|
MIJN ONDERZEESCHE
HUMORESKE DOOR JAN VAN VELTHOVEN
REI
(ƒ)
I
K reken dus op jullie alle vijf!”
„Best 1 Bepaald !” riep van Dalen. „Je kunt ervan
op aan, hoor !”
„Morgenochtend, om halfzes!” herinnerde Trevers ons
ten overvloede.
„Stellig 1” klonk het uit vier monden.
Alleen i k zweeg ....
Een reis met een onderzeeër? En dan nog wel ’n duikboot door Job Trevers uitgevonden? ’t Idee alleen deed
me al griezelen !
Tegen 6 uur den volgenden morgen stond ik aan den
walkant.
Job’s plezier-onderzeeër lag nog stevig aan een paal
gemeerd. Job zélf stond met een hoogst gebelgd uiterlijk
op het dek.
„Wat ’n lui, hè ? ’ riep hij me toe. „Jij bent de éérste . . . .”
„’k Zal wel de eenigste zelfs zijn,” meende ik. „Daarenboven, Job, ’t spijt me wérkelijk, maar ik heb nogeens
goed over de zaak nagedacht, en ’t wil mij voorkomen, dat
ik het aan mijn geslacht en mijn vaderland verplicht ben,
m’n leven op eervoller en nuttiger wijze te eindigen.”
Trevers keek me verwijtend aan.
„Dat meen je niet, Ed,” zei hij. „Dat komt niet uit
je hart, jongen ! Zoo’n oud sportman als jij zou zoo’n buitenkansje voor geen duizenden willen missen.... En
daarom ben je natuurlijk ook gekomen, Ed! Je hebt lang
getwijfeld : dat kan ik me best voorstellen, ’t Is ook weer
zoo heel iets anders, dan auto-racen of vliegen ! Maar je
sportieve gevoelens hebben ten laatste gezegevierd ! Kom
er dus op, Eddie: blijf daar niet langer staan schilderen
aan den wal. Kom er op nu : ik wacht geen minuut langer
meer. Ik verzeker je, de anderen zullen er spijt van hebben !”
Zoo’n oud sportman als ik ! . . . .
M’n sportieve gevoelens, die zegevierden ! . . . .
Helaas ! ’t Vleide me en ik meende het aan mijn nieuwe
hebt dat nooit meegemaakt. Jij kunt dat niet zoo begrijpen”.
„Jij dan wei?”
„Nooit persoonlijk, dat is zoo. Maar ik heb een
kolossale studie van het onderwerp gemaakt en ik ben,
om ’t zoo eens uit te drukken, volkomen vertrouwd reeds
met elke sensatie, die een onderzeesche reis je geven kan.
Maak je maar niet ongerust, hoor! Bij m ij kun je je volmaakt veilig voelen . . . .”
Ik zweeg — maar ’k hield m’n hart vast. Waarom, idioot,
die ik was, moest ik ook zoo vroeg naar de haven gaan om
voor mijn blad het éérste nieuws te vzillen hebben van
„De Ramp der Job I, een Drama in den vroegen ochtend !”
Eilacie ! Ik zou te veel van die ramp zélf meemaken om
’t ooit na te kunnen vertellen ....
6 u. 50 I We zijn in volle zee ....
Heel in de verte welft een donkere streep langs den
horizon, dat is het land, het veilige land .... waar mijn
wieg eens stond .... dat voor mij vergeefs aan de baren
ontworsteld werd ! En rond mij, mijlen ver in ’t rond, kookt
en woelt de zilte grafsteen van millioenen ....
„Nou, nou ga ik alles sluiten,” zegt Trevers.
„Hou je nu kalm, Ed ! J e tz t geh t ’ s los !”
„Heb je schrijfpapier aan boord, Trevers?” vraag ik
flauwtjes.
„Hoezoo ?”
„Je kunt nooit weten, Trevers . . . .”
Maar Trevers lacht — lacht me vlak in m’n gezicht uit.
„Wees toch zoo’n dwaas niet, Ed,” zegt-ie. „Je stelt je
aan alsof er ik-weet-niet-wat gebeuren kan ! Nu : ik ga
even naar boven . . . En hij verlaat de machinekamer :
neuriënd ! Als Trevers op ’t dek rondscharrelt, ontwaakt
alles in mij, wat uit den booze is. Ik hoop vurig, dat er iets
met hem gebeuren zal.... iets .... enfin, iets, dat ’t me
mogelijk zal maken na eenige dagen nog door de een of andere
stoomer opgepikt te kunnen worden. Ik krijg ’n intente
kwestie of men zich voortaan even vrij onder water als óp
het water bewegen kan .... Zit je in de raamnis, Ed?”
„Ja,” antwoordde ik.
„Dan moet je eens goed opletten ! Nu komt eerst het
interessantste . . . .”
Ik hoorde de klik van ’n electrisch-licht-handletje : en
kon me ’t volgend oogenblik werkelijk verbeelden een tocht
met Jules Verne’s gedroomde onderzeeboot te maken.
Schichtig-snelschoten velerleisoorten waterbewoners voorbij
bet raam onzer salon : in wilden dwarrelgang kringelden zij
op in het eTctrisch-lichtvlak om dan weer overbaast in
het beschermend duister daar rond omheen te verdwijnen.
Zeewier slingerde zich langs de zij len van onze boot, ’t
scheen zich reeds voor goed daaraan vastgehecht te hebben !
„Hadt je ’t je zóó voorgesteld, Ed ?” vroeg Trevers.
„Vin-je het niet machtig belangwekkend ?”
„Wonderlijk!” zei ik. „En tóch, Trevers, zou ik om
een lie* ding willen, dat ik weer een beetje lucht te zien
kreeg.”
„Kom, dwaasheid ! ’t Is iets, waar je aan wennen moet,
geloof me ! Wat mezelf betreft: ’t bevalt me hier-beneden
uitstekend. Ik geloof niet, dat er ergens op aarde ’n plekje
zoo rustig is als dit!”
Ik antwoordde daar niet op, maar sloeg weer ’t snelle
spel der visschen gade, ’t Electrisch licht scheen een eigenaaroige uitwerking op hen te hebben. Hoewel ze in gansche
scholen aangetrokken werden, vluchtten ze tochweervóór
ze ons raam geheel genaderd waren .... om straks weer
terug te komen en, als ’t kon, nog sneller het schitterend
vlak te passeeren.
„Weet je wat, Trevers!” zei ik ten laatste. „De aardigheid gaat er toch voor me af ... . Zou je misschien niet
eens willen probeeren de boot weer omhoog te krijgen?”
Trevers zag me ’n oogenblik doordringend aan.
„Net zoo je wilt,” antwoordde hij. „Je kunt er nu in elk
geval van meepraten.”
Op feestelijke wijze is de auto-diensf Utrecht—Harmelen geopend.
Op den achtergrond van onze foto ziet men de ouderwetsche trekschuit, die haar dienst gestaakt heeft.
reputatie en m’n pas-ontdekte sportieve gevoelens verplicht te zijn het buitenkansje te ... . wagen !
’t Was inderdaad zoo heel iets anders, dan auto-racen
en vliegen (vermakelijkheden, die ik, als ik er ooit toe
gedwongen werd, graag af zou willen koopen met ’n sprong
van den een of anderen kerktoren) en Trevers stond er zoo
ernstig, zoo zelf-bewust bij ... .
Hij leek in ’t geheel niet meer op den man, die bij ’t whisten altijd verloor en op het juiste oogenblik nooit wist,
wat-ie doen of laten moest....
Ik zag in zijn opgewekt, van levenslust schitterend gelaat en geloofde hem !
Te 6 u. 5 stond ik op ’t dek van Trevers’ nieuwste vinding : de plezier-onderzeeër „Job I.”
We bevonden ons in de machine-kamer.
„Nu gaan we eerst de haven uit,” stelde Trevers voor,
„tot we in volle z je zijn. En dan, beste Cas, zul-je eens een
genoeglijk uurtje beleven !”
„We zullen zien!” meende ik — en langzaam stoomden
we de haven uit... .
’t Ding liep prachtig, dat moest gezegd worden. Ik moest
Trevers waarlijk bewonderen, zoo handig als-ie den weg
wist te vinden tusschen al die schroeven en kranen en
handles.
„Zijn we nu geheel alleen aan boord?” vroeg ik.
„Jawel!” zei-d-ie trots. „Dat is juist de „dernier cri”
mijner vinding. Wie eens waarlijk gehéél alleen met zichzelf
wil zijn behoeft zich slechts mijn onderzeeër aan te schaffen ! Geen last van personeel: van muitende stokers of van
stuurlui, die ’t beter willen weten, dan jij .... En gaat-ie
niet heerlijk-kalm en zéker door het water?”
„Verbazend!” prees ik, „Ik kan niet gelooven, dat het
ónder water plezieriger zijn zal. Weet je wat .Trevers: we
moesten maar boven blijven, vind ik.... ’t Is hemelsch
hier 1”
„Geen kwestie van !” ketste Job dadelijk af. „Neen man,
daar komt niets van in — duiken moeten we! O, Eddie,
’t is een idylle gewoonweg .... zoo onder water.... Jij
neiging dit iets een handje te gaan helpen : ik ben groot,
sterk, èn Trevers is maar een zwak kereltje ....
De gedachte aan Trevers z’n vrouw en z’n kinderen (hij
zal eerstdaags gaan trouwen) weerhoudt mij echter, en een
oogenblik later komt hij, frisch als een hoentje, weer in de
machinekamer.
„Allright, Eddie !” zegt hij. „Ga jij nu naar de observatiekamer : hier, dezen weg langs. Ga in de raamnis zitten en
denk maar, dat je een tocht maakt met Jules Verne’s
,,N au tilus!” Ik ga door ’t nauwe gangetje, dat van de
machinekamer naar het onaerzeesch observatorium leidt
en Trevers trekt erg voorkomend de deur achter mij toe.
Ik bevind mij in een kleine, spaarzaam-gemeubelde ruimte;
eenig licht komt door een matglazen raam van boven;
in den rechterwand is een groot glazen venster, waar ’t
zeewater langs spoelt.
De boot schokt nu : ik hoor ’t schuren van het water
langs de bovenzijde .... er kan geen twijfel meer mogelijk
zijn: we zinken! Geen sterveling weet, wat zinken
is, alvorens-ie ’t zélf ondervonden heeft....
Ik ben gewoonweg gevoelloos van verbazing! Het licht,
dat door het bovenglas komt, wordt langzaam aan schaarseber .... Ten laatste is het geheel duister rond mij been!
De flauwe lichtschemering voor het zijraam verdween
reeds dadelijk; ik veronderstel het heerschen van een verschrikkelijke drukking op die dunne glazen plaat.
Ik haal mijn horloge te voorschijn èn strijk een lijcifer
aan : 7.15 geven de wijzers aan ! De klok in de machinekamer
wees 7 uur, toen Trevers mij in z’n „salon” ging opsluiten :
gedurende vijftien, zeg véértien minuten zinken we reeds . . ..
Eindelijk, eindelijk dan werd de deur mijner cel geopend.
Trevers’ stem (wanneer had ik die in ’s hemelsnaam
voor ’t laatst geboord ?) vroeg me, boe ’t me dertig vademen
onder water beviel.
„Ik wil voor dezen keer niet dieper gaan,” zei hij eenvoudig, „maar er is geen enkele hinderpaal, die mij daarvan weerhoudt. Mijn oplossing van het onderzee-vraagstuk
is volkomen : er kan geen twijfel meer bestaan over de
Hij verdween uit de salon en liet mij in angst en vreezen
achter ....
Ik wist, dat de prestaties van de onderzeeër nu, om zoo .
te zeggen, op haar doode punt gekomen waren.
Niets is zoo gemakkelijk als ’n onderzeeboot onder den
waterspiegel te werken, ik geloof, dat een kind het wel zou
kunnen.
Maar de groote moeilijkheid begint eerst, wanneer je
het ding weer naar bóven wilt hebben : ik voor mij had bet
gelukken daarvan altijd aan het toeval toegeschreven ....
Theoretisch is het iets onmogelijks, de praktijk alleen heeft
bewezen, dat er zich gevallen voordoen waarin dit werkelijk
gebeurt, er z ij n onderzeeërs geweest, die weer boven
kwamen. Zou dat toeval ons evenwel gunstig zijn ? Het
eenigste, dat ik ooit tegen het toeval gehad heb, is z’n
wispelturigheid, je kunt nooit staat op die onbekende macht
maken.
Even nadat Trevers in de machinekamer moest gekomen
zijn, ging ’t electrisch licht in de salon uit; de volslagen
duisternis, waarin ik mij nu bevond, bracht mij waarlijk
niet in ’n hoofdvoller stemming.
Was dat wel normaal, dacht ik ?
Ik had al mijn zelfbeheersching noodig om het onvermijdelijke met de verheven berusting, waarmee slachtoffers, als
ik er een was, zich dienen te sieren onder oogen te zien ....
De boot scheen niet de minste neiging tot rijzen te hebben; ik moest kalm blijven en vertrouwen op het wonder,
dat de enkele onderzeeërs, die weer bovenkomen,
ter wille is ... .
En ik wachtte .... wachtte ....
Na het werkeloos „wachten” gedurende het zinken van
een duikboot is er ongetwijfeld maar één sensatie, die nog
ellendiger is; en dat is het „wachten” op ’t weer-rijzen van
’n duikboot.Op ’t laatst werd despanningmij onverdraaglijk.
Ik meende, dat de voorraad lucht in mijn salon al zoo goed
als uitgeput moest zijn en kreeg een dwingende neiging
Trevers in z’n machinekamer op te gaan zoeken en mét
hem te sterven . . . .
Ik opende de deur .... Nooit zal ik de gewaarwording
|