Panorama

Blad 
 van 2380
Records 2081 tot 2085 van 11897
Nummer
1915, nr. 101, 16 dec. 1915
Blad
06
Tekst
PANORAMA 6 TILBURGS NIEUWÉ BURGEMEESTER. Verleden week had de plechtige installatie plaats van den nieuwen burgemeester van Tilburg, den heer Mr. Dr. T Staande (in gala-costuum) de nieuwe burgemeester. L. G. Z. M. Vonk de Both. (V.F.B.) „Baron d’Orsoie... welkom I La dame rouge is voor u niet gevaarlijk,” riep zij mij sarcastisch toe. M’n oogen deden pijn van het felle licht en ik was te verbouwereerd om iets te kunnen antwoorden. Langzamerhand geraakte ik aan het licht gewend en ik zag dat ik door drie gewapendeArabieren bewaakt werd. Zij leunde achterover en op haar gelaat was een lach zóó wreed en valsch, als ik nimmer bij een menschelijk wezen gezien had. Het gewelf bestond uit kale muren met hier en daar een bundel gloeilampjes; op den vloer lag een Oostersch tapijt, en bij de sofa stond een Moorsch tafeltje. „Baron d’Orsoie,” hernam zij terwijl ze een sigaret opstak, „u ziet dat ik het avontuur gewonnen heb. ik bezit de heerlijke gave op geen man verliefd te worden en mis elk gevoel van medelijden. Het eenige wat ik verlang is geld . . . U is een man van goede educatie en daarom verwacht ik dan ook, dat u zoo beleefd zult zijn onze transactie spoedig af te wikkelen. ïk heb hier uw chèqueboekje, als u mij een aantal chèques uitschrijft ten bedrage van twee millioen francs, dan zijn wij gereed en mijn getrouwen zullen u uit het web van de spin brengen. De „high life” zal u des te interessanter vinden nu u een avontuur met de gevreesde vrouw hebt gehad. ...... Die twee millioen zijn zoo’n reputatie wel waard !” „En als ik weiger?” „Zoo dom zult u toch niet zijn . . . U ziet dat u geheel in m’n macht is. U wordt bewaakt ... U zit een paar honderd meter onder den grond en in dergelijke gevallen maak ik gebruik van m’n honger-boudoir. Ik laat er u geboeid opsluiten. U blijft twee dagen weigeren, maar den derden dag vraagt uw maag u de chèques te teekenen .... Waarom die nuttelooze zelfkwelling?” „Teeken, wij zullen wraak nemen 1” fluisterde een der Arabieren mij toe. De stem klonk oprecht, maar m’n vertrouwen in Arabieren was niet erg groot meer. Te verliezen had ik niets meer. De vrouw vermoorden kon ik niet, want voor ik een hand uitgestoken zou hebben, zou ik door de kerels overmeesterd zijn. „Ik teeken.........!” „Dat dacht ik wel.” Ik schreef veertig chèques uit en terwijl ik daarmede bezig was, hoorde ik ver weg een paar Arabische woorden roepen. „Ik krijg weer bezoek,” riep ze lachend. „Achmed is een goed bediende. .” „Is dat jouw handlanger ?” schreeuwde ik haar toe. „Ja, Baron, dat is nog een echte trouwe bediende . . . Wat heeft hij mijn opdracht om u hier te brengen geniaal uitgevoerd . . . Laat mij de chèques eens zien . De Arabier bracht ze haar, ze vergeleek de handteekeningen met die van mijn identiteits-bewijzen en zeide daarna : ,,U hebt toch niet alles aan mij geschonken, want uw erfgenamen hebben toch ook recht op een deel van uw vermogen. La dam£ rouge is niet inhalig en gunt een ander ook wat ...... Baron d’Orsoie, het spijt mij, maar ik moet u naar het rijk uwer voorvaderen zenden, want anders zou mijn zaak spoedig verloopen zijn. ïk laat u hiernaast anti-chambreeren en daar zult u enkele rhillionnairs van verschillende nationaliteit vinden, Ze zullen u wel niet veel vertellen, want het zijn alleen de beentjes van de eens zoo wel doorvoede lijven, maar het is toch beter geraamten, dan in het geheel niemand tot gezelschap te hebben.” „Wees gerust,” fluisterde de Arabier mij in het oor, terwijl zij vervolgde : „De dood die u wacht is hoogst interessant..... Hiernaast zult u een vijvertje zien, waaruit doodelijke gassen opdwalmen, die den mensch, wanneer hij ze inademt, mooie beelden voor den geest tooveren en hoe schooner de visioenen, des te dichter is de dood bij u....... Baron d’Orsoie . . La dame rouge heeft het avontuur gewonnen .... Requiescat in pace !” Zij lachte valsch, stond op en boog. Ik kon mij niet meer bedwingen en wilde met m’n vuisten haar hersens inslaan ; maar de Arabieren grepen mij en brachten mij bij het voorhang. Zij lichtten het op, ontsloten de zware deur, die er achter was en ik werd door een van hen in een kleine enge en schaars verlichte ruimte gebracht, waarna de deur 'weer gegrendeld werd. „Wacht even,” zeide de man, „ik zal je redden ; blijf tegen den muur staan, want daar is de lucht het minst gevaarlijk, spreek zoo weinig mogelijk en haal alleen door je neus adem.” KAMPIOENSCHAP BILJARTEN NEDERLAND 2e KLASSE. Zondag 12 December zijn te Zwolle de wedstrijden om het 2e klasse Kampioenschap van Nederland gespeeld. 0n2e foto geeft de deelnemers aan deze wedstrijden. Staande v.l.n.r.: B. v. d. Erve; J. G. N Erweg: K. Willig; A. Bos (Kampioen.) Zittend, zelfde volgorde: P. H. Landweer; L. Kisch; H. Eyssen; G. Pool. (foto Braakhekke.) De Arabier verwijderde zich langs den muur en ik nam de omgeving eens op. De ruimte werd nauwelijks verlicht door een rood gloeilampje en in het rossige schijnsel zag ik in het midden een klein vijvertje. Boven het water hing M. MONASCH. J. H. v. EMDEN.t JOH.WAGENAAR Verleden week is te Utrecht overleden de heer M. MONASCH, Opperrabijn van de ressorten Utrecht en Drente, — Te Arnhem is overleden de heer J. H. v, EMDEN, oud-dir. van de suikerfabriek „De Kiingelbeek” aldaar, De overledene, die in verscheidene belangrijke colieges zitting had, was in nijverheidskringen een. zeer geziene persoonlijkheid. De heer JOH. WAGENAAR, directeur van de Utrechtsche Muziekschool, die Zaterdag 11 dezer 40 jaar bestond. (Zie ook foto onderaan op deze pagina.) een violette nevelwolk, die een eigenaardigen maar aromatischen geur verspreidde. Rondom het water lagen 4O-JARIG BESTAAN UTRECHTSCHE MUZIEKSCHOOL, Zaterdag 11 December was het 40 jaar geleden dat de Utrechtsche Muziekschool werd opgericht. Onze foto geeft een groep der leeraressen en leeraars, die aan deze school verbonden zijn. (foto Jochntann.) lijken; enkele waren geraamten; een paar gaaf of gedeeltelijk vergaan. Alle waren gekleed in reis- of avondtoilet. Eén ongelukkige scheen voorover in den vijver gevallen te zijn ; het bovenlichaam was geheel onder water en het overige deel lag op den rand. In mijn hoofd kreeg ik een vreemd gevoel en in mijn mond een zuur-zoeten smaak, terwijl m’n oogen de dingen veel grooter begonnen te zien, dan ze in werkelijkheid waren. De man kwam terug en gebood mij hem een hand te geven en hem snel te volgen zonder een woord te spreken. De vergiftige ruimte ontkwamen we door een zeer nauw gat in den muur, dat hij met een stuk steen weer sloot. Nu ging het weer door een diepe duisternis, ik Voelde dat de grond opliep en geheel met puin bedekt was. Na een tijd geloopen te hebben, gaf ik een schreeuw want eensklaps zag ik het daglicht weer en een oogenblik later stonden wij bij de zuilenrij. Veel tijd om over alles na te denken liet de man mij niet, want hij snelde voort en wenkte mij hem te volgen. Bij de spleet waar ik met Achmed was ingegaan, bleef hij staan en verzocht mij hem te helpen om een stuk steen weg te kantelen. Met groote inspanning gelukte dit ons en nauwelijks was de steen gekanteld of de spleet viel dicht, „Ze zijn gevangen. Vanbinnen kunnen ze den uitgang niet open krijgen ... en nu naar den auto.” We gingen hollende en springende over het puin naar een stuk muur, waar in de schaduw een grijze auto stond. We sprongen er in en met een vaart, zoo snel als ik nog n • it gereden had, gingen we naar Luxor. Drie maanden later. In den tuin van mijn hotel lag ik op een mailstoel in de schaduw der palmen te staren naar den breeden zandkleurigen Nijl. Ik zag meer de „dahabieh’s”, die met gezwollen zeil, stroomaf gleden naar het groote. Caïro, dat daar ginder lag met zijn slanke minaretten, grooten witten koepel • en golvende huizen-massa. Rondom mij geurden de rozen en bloemen en wuifden de palmen ; aan de overzijde der rivier plasten een paar kraanvogels en verderop waren fellah’s op hun atters aan het werk onder den diep-blauwen hemel. Van mijn zware ziekte, een gevolg van mijn avontuur en den vergiftigen damp dien ik ingeademd had, was ik genezen en ik voelde het volle leven weer door mijn lichaam stroomen. Over een paar dagen zou ik naar Parijs vertrekken en nu ik hier lag te mijmeren wilde ik mij nog eens verdiepen in „Lahistoire de la dame rouge.” In Palermo, toen zij van boord ging, had zij Achmed getelegrafeerd mij te Alexandrië op te wachten en te achtervolgen en haar geregeld op de hoogte te houden. Het doel was om mij naar Luxor te lokken, hetgeen niet noodig was, daar dit juist het doel van mijn reis was. In Caïro had ik Achmed als gids en bediende aangenomen op aanbeveling van den gérant van mijn hotel, die niets van zijn praktijken afwist, Achmed had gewacht tot op den dag, dat ik weer naar Caïro terug zou keeren, eer hij mij in den val liet loopen. Ze gingen daarbij zoo geraffineerd tewerk, dat, toen ik aan haar overgeleverd was, Achmed mijn hotelrekening betaalde, mijn koffers naar Caïro terugzond en aan den hotelier de mededeeling 'deed dat ik reeds vertrokken was........... Achmed werd denzelfden avond gearresteerd. De mysterieuze sluier die het leven van la dame rouge omhulde, is nimmer opgelicht geworden. Ben Hassein, zoo heette mijn redder, waarschuwde in Luxor onmiddellijk de autoriteiten, die zonder een oogenblik tijd te verliezen met een groot aantal gewapende mannen een inval in de spelonk deden, doch zij vonden er wel mijn chèques en veel gouden munten en sieraden, maar geen enkel lid van de bende. Met groot levensgevaar vischten de mannen den vijver af en vonden in het water het lijk van la dame rouge. Zij was er in gesprongen toen zij zich ontdekt zag en had te midden van de overblijfselen van haar slachtoffers den dood gezocht. Ben Hassein was ik geen dankbaarheid voor mijn redding verschuldigd,
PDF
Nummer
1915, nr. 101, 16 dec. 1915
Blad
07
Tekst
PROEFVAART S.S. „BARENTSZ”. {Foto's V.r.B.) De Nederlandsche Scheepsbouw-Maatschappij te Amsterdam bouwde voor rekening van de Koninklijke Paketvaart-Maatschappij, eveneens aldaar, weder een nieuwe boot, de „Barentsz” geheeten. die Zaterdag jJ. proefstoomde. Onze foto’s geven links: De „Barentsz” aan den wal te Ijmuiden; midden: Diepte peilen ; rechts: Groep van genoodigden en journalisten aan boord van de ..Barentsz’ . want hij zou mij niet gered hebben, als hij zich op la dame rouge niet had willen wreken. Hij was een Marokaan van geboorte en in * Cassablanca, waar la dame rouge onder de hooggeplaatste militairen haar slachtoffers zocht, op haar verliefd geworden. De sluwe vrouw begreep dat zij Ben Hassein tot haar slaaf kon maken, wanneer zij hem elke toenadering weigerde, doch daarbij liet doorschemeren dat zij hem wel genegen was, zoodat hij haar overal als ’n trouwe hond zou volgen en in haar praktijken een handige en sluwe helper zou zijn. Haar eenig streven was de menschen op te lichten, eerst op gewone banale wijze, later op meer gecompliceerde manier en ten slotte was zij het beste te vergelijken bij een reusachtige polyp. die met haar vangarmen alle mondaine plaatsen omvatte. In Caïro maakte Ben Hassein in een Moorsch café kennis met Achmed, die hem vertelde, dat te Luxor een vergiftige vijver moest zijn. De Marokaan ontwierp het plan en Achmed werd in het complot opgenomen. Maanden lang moeten ze ’s nachts in de ruïne gezocht hebben eer zij den weg en de plaats van den vijver wisten. De electrische installatie en de deuren waren het werk van Achmed en Ben Hassein en na een maand Èard werken was alleen het vertrek waar hef water lag gevaarlijk. Met verschillende dieren nam men proeven, die uitstekend gelukten. Eerst bleven ze als bij intuïtie aan den kant, na een paar uur sukkelden ze als half verlamd naar het water en vielen stuiptrekkend neer. De zaken gingen prachtig. La dame rouge knoopte de relaties aan. Achmed en Ben Hassein zorgden dat de slachtoffers den violetten damp inademden, nadat ze de noodige chèques of wissels geteekend hadden of aan contanten ontroofd waren. Ben . Hassein dacht dat zij zijn liefde beantwoorden zou nu hij haar zoo’n fortuin bezorgd had, doch in plaats daarvan dreigde zij, wanneer hij bleef aanhouden met haar het hof te maken, hem in den vijver te laten werpen en Achmed werd door haar boven Hassein gesteld, die de spelonk niet meer mocht verlaten evenals de twee andere Arabieren, die, wanneer hun diensten niet meer noodig waren, vermoord zouden worden. De Marokaan dacht: wraak is zoet. Ik was het eerste slachtoffer na zijn degradatie en dat is mijn behoud geweest. Ben Hassein, die de justitie alle inlichtingen verschaft had, sloeg de hand aan zich zelf. De cipier vond in zijn cel bij zijn lijk een briefje, waarin hij zeide, dat hij dit niet gedaan zou hebben als la dame rouge ook gevangen genomen was, want het zou een groot genot voor hem REGELMAT1GH E! DSRIT RON DOM DEN H A A R L. E M M E R M E E R PO L. D E R Links: De start aan de Ringvaart. Rechts: Aankomst der deelnemers voor het Rechthuis te Sloten. Een kijkje in de het eerste assaut kampioene DAMES-SCHERMEN. Schermzaal van den bekenden schermleeraar Giandomenici te Amsterdam, tijdens d’entrainement dat door dames gegeven werd. Links Mevrouw Bekkers Lopez Cardozo, vph België. Verder de heer Giandomenici met zijn dames-leerlingen. (V.F B.) REGELM ATIGH EIDSRIT RONDOM DEN HAARLEM M E R M E E R PO L. D E R. Zondag 12 December werd door de Motorclub „Noord-Hoiland” een regelmatigheidsrit gehouden rondom den Haariemmermeerpolder. die een meer dan gewone belangstelling had. Het slechte weer en de slechte wegen maakten den tocht tot een ware kracht-prestatle en het is dan ook wel een sprekend bewijs voor de volmaking der motortechniek, dat geen enkel deelnemer den strijd tegen modder en regen behoefde op te geven. Onze foto geeft den heer Tom Schilperoort. den bekenden redacteur van „AutoLeven”, aan een der controleposten, (V.F.B.} geweest zijn als hij haar tot den strop had hooren veroordeelen. Achmed is de eenige geweest, die de gerechtelijke straf niet ontloopen is; de twee andere Arabieren werden in de colonnade gevonden; er ontstond toen een gevecht, waarbij beiden door geweervuur gedood werden. Onbeweeglijk als een beeld stond Achmed voor zijn rechters. .Zijn lichaam gehuld in ’n witten boernoes geleek hij wel als . uit wit'albast gebeiteld en zijn zwarte kop als uit ebbenhout gesneden. Hij sprak geen woord . . . .'een enkele maal glimlachte hij even. Toen het doodvonnis over hem werd uitgesproken balde hij zijn vuisten, trok de lippen op zoodat zijn schitterende tanden te zien kwamen en schold voor „Christenhonden”. ........ De zon ging onder; de gele Nijl, de velden en heel de omtrek met de minaretten, koepels en huizen van Caïro was als van gloeiend metaal en heel ver in het Zuiden boven de Lybische woestijn, waar vlakbij Luxor lag, was de lucht zoó donkerrood als geronnen bloed. Daar zocht la dame rouge, de schtik en de attractie in het mondaine leven, tusschen haar slachtoffers den dood in de vergiftigde modder. .... Ik stond op en bleef naar het Zuiden staren totdat het bloedrood in violet en later in den donkerblauwen nachthemel versmolt. Toen ging ik naar binnen en fluisterde: „Die brave kerel van een kapitein had gelijk toen hij mij waarschuwde.” HET EERSTE STUK IN HAAR HUISHOUDEN was Kermis in het buurtje. De draaimolens ronkten en hotsten, de || lachmachines gierden er hysterische gillen lï ....... doorhenen, de tobogans en rodelbanen snorden en bromden, en motors alom lieten hun daverenden hartklop hooren. Orkesten schaterden, orgels dreunden driftige dansen op, afgewisseld door aangrijpende mezza voce’s. De geuren, die uit poffertjeskramen en beignetpaleizen woikten, en de doordringende reuk van de zuurstalletjes.en van de tentjes met gerookte paling en gebakken vischjes, deden mèt die onontwarbare muzieklaweiten, een soort van bedwelming vlotten om de pretmakende kermisvierders. Jongens en meiden hosten en schreeuwden met een zwaar
PDF
Nummer
1915, nr. 101, 16 dec. 1915
Blad
08
Tekst
PANORAMA rumoer door de tentenstraten, en de brooddronkenheid wis aanstekelijk. Kanjers van jongens met groote petten op, timmerden on het oog hunner breedgerokte. vriendinnen op de koppen van Jut, of vertoonden in de schiettenten hun kunststukken, zoodat het voortdurend door de drensende muziek heen knetterde als een snel en scherp pelotonvuur. In de poffertjes- en wafelkramen, aan de zuur- en vischtenten werden de versnaperingen in meer dan overvloedige mate verorberd; helgele biertjes en paarsroode limonades werden bij groote hoeveelheden geplengd, en in de kakelbonte spullen, bloedverstijvende tooverhuizen, in naïef gedécoreerde omgeving vergaapten de kleine-kinderen, die men in het gewone doen groote-menschen noemt, zich aan de dolle grimassen en jolige zwetserijen van dedikarmige athleten, schoone juffers in tricots en gelukzalige hansworsten. In een hoekje, niet ver van den ernstigen silhouettenknipper, den artist. die den ergsten rumoeren ontvluchtte, stond Aagje, de daghit. Ze was bleek en sproeterig, flauwe oogjes kwijnden onder witte wenkbrauwen, het geelwitte hoofdhaar was piekerig en iel, en eindigde in een vlecht, niet grooter dan een middelmatige wijsvinger.. Het platte dunne lijfje werd strak omspannen-door een blauwkatoenen . jurkje dat te kort was, zoodat er van onder uitspichtten de vormelooze beentjes met groote wijde rijglaarzen. Op het kleine arme hoofd stond een oud zwart zijden hoedje met een aigrette versierd, en die bekronende, gehavende EEN PORCELEI N GROEP, opgesteld door den heer W. van den Heuvel en vertoond op een kunstavond; gegeven te Baarn ten bate van het Pensioenfonds en de kas der Nederl. Vereentging tot bescherming van dieren, afd. Gooi en Eemiand. aigrette was wel het allerbelachelijkst van dit heele sjle mielen-verschijninkje. Er waren heel wat kennisjes voorbijgekomen, en bijna allen aan den arm van’jongens, lachend en stoeiend met roode pretgezichten. Van haar had echter niemand notitie genomen, en wanneer er een haar aleens aankeek, was het om haar uit te lachen. En toch, wat zou ze ook graag meedoen ; dat wilde gehos en gestamp trok haar niet aan, maar er waren toch ook vele paartjes, die rustig zich vermaakten, eens een ritje in den draaimolen mee deden, wat rondwandelen, alles bekijken op zichzelf was toch ook al een heel pleizier in een tent hier of daar door vaardigheid en goed geluk een prijsje trachtten te winnen, en dan in een biertentje of melkhuis gingen uitrusten van al de pret. Maar niemand nam er ook maar de geringste notitie van haar. Was ze te bedeesd ? Moest ze brutaler zijn. zooals al die anEEN 60 K.M. WANDELTOCHT. De Haagschs Sportvereeniging „Steeds Voorwaarts” organiseerde Zondag 12 December een wandeltocht van 60 K.M, over Rotterdam, Zoetermeer en Zegwaard. De deelnemers, 35 in getal, vertrokken 's morgéns half 8 van hotel Terminus en arriveerden, zonder uitvallers, ’s middags om half zes weder aldaar. (Foto Hijmans.} 25-JARIG BESTAAN AMSTERDAMSCH A C APPELLA-KOOR Verleden week herdacht het bekende a Cappeila-koor onder leiding van den heer Antoon Averkamp. het feit, dat het vóór 25 iaat werd gesticht. Onze foto geeft een groep der leden met in het midden, zittend, den directeur A. Averkamp. (V.F.jS.) deren ? Ze poogde zich wel wijs te maken, dat dit de eenige oorzaak was, maar in den grond begreep ze wel. dat baar uiterlijk de jongens niet aantrok. Het was altijd zoo geweest, en zou wel altijd zoo blijven, zoo poogde ze zich wel eens te ... . troosten, maar .... ze was jong. achttien jaar nauwelijks, en dan kan je toch den kamp.met het leven nog maar niet opgeven, al ben je een arm, onooglijk meisje5 je wil toch ook ièven, je wil toch ook iets. al is het nog zoo luttel, medegenieten van al de vreugden, die het bestaan op de wereld bieden kan. Zoo stond ze weer hier, als .het ware te wachten op de kans van haar geluk. Ach, ze zou met zoo weinig tevreden zijn ; een buurjongen, die met haar eens in den draaimolen zitten ging; één die haar meenam om haar op een bordje poffertjes te trakteeren. .... het zou al een zalige gebeurtenis zijn. maar wiè zou haar met haar magere gezicht en haar zonnesproeten nog trakteeren ? , . . . Zoo stond ze temidden van de vroolijke -drommen, en tobde, tobde maar aldoor verder .... Toen, Ineens, begon de droom, die werkelijkheid was, maar zoo mooi, zoo verrukkelijk, dat het een droom geleek. Neiis uit den kruidenierswinkel kwam op haar toe. Hij was alleen. Kranig zag hij eruit .met zijn Zondagsche pak en zijn sportpet, en hoe sjiek, die sigaret in zijn mond. Hij hoefde niet opzij te gaan voor den lijnsten meneer. nWat sta je daar alleen, Aag,” begon hij op vriendelijken, ietwat beschermenden toon. ,?Ik . ... ik wacht/' antwoordde ze bedremmeld, niet goed wetend wat ze zei, J?Op wien ?” malde hij. op superieure wijze glimlachend om haar verwarring en stumperigheid. Toen. ineens, had het meisje een oogenblik van flinkheid in haar anders zoo slappe, baloorige leventje : „Op jou", zei ze. Ze schrok er zelve van. Hoe durfde ze zóó iets vreeselijks ? Maar toen hij den arm door den hare stak, en haar lachend en pratend naar een poffertjeskraam leidde, huilde ze bijna van blijdschap. Hij was zoo vriendelijk voor haar als nog nooit iemand in haar heele leven geweest was. „Ik bemin hem”, zei ze zacht in zichzelve, en de woorden mochten aan een goedkoopen roman ontleend zijn, de gemeendheid, de waarachtigheid was er niet minder om. Ze aten ieder een bordje, Nelis dronk bier. Ze had een hoogroode kleur van blijdschap, toen ze aan Nelis' arm de kraam kwam uitstappen. En hij ? Alsof het niet op kon. zoo kuierde hij met haar naar een hoepla-tent. „Zes ringe voor ’n dubbeltje” gilden de .jongens. „Eens probeere ?” deed Nelis. „Ik durf niet,” aarzelde -Aagje. „Geef mij er zes/' gebood Nelis den jóngen. En met de ringen in de hand vroeg Nelis haar, met een blik van geblaseerdheid al de kostelijke stukken karaffen, wekkers, vazen, en verdere heerlijkheden omvattend, wat ze nu wel zou willen winnen. Met glinsterende oogen stond het meisje alles te bekijken, en wees toen op een houten klokje, dat met koper gemonteerd was. „Wat ’n pronkstuk'/ zei ze vol geestdrift, „hè, wat zou ik dat graag hebben . ..” „Gooi dan een van deze zes ringen erover heen. en je hèbt het/’ zei Nelis lachend. „Ik durf niet/’ weifelde Aagje, Hij deed het haar voor, en miste. Maar hij vond dat heelemaal niet zoo erg. •— „Zoo, nou jij.” - En ’t meisje wierp de ringen; ze deed het met een ernst als hing haar leven ervan af. Ze beefde van inspanning, en transpireerde onder haar zware zijden hoedje, Drie misten, de vierde ring was raak : daar lag hij rondom ‘t prachtige klokje, precies zoo rond ’t voetstuk heen, als was hij door een zorgzame hand daar neergelegd. Het meisje deed haar oogen dicht. Ze twijfelde of ze wel goed had»gezien, maar een van de jongens gaf haar het klok’je. „Een klok! Wat moet jij nou met ’n klok !” schaterde hij. Het meisje drukte het klokje tegen zich aan. alsof ze het knuffelen wilde. Het was haar wonderlijk te moede, zoo gelukkig was ze nog nooit geweest; de wereld had voor haar in nauwelijks een uur een geheel ander aspect gekregen. „Wat moet jij nou met 'n klok.” lachte hij nogeens, en ze antwoordde met een gemeenplaats, een zegswijze van het volk. doch haar extatisch gelukkige gezicht gaf een nieuwe, RHYTHMISCHE DANSEN, onder leiding van Mejuffrouw Dora Werst, gegeven op een kunstavond ie Baarn. ten bate van hei Pensioenfonds en de kas der Nederi. Vereeniging tot bescherming van dieren, afd. Gooi en Eemiand. voor haar diepe beteekenis daaraan : „Het is het eerste stuk in m’n huishouden,” zei ze. Nelis keek haar aan. Hij verschrikte van haar opwinding, haar begeesterde gezicht, haar wonderlijke houding en bewegingen. En hoe vreemd het ook lijkt, hij was bang van haar. Wat had hij aangehaald ? Zijn vriendelijkheid was voorbij, hij gaf allengs stroever en stroever antwoorden, zweeg eindelijk geheel. Toen loosde hij haar met ’n smoesje. En Aagje wandelde als verdwaasd naar huis. De schoone droom, de schoonste van haar leven, was uit. Ze was wakker geworden. En hoe ? Met het klokje tegen haar slungelige lijfje geperst, liep ze verwezen voort, en huilde tranen met tuiten. Thuisgekomen klom ze dadelijk de trap op naar haar zolderkamertje, en op de poovere tafel bij haar bed zette ze met bevende hand het klokje neer, het eerste stuk in haar huishouden, dat tevens ook het laatste wezen zou.Want nooit in haar leven nam er één jongen meer notitie van haar. EEN JEUGDIG SPORTSMAN. De li-jariqe jan Kortvinke, "bekend door zijn kraniae prestaties op verscheidene wandeltochten, heeft onder controle van een tweetal bestuursleden van „H.A.V.” erfden bekenden „Sport Opa,” (staande tusschen de twee dames) weder een aardige wandeling volbracht. In 7 uur 32 min., een rust van 35 min. inbegrepen, marcheerde hij heen en terug Den Haag-Rotterdam. Verder Hepen Zondag van dezelfde vereeniging de heeren J.W. Veitman en Van Taanon.~(in gezelschap van de dames Veitman en Vermeulen per rijwiel) var; oen Haag naar Adam (60 K.M.) »n 7 uur 42 min (/ofe Hifmans ) NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPPIj, LEIDEN.
PDF
Nummer
1915, nr. 102, 20 dec. 1915
Blad
01
Tekst
No. 102 (25b) 20 DEC. 1915 AFZONDERLIJKE NUMMERS 7'/2 CENT A.W. SIJTHOFF’S UITGEVERS M AATSCH APPIJ ~ LEI DEN ABONNEMENT PER KWARTAAL 26 NUMMERS f 1.50 De strijd in de onherbergzame streken aan de Italiaansche grens EEN OOSTENRIJKSCH HOOFDKWARTIER IN DE BERGEN. Welke ontzettende moeilijkheden de terreinsgesteldheid aan de Oostenrijksch-Italiaansche grens den krijgsoperaties in den weg legt, toont ons eens deze foto. Niet alleen bij het vervoer „van troepen en materiaal leveren deze woeste bergstreken bijna onoverkomelijke hindernissen, doch ook b. v. bij het aanleggen van de veldtelefoons, die ’t hoofdkwartier — zooals op onze afbeelding te zien is — met de kwartieren der bevelhebbers verbinden. Hoe gevaarlijk en tijdroovend moet het zijn de draden te spannen over diepe ravijnen of ze tegen steile berghellingen op te brengen 1 Wel begrijpelijk is het dus, dat de krijgsverrichtingen op dit front slechts uiterst langzaam ten uitvoer kunnen worden gebracht! Weer
PDF
Nummer
1915, nr. 102, 20 dec. 1915
Blad
02
Tekst
PANORAMA 10 : De Jacht : naar 'n Vrouw ''v e jonge schoone ■ meesteres van DudJ ley Court keek den tegenover haar in een gemakkelijken stoel gezeten jongen man scherp in het knappe gelaat, terwijl hij achteloos een sigaret aanstak. Een opmerking van hem had haar argwaan opgewekt. „Niet dat oude onderwer: alsjeblieft. Thony !” verzucht ze. Het was een heerlijke zomeravond en zij zaten na afloop van het diner onder de veranda. Dudley Court, ’t moet gezegd, was een statig landgoed aan de Zuidkust van Engeland, vanwaar men een prachtig gezicht had op het Kanaal. Op een halve mijl afstand zag men de lichten schitteren van Petmouth, een klein zeeplaatsje met een flinke haven, die druk bezocht werd door tal van fraaie luxe-jachten. Lord Anthony Kelworth verzette zijn stoel een weinig, zoodat hij de jonge dame recht in het gezicht kon zien. „Als gastvrouw is het je plicht, Lydia,” zei hij quasigestreng, „om aan elk onderwerp van gesprek deel te nemen, dat je gasten gelieven in te leiden, vooropgesteld, natuurlijk, dat het respectabel is.” „En niet vervelend !” antwoordde Lydia min of meer wreed. „Zelfs al is het vervelend,” ging lord Thony onverstoorbaar voort. „Nu lady Thomson en de schilderachtige Sequeira druk bezig zijn je landgoed te exploreeren gebeurt het eindelijk eens dat we alleen zijn. Daarom lijkt het mij nu een geschikte gelegenheid bij vernieuwing je mijn verlangen kenbaar te maken naar het bezit van je hand !” „Wat ’n lange speech voor jou, Thony 1” lachte Lydia. „Er komt nog meer !” zei hij. Hij trok nadenkend aan zijn sigaret. „De situatie in ’t kort is deze,” ging hij kalm voort. „Hier ben jij een jonge dame van een en twintig puissant rijk, meesteres van Dudley Court en — alleen in de wereld. Denk eens na ! Alleen 1 ’t Is vreeselijk ! Als er nu een hartstochtelijk bewonderaar komt, zooals ik, dan behoor je toch te zeggen: „Ach, eindelijk, den waren Jozef gevonden! Ik ben toch wel gelukkig! Ik wil onmiddellijk trouwen met dezen . . . .” „Geblaseerden, gemakzuchtigen, pedanten lord Anthony Kelworth,” voltooide Lydia lachende. „Een bewonderenswaardig schilderij, Thony, maar ’t is niet geheel bevredigend !” „Neen, dat geloof ik ook,” stemde hij met een zucht toe. „Het andere is beter. Het is dat van een onafhankelijk meisje, een klein beetje excentriek; die geen chaperon hebben wil, die slechts in gezelschap van een kamenier en een knecht alle onmogelijke plaatsen ter wereld afreist, precies doet wat ze wil en het beste meisje is dat ik ooit ontmoet heb !” riep hij enthousiast uit. „Ik zeg je, Lydia, je moet met mij trouwen !” Zij schudde slechts het hoofd. „Neen, Thony! Je bent een lotus-eter!” Hij stak een andere sigaret op. „Wat zou dat? We zullen het best met elkander vinden. Dat is zeker!” Er kwam een schittering in haar oogen ; ze leunde voorover in haar stoel. „Is het nog nooit bij je opgekomen, lord Anthony Kelworth, dat een vrouw meer verlangen kan, dan ’t „samen best vinden” ?” Hij opende de oogen wijd van verrassing. „Ik verlang een man, Thony, die mijn heer en meester is 1” ging ze voort. „Als ik jou trouwde, zou ik in alles mijn eigen weg volgen. Ik verlang een man tegen wien ik opzie, die mij verovert!” „Dat is juist waar ik aan bezig ben,” merkte hij gemelijk op, terwijl hij een kussen achter zijn hoofd legde. „Jij bezig mij te veroveren ?” lachte zij. „Ha, ha, ha! Je zou in slaap vallen als je er maar aan dacht.” „Hoe onbeleefd !” mompelde hij. „Neen, als ik nog eens trouw, dan zal het zijn met een man, sterker dan ikzelf. Ik heb geestkracht, maar ik zou een man kunnen liefhebben, die mij wegvoerde tegen mijn wil en mij dwong hem te trouwen; die geen afwijzing zou l) Een luiaard, een nietsdoener. TTan den öoschweq in den Winter — botterdam fKralingen). aannemen en mij zoo lief had dat hij alles zou wagen om mijnentwil.” „O, als je van romantiek houdt,” zei hij met half gesloten oogen, „dan zal ik trachten zoo iets te bedenken.” Ze schudde lachend het hoofd. „Neen, je bent een beste jongen, Thony, en een goed vriend; maar je bent zoo vreeselijk gemakzuchtig, zoo weinig flink, dat je niet de minste gelijkenis toont met mijn ideaal. Hngang hofstede „7Auyden” aan hetToepad — botterdam, Vlsschershuisje aan de ftotte — botterdam. Ik verlang iemand met een wil, iemand die mij prikkelt, mij opwindt.’' „Km! — Zooals de schilderachtige Sequeira, zeker?” waagde hij. Er klonken voetstappen achter hen en lady Thomson kwam hen uit de kamer te gemoet. Ze was een knappe verschijning van middelbaren leeftijd en JLydia’s naaste buur. ,,Ik dacht dat je aan ’t wandelen was met mijnheer Sequeira,” riep Lydia haar toe, terwijl ze een plaats voor haar inruimde. „Ik vond het wat frisch en zei hem dat ik een sjaal ging halen en me bij jou op de veranda zou voegen. Ik had een interessante conversatie met hem, lieve. Vind je ook niet, dat het een fortuintje was, toen ik in het voorjaar met hem kennis maakte ?” praatte ze voort. „Het gebeurt niet eiken dag dat men de hand kan leggen op den expresident van een der Zuidamerikaansche staten. Hoe vind u hem, lord Kelworth ?” „O, schilderachtig!” antwoordde deze, een geeuw onderdrukkende. „En toen hij mij schreef, dat zijn vriend de markies DeVasco hem diens jacht geleend had en dat hij hiermee naar Engeland kwam, inviteerde ik hem natuurlijk naar Petmouthsbaai te komen en eenigen tijd bij mij door te brengen.” „En introduceerde hem bij uw vrienden,” vervolgde Lydia met een glimlach. „Wel, lieve, hij is werkelijk een aanwinst, nietwaar?” ging lady Thomson voort. „Ik had hem nog graag eenigen tijd hier gehouden, maar hij spreekt er reeds over weer naar Paragua terug te gaan. Hij heeft zooveel plannen. Ah, daar is hij !” riep zij uit en een oogenblik later kwam een lange, statige gestalte den hoek van de veranda om. „Ik kon mij niet weerhouden een oogenblik te verpoozen aan het eind der laan — ’t is er betooverend !” verklaarde de heer Sequeira met zijn zachte stem. In werkelijkheid had hij vijf minuten lang achter een pilaar op de veranda gestaan, slechts enkele schreden van Lydia en lord Kelworth verwijderd, waar hij hun geheele conversatie had aangehoord. Hij achtte het evenwel niet noodig hiervan melding te maken. „Ik vertelde onze gastvrouw juist dat u voornemens is weder naar Paragua terug te keeren, waarde heer Sequeira,” zei lady Thomson op zoetsappigen toon. De heer Fernando Sequeira, ex-president van Paragua, zonk elegant in een gemakkelijken rieten stoel neer. Hij was een man met een knap uiterlijk, met zwart, hier en daar eenigszins grijzend haar, in de kracht van zijn leven, vier en veertig, naar schatting. Hij had schitterende tanden en donkere oogen, die soms vonken schoten. „Misschien wilt u het ons zelf wel vertellen, mijnheer Sequeira ?” zei Lydia, hem vriendelijk lachend aanziende — geheel onnoodig, vond Thony. De heer Sequeira haalde onverschillig de schouders op. „’t Is gauw verteld. Vier jaar geleden wist een schelm, Alvaro Gomes, het volk wijs te maken, dat hij een beter president zou zijn, dan uw onderdanige dienaar. De gebruikelijke revolutie brak uit en ik had nog net den tijd aan een gewelddadigen dood te ontsnappen. Welnu, er zijn thans andere menschen in Paragua, die meenen dat mijn vriend Gomes niet zoo’n goed president is, als ik was. In ’t kort: ze willen mij terug hebben.” „En u wilt hen helpen?” vroeg Lydia belangstellend. „Ik zal ’t trachten,” antwoordde de ex-president. „Natuurlijk zijn er moeilijkheden, dat begrijpt u ! Er zijn altijd nog menschen die met vriend Gomes tevreden zijn.” „’t Beteekent dus een ander het voetje te lichten, hè ?” zei lord Kelworth gemelijk. „Precies, waarde lord! Maar daarvoor is geld noodig. Wapenen, kleeding, voedsel, alles moet worden gekocht. Maar daarin is te voorzien. Mijn vriend, markies De Vasco, die mij zijn jacht geleend heeft, zal mij hierin helpen. Ik wacht elk oogenblik zijn antwoord. U ziet, ik zal winnen,” voegde hij er aan toe en zijn oogen ontmoetten die van Lydia. Zij praatten nog eenigen tijd voort, tot lady Thomson’s echtgenoot met enkele andere heeren uit de biljartzaal zich bij hen voegde. Eindelijk namen ze afscheid. Sequeira sliep dien nacht bij Sir Thomson, terwijl Kelworth
PDF
Blad 
 van 2380
Records 2081 tot 2085 van 11897