Panorama

Blad 
 van 2380
Records 2091 tot 2095 van 11897
Nummer
1915, nr. 102, 20 dec. 1915
Blad
08
Tekst
PANORAMA 16 PLECHTIGE OPENING VAN HET WATERSPORT-CONGRES. Verieden week had in de auia der Universiteit te Amsterdam de plechtige openïnq door Z. K. H. Prins Hendrik plaats van het Watersport-congres. Talrijke autoriteiten, o. w. de opperbevelhebber van Land- en Zeemacht, de Burgemeester van Amsterdam, enz., waren bij de plechtigheid tegenwoordig. In het midden van de bestuurstafel Prins Hendrik: naar links Z.Exc. de Opnerbevelhebber, vervolgens de beer Tellegen. burgemeester van Amsterdam en rechts van Prins Hendrik, Jhr. Six. - wilden kuitenflikker uit op de keien, maakte een langen neus tegen zijn verbaasden schipper, en wandelde gearmd met zijn vrouw weg. En hij trok daarbij zoo’n eigenwijs gezicht, ais wou hij zeggen : „Ziezoo, het werd tijd. Ik heb er lang genoeg naar zitten darren. Enfin, beter laat dan nooit.” Met zijn vrouw samen ging hij het geld in de stad halen, en wel een kwartier lang voelde hij zich met die partij lapjes van duizend in zijn zak miserabel te moede. Hij vertrouwde, geloof ik, geeneen voorbijganger ; het was maar net of ze allemaal naar zijn borstzak keken, waar de portefeuille TENTOONSTELLING VAN PLUIMVEE EN KONIJNEN. {foto „Rembrandt”). De afdeeling „Voorburg. Rijswijk en Omstreken” van de V. P. N. heeft te Voorburg een tentoonstelling van Pluimvee en Konijnen gehouden, die zich in veler belangstelling mocht verheugen. - Hierboven de keuring. met geld zat; voor ik weet niet wat had hij zijn jas losgeknoopt ; als er menschen achter hem hepen te praten, schrok hij, ging langzamer loepen om ze voorbij te laten: dan had je ze tenminste in het oog. In het kort, de man voelde zich met al dat geld bij hem, verre van veilig tusschen al die menschen, „al die armoedzaaiers”, zei hij smalend, en het gezicht van een surveilleerenden diender nu en dan was het eenige wat hem een oogenblik rust gaf. Maar toen hij een café binnen was gegaan, en er zich zelf en zijn vrouw wat verkwikt had, kreeg hij meer moed. Zij gingen naar een grooten kleerenwinkel, en lieten er zich allebei in het pak steken, betaalden, en gaven den kassier zoowaar tien gulden fooi. De man schrok, was tegelijk weer over zijn ergsten schrik heen, boog, lachte liefjes en bedankte fluisterend. Ook werden er beste schoenen gekocht, en hoeden ; ook paraplu’s, hoewel er geen vuiltje aan de lucht was. Daarna namen ze ’n bakje, (een taxi durfden ze nog niet), en ze lieten zich naar een restaurant brengen, naar een groot bekend restaurant, want met de kleeren hadden ze ook het lèf aangetrokken, zeg maar. Ze aten twee diners : van de duurste natuurlijk, en knapten een fleschje ; de vingerkommen, die na een vischgerecht werden neergezet, dronken ze leeg, want ,,visch moet zwemmen”, meende Tjebbe ; ze sneden een wasfiguur van een keurig opgemaakten schotel aan, denkend dat het eetbaar was ; slikten elk een paar dozijn sleepasperges door met huid en haar, en lieten zich voldaan naar een heel duur hotel brengen, waar ze op de bovenste verdieping een kamer kregen, wat Tjebbe wel beviel, „want hij had altijd ’n hekel aan bovenburen gehad”, zei hij, en het kon hem niet hoog en voornaam genoeg zijn. Nu denkt u misschien, dat het alleen maar in den eersten roes zoo royaal toeging, hé ? Neen, het is altijd zoo geweest, dag-in, dag-uit. Ze gingen niet verhuizen, want ze waren toch zelden thuis. Op de enkelê dagen, dat ze er waren, kwamen er ’s middags en ’s avonds de fijnste diners van den kok. De kinderen, die allemaal getrouwd waren, trokken met hun heele gezin naar de vetpotten van Tjebbe ; ze konden daar voor vaders rekening net zooveel eten en drinken bestellen als hun zelf maar inviel, en er stond altijd een speelkom vol rijksdaalders op de kast, waaruit alle bezoekers bij het afscheid een greep mochten doen. Als de Tjebbes niet aten of dronken, zaten ze in een bakje, onderweg naar de stad of voldaan op de huisreis. Slapen deden ze weinig, want „daar kon de grootste armoedzaaier zich ook wel mee amuseeren”, zei Tjebbe. Het gebruikte linnengoed werd niet gewasschen, maar weggesmeten ; een japon, waar de SHAW’S „MENSCH EN OPPERMENSCH”. (foto Couuêe). Het derde bedrijf uit Shaw’s „Mensch en Oppermensch”, dat door de Kon. Ver. „Het Nederiandsch Tooneel” is voor ’t voetlicht gebracht, V.l.n.r.: Mevr. L. van Korlaar- v. Dam Mevr. Whitefield; Jan Musch Mr, Malone; M. van Warmelo — Roebuck Ramsden; A. v. Dalsum - Octavius Robinson: Mevr. Emma Morel — Ann Whitefield; Louis Gimberg ■- Jack Tanner; Mevr. Fie Carelsen Violet Robinson: Folke.rt Kramer - Hectdr Malone. het weekgeld, dat weer vier gulden vijftig centen was, en 27 cents voor overwerk als het bar druk was ; en weer zag hij kans, in de loterij te spelen, maar nooit heeft hij prijzen meer van beteekenis gewonnen, en toen hij, ouder geworden eindelijk niet meer werken kon, was er om zoo te zeggen, niemand meer onder al die lief hebbers, — kinderen, en behuwd kinderen en kindskinderen en vrienden, — die zich ook met de grootste hersensinspanning nog iets van de maaltijden en van den spoelkom met rijksdaalders herinneren kon. En omdat dit zoo was, en Tjebbe zelf niets meer doen kon, en omdat je toen nog geen ouderdomspensioenen had, werd hij nog van de armen begraven.” © stootkant van los getrapt, of een jas, waar een knoop af was, werden opgeruimd. Het was een roes, meneer, een complete roes, die jaren duurde. En nog niet eens zoo héél veel jaren ; en toen de roes was uitgeslapen, werd Tjebbe wakker op ... . zijn zelfde schuit van vroeger. En alles verder ook hetzelfde : de baas, die hem uit goedigheid weer aangenomen had, als hij hem op een morgen met nauwelijks kleeren aan zijn lijf aantrof ; de schuit, waarop hij weer sjouwde met laden en lossen of hij nooit den vreugdebeker en de vingerkommen had leeggedronken tot op den bodem; TENTOONSTELLI NG VAN PLUIMVEE EN KONIJNEN. Een Bontblauwe i-otharinger konijn, die op de tentoonstelling van de afdeeling „Voorburg, Rijswijk en Omstreken” van de V. P. N. den eersten prijs verwierf. (foto „Rembrand?'). NEDERL. ROTOCRAVURE-MAATSCHAPPIj, LEIDEN.
PDF
Nummer
1915, nr. 103/104, 24 dec. 1915
Blad
01
Tekst
........................ .. ........................... .....;....... .......... ........ ........................................... ................... ........................................................................................................ •A.W. SIJTHOFF’S UITGEVERS M 'F LEIDEN • ......................................................................................... .................. =... . . "■ , . • CARLO MARATTI DE HEILIGE NACHT
PDF
Nummer
1915, nr. 103/104, 24 dec. 1915
Blad
02
Tekst
PANORAMA Oo'
PDF
Nummer
1915, nr. 103/104, 24 dec. 1915
Blad
03
Tekst
3 PANORAMA KERSTGEDACHTEN doen deelen begrippen en dan tijdelijk oor de tweede maal in dezen oorlog wordt het ,,vrede op aardeM !| door wapengeweld overstemd ; voor de tweede maal onderzoeken we in deze tot nadenken beschikte dagen onze gevoelens van geloof en vertrouwen, ons afvragend of de gebeurtenissen van het bijna verstreken jaar ze ongerept hebben gelaten, * in onze vorige kerst-overdenking trachtten we den lezer te in onze oprechte overtuiging: dat de vreeselijke verwarring van onzuiverheid van gevoelens die de wereld verblinden, niet anders konden zijn. Deze gestoorde geestestoestand zou ten slotte tot een reactie ten goede leiden. En het leek ons of zich reeds teekenen van ommekeer vertoonden. — Maar opnieuw beschijnen de kerstlichten een slagveld. Het is zoo begrijpelijk, dat niet alleen de zwakken te twijfelen beginnen, de I vraag in zich voelen opkomen of menschelijkheid en naastenliefde nog || ooit de overhand zullen behalen. Want lijkt het niet of nog slechts het geweld de wereld regeert? — Toch, voor hen die moedeloos worden is er een gedachte van opwekking en troost. Een gedachte die ongetwijfeld in hen zal j opkomen wanneer zij, ernstig en van goeden wil, met zichzelf te rade gaan. — De grootste, verhevenste prediker van vrede en liefde dien de wereld ge- |j kend heeft, moest in de handen van het geweld zijn leven laten voor zijn leer. Maar schokte deze overwinning van het onrecht zijn vertrouwen in de j juistheid dier leer ? Heeft dat feit, hebben de eeuwen welke sindsdien voorbijgegaan zijn, aan de schoonheid en de waarheid ervan het geringste te kort ; kunnen doen? — Dit zullen zij, die in hun verwachtingen werden teleurgesteld, bedenken, zich afvragend of zijzelf bereid zouden zijn hun leven ten offer te brengen aan hun geloof. — De geschiedenis der menschheid is een onafgebroken strijd tusschen macht en recht, vernietiging en behoud, ontkenning en geloof; zij volgt geen rechte, gestadig stijgende lijn, maar een, die afwisselend daalt en zich verheft. Wanneer de lijn een nedergang toont, behoort ons dat te prikkelen tot grooter krachtsinspanning bij ons trachten, naar het goede, aan welks zegepraal wij niet twijfelen mogen omdat het tijdelijk onder ligt. En al gevoelen we ons in de minderheid: het geloof der minderheid is een duurzamer wapen dan dat waarover de meerderheid, het geweld, beschikt, al ware het van ’t hardste staal, — Ieder jaar herdenken wij dit, ieder jaar wordt onze zekerheid herboren dat eenmaal de vrede op aarde komen zal. Niet wanneer wij stilzitten en wachten, maar wanneer wij ons in steeds grooter getale aansluiten tot een leger van gelijkgezinden, dat ten laatste het geweld verslaan zal. * Meer dan ooit behooren thans de Kerstdagen ons aan te sporen tot vertrouwen en volhouden. En stemt- de tijd er ons weinig toe ze tot een feest te doen zijn, zoo mogen zij dan tot inkeer en overdenken nopen, opdat wij het nieuwe jaar kunnen ingaan met de vaste overtuiging: eenmaal zal het vrede zijn, op aarde en in de harten der menschheid, een vrede die verder reikt dan tot de afsluiting van den gruwelijken oorlog die thans de wereld helaas nog steeds ontzet. Oe Aanbidding der Herders W. BOUOUEREAU (Met toestemming van GOUPiL & Cie.)
PDF
Nummer
1915, nr. 103/104, 24 dec. 1915
Blad
04
Tekst
PANORAMA 4 Jetje’s Kerstfeest j kan wat netjes boodschappen doen, nietwaar Jetje?” „Nou!” antwoordde Jetje, met het air van een beleedigd prinsesje haar oudste zuster aankijkend, die zoo juist dit feit in twijfel getrokken had, ..Vindt u het heusch niet gevaarlijk ’t kleine ding alleen op straat te laten gaan, moeder ? Het- is zoo vreeselijk druk nu !” ,,’k Ben geen klein ding !” barstte Jetje los. „Nee, een groote meid, hoor !” troostte moeder. „Ga je maar even netjes garen voor me halen, de boodschap staat op ‘t briefje. En denk erom. Jetje : nergens blijven kijken en dadelijk terugkomen 1 En verlies niet den rijksdaalder.” „Nee, moe !” beloofde Jetje. Ze stak papiertje en geld in haar wollen handschoentje en trippelde weg. Buiten was het een geweldige drukte; de menschen verdrongen elkaar vóór en in de winkels en kleine Jet zag boven zich niets anders dan één dak van paraplu’s gedragen door de zich voortspoedende menschen. „Leuk 1” lachte ze, ,.T en toe een paar dikke regendruppels van haar gezichtje wrijvend. Ze vergat natuurlijk dadelijk haar belofte om nergens te blijven kijken, drong tot vlak voor het raam van een speelgoedwinkel en blikte begeerig naar binnen, haar neusje tegen ’t glas gedrukt. Ze bekeek alles met innige bewondering, mompelde af en toe een lievigheidje aan ’t adres van een bijzondere aardige pop en rukte zich eindelijk met een hevig verlangen in haar blauwe oogen los van al het moois. Toen haalde ze voorzichtig den rijksdaalder uit haar handschoentje en bekeek hem aandachtig : ze had er geen idee van hoeveel waarde hij had en of hij genoeg zou zijn om een pop met „slaap-oogen” van te koopen. Ze draaide het geldstuk zóó lang heen en weer, tot het haar handje ontglipte en in de modder rolde, vlak voor de voeten van een op den grond ziftenden bedelaar. „Omeneer!”zei Jetje, schuchter-lachend. „ik laat wat vallen !” Ze wees op den rijksdaalder, die bij zijn kromgegroeid been lag, den moed missend het geld op te rapen. „Kijk eens aan! Een riks nog wel!” zei de man, het bewuste oprapend. Jetje strekte haar handje uit. „Mag ik hem als’t u blieft? ïk moet een boodschap doen, garen voor moeder halen aan den overkant!” De man zette een meewarig gezicht en gaf hem niet. „Och,” klaagde zijn oude stem, „heb je niet een paar centjes voor me? --- Ik heb zoo’n nonger!” „Nee, meneer!” antwoordde Jetje met een diepzinnig gelaat, haar handje nog uitgestrekt. „Ik heb niets anders dan dat, wat u opgeraapt heeft 1 Waarom heeft u zoo’n honger?” De oogen van den bedelaar rolden bijna woest door zijn hoofd en zijn vuile handen grepen naar zijn maag. „Waarom ?” vroeg hij, zijn stem dempend voor de voorbijgangers, „omdat ik geen lekkere boterham krijg, zooals jij ! en geen vleesch en visch !” „Ik krijg nóóit visch en ook niet dikwijls vleesch !” zei Jetje met groote oogen, „moeder zegt, dat we te arm zijn daarvoor !” „O, maar dat jókt je moeder !” „Moeder jokt nooit !” riep kleine Jet, een kleur als vuur krijgend. „Nee hoor ! dat wéét ik wel, jonge juffrouw !” De stem werd steeds treuriger. „Ach, ik zei het maar voor de aardigheid 1 Maar heb je nu heusch niets voor me?” Jetje kreeg met hem te doen. „Weet u wat?” vroeg ze, een ingeving krijgend, „ik zal vragen, of ’t kerstengeltje u ’n lekkere boterham stuurt, hè?” „Best, hoor !” antwoordde hij, „weet je, wat ik dan voor jou zal vragen, als ik dit houden mag ? — Twee van die poppen, die daar in den winkel staan !” „Heusch ?” vroeg Jetje ademloos. „Heusch !” beloofde hij, „ga nu maar gauw naar huis. Dag kleine meid, dag jonge juffrouw !” „Dag meneer !” zei kleine Jet, hem een handje gevend. Ze vergat geld en boodschap en ijlde naar huis, waar moeder en zuster een nauwkeurig verslag ontvingen van Jetje’s wedervaren. Helaas, het kleine meisje moest gauw inzien, hoe verkeerd ze gedaan had ! Zus gaf haar in eerste woede een klap, die later wel afgezoend werd, maar Jets verdriet niet verminderde, en moeder huilde den heelen middag over den verloren rijksdaalder. Toen Jetje ’s avonds in haar bedje lag, voelde ze zich erg ongelukkig en ging liggen denken, of ze misschien het geld nog niet terug kon vragen. Ze was nog maar een heel klein meisje en dacht het zich lang niet onmogelijk. jetje werd wakker en ging rechtop zitten. Ze had natuurlijk gedroomd van den rijksdaalder en dat ze hem weer van den man terugkreeg. Ze was naar hem toegegaan op straat en een groote kerstenge! stond bij hem en zei : „Geef Jetje het geld, dan krijg jij een boterham !” Jetje wreef haar oogen uit en vond het vreeselijk naar, dat het alles niet waar bleek. Maar misschien was de man er wel ? Als ze eens ging kijken ? Ze hoefde immers maar even de straat uit te loop,en ! Kleine jet keek even naar groote zus, die rustig naast haar te slapen lag, toen kroop ze voorzichtig onder de dekens uit en liet zich op den grond glijden. Ze deed haar kousen en pantoffeltjes aan, sloeg haar cape over haar nachtjaponnetje. draaide den sleutel om en stapte naar buiten. Green mensch was te zien in de donkere straat en kleine Jet, bibberend van kou in haar méér dan luchtige kleertjes, voelde zich niet meer zoo moedig, toen ze een paar stappen gedaan had. Maar tóch wilde ze éven tot het hoekje loopen! of moest ze den hoek om ? De straten zagen er nu zoo heel anders uit dan overdag, dat het Jetje erg benauwde. Anders keek ze naar de winkels en wist dadelijk den weg, maar Winter in Zwitserland, (Zie beschrijving op de volgende pagina.) nu was alles gesloten. Ze liep dus met kleine pasjes de straat uit, keek eens om zich heen, sloeg den hoek om, liep weer door. aarzelde, bleef staan en — wist niet meer, hoe naar huis terug te komen 1 Toen deed ze wat andere'kleine Jetjes ook gedaan zouden hebben : ze zette zich op een stoep en ging een deuntje huilen. Nu er geen man en dus geen rijksdaalder, geen kerstengel en dus ook geen boterham was, wilde ze wel, dat ze lekker in bed gebleven was, maar het gaf allemaal niets en het is niet te verwonderen, dat kleine Jet eraan twijfelde óóit haar moeder weer terug te zien. Ze huilde eerst - luidkeels, maar omdat het zoo’n lawaai maakte in de doodstille straat, begon ze iets zachter, bedroefd snikkend en af en toe de tranen afvegend met een tipje van haar nachtjaponnetje. Eindelijk hoorde ze haastige stappen en een heer ging langs de stoep zijn kraag op, de handen in zijn zakken. „O meneer, o meneer !” riep Jetje, een wit armpje als noodsignaal uit de cape stekend. De heer, een jonge man, keerde zich verschrikt om en, de kleine gedaante ziende, snelde hij op haar toe en boog zich over haar heen. „O meneer! o meneer!” huilde Jetje nog eens, haar krullekopje als om bescherming vragend tegen hem aan, „ik-hik-ke ben verdwaald ! Oho !” De jonge man barstte heel önwelvoeglijk uit in een schaterlach. Het kleine ding zat daar ook zoo grappig en ze was zoo allerliefst in haar jeugdige wanhoop. „Hoe kom je hier ?” vroeg hij, haar optillend van de stoep. „Groote Goden ! heb je niet eens een jurkje aan ?” . „Nee-oho 1 nee, meneer !” hikte kleine Jet. „ik kom zco uit mijn bedje om hem te zoeken ! Zus slaapt nog !” „Zoo, slaapt je zus nog ? Hoe oud is je zus ?” „Ik weet ’t niet meneer!” antwoordde Jetje, „ze is zoo groot als u !” „Zoo, dan is je zus een ondeugende meid !” „Ja, meneer !” beaamde kleine Jet dadelijk, denkend aan den klap van ’s middags. „Maar wien moest je nu zoeken, je vader ?” „Nee meneer — de-de man, die ’t geld heeft! Oho ! vanmiddag nam hij moeders rijksdaalder en moeder huilde den heelen dag en zus gaf me een klap — oho ! — en toen droomde ik, dat ik naar den man op straat gingen toen stond er een kerstengel bij hem en die zei : „Geef jij Jetje het geld maar, dan krijg jij een boterham !” en toen ben ik opgestaan en nu is de man er niet en er is ook geen kerstengel. oho ! oho !” „Stil nu, Jetje ! niet zoo huilen !” gebood de jonge man. met eenigen angst eraan denkend, dat men hem hier wel vinden kon met het kindje en hem van ontvoering zou kunnen beschuldigen, „waar woon je?” „Langestraat 96 in het huis en de deur staat open !” De jonge man dacht even na; Jetje was een heel eindje van huis geloopen en hij woonde vlak bij ; ’t beste was haar bij hem thuis te brengen en dadelijk in bed te stoppen. Als zij eerst bezorgd was, kon hij naar de ouders van ’t kind een boodschap sturen. Dus sloeg hij zijn dikke jas zooveel mogelijk om het kindje heen en - droeg haar weg. „Nu ga je naar mijn huis, Jetje ! Hoe vind je dat ?” „Heerlijk !” antwoordde Jetje, dadelijk slaperig, nu ze de warmte voelde. Ze sloeg een armpje om zijn hals en legde haar hoofdje op zijn schouder. Toen, tot zijn groote verbazing, hoorde de jonge man aan zijn oor een diepe zucht, onmiddellijk gevolgd door een luid: „Oho!” Hij stond verschrikt stil, denkend, dat haar plotseling iets scheelde. „Wat is er, Jetje? Heb je pijn?” „Mijn moeder zegt: ik krijg voor straf morgen niets ! En de twee poppen van den man krijg ik óók niet, oho I” „Sst! sst!” gebood hij verschrikt, „jawel, je krijgt wél wat, hoor I Ik heb daareven een kerstengel gesproken en die zei... Nou, wat zei die wel?” Jetje was klaar wakker, „Dat ik een pop kreeg ? enne — een poppe-badje ? en een springtouw ?” „Juist!” zei hij, haartranen-nat gezichtje kussend, „dus nu huilen we niet meer,hè?” „Nee, meneer!” beloofde Jetje, en dommelde in. Henk Wiersma leverde Jetje bij zijn moeder af en begaf zich toen naar de Langestraat. Hij had nauwelijks op no. 96 aan de bel getrokken, of de deur vloog open en een jong meisje stond op den drempel. „Weet u misschien iets? waar is mijn zusje ?” De jonge man blikte aangenaam verrast in het knappe gezichtje, dat van Jetje in ’t groot, en maakte zijn arm vrij uit haar knellende vingers. „Houd u kalm, juffrouw !” verzocht hij, „uw zusje wordt onder de zorg van mijn moeder naar bed gebracht en is spring-levend! Ze was er alleen maar even op uit gegaan om den man met den rijksdaalder te zoeken !” Toen gebeurde er iets onvoorziens, want de groote copie van Jetje sloeg haar arm om Henk Wiersma’s hals en kuste hem. „Neem me niet kwalijk !” stotterde ze, „maar ik ben zoo vrééselijk blij ! Moeder is al naar het politiebureau en ik wilde ook juist uitgaan en nu is u daar, gelukkig !” „Kijk eens aan !” zei hij luchtig, „dat is dus een drama met een goed einde en Jetje droomt vermoedelijk al van haar kerstengeltje ! Mag ik u misschien morgenochtend komen halen ? Ik wilde graag voor ’t kleintje wat koopen, waarbij uw hulp me zoo van dienst zou kunnen zijn ! En een paar kleertjes zult u ook moeten brengen, ze was wel erg luchtig gekleed voor zoo’n nachtelijke wandeling!” Jetje’s zuster bloosde en accepteerde het voorstel ; hierdoor kwam het, dat Jetje den volgenden morgen, laat wakker wordende, heel verwonderd was haar zuster en den meneer samen over haar bedje gebogen te zien, maar héél lang dacht ze over dit feit niet na, want met een innigen kreet van verrukking strekte kleine Jet, die niet verwend was met cadeautjes door haar arme moeder, de armpjes uit naar een beeldige pop, die aan haar voeteneinde zat. „En kijk eens, Jetje !” zei Henk, „hier is ook het poppebad en een springtouw en weet je wat er binnen is ?” „Een kerstboom 1” antwoordde de bijdehande Jet. De beide groote menschen knuffelden Jetje om strijd en Henk vergiste zich maar éénmaal door de groote copie van Jetje een aaitje te geven. Maar hij had er nooit spijt van en voor allen was het kerstfeest nog nooit zoo prettig geweest.
PDF
Blad 
 van 2380
Records 2091 tot 2095 van 11897