zien.
Maxwell hield stil bij een klein winkeltje, daf er uitzag
als dat van een handelaar in curiositeiten, en riep luid
den naam Ah Too. Een oude bewoner van het Hemelsche
Rijk kwam buigend naar hem toe; zijn gezicht was even
scherp van lijnen als dat van zijn ivoren poppetjes.
„Wel, Ah Too, krijgen we nu het opiumschuiven te
zien ? Mijn vrouw is met mij meegekomen en wij zouden
graag alles ervan willen zien, zoolang het tenminste niet
stuitend is.”
„Ik zal u allemaal goede dingen laten zien,” zei Ah Too.
„Kom maar met mij mee, kapitein Maxwell, ik zal u een
heele massa van het opiumschuiven laten zien.”
Zij volgden hem door allerlei vreemde gangen, waar het
naar rottende planten rook, langs zonderlinge, geheimzinnige huizen, waar nooit eenig licht te zien was, tot zij
aan een vuile straat kwamen, vuiler nog dan de andere,
waar een dof gemompel van menschelijke stemmen Bessie
herinnerde aan den ouden boomgaard thuis, waar de bijenkorven stonden.
Zij drong zich dicht tegen Maxwell’s arm aan, terwijl
vermomde gedaanten geruischloos langs hen heen slopen;
in het diepst van haar hart was zij doodelijk verschrikt
en bij iederen ademtocht wenschte zij, dat zij nooit in
dezen tocht had toegestemd.
„U hoeft niet bang te zijn, er zijn geen slechte menschen
hier,” zei Ah Too, terwijl hij aan een deur klopte, die even
zacht openging, als men dat in sprookjes leest. Een gezicht,
dat sprekend geleek op dat van hun gids, keek naar buiten;
er werd een haastig gesprek gewisseld, toen de deur geopend
werd.
Een vreemde doordringende geur trof den neus
van bet meisje voortdurend; het was een bijna ondragelijke,
walgelijke lucht; zij moest ervan hoesten; haar oogen vulden
zich met tranen.
Maxwell trad het eerst binnen — en terwijl hij rondkeek, snoof hij de zware lucht in
„Dat is opium,” legde Ah Too uit, „veel menschen
rooken het hier; het is hier een goede, groote plaats ervoor;
soms neem ik ook een klein pijpje.”
Het vertrek verschilde maar weinig van elke andere
opiumkit: de bezoekers hadden hetzelfde waas van geheim*
zinnigheid, voorzoover ze tenminste wakker waren; dezelfde
kale, lage ruimte, hier en daar voorzien van matten; de
overblijfselen van de benoodigdheden voor het afschuwelijke genot waren door de kamer verspreid.
„Nu moet u goed opletten; zij zullen u laten zien, hoe
opium gerookt wordt,” zei hun gids, op de manier van
een baas bij een kijkspel.
(Wordt vervolgd).
|