Panorama

Blad 
 van 2380
Records 2076 tot 2080 van 11897
Nummer
1915, nr. 101, 16 dec. 1915
Blad
01
Tekst
No. 101 (25a) 16 DEC. IQ 15 AFZONDERLIJKE NUMMERS 7'/2 CENT ABONNEMENT PER KWARTAAL 26 NUMMERS f 1.30 Aert van der Neer, - Riviergezicht bij winter, Aert van der Neer, de landschapschilder bij uitnemendheid, werd in 1603 of 1604 te Amsterdam geboren en stierf aldaar 9 November 1677. Mij leverde vooral voortreffelijke, gewoonlijk door maanlicht beschenen dorpsgezichten, die hij eigenaardig te stoffeeren wist.
PDF
Nummer
1915, nr. 101, 16 dec. 1915
Blad
02
Tekst
PANORAMA 2 (Vervolg) _S
PDF
Nummer
1915, nr. 101, 16 dec. 1915
Blad
03
Tekst
Buschgart op zulk een rare bruiloft ja en amen zal zeggen?” „U kent den generaal niet, en u kent Hedwig niet, grootmoeder. Hij zal zijn toestemming tot het huwelijk niet terugnemen, en Hedwig is bovendien meerderjarig.” De oude barones meende twijfelend : „Ik kan mij weliswaar niet goed voorstellen, hoe dat zal gaan maar ik ken ten slotte de tegenwoordige zeden te weinig. Mijnheer Von Buschgart moest ’t eigenlijk een groote eer vinden dat zijn dochter een Baronesse Heinersdorff wordt.” Hij antwoordde lachend : „Dat is heelemaal onjuist, grootmoeder. Ik mag blij zijn wanneer Hedwig mij neemt. Zij is duizendmaal beter en meer waard dan ik.” „Ik hoop dat je zulke smakelooze dingen alleen aan mij vertelt en niet aan je meisje!” „O neen, ik zeg het ook aan Hedwig, zoo dikwijls ik kan.” De grootmoeder verklaarde afkeurend : „Nu, dat zal een möoi huwelijk worden !” Daarna zweeg zij een tijdlang hardnekkig en overlegde. Eindelijk zeide zij vastbesloten : „Geloof mij, mijn jongen, zoo gaat ’t toch niet. Je moet een of anderen vorm vinden om met den ouden ezel tenminste uiterlijk de diplomatieke betrekkingen weer aan te knoopen. Dat heeft immers verder in ’t geheel niets te beteekenen. Wij staan ook tegenover Rusland in vriendschappelijke betrekkingen.” „Dat is louter onzin ! Ik kan niet naar een generaal gaan en zeggen: Pardon, generaal, ik ben heusch geen lafaard. Mijn woord van eer !” „Dat verlangt ook niemand.” „Maar wat dan ?” Zij antwoordde nadenkend: „Wanneer je inderdaad zoo veel gelegen is aan het meisje, zal ik ook iets voor je doen. Ik ben weliswaar sedert een paar honderd jaar niet van Heinersdorff weggeweest, maar jou ter wille zal ik naar Weenen reizen.” „Waarvoor ?” „Ik zal naar meneer Von Buschgart gaan en hem mijn meening zeggen.” „Om ’s hemelswil niet!” riep Heinersdorff verschrikt. „Je kunt je op mij verlaten, jongen. Ik zal den goeden generaal overtuigen dat er geen Heinersdorff bestaat die een lafaard is. Een uur later zal hij je zijn verontschuldiging aanbieden, daarvoor steek ik mijn hand in ’t vuur.” Heinersdorff zeide lachend : „Dat moet volstrekt niet gebeuren, grootmoeder. Zooals ik u ken ransel u elkaar binnen tien minuten af.” „Ik zal hem heel kalm mijn meening zeggen.” „Neen, neen, dat gaat niet. U zoudt alles bederven.” De barones antwoordde een weinig beleedigd : „Goed, zooals je wilt. Ik had je alleen van dienst willen zijn.” Hij dacht even na: „U zoudt mij echter een anderen vriendschapsdienst kunnen bewijzen, grootmoeder. „En ?” „U moet op de bruiloft met mij naar Weenen reizen.” „Als garde of om je te bewaken ?” — „Neen, dat niet,” lachte hij, „maar het is heel goed als er iemand van mijn familie bij is. U kunt de moeilijkheden overbruggen.” „Ik doe wat je wilt. Voor jou reis ik zelfs naar Weenen. ’ ’ „Ik dank u hartelijk, grootmoeder.” Zij besloot : „Maar na de bruiloft zal ik den generaal mijn meening zeggen !” Hedwig Buschgart schreef zeer dikwijls. Het waren dappere brieven, die niets van haar leed en haar zorgen verrieden. Zij schreef niets over de trieste, eindelooze avonden die zij in het huisje te Hietzing doorleefde. De generaal zat zwijgend en hield de courant in de handen 'zonder te lezen. Hij staarde onafgewend zijn geliefde dochter aan, die het bleeke gezicht diep over haar borduurwerk gebogen hield. Mij wilde haar iets troostends zeggen, maar hij kon het niet. Hij wilde vragen : 3 „Wat moet het nu worden met jou en Heinersdorff ?” De domme trots hield zijn tong gebonden. Hij zweeg en zag met klimmenden angst hoe bleek en smal de dochter werd. Hij beproefde haar afleiding te geven. Hij bracht uitnoodigingen en biljetten voor den schouwburg of voor concerten mee. Zij weigerde die : „Ga maar alleen, vader. Ik ben niet in de stemming.” Dikwijls, wanneer het zwijgen ’s avonds ondraaglijk werd, verzocht hij haar te spelen. Ze legde gehoorzaam haar werk op zijde en ging aan de piano zitten. „Wat zal ik spelen, vader ?” „Wat je maar wilt kind.” Ze speelde dan altijd Grieg. Haar geheele smart en haar bitter leed legde zij in haar spel, dat hem toe scheen als een zwijgende aanklacht. Generaal Buschgart begon Grieg te haten. Eens vroeg tante Klara in een brief wanneer de bruiloft zou zijn. De generaal las den brief en schoof hem Hedwig zwijgend toe. Zij las hem vluchtig door en gaf hem zonder iets te zeggen aan haar vader terug. BEUKENLAAN. toegang gevend tot het landgoed „De Poll” te Voordt (G.) Heinersdorff wist niets van dezen zwijgenden strijd. De brieven die hij ontving waren niet al te vroolijk of opgeruimd, maar toch niet verontrustend of hopeloos. Hedwig had immers waarlijk geen reden om te juichen óf vroolijk te zijn. Hij informeerde eens of hij ook naar Weenen zou komen. Zij schreef terug dat hij zijn bezoek liever maar moest nalaten. „Wacht tot den herfst, liefste. Het is beter zoo. Wij kunnen toch niet samen zijn, zooals het zou moeten. Het is voor mij een neerdrukkend gevoel om ’s avonds in het geheim het huis te moeten uitsluipen om met jou, lieveling, in een andermans tuin een paar woorden te kunnen spreken. Wanneer je dan weer van me gaat, voel ik dat dubbel zwaar. Laten wij tot den herfst wachten. Dat duurt zoo lang niet meer. De vlier bloeit reeds.” Heinersdorff bleef op zijn kasteel. Hij reed veel, maakte bezoeken bij de buren, op regendagen las hij in de oude Kronieken die in de bibliotheek waren, en later wijdde hij ook eenige aandacht aan het landbouwbedrijf, maar alles wat hij deed geschiedde PANORAMA zonder de rechte lust of vreugde. De vroolijkheid der eerste dagen was verdwenen. Een doffe, kwellende angst zat hem in het hart en drukte hem neder. Op een ochtend, het was reeds Juni, vroeg de grootmoeder hem aan het ontbijt : „Zeg me nu eens, jongen, wat heb je eigenlijk ? Je loopt rond als of de kippen je al het brood hebben opgegeten.” „Onzin,” bromde hij. „Neen, geen onzin. Je eet niets ; je drinkt niets ; je lacht niet. Wat beduidt dat ?” „Ik ben ook wel ’n beetje landerig, grootmoeder,” antwoordde hij ongeduldig. „Ik geloof dat je je hier verveelt.” „Volstrekt niet.” „Jawel,” hield de grootmoeder vol. „Je verveelt je. Dat begrijp ik eigenlijk heel goed. Je hebt niets te doen. Zenuwachtig ben je ook, zooals iedere rechtgeaarde bruigom, en je verlangt toch ook naar je generalen staf.” „Praat me niet zulke dingen in ’t hoofd, grootmoeder.” „Ik zal je een raad geven, George,” zeide de verstandige oude vrouw. „Nu?” „Ga op reis ! Dat zal je verstrooien en je door den saaien zomer helpen.” „Waarheen moet ik dan reizen ?” vroeg hij norsch. „Reis naar Oostenrijk !” „Naar Oostenrijk ?” „Ja,” antwoordde de grootmoeder, „maak een ontdekkingstocht door Oostenrijk. Ken je je vaderland dan ? Neen ! Welnu, vooruit dan !” „Ik moet er nog eens over denken,” antwoordde hij ontwijkend en stond van tafel op. ’s Avonds zeide hij : „Je hebt gelijk, grootmoeder!” „Ik heb altijd gelijk.” „Ik zal op reis gaan.” „Bravo !” „Dat zitten en wachten tot den herfst is mij ondraaglijk !” riep hij. „God zij dank dat je ’t zoo goed inziet.” „Ik zal een paar maanden door Oostenrijk trekken en in September direct naar Weenen gaan. Dan kom ik terug en haal u voor de bruiloft.” Zij zong vroolijk: „Treulich gefüurt. . . .” Hij glimlachte. „Dat je nu toch ook eens je mond vertrekt ! Ik geloofde al dat je het lachen heelemaal had verleerd, jou domme jongen.” Zij riep overmoet • g : „Frans, zeg aan Poldi dat zij twee flesschen boven brengt van den wijn die ... .” De bediende vulde eerbiedig aan : „In den hoek rechts. Ik weet ’t al barones !” „Vooruit dan. Looppas !” riep de grootmoeder. „Vandaag drinken wij ons een kleinen afscheidsroes,” lachte zij met flikkerende oogen. „Zonder pardon of tegenstand en morgen gooi ik je de deur uit. Begrepen?” Hij zeide met bewondering: „Ik wilde dat ik zoo jong als u was, grootmoeder.” Den volgenden dag vertrok hij. Het was een wondermooie, als in zijn jeugd zoo heerlijke reis (foto r. Tepe). ZOo zonder plan of doel, op goed geluk. Hij had een gevoel van onbekende vrijheid toen hij in den trein zat. Alles wat hem in Altheinersdorff bedrukt had en zijn gemoed versomberd, was weggewaaid. Wolkenloos was de hemel en de toekomst hoopvol. Voortdurend zongen de wielen in de maat: nu begint het reizen ! De leeuweriken, de bergen, de telegraafdraden, alle zongen : nu begint het reizen ! In Salzburg verliet hij den trein. De klokken begroetten hem met zilver-heldere klanken en vervulden zijn hart met vreugde. De Dom knikte hem vroolijk toe en de oude fonteinen ruischten luider. Des namiddags beklom hij langzaam en vroolijk gestemd den Kapucijnerberg. Het was een lichte dag vol zonneschijn. Voor het kleine houten huisje, waarin Mozart de Zauberflöte gecomponeerd had, hield hij stil en nam eerbiedig zijn hoed af. Mozart ! Hij zag Hedwig vóór zich, die de viool onder de kin hield. Hoe edel en vroolijk stond haar gelaat! Hij zond innige wyenschen aan zijn geliefde. Verder ging hij, door het hooge woud naar het Francisci-slot. (Wordt vervolgd). 101 (25a)
PDF
Nummer
1915, nr. 101, 16 dec. 1915
Blad
04
Tekst
PANORAMA 4 IN DE EERSTE LOOPGRAVEN LI N I E OP DEN BALKAN. Links: Een ondergrondsche slaapplaats voor de Fransche soldaten. De ingang van het hol is met een zeildoek bedekt en door takken voor het oog van waarnemers uit de lucht verborgen. Midden: Een aantal genoodigde journalisten slaan in de eerste linie de krijgsverrichtingen van den vijand gade. Rechts: Fransche soldaten bezig met achter het front reserve-loopgraven aan te leggen. LA DAME ROUGE G. D1ETERLE had ik hooren vertellen van la dame rouge, doch tijdens al m’n zwerftochten in de Cóte d’ Azur, Algiers en in Egypte had ik haar nog nimmer ontmoet. La dame rouge weed zij genoemd en zij moest een der gevaarlijkste vrouwen zijn, die de mondaine plaatsen frequenteerden om hun slag te slaan. Als van al hetgeen men van haar daden vertelde, de helft authentiek was, dan nog zou zij een incarnatie van de misdaad zijn. Millionnairs had zij voor vermogens opgelicht en millionnairs, die in haar gezelschap gezien waren, verdwenen spoorloos om nimmer in hun land terug te keeren. In elke plaats der wereld, die een rendez-vous van de „high life” is, moest la dame rouge gedetineerd zijn • geweest, omdat zij verdacht werd van moord en oplichting, doch zij werd steeds na eenige weken, wegens gebrek aan bewijs, weer vrijgelaten. Ondanks deze minder schoone reputatie waren de Amerikaansche dames er wat trotsch op als la dame rouge tegen hen gesproken had en de millionnairs en billardairs waren meer in aanzien wanneer zij door die vrouw een paar duizend dollars lichter geworden waren. Om de waarheid te zeggen, begon ik aan het bestaan van die beruchte vrouw te twijfelen en beschouwde ik haar meer als een legendarische figuur . . . Tot ik haar op zekeren dag ontmoette. Enkele jaren geleden ging ik te Marseille aan boord om naar Egypte te gaan en toen de boot in volle zee was deed de kapitein aan zijn passagiers de mededeeling dat la dame rouge zich aan boord bevond en hij het zich zijn plicht achtte hen te waarschuwen niet met die dame in connectie te treden. „De reputatie van die dame is te over bekend om. mijn mededeelirig nader toe te lichten”, zeide hij nog. Onmiddellijk besloot ik kennis met haar te maken en haar te tarten mij als haar slachtoffer te kiezen ; beter gezegd: ik wilde haar ’t slachtoffer van mijn gril maken. We waren ai een geheelen dag in zee en de vrouw had zich nog niet laten zien. Een paar maal was ik langs haar state-room geloopen, doch die bleef gesloten. Den volgenden dag had de kennismaking plaats, ik ontmoette haar op het dek, terwijl zij bij een trap stond. DE TOESTAND VAN HET MONTEN EGRIJNSCH E LEGER. Gelet op de verschillende uniformen waarmede de bovenstaande, naar de .loopgraven vertrekkende Montenegrijnsche manschappen gekleed zijn, iaat de verzorging van dit leger wel wat te wenschen over. Zelfs burgerkleedingstukken doen dienst. Ze was een groote slanke vrouw, gekleed in ’n karmijnkleurig kleed en op de blonde krullen had zij een rooden hoed met een pleureuse van dezelfde kleur. De teint van haar fijn gevormd gezicht was mat-bleek, haar oogen waren blauw en haar kleine lippen bloedrood. Ze was een mooie vrouw, maar een van die vrouwen, die men kan bewonderen om haar schoonheid zonder er op verliefd te worden. De uitdrukking van haar oogen en haar gelaat was koel en haar bewegingen waren bestudeerd. Ik stelde mij aan haar voor, zij lachte en boog, maar noemde haar naam niet. „Is u op reis naar Egypte?” vroeg ik. „Neen, ik verlaat de boot als wij te Palermo zijn.” „Ach, dat spijt mij 1” ,,Spijt u dat? En men heeft u voor mij gewaarschuwd, want ik ben zóó gevaarlijk”, zeide zij terwijl ze lachte. ..Madame, men heeft mij voor u gewaarschuwd, maar er zal héél wat moeten gebeuren eer u gevaarlijk voor mij zult worden.” „Zooiets heeft menige vlieg ook gedacht aïs ze een spinneweb zag en toch vloog ze er in!” was haarrepliek, waarna zij boog en heenging. ïk was perplex ; die vrouw maakte er dus geen geheim van dat ze gevaarlijk was. in de haven van Palermo ging zij van boord; op het dek verdrongen de passagiers zich om haar te zien en toen zij langs mij ging stak zij mij haar kleine hand toe en zeide sarcastisch : „Baron d’Orsoie, u behoeft la dame rouge niet te vreezen ; zij is voor u niet gevaarlijk.” Een paar dagen later waren wij te Alexandrië en toen ik aan land ging, legde de kapitein zijn hand op m’n schouder en gaf mij den raad voorzichtig te zijn, want ik was niet de eerste die een avontuur met la dame rouge zocht en ik zou ook niet de eerste zijn, die het spel verloor. Gelijk heeft de brave man gehad ! * * * Een paar maanden had ik te Luxor doorgebracht en met m’n Arabischen bediende Achmed verschillende „trips” in den omtrek gemaakt. Het .leven begon mij er te vervelen en ik deelde Achmed mede dat ik van plan was naar Cairo te vertrekken. Hij keek mij aan met een uitdrukking op zijn gelaat of hij iets wilde zeggen en toen hij bemerkte dat ik dit zag, zeide hij : „Monsieur heeft Egypte nog niet gezien 1” „Nog niet gezien?” „Neen. monsieur heeft gezien wat alle Engelschen gezien hebben, maar dat is niet Egypte. Heeft monsieur gezien de orgiën van Ramses in het onderaardsche paleis ... Ramses omringd door bacchanten . . . DE N ED ER LAN DSC H E AMBULANCE TE PARIJS. Hierboven een kijkje in de groote zaal van de Pré Catelan te Parijs, waar de Nederlandsche ambulance gevestigd is. - F DE ENGELSCHEN OP DEN BALKAN. Engelsche soldaten in Servië op weg naar de voorste linie loopgraven. X
PDF
Nummer
1915, nr. 101, 16 dec. 1915
Blad
05
Tekst
5 PANORAMA „Ramses ?*’ ,,Ja ...... twee duizend jaar geleden is bet gebeurd .... bij een van de vele feesten .... zijn zij plotseling versteend .... er is niets veranderd, u ziet. . Het slot van den zin fluisterde hij in m’n oor. Hij had mij nieuwsgierig gemaakt en in den middag, toen het koeler werd, gingen wij op weg naar het onderaardsch paleis, waarvan de ingang in een voetstuk van een der zuilen van de colonnade moest zijn. Ik zat op een kemel, die door Achmed geleid werd; langzaam ging het door het mulle zand. Eentonig klonk het loopen van het dier, eentonig klonk het Arabische liedje dat Achmed neuriede .... Bij de tempel-ruïne liet hij het beest knielen en verzocht mij hem te volgen ; we moesten zeer voorzichtig te werk gaan, want als anderen er achter kwamen, dat hij een plek oe terrein moeilijkh eden. Oostenrijkers brengen een batterij bergkanonnen in stelling aan de Tiroolsche grens. hield mij doodstil en nu hoorde ik een heel zacht en voorzichtig loopen in twee richtingen. Een blauw licht viel op mijn gelaat en voor ik goed wist wat er gebeurde, was ik op den grond geworpen, werd m’n hoofd tegen den vloer gedrukt, en mijn armen langs m’n lijf gebonden. Er werd iets in het Arabisch gezegd, waarop men mijn hoofd losliet. Nu werd ik overeind geholpen en toen ik weer stond zag ik aan eiken kant een Arabier in ’n donkeren boernoes met een electrische lantaarn van blauw glas in de hand. ïk vroeg in ’t Fransch waar ik was en waarheen zij mij brachten, maar de kerels gaven geen antwoord en duwden me steeds vooruit, tot we bij een donzige rustbank kwamen ; zij dwongen mij daarop te gaan zitten en maakten het koord om mijn armen los. Nu greep een der kerels mij DE OOSTENRIJKSCHE KUSTWACHT, De Oostenrijksche kustwacht aan de Adriatische Zee. De matrozen wisselen seinen met de passeerende schepen. wist waar iets buitengewoons te zien was, dan verdwenen zijn groote fooien. Dit argument leek mij zeer aannemelijk en ik volgde Achmed in de schaduw van de zuilen, die als eeuwenoude reuzen in de zon stonden te blakeren........... ,.Monsieur, hierin,” fluisterde hij en wrong zich in een spleet in het voetstuk van een zuil. Ik volgde hem met moeite; hij stak mij zijn hand toe en we sprongen in een kuil van een meter diepte. Achmed bukte en kroop door een opening van een grooten meter in het vierkant, en we kwamen in een kleine tunnel die naar een trap leidde, die niet zeer groot was en eindigde in een donkere ruime gang. Uit een hoek tusschen den muur en de trap haalde hij een flambouw, vroeg mij om lucifers om deze aan te steken, terwijl hij zeide: ,,die heb ik altijd staan, omdat het zoo donker is.” De gang was nu rossig verlicht en wij liepen naast elkaar over den met puin bedekten vloer. Plotseling doofde hij het licht uit, ik hoorde een schaterlach en een geluid alsof een zware deur gesloten werd. „Achmed 1 . . . . Achmed 1” ... riep ik, zonder antwoord te krijgen. Ik luisterde maar ik hoorde niets, maar dan ook niet het geringste geluid. Nooit had ik geweten wat het is, absoluut niets te hooren. Men zegt wel eens, ik hoorde geen geluid, maar dat is ,,par manière de dire”. Absoluut niets hooren is iets vreeselijks. Ik kreeg een sensatie of ik doof en blind was geworden, want niets kon ik onderscheiden. Ik gevoelde me of ik geblinddoekt was; m’n handen raakten m’n oogen zonder dat ik ze zag. Ik sloeg met m’n armen in de hoop dat ïk iets zou raken, maar ik sloeg in de lucht. Voorzichtig liep ik een paar passen vooruit, maar onmiddellijk deed ik weer evenveel stappen achteruit, daar ik ineens vreesde in een afgrond te zullen storten. Nu bleef ik onbeweeglijk als een beeld staan met rond mij een volslagen duisternis, ,,Achmed . . . Achmed . . . waar ben je . , . heb je een ongeluk gekregen?” riep ik nogmaals, maar m’n geroep bleef onbeantwoord en klonk vreemd in die donkere, stille ruimte .... Eensklaps zag ik recht tegenover me een klein blauw lichtje, dat bewoog; een oogenblik later zag ik een tweede dat zich in de tegenovergestelde richting van het eerste verplaatste. Ze verdwenen weer even plotseling als ze gekomen waren, om daarna weer zichtbaar te worden ; nu beide dicht bij elkaar. Men scheen mij te zoeken, want de lichten waren blauw-glazen lantaarns, die als een kleine oppervlakte afgezocht was, snel verborgen werden. Ik DE STRIJD IN SERVIË. In het Morawadal staan uitgestrekte terreinen geheel onder water, hetgeen de operaties ten zeerste bemoeilijkt. Op onze foto ziet men een Duitsche proviandcolonne door het overstroomde gebied trekken. HET ZWARE OOSTENRIJKSCHE GESCHUT. Een Oostenrijksche mortier in het Alpengebied in vuurstelling. bij mijn polsen en strekte mijn armen uit. ’t Was een oer-sterke kerel want het geleek wel of m’n polsen in ijzeren klemmen geslagen waren. De andere fouilleerde mij en nam mij alles af; toen hij daarmede gereed was zeide hij iets dat ik niet verstond, m’n polsen werden los gelaten en de kerels verdwenen snel, met de lantaarns in hun boernoes verborgen, zoodat ik niet kon zien waarheen ze vluchtten. Nu zat ik weer in diepe duisternis. In mijn onmiddellijke nabijheid moesten menschen zijn, want ik hoorde een zacht loopen en fluisteren. Plotseling werd de ruimte electrisch verlicht en tegenover mij zat la dame rouge, leunend op een sofa. BERICHT. Abonnés die klachten hebben over de bezorging van ons blad, gelieven deze met opgaaf van den Boekhandelaar, bij wien zij geabonneerd zijn, rechtstreeks te richten tot de Administratie van PANORAMA, DOEZASTRAAT 1-3-5, LEIDEN. DE KRIJGSBUIT. Een door de Duitschers veroverd Servisch artillerie-park, waarbij groote voorraden wapenen en ammunitie werden buitgemaakt. EEN NEERGESCHOTEN VLIEGMACHINE. Een door de Duitschers in Noord-Frankrijk neergeschoten Fransche vliegmachine, waarvan de vleugels verbrand zijn, zoodat alleen de stalen kast overbleef.
PDF
Blad 
 van 2380
Records 2076 tot 2080 van 11897