|
PANORAMA 4
Jetje’s Kerstfeest
j kan wat netjes boodschappen doen, nietwaar
Jetje?”
„Nou!” antwoordde Jetje, met het air
van een beleedigd prinsesje haar oudste zuster
aankijkend, die zoo juist dit feit in twijfel
getrokken had,
..Vindt u het heusch niet gevaarlijk ’t kleine ding alleen
op straat te laten gaan, moeder ? Het- is zoo vreeselijk druk
nu !”
,,’k Ben geen klein ding !” barstte Jetje los.
„Nee, een groote meid, hoor !” troostte moeder. „Ga
je maar even netjes garen voor me halen, de boodschap
staat op ‘t briefje. En denk erom. Jetje : nergens blijven
kijken en dadelijk terugkomen 1 En verlies niet den rijksdaalder.”
„Nee, moe !” beloofde Jetje.
Ze stak papiertje en geld in haar wollen handschoentje
en trippelde weg.
Buiten was het een geweldige drukte;
de menschen verdrongen elkaar vóór en
in de winkels en kleine Jet zag boven
zich niets anders dan één dak van paraplu’s
gedragen door de zich voortspoedende menschen.
„Leuk 1” lachte ze, ,.T en toe een
paar dikke regendruppels van haar gezichtje
wrijvend. Ze vergat natuurlijk dadelijk haar
belofte om nergens te blijven kijken, drong
tot vlak voor het raam van een speelgoedwinkel
en blikte begeerig naar binnen, haar
neusje tegen ’t glas gedrukt. Ze bekeek alles
met innige bewondering, mompelde af en
toe een lievigheidje aan ’t adres van een
bijzondere aardige pop en rukte zich eindelijk
met een hevig verlangen in haar blauwe
oogen los van al het moois. Toen haalde
ze voorzichtig den rijksdaalder uit haar
handschoentje en bekeek hem aandachtig :
ze had er geen idee van hoeveel waarde hij
had en of hij genoeg zou zijn om een pop
met „slaap-oogen” van te koopen. Ze
draaide het geldstuk zóó lang heen en
weer, tot het haar handje ontglipte en in
de modder rolde, vlak voor de voeten van
een op den grond ziftenden bedelaar.
„Omeneer!”zei Jetje, schuchter-lachend.
„ik laat wat vallen !” Ze wees op den
rijksdaalder, die bij zijn kromgegroeid
been lag, den moed missend het geld op
te rapen.
„Kijk eens aan! Een riks nog wel!”
zei de man, het bewuste oprapend.
Jetje strekte haar handje uit.
„Mag ik hem als’t u blieft? ïk moet
een boodschap doen, garen voor moeder
halen aan den overkant!”
De man zette een meewarig gezicht en
gaf hem niet.
„Och,” klaagde zijn oude stem, „heb
je niet een paar centjes voor me? --- Ik
heb zoo’n nonger!”
„Nee, meneer!” antwoordde Jetje met
een diepzinnig gelaat, haar handje nog
uitgestrekt. „Ik heb niets anders dan dat,
wat u opgeraapt heeft 1 Waarom heeft
u zoo’n honger?”
De oogen van den bedelaar rolden bijna
woest door zijn hoofd en zijn vuile handen
grepen naar zijn maag.
„Waarom ?” vroeg hij, zijn stem dempend
voor de voorbijgangers, „omdat ik
geen lekkere boterham krijg, zooals jij !
en geen vleesch en visch !”
„Ik krijg nóóit visch en ook niet dikwijls
vleesch !” zei Jetje met groote oogen, „moeder zegt,
dat we te arm zijn daarvoor !”
„O, maar dat jókt je moeder !”
„Moeder jokt nooit !” riep kleine Jet, een kleur als vuur
krijgend.
„Nee hoor ! dat wéét ik wel, jonge juffrouw !” De stem
werd steeds treuriger. „Ach, ik zei het maar voor de aardigheid
1 Maar heb je nu heusch niets voor me?”
Jetje kreeg met hem te doen.
„Weet u wat?” vroeg ze, een ingeving krijgend, „ik zal
vragen, of ’t kerstengeltje u ’n lekkere boterham stuurt, hè?”
„Best, hoor !” antwoordde hij, „weet je, wat ik dan voor
jou zal vragen, als ik dit houden mag ? — Twee van die
poppen, die daar in den winkel staan !”
„Heusch ?” vroeg Jetje ademloos.
„Heusch !” beloofde hij, „ga nu maar gauw naar huis.
Dag kleine meid, dag jonge juffrouw !”
„Dag meneer !” zei kleine Jet, hem een handje gevend.
Ze vergat geld en boodschap en ijlde naar huis, waar moeder
en zuster een nauwkeurig verslag ontvingen van Jetje’s
wedervaren. Helaas, het kleine meisje moest gauw inzien,
hoe verkeerd ze gedaan had ! Zus gaf haar in eerste woede
een klap, die later wel afgezoend werd, maar Jets verdriet
niet verminderde, en moeder huilde den heelen middag over
den verloren rijksdaalder.
Toen Jetje ’s avonds in haar bedje lag, voelde ze zich
erg ongelukkig en ging liggen denken, of ze misschien het
geld nog niet terug kon vragen. Ze was nog maar een heel
klein meisje en dacht het zich lang niet onmogelijk.
jetje werd wakker en ging rechtop zitten. Ze had natuurlijk
gedroomd van den rijksdaalder en dat ze hem weer van
den man terugkreeg. Ze was naar hem toegegaan op straat
en een groote kerstenge! stond bij hem en zei : „Geef Jetje
het geld, dan krijg jij een boterham !”
Jetje wreef haar oogen uit en vond het vreeselijk naar,
dat het alles niet waar bleek. Maar misschien was de man er
wel ? Als ze eens ging kijken ? Ze hoefde immers maar even
de straat uit te loop,en !
Kleine jet keek even naar groote zus, die rustig naast
haar te slapen lag, toen kroop ze voorzichtig onder de dekens
uit en liet zich op den grond glijden. Ze deed haar kousen
en pantoffeltjes aan, sloeg haar cape over haar nachtjaponnetje.
draaide den sleutel om en stapte naar buiten.
Green mensch was te zien in de donkere straat en kleine
Jet, bibberend van kou in haar méér dan luchtige kleertjes,
voelde zich niet meer zoo moedig, toen ze een paar stappen
gedaan had. Maar tóch wilde ze éven tot het hoekje loopen!
of moest ze den hoek om ? De straten zagen er nu zoo heel
anders uit dan overdag, dat het Jetje erg benauwde. Anders
keek ze naar de winkels en wist dadelijk den weg, maar
Winter in Zwitserland,
(Zie beschrijving op de volgende pagina.)
nu was alles gesloten. Ze liep dus met kleine pasjes de straat
uit, keek eens om zich heen, sloeg den hoek om, liep weer
door. aarzelde, bleef staan en — wist niet meer, hoe naar
huis terug te komen 1 Toen deed ze wat andere'kleine Jetjes
ook gedaan zouden hebben : ze zette zich op een stoep en
ging een deuntje huilen. Nu er geen man en dus geen rijksdaalder,
geen kerstengel en dus ook geen boterham was,
wilde ze wel, dat ze lekker in bed gebleven was, maar het
gaf allemaal niets en het is niet te verwonderen, dat kleine
Jet eraan twijfelde óóit haar moeder weer terug te zien.
Ze huilde eerst - luidkeels, maar omdat het zoo’n lawaai
maakte in de doodstille straat, begon ze iets zachter, bedroefd
snikkend en af en toe de tranen afvegend met een tipje
van haar nachtjaponnetje.
Eindelijk hoorde ze haastige stappen en een heer ging
langs de stoep zijn kraag op, de handen in zijn zakken.
„O meneer, o meneer !” riep Jetje, een wit armpje als
noodsignaal uit de cape stekend.
De heer, een jonge man, keerde zich verschrikt om en,
de kleine gedaante ziende, snelde hij op haar toe en boog
zich over haar heen.
„O meneer! o meneer!” huilde Jetje nog eens, haar
krullekopje als om bescherming vragend tegen hem aan,
„ik-hik-ke ben verdwaald ! Oho !”
De jonge man barstte heel önwelvoeglijk uit in een schaterlach.
Het kleine ding zat daar ook zoo grappig en ze was
zoo allerliefst in haar jeugdige wanhoop.
„Hoe kom je hier ?” vroeg hij, haar optillend van de stoep.
„Groote Goden ! heb je niet eens een jurkje aan ?”
. „Nee-oho 1 nee, meneer !” hikte kleine Jet. „ik kom zco
uit mijn bedje om hem te zoeken ! Zus slaapt nog !”
„Zoo, slaapt je zus nog ? Hoe oud is je zus ?”
„Ik weet ’t niet meneer!” antwoordde Jetje, „ze is zoo
groot als u !”
„Zoo, dan is je zus een ondeugende meid !”
„Ja, meneer !” beaamde kleine Jet dadelijk, denkend aan
den klap van ’s middags.
„Maar wien moest je nu zoeken, je vader ?”
„Nee meneer — de-de man, die ’t geld heeft! Oho !
vanmiddag nam hij moeders rijksdaalder en moeder huilde
den heelen dag en zus gaf me een klap — oho ! — en toen
droomde ik, dat ik naar den man op straat gingen toen stond
er een kerstengel bij hem en die zei : „Geef jij Jetje het geld
maar, dan krijg jij een boterham !” en toen ben ik opgestaan
en nu is de man er niet en er is ook geen kerstengel. oho !
oho !”
„Stil nu, Jetje ! niet zoo huilen !” gebood de jonge man.
met eenigen angst eraan denkend, dat men hem hier wel
vinden kon met het kindje en hem van ontvoering zou kunnen
beschuldigen, „waar woon je?”
„Langestraat 96 in het huis en de deur staat open !”
De jonge man dacht even na; Jetje
was een heel eindje van huis geloopen en
hij woonde vlak bij ; ’t beste was haar bij
hem thuis te brengen en dadelijk in bed
te stoppen. Als zij eerst bezorgd was, kon
hij naar de ouders van ’t kind een boodschap
sturen. Dus sloeg hij zijn dikke jas
zooveel mogelijk om het kindje heen en
- droeg haar weg.
„Nu ga je naar mijn huis, Jetje ! Hoe
vind je dat ?”
„Heerlijk !” antwoordde Jetje, dadelijk
slaperig, nu ze de warmte voelde. Ze sloeg
een armpje om zijn hals en legde haar
hoofdje op zijn schouder. Toen, tot zijn
groote verbazing, hoorde de jonge man
aan zijn oor een diepe zucht, onmiddellijk
gevolgd door een luid: „Oho!”
Hij stond verschrikt stil, denkend, dat
haar plotseling iets scheelde.
„Wat is er, Jetje? Heb je pijn?”
„Mijn moeder zegt: ik krijg voor straf
morgen niets ! En de twee poppen van
den man krijg ik óók niet, oho I”
„Sst! sst!” gebood hij verschrikt, „jawel,
je krijgt wél wat, hoor I Ik heb daareven
een kerstengel gesproken en die zei...
Nou, wat zei die wel?”
Jetje was klaar wakker,
„Dat ik een pop kreeg ? enne — een
poppe-badje ? en een springtouw ?”
„Juist!” zei hij, haartranen-nat gezichtje
kussend, „dus nu huilen we niet meer,hè?”
„Nee, meneer!” beloofde Jetje, en
dommelde in.
Henk Wiersma leverde Jetje bij zijn
moeder af en begaf zich toen naar de
Langestraat. Hij had nauwelijks op no.
96 aan de bel getrokken, of de deur vloog
open en een jong meisje stond op den
drempel.
„Weet u misschien iets? waar is mijn
zusje ?”
De jonge man blikte aangenaam verrast
in het knappe gezichtje, dat van Jetje
in ’t groot, en maakte zijn arm vrij uit
haar knellende vingers.
„Houd u kalm, juffrouw !” verzocht
hij, „uw zusje wordt onder de zorg van
mijn moeder naar bed gebracht en is
spring-levend! Ze was er alleen maar even
op uit gegaan om den man met den rijksdaalder
te zoeken !”
Toen gebeurde er iets onvoorziens, want
de groote copie van Jetje sloeg haar arm
om Henk Wiersma’s hals en kuste hem.
„Neem me niet kwalijk !” stotterde ze, „maar ik ben zoo
vrééselijk blij ! Moeder is al naar het politiebureau en ik
wilde ook juist uitgaan en nu is u daar, gelukkig !”
„Kijk eens aan !” zei hij luchtig, „dat is dus een drama
met een goed einde en Jetje droomt vermoedelijk al van haar
kerstengeltje ! Mag ik u misschien morgenochtend komen
halen ? Ik wilde graag voor ’t kleintje wat koopen, waarbij
uw hulp me zoo van dienst zou kunnen zijn ! En een paar
kleertjes zult u ook moeten brengen, ze was wel erg luchtig
gekleed voor zoo’n nachtelijke wandeling!”
Jetje’s zuster bloosde en accepteerde het voorstel ; hierdoor
kwam het, dat Jetje den volgenden morgen, laat wakker
wordende, heel verwonderd was haar zuster en den meneer
samen over haar bedje gebogen te zien, maar héél
lang dacht ze over dit feit niet na, want met een innigen kreet
van verrukking strekte kleine Jet, die niet verwend was met
cadeautjes door haar arme moeder, de armpjes uit naar een
beeldige pop, die aan haar voeteneinde zat.
„En kijk eens, Jetje !” zei Henk, „hier is ook het poppebad
en een springtouw en weet je wat er binnen is ?”
„Een kerstboom 1” antwoordde de bijdehande Jet.
De beide groote menschen knuffelden Jetje om strijd en
Henk vergiste zich maar éénmaal door de groote copie
van Jetje een aaitje te geven. Maar hij had er nooit spijt
van en voor allen was het kerstfeest nog nooit zoo prettig
geweest.
|