|
PANORAMA
bij zijne moeder in de kamer zonder haar vooraf zijn
komst te hebben gemeld.
„Arnold, jij?”
„Dag Moeder! U bent ouder geworden in die twee
jaren. Of schrikt u zoo van mij?”
„Ja. Maar toch verwachtte ik je eerstdaags want er
was heimwee in je laatste brieven.”
„Zóg u dat? Waarom schreef u dan nooit eens iets
over haar, moeder?”
„Omdat je nooit naar haar vroeg. Je zult je toch
buigen Arnold. Zij is niet meer het verwende, ietwat
wispelturige meisje (was ze dat eigenlijk wel ooit?),maar
een vrouw, een vrouw die haar plichten weet, maar ook
haar rechten kent.”
„Ik zal me ook buigen. Ik ben van plan van avond
nog naar haar toe te gaan, en te zeggen, dat ik alles heb
vergeten en vergeven, Hoe is Karei geworden?” *
„Een schat van een jongen. Maar laat ik nu gauw
iets voor je gereed zetten, dan kun je dadelijk gaan met
den trein die over een goed half uur vertrekt.”
„Woont ze dan niet meer hier?”
„Neen, ze is naar Katwijk verhuisd. Daar woont ze
dicht bij ’t strand, in een aardig huis, dat ze ’s zomers
grootendeels verhuurt. De meeste gasten zijn nu weer heen.”
„Maar waarom doet ze dat? Ik heb haar toch geregeld het geld gestuurd, dat ze vroeger had en nu is het
gezin een man kleiner.”
„Zeker weet ik het niet, maar ik denk, dat ze nooit
van dat geld gebruik maakt en in haar eigen onderhoud
tracht te voorzien. Ééns heb ik er haar over gesproken
en toen zei ze: „Moeder, ik leer vast. Later zal ik het
toch ook moeten doen.”
Arnold voelde zich onbehaaglijk en bracht het gesprek
op een ander onderwerp. „Is Karei altijd nog goed gezond
en Annie?”
„Annie is lang ziek geweest!”
„Annie ziek? En wat scheelde ze? Duurde het lang?
Is ze nu weer geheel beter?”
„Het begon, toen jij een paar weken weg was en het
heeft maanden geduurd, éér ze weer geheel op streek
was. Zenuwoverspanning zei de dokter!”
„En dat u mij daarvan niets schreef!”
„Annie wilde het niet hebben. Jij moest voor de zieke
niet doen, wat je voor de gezonde niet over had, dat
zijn haar eigen woorden.”
Het werd Arnold weer onbehaaglijker. Net alsof hij
het niet zoo gemakkelijk zou hebben, straks als hij bij
zijn vrouw kwam.
Hij had een sneltrein en anderhalf uur later stond hij
voor het huis, waar zij wonen moest — zijn vrouw. —
Hij belde aan.
Een vreemde deed open, en het deed hem onaangenaam
aan, te moeten vragen, of Mevr. Hoekstra hier niet woonde?
Ja, de trap op! Hij had tweemaal moeten schellen
als hij nóg eens .... Maar hij antwoordde, dat hij dan
wel naar boven zou loopen.
Boven aan de trap bleef hij even staan, ’t Was al
donker nu. Door een deur die op een kier stond zag hij
een lichtschijnsel, en hoorde hij stemmen, wèlbekende
stemmen.
Toen opeens vermande hij zich, en stapte naar binnen.
In den hoek tegenover de deur zat Annie op een laag
stoeltje, en voor haar was een kleine jongen bezig, die
probeerde op haar schoot te klimmen. Telkens als hij er
bijna bovenop was, zakten haar knieën neer, en rolde
hij er af. Een luid gekraai en geschater was het gevolg.
Plotseling keek de moeder op. „Karei, je vader,” zei
ze, en een vluchtig rood van schrik overtoog haar gelaat.
De kleine jongen had zich wel omgedraaid. Toen opeens
met een kreet van verrassing vloog hij op zijn vader af.
„O Pappie, Pappie, ben je nou eindelijk gekomen,” en
met de armen in de hoogte, een luchtsprong makend:
„Vang me nou, en licht me dan eens hoog op. Zóó, o ja,
zóó kan Mammie het niet. En nou een pak, voor alles
dat je gestuurd hebt.” En met de mollige armpjes stijf
zijns vaders hals omklemmend zoende hij hem op beide
wangen. „O lieve Pappie ik ben zoo blij, ik pak je stijf
hè? Nog stijver?” en zijn hooge fijne stemmetje had
even rust, onder de stevige omarming, die al zijne kleinekereltjes-kracht eischte.
Toen zette Arnold het levenmakertie neer, en ging
naar Annie, Hij voelde, hoe de kleine jóngen hem stond
na te kijken, alweer verlangend naar het oogenolik dat
pappie mammie zou gezoend hebben — dan kwam zijn
beurt immers weer.
„Dag Annie! Hoe gaat het met je?” Strak en stijf
klonk zijn stem. Heel anders dan hij had gewild, en
bedoeld. Hij voelde, dat hij haar een kus moest geven,
om het kleine ventje, dat stond toe te zien. Hij legde
de hand op haarschouder, en zoende haar op het voorhoofd.
„Pappie, heb u nog veel voor me meegebracht ook?”
„Ja” — zei hij toonloos. Hij schaamde zich. Dat hij
daar ook nooit aan gedacht had zijn jongen wat te sturen.
Maar morgen zou hij in de stad veel aardige dingen gaan
koopen!
„Maar je hebt toch al zoo veel gehad, Karei” zei
Annie, om toch ook eens wat te zeggen.
„Ja,” zei ?t kind, en op den grond vallend en kopjeover buitelend tot hij bij een kastje terecht kwam. „Kijk,
het staat net allemaal,bij elkaar, allemaal uit Indië, de
beesten en de stal, en .. ..”
Arnold zag zijn vrouw aan. Dus daar had zij zelfs voor
gezorgd. Ze was dan wèl trouw haar belofte nagekomen.
Hij stond nog steeds, en zij vroeg hem niet te gaan
zitten. Nu liet hij zich op een stoel midden in de kamer
neervallen.
„Karei”, zei Annie, „je bent zoo druk, ’t Is al lang
je tijd om naar bed te gaan. Zeg je vader goenacht.”
Arnold zag den blik van teleurstelling in de jolige bruine
kijkers, maar gehoorzaam kwam het kind toch naar hem
toe. „Nacht Pappie. Als ik morgen wakker word, ben je
d’r nog, hè? Mammie, nou hoef ik vanavond niet te
bidden voor Pappie in het verre land, want. ...”
„Toe nu, we gaan, schat,” — even wendde zij zich tot
Arnold, — „over een half uurtje ben ik terug.”
Hoekstra hoorde nog het onregelmatig gestommel van
kindervoetjes op een trap —- toen daalde de stilte in de
kamer....
Hoe was alles anders gegaan dan hij zich gedroomd
had. Met open armen en betraande oogen zou zijn vrouw
op hem toegeloopen zijn en zich neerbuigend en haar
genadig op de wang kussend, zou hij zeggen „stil maar,
kindje, ik heb je al lang vergeven.” En nu — hij had
een gevoel of niet zij, maar hijzelf de schuldige was. Ja
zijn moeder mocht wèl zeggen „een vrouw die haar
plichten weet maar ook haar rechten kent.” — Hoe had
hij zijn plicht tegenover haar verzuimd. Alléén had' zij
voor het kind te zorgen gehad — alléén was zij geweest
in een lange ziekte, hij had zelfs niet naar haar gevraagd.
Er kwam een vreemde, ongekende gewaarwording over
hem. Hij voelde zich niet meer de verongelijkte, niet de
genadige schuldvergever, neen, hij was zelf de schuld, de
oorzaak van alles. Hij had zijn vrouw nooit naar waarde
geschat, maar met zijn geluk gespeeld en haar alleen
gelaten. O, als zij het hem eens niet vergaf, als zij eens
zij: „’t 1^ nu zoo lang goed gegaan zonder je .. .
Hij stond op, eh ging de kamer op en neer loopen.
Als zij nu maar kwam. Alles zou hij doen om haar te
winnen, alles. Als zij maar niet zoo strak en starend ging
zitten als daarnet, want hoe zou hij dan den moed hebben
haar te naderen.
„Hij slaapt,” zei Annie, de kamer inkomend.
„Nu al?” vroeg hij. „Je zult wel moe zijn. Is hij altijd
zoo druk?”
Zij zweeg — keek hem alleen maar aan, half vragend
half verwonderd, een nauw merkbaren glimlach om den
fijnen mond.
Hij begreep haar. Zelf vond hij ’t ook gek, nu zoo
gewoon te gaan staan praten, nu ze eindelijk weer samen
waren. Nu moest immers de verklaring komen? Maar hij
kón geen woorden vinden.
Toen verbrak zijzelf de spanning van hun zwijgen.
„Laten we kort en zakelijk, vooral zakelijk zijn,” zei
ze „dat is het beste. Waarom ben je gekomen? En voor
hoe lang? En wat ben je van plan?” ....
Hij was nog niet in staat een woord uit te brengen.
Hoe kon zij toch zoo koel zijn, dacht hij en keek naar
haar op, zag het beven barer lippen — haar trillende
oogleden ....
Toen nam hij haar bij de hand, en bracht haar weer
in het lage stoeltje, schoof een voetkussen ervoor, waarop
hijzelf ging zitten en legde zijn armen over haar knieën,
de handen saamgevouwen.
„Ik kan niet goed met je praten, als we staan,” zei hij.
Ze spot-lachte even, wat zenuwachtig. Zóó zaten ze
immers vroeger altijd als hij eens iets heel liefs wilde
zeggen, vroeger in hun korten, maar gelukkigen engagementstijd ........
Maar ze hield zich weer flink.
„Nu?” vroeg ze.
„Eerst wou ik jou danken,” zei hij nu beter durvende,
„omdat je zóó je belofte bent nagekomen. Dat welkom
van het ventje, ik zal het nooit vergeten, en ik ben je
zoo dankbaar, dat je zóó goed voor hem hebt gezorgd,
je zoo gegeven hebt aan hem, onzen jongen.”
„Maar dat is mijn eigen zaak” antwoordde ze stug,
„waarom zou ik niet goed voor hem zijn.”
„Annie, toe, wees niet zoo vreemd. Ik — ik wou je
eigenlijk iéts anders zeggen. Ik weet dat ik je schandelijk
verwaarloosd heb, ik weet dat ik onrechtvaardig geweest
ben toen, en ik voel nu zoo goed dat ik jou niet waard
ben, dat je — en zijn stem trilde van ingehouden smart —
dat ’ je in je hart me verachten moet, maar — als je
denkt, dat ik met een schat van liefde, met een leven
van toewijding en zorg, eenigszins zou kunnen goedmaken
wat ik misdeed, als er in jou nog eenige genegenheid
voor mij is -— als —”
Nu was haar trots gebroken. Groote tranen rolden langs
haar wangen, en heel haar lichaam schokte krampachtig
toen ze haar beide armen om zijn hals sloeg en fluisterde:
„Eindelijk, lieveling, eindelijk heb ik je weer terug.”
DE HONDENTENTOONSTELLING TE HAARLEM.
De -vorige week is te Haarlem de 6e Internationale Hondententoonstelling gehouden. Wij geven hierboven 2 foto’s; op de eerste heeft men een overzicht tijdens de
keuringen, op de tweede ziet men een paar fraaie barzois.
|