Panorama

Blad 
 van 2380
Records 316 tot 320 van 11897
Nummer
1913, nr.20, 12 nov. 1913
Blad
08
Tekst
REDDINGSVLET JANUS KUIPER et intieme gebaren van hunne monden en verduidelijkende oogen, stónd een groepje vrouwen in deWachtstraat van de oude Helder, druk babbelend over de gebeurtenis in hun stil, afgelegen ouderwetsch buurtje. Eén, met de haren op den rug en half gekleed nog — in corset en onderrok — informeerde ongevraagd of we soms naar den jubilaris zochten. En een moedertje in wit nachtjak, schrikwekkend uit een zoldervenstertje naar omlaag neerziende, wees welwillend met haar dikke roode arm naar het allereerste huis links op den hoek. Hier, in de tamelijk groote, propere en gezellige kamers meenden we vele menschen, vele belangstellenden aan te treffen, dicht opeen en prettig gestemd. Doch in het gangetje heerschten rust en stilte en in de nette, hoogst zindelijke vertrekken was t’ heelemaal niet eivol. Later op den dag — we moeten hier even vooruitloopen — werden vele gelukwenschen van binnen en buiten de gemeente ontvangen, onder de geschenken waren prachtige dingen, ’s avonds kwamen de familieleden, de vrienden en de kennissen binnengewandeld en toen het pikdonker was werden vreugdevuren aangestoken, bengaalsch vuurwerk gebrand en een serenade gebracht door de leden van de muziekvereeniging „Winnubst,” die op het achterplaatsje een plechtig koraal aanhieven en daarna allerhande geliefde deuntjes speelden, waar een stoet nieuwsgierige menschen naar luisterden. Doch — we gaan nu eigenlijk weer verder met het begin van dit’ verhaal — dien morgen werd het ons al spoedig duidelijk gemaakt waarom in deze eenvoudvolle woning, vlak bij den Zeedijk, een merkwaardig jubileum zoo stilletjes, zoo zonder veel vertoon aanvankelijk in kleinen kring werd herdacht. Janus Kuiper, die vijf-en-twintig jaar geleden 4 October 1887 als schipper van de reddingvlet der Noord- en Zuid-Hollandsche Reddingsmaatschappij werd aangesteld — Kuiper zelf vertelde het rondborstig. Om bij zoo’n gelegenheid eens royaal uit te pakken, moest je veel geld in kas hebben en de financieele toestand—hij zeide het ongeveer als een minister in zijn millioenen-rede— definancieele toestand was zorgwekkend, helaas van dien aard, dat er' niet aan gedacht kon worden om op dezen dag behoorlijk feest te vieren. „Zou een arme visscherman nog kunnen sparen voor genoegens — al is het dan ook maar eens in de vijf-entwintig jaar? Gekheid, m’n waarde vriend. Wij, burgermenschjes, zitten volstrekt niet verlegen met onze centen. Je weet precies hoe zuinig je er mee moet rondspringen om niemand te kort te doen. Och, je doet wel wat op zoo’n dag — in je gezin laat je het niet heelemaal onopgemerkt passeeren — maar overigens, niets geen buitensporige dingen, hoor I Gelukkig dat ik me er best in kan schikken. En als het er nou op aan komt, dan heb ik een hekel aan al die bijzondere drukte, want wil ik u nog eens eerlijk iets zeggen? — Ik ben vandaag vijf-en-twintig jaar schipper en voor dien tijd was vletteren op de Noordzee mijn voornaamste werk en ik durf gerust te verklaren, dat ik op zee heel wat ernstige zaken heb meegemaakt, maar — je moet nooit uit ’t oog verliezen, dat ik altijd in actiewas met kameraden, dieniet minder hun deel hadden in demooiewinst, die menigmaal behaald werd. Denkt u dat voor mij alleen de eer is van alle feiten, die ik buitengaats beleefde ? Waarachtig niet — je mag je makkers niet vergeten, die naast je gestreden en geleden hebben.” Hier zweeg de schipper een oogenblik en als we even door de ramen naar buiten zien, in de richting van het'steenen gebouw op den Zeedijk, waar het suizelwindje de vlag van de Noord- en Zuid-Hollandsche Reddingsmaatschappij aan den gevel doet flapperen, dan vervolgt hij : ,,Daarin staat de vlet geborgen. Heeft u d’r wel eens van nabij gezien ? ’t Is nou de moeite waard — pas geverfd — een lust om te bekijken. Komaan, laten we er eensheengaan.” Kuiper zette z’n pet op, stak de groote sleutels bij zich, stapte het poortje uit en liep vooruit, de trap van den dijk op, naar het gebouwtje vóór den Windwijzer. De reddingvlet stond daar als een reuzenkaros — hoog op het land — nieuw in de verf, met de bloedroode grijpkurken aan de lijnen buitenboord. Met een laddertje klommen we omhoog en zagen meteen van den achtersteven naar den boeg het inwendige, wijd en lang, met de melkwitte luchtkasten voor de zeewaardigheid aan twee kanten en de doften daartusschen, alles piekfijn verzorgd, glimmend als maneschijn. En terwijl we neerzagen op dit formaat, machtig en besloten in de zware wielen daaronder, verklaarde Janus Kuiper het een en ander van dit vaartuig, dat in den kortst mogelijken tijd kan ontwaken tot zijn bestemming. En als-ie vertelt op de manier van een ouden rondborstigen zeerob, over het loeien en huilen van den storm aan onze kust, over' de verraderlijke zandbanken Razende Bol, Noorder- en Zuiderhaaks, over het helpen en redden van schepelingen in nood, — dan voelen we in gedachten het afglijden langs de grauwe steenen, dan voelen we voor ’t eerst de opklots en de cadans der golven en we zien in gedachten deze vlet varen over de onmetelijke Noordzee — als een vliegende Hollander die langs de kim schuttert met donkere lappen aan de mast, met mannen van de oude Helder aan boord, wier bekende namen wij opmerkten in een lijst aan den muur en waarop Kuiper met trots de aandacht vestigde. Dit reddingswerk maakte mijn nieuwsgierigheid gaande. Ik wilde er meer van wetên en zag met genoegen dat Kuiper eenige verschrompelde stukjes papier te voorschijn haalde, vol van cijfertjes en krabbeltjes, die aanteekeningen moesten voorstellen betreffende daden van heldenmoed en zelfveiloochening. Voor ons onbegrijpelijk en niet gemakkelijk leesbaar, waren de korte zinnetjes evenwel voldoende cm een aantal heerlijke waarheden van den ouden tijd in het geheugen van Kuiper terug te roepen, waarvan wij er hier slechts een paar kunnen weder vertellen met oog op onze plaatsruimte. „Zeg er is, Janus, heb je daar ook de geschiedenis nog bij van de Noren, die je toen eens uit de branding oppikte en bij ons thuis bracht?” aldus vroeg z’n vrouw, die tot nog toe zich niet in het gesprek gemengd had. „Bedoel je de jongens, die we op aardappelen-met-roodekool-door-elkaar hebben getrakteerd?” „Precies — we waren geloof ik pas getrouwd.” „Dat was in 1876. De Hollandsche bark „Noordster,” beladen en belast met ijzer, liep ’s nachts op ’t Westpunt van Texel, ’s Morgens vroeg zag ik dit scheepje zitten en
PDF
Nummer
1913, nr.20, 12 nov. 1913
Blad
09
Tekst
spoedig besloten we om er heen te gaan. Maar dat was makkelijker gezegd dan gedaan. Er waaide buiten een orkaan en onze vlet werd telkens door de hooge zee weggegooid. Het kostte zeer veel inspanning om het barkje te naderen, dat weldra aan barrelen werd geslagen en als waardeloos wrak in het woeste water lag. Schipper Zegel van ’t Oudeschild was met z’n blazerschuit in de buurt gekomen en wist van de gemengde bemanning — kapitein Potjewijd, Hollanders en Noormannen — onze landgenooten bij zich aan boord te krijgen. Maar op de verbrijzelde ,,Noordster” verkeerden nog vier Noren in levensgevaar en met hardnekkige wilskracht deden we gedurig pogingen om de arme drommels te bemachtigen. Eindelijk gelukte het ons onder den kluiverboom te komen en van hier lieten zij zich aan ’n stuk touw in de vlet zakken. Meer dood dan levend kwamen ze aan den wal en ik wist niet beter te doen dan ze maar mee naar huis te nemen. Druipnat en uitgeput van de doorgestane ellende, bracht ik ze bij moeder de vrouw, die juist een lekkere gestampte pot had gekookt. Toen ze gastvrij aan tafel zaten en maar raak konden smullen, kwamen ze langzamerhand weer bij. Een hunner, die verwond was en door m’n vrouw werd verbonden, kon z’n dankbaarheid niet genoeg toonen en gaf een groot kapmes, het eenigste wat hij bezat, als blijk van erkentelijkheid cadeau. Natuurlijk konden ze niet bij ons blijven en de consul aan ’t Nieuwediep zorgde verder voor hen. „’n Merkwaardige stormdag, die in ’t jaar 1882 volgde, zal ik niet licht vergeten. Ze hadden aan de Helder verteld dat er een schip zat onder Callantsoog. Goed. Schipper Kenning en ik gingen met paard en kar langs strand er op los. Daar hing de lucht zwaar en laag en de zee dreigde te vergruizelen wat ook maar ronddreef. Op een slechte plaats kraakte en kreunde werkelijk een houten kast, de „Stratmore,” alsof ze iedere minuut den geest zou geven. Volk van de sleepboot en van Callantsoog was aan boord, doch die konden niets doen en waren zelfs gevangen man. Opeens zag je sissende vuurpijlen omhoog gaan en schipper Vos wilde met z’n reddingboot de eerste poging doen. Maar ’t lukte niet en hij zag geen kans om er een kop af te halen. Kenning werd toen gevraagd. Hij had wel zin, maar Janus Kuiper moest ook mee. De uitdagende zeetjes onthaalden ons gul en als een veer werden we door de bruiskoppen gemarteld en gedreven. Eindelijk bereikten we het schip en bijna terstond sprongen zestien kerels in onze boot. Eenige minuten waren we aan het ploeteren met zooveel menschen op en om je heen, toen de reddingboot, een oud type, eensklaps door een wonderkracht werd aangegrepen en finaal ondersteboven sloeg. Alles er uit I Een onheilvoorspellende toestand voor de meesten. Zwemmende wist ik de boot te pakken en werkte m’n nat zwaar lichaam voorzichtig omhoog. Op de kiel gezeten zag ik niets dan petten en hoeden drijven en af en toe dook een menschenhoofd naar boven. Enkelen schreeuwden en tierden wanhopig en met den verdrinkingsdood voor oogen deden allen hun uiterste best om ook op de omgeslagen boot te komen. Ik hielp ze zooveel mogelijk en weldra zaten er twaalf naast me. Een heel gezelschap, dat zich niet mocht bewegen, anders was het mis. Maar de rest lag nog in de golven te spartelen, waaronder schipper Kenning, die me toeriep : ,,Janus, ik kan niet meer — ’t is aanstonds gedaan —• zeg m’n vrouw en kinderen maar gedag!” Doch terwijl ik hem aanspoorde om moed te houden, werd onze eigen positie zoodanig, dat ik onwillekeurig aan m’n vader dacht, die onder Petten was verdronken. Zou ik hier aan Callantsoog naar den kelder gaan ? Op hetzelfde oogenblik stak ik m’n hand uit naar een bewusteloozen man, trok hem verder naar mij toe en hield ’m in m’n armen. Een dik uur dreven we zoo met zestien man op de kiel voort. Verscheidenen waren niet meer boven gekomen en een paar die onmogelijk bij ons konden plaats nemen, zwommen met taaie volharding om ons omgekeerd vaartuig. In de verte kwam een vlet van ’t strand, met vier man er in, drie Huisduiners en een van Petten. Die wilden ons helpen en redden, maar we waren bang dat onze boot hierbij het evenwicht zou verliezen en daarom schreeuwden we : „laat ons maar stilletjes drijven — visch die drenkelingen daar maar op!” — Doch Klaas Boekel van Callantsoog, die op een puntje van onze kiel zat, sprong te water en zwom naar de vlet. Onderwijl zonk Jan Timmerman, een sterke vent, die een uur achter onze boot had gehangen, naar de diepte. Kort bij de kust gekomen, liep Piet Jonker tot z’n nek in ’t water ons tegemoet, gooide een lijn op en nu werden we door meerderen naar het droge getrokken. Vóór dien tijd waren vier mannen verdronken en één, dien we half dood van onder de boot haalden en die voor z’n moed op denzelfden dag de gouden medaille zou ontvangen, stierf kort na aankomst op het strand. De burgemeester van Callantsoog, meneer Hulst, die al dien tijd op het droge zand had staan kijken, kreeg later een gouden medaille en vijf van onze mannen, die zich in deze heldhaftig hadden gedragen, werden beloond met de bronzen. „Op een vroegen morgen van het jaar 1887 werd door opvarenden van vischschuitjes gerapporteerd, dat op de Razende Bol een schip was gestrand. Deze tijding veroorzaakte weinig opschudding, want dien dag waren nog meer schepen aan den grond geloopen en weer los geraakt, ’t Was dik van mist en op zee kon je geen hand voor oogen zien, leder oogenblik bulderde de een of andere stoomfluit een dreunende galm uit en af en toe hoorde je in de verte het geroep van lieden, die elkaar waarschuwden om een aanvaring te voorkomen. Enfin, we hadden een paar kleine karweitjes bij de Pannekoek opgeknapt en toen we nu naar aanleiding van dit nieuwtje er weer heentrokken, ontdekten we de Engelsche bark „Creton”, die er met een lading salpeter zoo vast als een muur scheen te zitten. ■..= PANORAMA = Daar het water vrij kalm en de gelegenheid er gunstig voor was, kwamen we met den kapitein overeen om het vaartuig te lichten. Na eenige uren werd het weer echter ontstuimig, wind en zee spanden samen, maakten het ons zoo benauwd, dat een flinke portie onverschrokkenheid niet overbodig was. Maar voor het woest geweld moesten we op den duur zwichten en onder zeer moeilijke omstandigheden konden we een deel van de equipage meenemen. De kapitein en de loods werden later door de „Stad Amsterdam” afgehaald. Wij zaten intusschen met onze schipbreukelingen midden op de Noordzee en hier gebeurde het dat we deze menschen op een voorbijvarende vischschuit moesten overzetten, want een razende stormwind uit ’t Noordwesten en een zee vol beweging ranselden ons notedopje met harde en schokkende stooten door de branding. Soms stak de vlet haar kop in een gapende geul en als we weer rezen, dan plofte je van een hoogte opnieuw naar beneden en er was veel zeemanskunst noodig om langs zijde van de schuit te komen — eerst toen we allen zoo’n beetje naar adem hijgden en de fut ten einde liep, stond de holle zee ons toe om de bemanning in veiligheid te brengen. „Toen het Engelsche barkschip „Ulfa” op de Noorderhaaks was geloopen, kregen we bericht van het Havenkantoor. Tegen het aanbreken van den dag kwamen we bij het schip, dat reeds verlaten was, daar niemand zich aan boord bevond. Doch hoe was dit mogelijk geweest ? Er liep een hooge, kwade zee en een orkaan waaide onbarmhartig rond. Geen een van ons snapte er iets van. We gingen weer in diep water, naar Kaper Molengat, en hier werd uitgezien of er soms nog wat van de equipage was te merken. Opeens zag Hein Kenning een boot in de branding onder Texel drijven. Zien jullie niks?” vroeg-ie. We keken allemaal naar den kant waarheen hij met z’n vinger wees. Heintje had niet mis gezien. Heel in de verte zwalkte een soort sloep met een puts als drijfanker voor den kop. Met spoed er op af en toen we vlak bij waren, ontdekken we acht mannen, die met eigen boot alvast de vlucht hadden genomen. De' moed zat hen in de schoenen en geheel afgemat door hun zwerftocht, kregen we de stumpers als halve lijken bij ons. Aan ’t Nieuwediep werden ze goed verzorgd en weer heelemaal opgeknapt. ’s Nachts ongeveer een uur of twee liep de „Montenegro” met stormweer uit het Noorden op de Pannekoek — zooals u misschien weet, de gevaarlijkste plek van heel de Bol. Drie vletten, schippers Jacob Been, Jan Runnenburg en Janus» Kuiper, werden te water gelaten. Kort bij de „Montenegro” gekomen, hoorden wé van den kapitein der „Hercules,” dat de reddingboot een paar maal vol water was geslagen en, met verlies van een zestal riemen, langs zij was gegooid en dat zij geen verbinding kon P rijgen. De kapitein vroeg of ik het nu eens wilde wagen en zoodoende deden we een eerste poging, waarbij het evenwel slecht voor ons afliep. Eerst werden we opgenomen en langs het schip gesmeten en onmiddellijk daarop kwamen er twee grondzeeën tegen elkaar aanloopen, die wel een reuzenstoomer konden begraven. Ik had nog juist tijd om tegen m’n mannetjes te zeggen : „nou jongens, bedank de wereld maar, want het is met ons gedaan — daar gaan we I” Doch het moest zeker niet zoo zijn. Toen we weer aan de oppervlakte verschenen, telde ik de koppen en niet één ontbrak. Maar we zaten half vol water en hadden vijf riemen verloren. In het donderend golf-geweld werd elke daad met ijzeren vuistgreep verijdeld. Een man van de „Montenegro,” die ons gadesloeg, rende naar voren en wierp een lijn toe, met het gevolg dat we deze op de strandingslijn Terug van den strijd bij de stranding van de öngelsche bark „Creton’’, (foto’s chef/Creëer.) konden steken. Door den harden wind werden we echter om de Zuid gedreven en zagen geen kans om de „Hercules” te bemachtigen. Een onzer kameraden, Jan Runnenburg, dacht dat we voor goed weg waren, had nog even naar ons uitgekeken en toen-ie de vlet nergens meer-zag, stond het bij hem vast dat Kuiper bij de haaien was aangeland. Hij deed intusschen een nieuwen aanval en kampte net zoolang totdat ook hij een lijn te pakken kreeg. Nu werd weer naar de „Hercules” gemarteld, waarna deze de sleeptrossen op de „Montenegro” kon zetten. Maar er was geen beweging in te krijgen. Er moesten meer sleepbooten aan te pas komen en eerst twee tijen daarna kwam zij in het ruime sop. „Op een morgen in de herfst kwamen een paar vletterlui bij me aan de deur : „is Janus thuis?” Ja, maar ik lag te bed met koorts. Piet Kramer en Willem Bakker vertelden dat er een groote boot in de Bol zat en vroegen of ik meeging. Ik zei dat ik niet kon en niet mocht van den dokter. Zeven weken ziek en beroerd en nou een-twee-drie er uit — néé. Maar ze hielden aan en ik liet me lijmen. Ze trokken me het oliegoed aan en warm ingebakerd brachten ze me naar de steenen, waar de vlet met dertien man van wal stak. Toen we op de Bol kwamen, lag daar het Engelsche stoomschip „Expres,” kapitein John Smit, die een lading katoen naar Bremen moest vervoeren. Met een stormladder klauterde ik over de verschansing en nu vroeg de kapitein wat er nog gedaan kon worden om schip en lading te behouden voor ondergang indien het weer slechter werd. Intusschen kwam de „Stad Amsterdam” en een groote vlet met veertien man, *onder schipper H. Kenning, ter plaatse, die echter al gauw door een grondzee werd aangepakt en wel vijfhonderd meter verder werd gesmeten. Toen hij weer met veel inspanning naderbij wist te komen, riep ik hem toe dat hij direct moest probeeren om een lijn van de sleepboot te krijgen, teneinde de sleeptros aan de „Expres” te bevestigen. Dit gelukte, de „Amsterdam” ging er voor en met medewerking van eigen machine, kwam het schip weer vlot. Onder Texel werd de dag afgewacht en toen kon de kapitein zijn reis vervolgen. De schipper, een mensch zonder uitbundigheid van vertoon, een zeer eenvoudig, bescheiden mannetje die voor zijn moed en menschenmin, voor zijn edele daden van zelfopoffering, voor het helpen en redden in nood twee zilveren medailles, een van de Italiaansche regeering en een van de Reddingsmaatschappij, benevens drie bronzen, waaronder een van wijlen koning Willem III, heeft ontvangen — Janus Kuiper zweeg een poosje en draaide zijn duimen over elkaar, terwijl hij achterover in zijn stoel leunde. En toen we aanmoedigend vroegen of hij nog niet wat méér wilde vertellen, kwam er op zijn koelstrak gezicht een glimlachje. Och, hij kon gerust nog een tijdlang doorgaan met verhalen, want hij had buiten dit alles nog wel eenige feiten meegemaakt, die interessant genoeg waren om er even naar te luisteren. Maar het kon zóó best toe. Daarom : basta! Toen we weer buiten op den dijk stonden, was het weder helder en de sterren glinsterden aan den hemel. Doch in Westelijke richting —■ aan Onrust, aan de Razende Bol, aan den Noorder- en Zuiderhaaks — had de zee een koude zwarte glans en hier en daar kuifde een schuimveeg: de woelende, werkende deining, die spattend en borrelend opklotste.
PDF
Nummer
1913, nr.20, 12 nov. 1913
Blad
10
Tekst
MIJN ONDERZEESCHE HUMORESKE DOOR JAN VAN VELTHOVEN REI (ƒ) I K reken dus op jullie alle vijf!” „Best 1 Bepaald !” riep van Dalen. „Je kunt ervan op aan, hoor !” „Morgenochtend, om halfzes!” herinnerde Trevers ons ten overvloede. „Stellig 1” klonk het uit vier monden. Alleen i k zweeg .... Een reis met een onderzeeër? En dan nog wel ’n duikboot door Job Trevers uitgevonden? ’t Idee alleen deed me al griezelen ! Tegen 6 uur den volgenden morgen stond ik aan den walkant. Job’s plezier-onderzeeër lag nog stevig aan een paal gemeerd. Job zélf stond met een hoogst gebelgd uiterlijk op het dek. „Wat ’n lui, hè ? ’ riep hij me toe. „Jij bent de éérste . . . .” „’k Zal wel de eenigste zelfs zijn,” meende ik. „Daarenboven, Job, ’t spijt me wérkelijk, maar ik heb nogeens goed over de zaak nagedacht, en ’t wil mij voorkomen, dat ik het aan mijn geslacht en mijn vaderland verplicht ben, m’n leven op eervoller en nuttiger wijze te eindigen.” Trevers keek me verwijtend aan. „Dat meen je niet, Ed,” zei hij. „Dat komt niet uit je hart, jongen ! Zoo’n oud sportman als jij zou zoo’n buitenkansje voor geen duizenden willen missen.... En daarom ben je natuurlijk ook gekomen, Ed! Je hebt lang getwijfeld : dat kan ik me best voorstellen, ’t Is ook weer zoo heel iets anders, dan auto-racen of vliegen ! Maar je sportieve gevoelens hebben ten laatste gezegevierd ! Kom er dus op, Eddie: blijf daar niet langer staan schilderen aan den wal. Kom er op nu : ik wacht geen minuut langer meer. Ik verzeker je, de anderen zullen er spijt van hebben !” Zoo’n oud sportman als ik ! . . . . M’n sportieve gevoelens, die zegevierden ! . . . . Helaas ! ’t Vleide me en ik meende het aan mijn nieuwe hebt dat nooit meegemaakt. Jij kunt dat niet zoo begrijpen”. „Jij dan wei?” „Nooit persoonlijk, dat is zoo. Maar ik heb een kolossale studie van het onderwerp gemaakt en ik ben, om ’t zoo eens uit te drukken, volkomen vertrouwd reeds met elke sensatie, die een onderzeesche reis je geven kan. Maak je maar niet ongerust, hoor! Bij m ij kun je je volmaakt veilig voelen . . . .” Ik zweeg — maar ’k hield m’n hart vast. Waarom, idioot, die ik was, moest ik ook zoo vroeg naar de haven gaan om voor mijn blad het éérste nieuws te vzillen hebben van „De Ramp der Job I, een Drama in den vroegen ochtend !” Eilacie ! Ik zou te veel van die ramp zélf meemaken om ’t ooit na te kunnen vertellen .... 6 u. 50 I We zijn in volle zee .... Heel in de verte welft een donkere streep langs den horizon, dat is het land, het veilige land .... waar mijn wieg eens stond .... dat voor mij vergeefs aan de baren ontworsteld werd ! En rond mij, mijlen ver in ’t rond, kookt en woelt de zilte grafsteen van millioenen .... „Nou, nou ga ik alles sluiten,” zegt Trevers. „Hou je nu kalm, Ed ! J e tz t geh t ’ s los !” „Heb je schrijfpapier aan boord, Trevers?” vraag ik flauwtjes. „Hoezoo ?” „Je kunt nooit weten, Trevers . . . .” Maar Trevers lacht — lacht me vlak in m’n gezicht uit. „Wees toch zoo’n dwaas niet, Ed,” zegt-ie. „Je stelt je aan alsof er ik-weet-niet-wat gebeuren kan ! Nu : ik ga even naar boven . . . En hij verlaat de machinekamer : neuriënd ! Als Trevers op ’t dek rondscharrelt, ontwaakt alles in mij, wat uit den booze is. Ik hoop vurig, dat er iets met hem gebeuren zal.... iets .... enfin, iets, dat ’t me mogelijk zal maken na eenige dagen nog door de een of andere stoomer opgepikt te kunnen worden. Ik krijg ’n intente kwestie of men zich voortaan even vrij onder water als óp het water bewegen kan .... Zit je in de raamnis, Ed?” „Ja,” antwoordde ik. „Dan moet je eens goed opletten ! Nu komt eerst het interessantste . . . .” Ik hoorde de klik van ’n electrisch-licht-handletje : en kon me ’t volgend oogenblik werkelijk verbeelden een tocht met Jules Verne’s gedroomde onderzeeboot te maken. Schichtig-snelschoten velerleisoorten waterbewoners voorbij bet raam onzer salon : in wilden dwarrelgang kringelden zij op in het eTctrisch-lichtvlak om dan weer overbaast in het beschermend duister daar rond omheen te verdwijnen. Zeewier slingerde zich langs de zij len van onze boot, ’t scheen zich reeds voor goed daaraan vastgehecht te hebben ! „Hadt je ’t je zóó voorgesteld, Ed ?” vroeg Trevers. „Vin-je het niet machtig belangwekkend ?” „Wonderlijk!” zei ik. „En tóch, Trevers, zou ik om een lie* ding willen, dat ik weer een beetje lucht te zien kreeg.” „Kom, dwaasheid ! ’t Is iets, waar je aan wennen moet, geloof me ! Wat mezelf betreft: ’t bevalt me hier-beneden uitstekend. Ik geloof niet, dat er ergens op aarde ’n plekje zoo rustig is als dit!” Ik antwoordde daar niet op, maar sloeg weer ’t snelle spel der visschen gade, ’t Electrisch licht scheen een eigenaaroige uitwerking op hen te hebben. Hoewel ze in gansche scholen aangetrokken werden, vluchtten ze tochweervóór ze ons raam geheel genaderd waren .... om straks weer terug te komen en, als ’t kon, nog sneller het schitterend vlak te passeeren. „Weet je wat, Trevers!” zei ik ten laatste. „De aardigheid gaat er toch voor me af ... . Zou je misschien niet eens willen probeeren de boot weer omhoog te krijgen?” Trevers zag me ’n oogenblik doordringend aan. „Net zoo je wilt,” antwoordde hij. „Je kunt er nu in elk geval van meepraten.” Op feestelijke wijze is de auto-diensf Utrecht—Harmelen geopend. Op den achtergrond van onze foto ziet men de ouderwetsche trekschuit, die haar dienst gestaakt heeft. reputatie en m’n pas-ontdekte sportieve gevoelens verplicht te zijn het buitenkansje te ... . wagen ! ’t Was inderdaad zoo heel iets anders, dan auto-racen en vliegen (vermakelijkheden, die ik, als ik er ooit toe gedwongen werd, graag af zou willen koopen met ’n sprong van den een of anderen kerktoren) en Trevers stond er zoo ernstig, zoo zelf-bewust bij ... . Hij leek in ’t geheel niet meer op den man, die bij ’t whisten altijd verloor en op het juiste oogenblik nooit wist, wat-ie doen of laten moest.... Ik zag in zijn opgewekt, van levenslust schitterend gelaat en geloofde hem ! Te 6 u. 5 stond ik op ’t dek van Trevers’ nieuwste vinding : de plezier-onderzeeër „Job I.” We bevonden ons in de machine-kamer. „Nu gaan we eerst de haven uit,” stelde Trevers voor, „tot we in volle z je zijn. En dan, beste Cas, zul-je eens een genoeglijk uurtje beleven !” „We zullen zien!” meende ik — en langzaam stoomden we de haven uit... . ’t Ding liep prachtig, dat moest gezegd worden. Ik moest Trevers waarlijk bewonderen, zoo handig als-ie den weg wist te vinden tusschen al die schroeven en kranen en handles. „Zijn we nu geheel alleen aan boord?” vroeg ik. „Jawel!” zei-d-ie trots. „Dat is juist de „dernier cri” mijner vinding. Wie eens waarlijk gehéél alleen met zichzelf wil zijn behoeft zich slechts mijn onderzeeër aan te schaffen ! Geen last van personeel: van muitende stokers of van stuurlui, die ’t beter willen weten, dan jij .... En gaat-ie niet heerlijk-kalm en zéker door het water?” „Verbazend!” prees ik, „Ik kan niet gelooven, dat het ónder water plezieriger zijn zal. Weet je wat .Trevers: we moesten maar boven blijven, vind ik.... ’t Is hemelsch hier 1” „Geen kwestie van !” ketste Job dadelijk af. „Neen man, daar komt niets van in — duiken moeten we! O, Eddie, ’t is een idylle gewoonweg .... zoo onder water.... Jij neiging dit iets een handje te gaan helpen : ik ben groot, sterk, èn Trevers is maar een zwak kereltje .... De gedachte aan Trevers z’n vrouw en z’n kinderen (hij zal eerstdaags gaan trouwen) weerhoudt mij echter, en een oogenblik later komt hij, frisch als een hoentje, weer in de machinekamer. „Allright, Eddie !” zegt hij. „Ga jij nu naar de observatiekamer : hier, dezen weg langs. Ga in de raamnis zitten en denk maar, dat je een tocht maakt met Jules Verne’s ,,N au tilus!” Ik ga door ’t nauwe gangetje, dat van de machinekamer naar het onaerzeesch observatorium leidt en Trevers trekt erg voorkomend de deur achter mij toe. Ik bevind mij in een kleine, spaarzaam-gemeubelde ruimte; eenig licht komt door een matglazen raam van boven; in den rechterwand is een groot glazen venster, waar ’t zeewater langs spoelt. De boot schokt nu : ik hoor ’t schuren van het water langs de bovenzijde .... er kan geen twijfel meer mogelijk zijn: we zinken! Geen sterveling weet, wat zinken is, alvorens-ie ’t zélf ondervonden heeft.... Ik ben gewoonweg gevoelloos van verbazing! Het licht, dat door het bovenglas komt, wordt langzaam aan schaarseber .... Ten laatste is het geheel duister rond mij been! De flauwe lichtschemering voor het zijraam verdween reeds dadelijk; ik veronderstel het heerschen van een verschrikkelijke drukking op die dunne glazen plaat. Ik haal mijn horloge te voorschijn èn strijk een lijcifer aan : 7.15 geven de wijzers aan ! De klok in de machinekamer wees 7 uur, toen Trevers mij in z’n „salon” ging opsluiten : gedurende vijftien, zeg véértien minuten zinken we reeds . . .. Eindelijk, eindelijk dan werd de deur mijner cel geopend. Trevers’ stem (wanneer had ik die in ’s hemelsnaam voor ’t laatst geboord ?) vroeg me, boe ’t me dertig vademen onder water beviel. „Ik wil voor dezen keer niet dieper gaan,” zei hij eenvoudig, „maar er is geen enkele hinderpaal, die mij daarvan weerhoudt. Mijn oplossing van het onderzee-vraagstuk is volkomen : er kan geen twijfel meer bestaan over de Hij verdween uit de salon en liet mij in angst en vreezen achter .... Ik wist, dat de prestaties van de onderzeeër nu, om zoo . te zeggen, op haar doode punt gekomen waren. Niets is zoo gemakkelijk als ’n onderzeeboot onder den waterspiegel te werken, ik geloof, dat een kind het wel zou kunnen. Maar de groote moeilijkheid begint eerst, wanneer je het ding weer naar bóven wilt hebben : ik voor mij had bet gelukken daarvan altijd aan het toeval toegeschreven .... Theoretisch is het iets onmogelijks, de praktijk alleen heeft bewezen, dat er zich gevallen voordoen waarin dit werkelijk gebeurt, er z ij n onderzeeërs geweest, die weer boven kwamen. Zou dat toeval ons evenwel gunstig zijn ? Het eenigste, dat ik ooit tegen het toeval gehad heb, is z’n wispelturigheid, je kunt nooit staat op die onbekende macht maken. Even nadat Trevers in de machinekamer moest gekomen zijn, ging ’t electrisch licht in de salon uit; de volslagen duisternis, waarin ik mij nu bevond, bracht mij waarlijk niet in ’n hoofdvoller stemming. Was dat wel normaal, dacht ik ? Ik had al mijn zelfbeheersching noodig om het onvermijdelijke met de verheven berusting, waarmee slachtoffers, als ik er een was, zich dienen te sieren onder oogen te zien .... De boot scheen niet de minste neiging tot rijzen te hebben; ik moest kalm blijven en vertrouwen op het wonder, dat de enkele onderzeeërs, die weer bovenkomen, ter wille is ... . En ik wachtte .... wachtte .... Na het werkeloos „wachten” gedurende het zinken van een duikboot is er ongetwijfeld maar één sensatie, die nog ellendiger is; en dat is het „wachten” op ’t weer-rijzen van ’n duikboot.Op ’t laatst werd despanningmij onverdraaglijk. Ik meende, dat de voorraad lucht in mijn salon al zoo goed als uitgeput moest zijn en kreeg een dwingende neiging Trevers in z’n machinekamer op te gaan zoeken en mét hem te sterven . . . . Ik opende de deur .... Nooit zal ik de gewaarwording
PDF
Nummer
1913, nr.20, 12 nov. 1913
Blad
11
Tekst
-..—' • 1 =................... • PANORAMA ................................ -... ............... .... vergeten, die ik op ’t zelfde oogenblik onderging! Door het openstaande toegangsluik der onderzeeër viel ’t blijde daglicht in breeden stroom omlaag; in levensgloed flonkerde de metalen binnenwand van onze doodkist, alsof ze niet op den bodem der zee te rusten hoorde ! ! Boven mij vernam ik een flauw gerucht.... De rook van ’n geurige havanna welfde zich om de dek-opening en prikkelde mij tot leven en genieten, méér dan eenig ding ’t ooit had vermogen te doen! Behoedzaam klauterde ik ’t ijzeren laddertje op .... Daar z^t Trevers waarachtig op ’t dek, doodkalm z’n havana inhaleerend .... „Hm !” keelde ik. Verrast zag hij naar mij om. „Zoo .... kuiken !” begroette hij mij Ik vond maar één enkel woord voor hem : „Bedrieger ! !” „Heb je ’t eindelijk gesnapt?” Ik keek hem recht in z’n brutale, grijze oogen. „Ik heb een flauw vermoeden van iets . . . „Kom dan naast me op ’t dek zitten, rook een sigaar .... en bewonder m’n uitvinding . . . .” Ik strekte mij naast hem op ’t dek. uit en wachtte zijn verklaring. „Weet je nu wat voor ’n soort van boot m’n jacht is?” begon Trevers. „Je noemt het een „onderzeeër,” zei ik, „maar dat is een infame leugen . . . .” „Druk je niet zoo sterk uit. Eddie ” zei Trevers kalmeerend. „Neem m’n goede bedoeling in aanmerking; ik wou je alleen maar eens verrassen .... Neen, een onderzééër is het niet, Ed . . . . ’t Is, héél eenvoudig, een drijvend aquarium. Het aquariaal gedeelte is op, als je ’t zoo misschien zoudt willen noemen : „vernuftige” wijze door mij gemaskeerd; ’n oningewijd bezoeker krijgt geen anderen indruk, dan dat-ie de waterbewoners in hun onderzeegebied aanschouwt. . . ’n Dubbele wand, ’n metalen gordijn voor ’t zijraam in de salon .... een beetje comediespel van mijn kant.... en ’n beetje meewerkende fantasie van den bezoeker : ziedaar alles wat noodig is voor ’n onderzeesche reis — een reis met de „Job I” !” Een oogenblik was ik overbluft. En ’k had m’n havana reeds half opgerookt, alvorens ik ’n antwoord kon vinden. „Als je dat allemaal vooruit gezegd had, Trevers,” meende ik, „dan zouden ook de anderen wel gekomen zijn.” „Dan was er geen aardigheid voor me aan geweest. . . . En óók niet voor de anderen .... Weet je wel, Ed, dat ik al wel zestig lui tot ’n tochtje met mijn onderzeeër geinviteerd heb ? En jij bent de eenigste geweest, die ’t niet beloofde .... Neen, Ed, belooft heb je ’t niet, maar . . . je k w a m. Zie je, en dat bewonder ik in je. Je durft, Eddi°. Je durft zelfs méér dan ik ... . Je bent inderdaad ’n groot sportman!” Voor ’t eerst gedurende de geheele reis glimlachte ik. „Om je de waarheid te zeggen, Trevers : ik had wérkelijk bezwaren, maar .... ik wou je niet teleurstellen .... Ik vond ’t gedrag van die anderen zóó laf... .” Bewogen reikte Trevers mij de hand. „Zwijg ervan, Ed !” zei hij. „Je bent een kérel.... werkelijk !” En ik drukte zijn hand en vierde feest in mezelf.... 8.5 meerden wij weer aan den walkant. Mijn eerste onderzeesche reis was schitterend geslaagd ! © © © 88 MODE-SHOW BIJ HIRSCH - LEVENDE MODELLEN. 88 EEN ORIGINEEL MODEL van een sportcostuum alaCosaque. Zeer fraai voor een lenig figuur. HET JUPE-CULOTTE IDEE weer teruggekeerd in een eenigszins gewijzigden vorm. Zal het zoo ingang vinden? EEN TWEEDEVOORBEELD vaneen jupe-Culotte. Typische zak op zij in gekleurde zijde uitgevoerd. EEN ZEER SMAAKVOL MODEL van een avondmantel over een avondtoilet, eveneens met jupeculotte. MEER KARAKTERISTIEK dan mooi is ditzwart mantelcostuum met wijd uitstaanden schoot. Ook de helmhoed zal niet iedere dame kunnen bekoren. INTERIEUR „VERKADE’S SCHOUWBURG”. HET NIEUWE THEATER. van Eduard Verkade in hef gebouw van den Haagschen Kunstkring te Den Haag, VVT EINIGEN zullen gedacht hebben, dat zoo kort na de scheiding der zaken van Heijermans en Verkade, deze laatste ons zoo spoedig verrassen zou met een eigen theater in Den Haag. Verkade’s theater! We zijn gewend geweest, vanaf de eerste tijden van het bestaan van een gezelschap door Ed. Verkade geleid, aan ’n fijne en artistieke kunstuitbeelding, aan goede tooneelverzorging, aan voorname mis-en-scène. Daarom was het werkelijk een vreugde, een weldoende verrassing, dat Verkade nu ook een eigen schouwburg kreeg, dat de fijne dingen, die onder zijn leiding tot stand kwamen, nu ook een eigen huis zouden krijgen, ’n eigen „home”. Dat zal dan gebeuren in het gebouw van den Haagschen kunstkring. Geen schitterende facade, géén vér uitstialend licht, géén gesnork van reclame, het huis valt niet eens op, als niet de affiches, en de nieuwe verf, wat de aandacht trokken. Er is echter gebroken en geruimd, gebouwd en getimmerd en uit de oude beneden zalen van den Kring is een knus, intiem schouwburgje van nog geen 400 plaatsen gekomen; achter, in is vóór, een tea-room, restaurant, — en van goede huize. Zoodoende is hier verrezen een van die kleine theatertjes, waarin je als „chez vous” zijt, die in een sober, maar voornaam kader, het grootst mogelijke comfort, met het best verzorgde op geestelijk gebied vereenigt. De breede vestibule, waar eerst rechts de toegang tot de Foyers, en tevens restaurants zijn, /oert naar een soort hall, waarin een buffet voor tijdens de voorstelling, en verder de garderobe is. (Ieder toegansbewijs geeft recht op een garderobe-nummer). Vervolgens langzaam stijgend voert de breede corridor naar de zaal, die door de verbouwing aangenaam van vorm geworden is. Rechts en links van, het de geheele breedte van. de zaal beslaande tooneel, zijn twee loges ingebouwd. De vloer helt zeer sterk zoodat daardoor zelfs achtei in de kleine zaal vrij op het tooneel kan gezien worden. Eindigen we ten slotte met den wensch, dat de verwachtingen, welke we zoo liefderijk koesteren voor het succes van den heer Verkade, vervuld mogen worden. TOM SCHILPEROORT.
PDF
Nummer
1913, nr.20, 12 nov. 1913
Blad
12
Tekst
HET PALEIS VOOR VOLKSVLIJT TE AMSTERDAM. B IJ het eeuwfeest onzer onafhankelijkheid, in het tentoonstellingsjaar 1913, waarin Nederland hoofdzakelijk van zijne heroverde positie op de wereldmarkt getuigt, past zeker eene herinnering aan het grootsche gebouw, waarvan wij hierboven een afbeelding geven uit 1864 en dat oorspronkelijkeen permanenttenDr. SAMUEL SARPHATI, toonstellingspaleis zou de ontwerper van het plan tot stichting zijn. van het Paleis voor Volksvlijt. J j i Al zijn de plannen van den stichter niet geheel tot hun recht gekomen, toch heeft het populaire glaspaleis gedurende de halve eeuw van zijn bestaan vooral den Nederlanders hun eigen kracht op industrieel en handelsgebied door aanschouwelijke voorstelling leeren kennen. ’t Was in 1853, dat de kort tevoren onder aanvoering van Dr. Samuel Sarphati opgerichtè „Vereeniging voor Volksvlijt” het plan opvatte binnen de hoofdstad een ruim en doeltreffend gebouw te stichten, dat, behalve zalen voor groote tentoonstellingen, tevens ruimte zou bieden voor kabinetten en andere inrichtingen in het belang van kunst en nijverheid. Zij wenschte zoodanig gebouw niet alleen in te richten tot eigen gebruik, maar ook op billijke voorwaarden beschikbaar te stellen tot het houden van nationale tentoonstellingen en tot alles wat Neerland’s roem en welvaart zou kunnen bevorderen. Na het overwinnen van schier onoverkomelijke bezwaren en teleurstellingen, verscheen in Juni 1856 het prospectus met de statuten en voorwaarden van deelneming in de op te richten maatschappij. Het kapitaal werd op hoogstens één millioen guldens bepaald, bijeen te brengen door aandeelen van /200. waarvan jaarlijks bij loting honderd nummers tegen vergoeding van / 250.— ingetrokken zouden worden. Deze leening werd in één dag, meer dan volteekend. Op de prijsvraag voor een ontwerp kwamen geene voldoende plannen in, waarop de architect C. Outshoorn tot bouwmeester werd aangewezen en met het bestuurslid Dr. S. Bleekrode werd uitgezonden om de belangrijkste expositiegebouwen van Europa te bezoeken, die vervolgens een algemeen goedgekeurd plan indienden. In Augustus 1858 wees de gemeenteraad het terrein van de voormalige Utrechtsche poort voor den bouw toe, vier weken later werd de fundeering aanbesteed en daarna gelegd, zoodat in Mei van ’t volgende jaar de bouw zelve voor / 616.000 kon worden toegewezen. Op 7 September 1858 was het inslaan van den eersten heipaal, in tegenwoordigheid van den Koning en de Prinsen Frederik en Hendrik, door den Kroonprins geleid en reeds toen wilde het werk niet zooals de ontwerpers'het dachten; vijftig heiwerkers, met oranjecocardes versierd, togen aan den arbeid onder het zingen van een gelegenheidslied, maar het vlotte niet op dezen zang en eerst toen zij hun gewone heierslied aanhieven. verdween de paal in den grond. Den 12den April 1860 werden de twee eerste ijzeren kolommen van den bovenbouw in ’t bijzijn van Koning Willem III gesteld. Allengs verrees nu het gebouw met zijn reuzengewicht op Amsterdam’s weeken bodem. De ijzerconstructie was toen nog vreemd in ons land en mede daarom is het Amsterdamsche industriepaleis een monument voor den bouwmeester, al zou op den vorm van het gebouw, die door het materiaal werd bepaald, bij gebruik van andere grondstof, wel een en ander aangemerkt mogen worden. De volgende cijfers, anders dorre lectuur, illustreeren in dit geval de reuzen-onderneming op merkwaardige wijze. Het gebouw rust op 2000 masten; aan de fundeering is 2400 kubieke el metselsteen en 270 kubieke el hardsteen verwerkt, aan den bovenbouw slechts 40 en 16 el van dit materiaal. Aan ijzer in verschillenden toestand, is 3.053.510, aan lood 22.000 pond verbruikt; aan hout slechts 2.954 kubieke el. Het stukadoorswerk besloeg 22.500 en het verfwerk 24.342 vierkante ellen. De bedekking vorderde 9.500 vierkante el zink en 6.075 vierkante el glas. Alles is door Nederlanders uitgevoerd. — De uitgaven bedroegen juist een millioen voor het gebouw en bovendien f 340.000 voor onkosten waarop tevoren niet gerekend kon worden. — Het paleis beslaat gelijkvloers, na aftrek van de vereischte doorgangen, eene oppervlakte van 6750 vierkante ellen. Ofschoon het reeds tijdens de onafhankelijkheidsfeesten op 16 November 1863 was gebruikt, had de plechtige opening door Prins Frederik eerst in den middag van 16 Augustus 1864 plaats, des avonds voortgezet met een muziekfeest en besloten door een vuurwerk op den Amstel. De prachtig versierde hoofdzaal maakte ’s avonds door de gasverlichting een betooverenden indruk, toen al het lijstwerk, de kapiteelen en het inwendige van den koepel door kleine vlammen werd omzoomd. Het was een événement in het leven der hoofdstad, dat door meer dan 15.000 personen, die gaarne van /5.— tot / 10.—• voor toegang offerden, werd bijgewoond. De Rhijnspoor liet na afloop extra nachttreinen naar Rotterdam en naar Arnhem loopen. Gedurende de eerstvolgende drie weken werd het gebouw bovendien nog door 40.000 personen bezichtigd, die van /0.25 tot / 1.00 entrée betaalden. De kleine exposities van handelaren en industrieelen niet medegerekend, werd de eerste tentoonstelling, die van bloemen, in April 1865 gehouden, welke precies een jaar later door eene tuinbouwtentoonstelling werd gevolgd, die een schitterend verloop hadden. De eerste groote tentoonstelling was die van nationale nijverheid en kunst in. den zomer van 1866 en beter dan eenige beschrijving geven nevenstaande reproducties van oude houtgravures een beeld dezer schitterende bewijzen van oplevenden vaderlandschen ondernemingsgeest. Jammer, dat ae bij de stichting bedoelde wijze van exploitatie niet voldoende was om het Paleis voor Volksvlijt in stand te houden, en het gedeeltelijk aan zijne bestemming moest worden onttrokken om voor geheelen ondergang gespaard te blijven. Door paring van vermaak aan nut kon het echter ten deele aan de oorspronkelijke bedoelingen der stichters blijven beantwoorden. KONING LUDWIG III VAN BEIEREN. De nieuwe Koning van Beieren, Ludwig Leopold Joseph Maria Aloys Alfred, werd 7 Januari 1845 te Munchen geboren als zoon van Prins Luitpold. Hij is zijn vader opgevolgd als regent van het koninkrijk, wijl de eigenlijke Koning, broeder van den ongelukkigen Ludwig II, evenals dezen voor ongeneeslijk krankzinnig wordt gehouden. Prins Luitpold, het mag hier herinnerd worden, trad den 7en Juni 1886 op als Zaakgelastigde van Ludwig II, die 10 Juni op Neu-Schwanstein door krankzinnigenverplegers werd overmand en den 13en d.a.v. zich in het Starnberger Meer verdronk, in de nabijheid van het Slot Berg waarheen men hem ter geneeskundige verpleging had overgebracht. Daar ook zijn broeder Otto, geesteskrank bleek, aanvaardde prins Luitpold het regentschap. Na zijn dood volgde zijn zoon hem als zoodanig op. Reeds sedert jaren wenschte men in de kringen des volks en van de vertegenwoordiging, dat hij de kroon zou aanvaarden, maar hij weigerde steeds om een grondwetsherziening op het stuk der erfopvolging in te ‘dienen. Eindelijk is hij thans voor den volkswil gezwicht. De nieuwe Beiersche Koning, wiens beeltenis men op de voorzijde van dit nummer aantreft (foto Elvira, Munchen) is dus reeds 68 jaren oud. Hij huwde in 1868 met Maria Theresia van Oostenrijk—Estez, die hem drie zonen en zeven dochters geschonken heeft.
PDF
Blad 
 van 2380
Records 316 tot 320 van 11897