|
Buschgart op zulk een rare bruiloft ja en amen zal
zeggen?”
„U kent den generaal niet, en u kent Hedwig
niet, grootmoeder. Hij zal zijn toestemming tot het
huwelijk niet terugnemen, en Hedwig is bovendien
meerderjarig.”
De oude barones meende twijfelend : „Ik kan
mij weliswaar niet goed voorstellen, hoe dat
zal gaan maar ik ken ten slotte de tegenwoordige
zeden te weinig. Mijnheer Von Buschgart moest
’t eigenlijk een groote eer vinden dat zijn dochter
een Baronesse Heinersdorff wordt.”
Hij antwoordde lachend :
„Dat is heelemaal onjuist, grootmoeder. Ik
mag blij zijn wanneer Hedwig mij neemt. Zij
is duizendmaal beter en meer waard dan ik.”
„Ik hoop dat je zulke smakelooze dingen
alleen aan mij vertelt en niet aan je meisje!”
„O neen, ik zeg het ook aan Hedwig, zoo dikwijls
ik kan.”
De grootmoeder verklaarde afkeurend :
„Nu, dat zal een möoi huwelijk worden !” Daarna
zweeg zij een tijdlang hardnekkig
en overlegde.
Eindelijk zeide zij vastbesloten
: „Geloof mij, mijn jongen,
zoo gaat ’t toch niet. Je moet
een of anderen vorm vinden om
met den ouden ezel tenminste
uiterlijk de diplomatieke betrekkingen
weer aan te knoopen.
Dat heeft immers verder in
’t geheel niets te beteekenen.
Wij staan ook tegenover Rusland
in vriendschappelijke betrekkingen.”
„Dat is louter onzin ! Ik kan
niet naar een generaal gaan en
zeggen: Pardon, generaal, ik ben
heusch geen lafaard. Mijn woord
van eer !”
„Dat verlangt ook niemand.”
„Maar wat dan ?”
Zij antwoordde nadenkend:
„Wanneer je inderdaad zoo
veel gelegen is aan het meisje,
zal ik ook iets voor je doen. Ik
ben weliswaar sedert een paar
honderd jaar niet van Heinersdorff
weggeweest, maar jou ter
wille zal ik naar Weenen reizen.”
„Waarvoor ?”
„Ik zal naar meneer Von
Buschgart gaan en hem mijn
meening zeggen.”
„Om ’s hemelswil niet!” riep
Heinersdorff verschrikt.
„Je kunt je op mij verlaten,
jongen. Ik zal den goeden generaal
overtuigen dat er geen
Heinersdorff bestaat die een
lafaard is. Een uur later zal hij
je zijn verontschuldiging aanbieden,
daarvoor steek ik mijn
hand in ’t vuur.”
Heinersdorff zeide lachend :
„Dat moet volstrekt niet gebeuren,
grootmoeder. Zooals ik
u ken ransel u elkaar binnen
tien minuten af.”
„Ik zal hem heel kalm mijn
meening zeggen.”
„Neen, neen, dat gaat niet. U
zoudt alles bederven.”
De barones antwoordde een
weinig beleedigd :
„Goed, zooals je wilt. Ik had
je alleen van dienst willen zijn.”
Hij dacht even na:
„U zoudt mij echter een anderen
vriendschapsdienst kunnen
bewijzen, grootmoeder.
„En ?”
„U moet op de bruiloft met
mij naar Weenen reizen.”
„Als garde of om je te bewaken
?” — „Neen, dat niet,” lachte hij, „maar het
is heel goed als er iemand van mijn familie bij is.
U kunt de moeilijkheden overbruggen.”
„Ik doe wat je wilt. Voor jou reis ik zelfs naar
Weenen. ’ ’
„Ik dank u hartelijk, grootmoeder.”
Zij besloot :
„Maar na de bruiloft zal ik den generaal mijn
meening zeggen !”
Hedwig Buschgart schreef zeer dikwijls. Het
waren dappere brieven, die niets van haar leed en
haar zorgen verrieden. Zij schreef niets over de
trieste, eindelooze avonden die zij in het huisje te
Hietzing doorleefde. De generaal zat zwijgend
en hield de courant in de handen 'zonder te lezen.
Hij staarde onafgewend zijn geliefde dochter aan,
die het bleeke gezicht diep over haar borduurwerk
gebogen hield.
Mij wilde haar iets troostends zeggen, maar hij
kon het niet. Hij wilde vragen :
3
„Wat moet het nu worden met jou en Heinersdorff ?”
De domme trots hield zijn tong gebonden. Hij zweeg
en zag met klimmenden angst hoe bleek en smal
de dochter werd. Hij beproefde haar afleiding te
geven. Hij bracht uitnoodigingen en biljetten voor
den schouwburg of voor concerten mee.
Zij weigerde die :
„Ga maar alleen, vader. Ik ben niet in de stemming.”
Dikwijls, wanneer het zwijgen ’s avonds ondraaglijk
werd, verzocht hij haar te spelen. Ze legde gehoorzaam
haar werk op zijde en ging aan de piano zitten.
„Wat zal ik spelen, vader ?”
„Wat je maar wilt kind.”
Ze speelde dan altijd Grieg. Haar geheele smart
en haar bitter leed legde zij in haar spel, dat hem
toe scheen als een zwijgende aanklacht. Generaal
Buschgart begon Grieg te haten.
Eens vroeg tante Klara in een brief wanneer de
bruiloft zou zijn. De generaal las den brief en schoof
hem Hedwig zwijgend toe. Zij las hem vluchtig
door en gaf hem zonder iets te zeggen aan haar
vader terug.
BEUKENLAAN.
toegang gevend tot het landgoed „De Poll” te Voordt (G.)
Heinersdorff wist niets van dezen zwijgenden
strijd. De brieven die hij ontving waren niet al te
vroolijk of opgeruimd, maar toch niet verontrustend
of hopeloos. Hedwig had immers waarlijk geen reden
om te juichen óf vroolijk te zijn. Hij informeerde
eens of hij ook naar Weenen zou komen. Zij schreef
terug dat hij zijn bezoek liever maar moest nalaten.
„Wacht tot den herfst, liefste. Het is beter zoo.
Wij kunnen toch niet samen zijn, zooals het zou
moeten. Het is voor mij een neerdrukkend gevoel
om ’s avonds in het geheim het huis te moeten uitsluipen
om met jou, lieveling, in een andermans
tuin een paar woorden te kunnen spreken. Wanneer
je dan weer van me gaat, voel ik dat dubbel zwaar.
Laten wij tot den herfst wachten. Dat duurt zoo lang
niet meer. De vlier bloeit reeds.”
Heinersdorff bleef op zijn kasteel. Hij reed veel,
maakte bezoeken bij de buren, op regendagen las
hij in de oude Kronieken die in de bibliotheek waren,
en later wijdde hij ook eenige aandacht aan het
landbouwbedrijf, maar alles wat hij deed geschiedde
PANORAMA
zonder de rechte lust of vreugde. De vroolijkheid
der eerste dagen was verdwenen. Een doffe, kwellende
angst zat hem in het hart en drukte hem neder.
Op een ochtend, het was reeds Juni, vroeg de
grootmoeder hem aan het ontbijt :
„Zeg me nu eens, jongen, wat heb je eigenlijk ?
Je loopt rond als of de kippen je al het brood hebben
opgegeten.”
„Onzin,” bromde hij.
„Neen, geen onzin. Je eet niets ; je drinkt niets ;
je lacht niet. Wat beduidt dat ?”
„Ik ben ook wel ’n beetje landerig, grootmoeder,”
antwoordde hij ongeduldig.
„Ik geloof dat je je hier verveelt.”
„Volstrekt niet.”
„Jawel,” hield de grootmoeder vol. „Je verveelt je.
Dat begrijp ik eigenlijk heel goed. Je hebt niets te
doen. Zenuwachtig ben je ook, zooals iedere rechtgeaarde
bruigom, en je verlangt toch ook naar je
generalen staf.”
„Praat me niet zulke dingen in ’t hoofd, grootmoeder.”
„Ik zal je een raad geven,
George,” zeide de verstandige
oude vrouw.
„Nu?”
„Ga op reis ! Dat zal je verstrooien
en je door den saaien
zomer helpen.”
„Waarheen moet ik dan reizen
?” vroeg hij norsch.
„Reis naar Oostenrijk !”
„Naar Oostenrijk ?”
„Ja,” antwoordde de grootmoeder,
„maak een ontdekkingstocht
door Oostenrijk. Ken je je
vaderland dan ? Neen ! Welnu,
vooruit dan !”
„Ik moet er nog eens over
denken,” antwoordde hij ontwijkend
en stond van tafel op.
’s Avonds zeide hij :
„Je hebt gelijk, grootmoeder!”
„Ik heb altijd gelijk.”
„Ik zal op reis gaan.”
„Bravo !”
„Dat zitten en wachten tot
den herfst is mij ondraaglijk !”
riep hij.
„God zij dank dat je ’t zoo
goed inziet.”
„Ik zal een paar maanden door
Oostenrijk trekken en in September
direct naar Weenen gaan.
Dan kom ik terug en haal u voor
de bruiloft.”
Zij zong vroolijk: „Treulich
gefüurt. . . .”
Hij glimlachte.
„Dat je nu toch ook eens je
mond vertrekt ! Ik geloofde al
dat je het lachen heelemaal had
verleerd, jou domme jongen.”
Zij riep overmoet • g :
„Frans, zeg aan Poldi dat zij
twee flesschen boven brengt van
den wijn die ... .” De bediende
vulde eerbiedig aan :
„In den hoek rechts. Ik weet
’t al barones !”
„Vooruit dan. Looppas !” riep
de grootmoeder.
„Vandaag drinken wij ons een
kleinen afscheidsroes,” lachte zij
met flikkerende oogen. „Zonder
pardon of tegenstand en morgen
gooi ik je de deur uit. Begrepen?”
Hij zeide met bewondering:
„Ik wilde dat ik zoo jong als
u was, grootmoeder.”
Den volgenden dag vertrok hij.
Het was een wondermooie, als
in zijn jeugd zoo heerlijke reis
(foto r. Tepe). ZOo zonder plan of doel, op goed
geluk. Hij had een gevoel van
onbekende vrijheid toen hij in
den trein zat. Alles wat hem in Altheinersdorff
bedrukt had en zijn gemoed versomberd, was weggewaaid.
Wolkenloos was de hemel en de toekomst
hoopvol. Voortdurend zongen de wielen in de maat:
nu begint het reizen ! De leeuweriken, de bergen,
de telegraafdraden, alle zongen : nu begint het reizen !
In Salzburg verliet hij den trein.
De klokken begroetten hem met zilver-heldere
klanken en vervulden zijn hart met vreugde.
De Dom knikte hem vroolijk toe en de oude fonteinen
ruischten luider. Des namiddags beklom hij
langzaam en vroolijk gestemd den Kapucijnerberg.
Het was een lichte dag vol zonneschijn. Voor het
kleine houten huisje, waarin Mozart de Zauberflöte
gecomponeerd had, hield hij stil en nam eerbiedig
zijn hoed af. Mozart ! Hij zag Hedwig vóór zich, die
de viool onder de kin hield. Hoe edel en vroolijk
stond haar gelaat! Hij zond innige wyenschen aan
zijn geliefde. Verder ging hij, door het hooge woud
naar het Francisci-slot.
(Wordt vervolgd).
101 (25a)
|