|
15 PANORAMA
„Leuk, vind je niet?” vroeg Kelworth
onverstoorbaar.
„Wat beteekent dat ?” riep Sequeira
woedend uit, haastig naar
voren stappende. Kelworth hield hem
echter dreigend de revolver tegen.
„O, niets bijzonders,” antwoordde
hij. „Alleen dat binnen twintig minuten,
tien misschien, de torpedojager
„Shooter” ons praaien zal, om eenige
passagiers over te nemen. Hij loopt
zoowat dertig knoopen, zooals je weet,
en volgt ons op een korten afstand.”
Sequeira keerde zich om en keek
over den achtersteven van het schip.
In de verte blonk een helder licht
laag op het water. Hij stak een sigaret
op en wendde zich tot lord Thony.
„Vriend, je hebt me geslagen,” zei
hij lakoniek.
„Dat dacht ik ook!” klonk het
even kort.
Sequeira gaf order te stoppen en
binnen enkele minuten lag de torpedojager
naast het jacht. Lydia’s koffers
waren reeds aan dek gebracht.
„Kan ik van dienst zijn ?” klonk
John Gilford’s krachtige stem van den
torpedojager.
„Ja, een dame aan land brengen.
John !” riep lord Thony terug.
Sequeira legde een vinger op Lydia’s
arm.
____
„Wil je van besluit veranderen ? ik kan je een prachtige
toekomst aanbieden I”
Lydia kon een lach niet weerhouden ; zijn onbeschaamdheid
was grenzenloos.
„Neen,” antwoordde ze. ,,Ik geloof dat mijn toekomst
in Engeland ligt.”
„Welnu, veel geluk dan 1 Ik hoopte nog wel, dat mijn
truc u zou bevallen. Het spijt me ... . het begon zoo goed
en dan de vooruitzichten 1” zei de ex-president droevig.
Het kleine gezelschap betrad het dek van den torpedojager.
„Vaarwel, Sequeira 1” riep lord Kelworth, toen de beide
schepen zich van elkaar verwijderden. ,,Ik zal goed uitzien
naar je naam bij de eerste gebeurtenissen in Paragua.
Je bent een groot man in jouw soort !”
De torpedojager draaide rond en zijn schroeven begonnen
te werken.
„Wat is het dichtstbij, John?” vroeg Kelworth.
„Plymouth 1 We zijn er binnen een halfuur!”
Lydia staarde stilzwijgend het jacht na, dat in de duissternis
verdween, toen, zich omkeerende, legde zij haar hand
op lord Thony’s arm.
„Dat was een benauwde dag,” zuchtte ze.
„Ja, en een erg drukke .... voor een lotus-eter !” voegde
hij er aan toe.
Er was een oogenblik stilte, in welke alles wat ze dien
dag doorleefd had aan haar geest voorbij toog.
„Ik weet niet, hoe je het ten uitvoer bracht, maar het
was heel knap van jou, Thonylief 1” barstte ze eensklaps
los. „En .... ik wil je bekennen, dat ik mij geheel in jou
vergist heb en ... . (er was weer een pauze) en als je me
nog hebben wilt, dan .... kun je me trouwen 1” De laatste
woorden kwamen er haastig uit.
Lord Thony’s hand omsloot de hare. Hij keek rond en
zag John Gilford naderen . .
„John ! Wensch ons geluk 1” riep hij uit. „We trouwen
nog deze maand. Menschen met drukke bezigheden als
wij, mogen geen tijd verliezen.
DE 100.000
door JOB STEYNEN
zat in een derdeklas-coupé
van
den laatsten trein
naar A. Het derde-klas-reizen
heeft, gelijk alles
in de wereld, zijn voor en zijn
tegen, hé? Ik zal al de vooren
nadeelen hier ter plaatse
niet gaan uitzoeken, noch determineeren
; alleen een voordeel
dat aanleiding tot dit verhaal
werd, moet ik noemen:
men heeft kans op de houten
banken een genoeglijke mededeelzaamheid
aan te treffen,
welke men op de weeke kussens
— de vaagbruine der
tweede, de roode der eerste —
tevergeefs zoeken zal.
Tegenover mij in het matig
verlichte hokje zat mijn
eenige medereiziger, een man
van ten naastebij zestig jaar.
Hij had een van die plezierige
gezichten-, welke voor tooneelspelers
als de grond-type van
den kleinen rentenier, den burrivieren,
is het land
(V.F.B.)
OVERSTROOMiNGEN RONDOM DEN BOSCH.
Door den aanhoudenden regenval der laatste dagen en het voortdurend wassen der
rondom ’s-Hertogenbosch voor een groot gedeelte overstroomd.
german, die er „bovenop” gekomen is, gelden, en wiens
grime, haardracht en gelaatsexpressie door hen zoo
gaarne worden nagebootst. Huidskleur roze, schedel rond,
neus klein, haar peper en zout, mond wijd, tanden vrij gaaf,
bakkebaarden, of zoogenaamde „handvatsels”, wit, oogen
blauwgrijs als vaatwater. Jas, broek en vest van zwart
laken ; boord liggend; das tusschen vest weggezakt;
schoenen model en omvang citybag, hoed zwart, bol, stijf
en karakterloos.
We waren al een heelen tijd in druk gesprek. Dat was zoo
P. H. VAN THIEL. G. C. V. SCHÖFFER.
De heer P. H. VAN THIEL. deurwaarder bij de Arrondissernents-Rechtbank
te ’s-Gravenhage, ter standplaats Leiden, zal op 23 December 1915 den
dag herdenken waarop hij vóór 25 jaar als zoodanig werd benoemd.
Te Scheveningen is op den leeftijd van 74 jaar overleden de heer G. C. V.
SCHÖFFER, oud-chef-firmant van ’t bekende huis Hofmann Schöffer & Co.
te Amsterdam. Op kunstgebied was de heer Schöffer in de hoofdstad een
zeer bekende persoonlijkheid.
vanzelf aangekomen. Hij had eerst gezegd, dat het mooi
weer was, (— iets wat door sommige lieden als een banaliteit
wordt aangemerkt, maar dat heel niet is; immers
welke aangelegenheid ter wereld ziet kans, zooveel menschen
uit alle klassen en standen, van beiderlei kunne en van
alle staatkundige richting, voor zich te interesseeren als
juist het wèer?) Daarna was er over de dure levensmiddelen
gepraat, en het gesprek was zóó allengs gekomen op vroeger
OVERSTROOMINGEN RONDOM DEN BOSCH.
Nog een kiekje van het overstroomde gebied rondom den Bosch.
jaren, vergeleken met onzen tijd;
een vergelijking, die, zoo zij door oudere
menschen wordt ter sprake gebracht,
steeds in het voordeel van
ons voorgeslacht uitvalt. Ik bereidde
me er dus reeds op voor. door mijn
reismakker het thans levende geslacht
tot in het weerzinwekkende te hooren
kleineeren als lichtzinnig, hoovaardig,
verspilzuchtig en erger, waartegen onze
voorvaderen en -moeders dan als vlekkeloos
reine zielen zouden afsteken ;
en ik was niet weinig verbaasd, toen
ik mijn overbuur hoorde verklaren,
dat het in zijn jeugd nu ook zoo’n algemeene
braafheid niet geweest was als
sommige bejaarde lieden het wel wilden
doen voorkomen ....
Ik zat er waarlijk van te kijken.
Zoo’n renegaat! Die man had nu ook
geen korrel korpsgeest, om zóó opzienbarend
zijn eigen generatie te gaan
afkammen.
De gezellige baas knipoogde eens, als
had hij mijn overdenkingen verstaan,
beproefd en geschikt bevonden om er
den draak mee te steken. —■ „Ouwe
koffie”, zoo luidde zijn diagnose, —•
„ouwe koffie, mijn beste meneer. Mijn
vader zaliger sneed tegèn mij al net
zoo goed op over den tijd van zijn
jeugd. Dat is altijd zoo geweest. En
goed bedoeld, hoor, daar twijfel ik niet
aan, maar je moet dat allemaal niet gelooven. Toen ik een
jongen was, had je even goed lichtzinnige menschen als
tegenwoordig. Evèn goéd, zeg ik . . .”
Of ik in Lieveen bekend was, vroeg hij, —- het dorp in
den omtrek van-A?
„Neen, ik ben er niet bekend,” zei ik.
„Nou. dan zult u ook de geschiedenis van Tjebbe
Schout niet kennen.”
„Dat was me anders iets,” voegde hij er bij met een leutig
knipoog, wat zooveel beduidde als dat hij klaar lag om van
wal te steken.
Ik zei, dat ik heel graag het verhaal eens hooren zou, en
mijn genoeglijke reismakker begon te vertellen :
,,Tjebbe Schout was schippersknecht. Maar niet een van
de keurige, propere soort zooals je er tegenwoordig aantreft ;
menschen, die als ze passagieren met hun blauwe serge pakjes
en sportpetten voor den fijnsten meneer niet onderdoen ;
neen, hij was van een soort zooals je er vroeger aantrof,
die waar ze ook gaan een doordringende lucht van teer en
zeildoek meebrengen, en een half ons Oldenkott tegelijk in
hun mond steken ; kerels die broeken dragen zoo wijd, dat
ze wapperen op hun schoen, en je naar voèten compleet zoeken
moet; en in hardblauwe boezeroenen en met stugge zwarte
flambards op, in één woord ware, onvervalschte schippersknechts
met al hun ap- en dependentiën. Hij verdiende een
weekloon van vier gulden vijftig, en als het bar druk was,
kwam er 27 centen voor overwerk bij. Hij had nooit meer
verdiend, wel jarenlang minder, maar hij had kans gezien
daarvan een vrouw en een heel hoopie kinderen te onderhouden,
en behalve dat zoowaar ook nog in de staatsloterij te
spelen. En tamelijk grof ook. Hij was begonnen met twintigjes,
later tientjes, en toen hij er jarenlang met eigengeld
of kleine prijsjes was uitgekomen, had hij het lef een héél lot
te nemen. Daar had de man alles opgezet; daar leefde hij
voor ; de gedachte aan de kans, dat hij nogeens ooit een fikschen
prijs trekken zou bezielde hem als het ware bij zijn
zware werk en gaf hem op voorhand al een soort van heimelijke
hoovaardigheid tegenover zijn baas en alle verdere menschen,
die zich wat beter konden roeren dan hij. Op een ochtend,
dat hij aan het laden was, en aldoor maar van den wal
naar boord groote zakken steenkool sjouwde, zag hij ineens
zijn vrouw naar den wallekant
rennen. „Tjebbe ! Tjebbe 1” gilde
ze of ze bezeten was, en ze
zwaaide met haar armen van
geweld. Toen hij schuinsweg
opkeek, onder zijn zware
vrachtje uit, schreeuwde ze:
„Gooi weg dien zak. Gooi weg.
We benne rijk. We hebbe de
f 100.000!”
Als ik zeg, dat Tjebbe een
beroerte van blijdschap kreeg,
ddn lieg ik. Maar als ik zeg, dat
hij géén beroerte kreeg, dan lieg
ik ook. Want de schipper, die
het bijwoonde, vertelde later,
dat Tjebbe’s beenen een seconde-lang
bliksemsnel heen en
weer wapperden, en de zak
steenkolen op zijn nek een soort
van zware bibberatie kreeg,
maar dat was alles ; hij heeft
dus mogelijk een korten attak
vaneen beroerte gehad, die dan,
om zoo te zeggen, in de geboorte
verstikt is. Toen smeet
hij den zak steenkolen neer of
het een vod zonder waarde was,
liep naar den wal, loog tegen
zijn vrouw, dat hij er niks van
geloofde, was echter in een oogwenk
overtuigd, voerde met
(V.F.B.) haar samen een heidenschen
|