Panorama

Blad 
 van 2380
Records 2071 tot 2075 van 11897
Nummer
1915, nr. 100, 13 dec. 1915
Blad
04
Tekst
PANORAMA 12 NOODWEER AAN DE HAVEN VAN SALONIKi Voor eenigen tijd heeft een hevige storm, gepaard gaande met groote vloedgolven» de haven van Saloniki geteisterd. De foto links, die genomen werd toen de storm het hevigst woedde, vertoont een gedeelte der vloot der Gealliëerden. De golven slaan over de havenhoofden heen. De rechter afbeelding doet zien welke gevolgen het noodweer had voor het verkeer: de aan land gespoelde tonnen en stukken wrakhout worden van de tramrails verwijderd. Avontuur van Jetf Klaroen Uit de mémoires van een dief. door P. KLOPPERS. 'u ik besloten ben mijn mémoires te publiceeren, bemerk ik pas bij het doorbladeren van mijn aanteekeningen hoe veel ik opgeschreven heb, dat weinig interessant en eigenlijk de moeite van het opschrijven niet waard is geweest. Vele kleine episoden uit mijn bewogen leven, DE STRIJD IN HET OOSTEN. Russische soldaten visschen stukken hout op van de noodbrug over de bevroren Vistula, die de Duitschers hebben doen springen. voor mij onvergetelijk, zouden het publiek maar heel matig interesseeren en hier en daar is mijn dagboek zelfs zulk een aanéénschakeling van banale voorvallen (het zijn volstrekt niet alle groote ,,coups”, die den beroepsdief aan een zondenregister en een broodje helpen), dat ik me afvraag, hoe ik er ooit toe ben gekomen sommige futiliteiten aan het papier toe te vertrouwen. De kleinere gevallen dateeren in hoofdzaak uit het begin van mijn loopbaan ; met de jaren vermeerderden mijn ervaring èn handigheid en allengs legde ik me uitsluitend op „groot werk” toe. Met mijn kameraden en ook wel op eigen gelegenheid heb ik stukjes uitgehaald waarvan ik me nu afvraag hoe we ze durfden bestaan, ik denk aan de inbraak in de groote roodbaksteenen villa, die daar eenzaam op de Veluwe stond, ’n twintig minuten van Nunspeet ----- hoe zorgvuldig hadden we alles voorbereid en hoe jammerlijk mislukte ons plan door het onnoozelste toeval .... Ik denk aan onzen coup bij de ,,Nationale Bank voor Zekerheidsstelling”, waar ik drie en een halve maand als looper diende — van den eersten dag af uitsluitend met het doel den boel op te nemen en het terrein te verkennen ; ik denk aan onze inbraak in het Utrechtsche Spoorwegstation waar we met z’n vieren de brandkast uit ’t kantoor sleepten en op ’n trolley naar Blauwkapel reden, en ze daar, langs den spoordijk, opensneden als ’n sardineblik .... Die tiid is voorbij en ik heb er geen spijt van. Ik ben nu een eerzaam en geacht burger en tracht door harden arbeid mijn schuld aan de maatschappij in te lossen. Maar laat ik geregeld verhalen. In 1911 had de groote ommekeer in mijn leven plaats, ’t Gelukte dien verduivelden Amor, die zoo lang vergeefs op me geloerd had, mij in zijn netten te verstrikken. Het was een blond, vroolijk meisje in wier lachende o ogen ik te diep keek. Tot over mijn ooren was ik weldra verliefd en, zooals dat in de romans heet „mijn liefde werd beantwoord.” Ik kan mij — de eigenlof zij mij ditmaal vergeven — zeer beminnelijk voordoen ais ik wil en het gelukte mij het hartje van het liefste meisje te stelen .... zooals ik zooveel gestolen had in mijn leven. In snel tempo volgden zich nu de gebeurtenissen op. Ik bevond mij in een moeilijk parket en verwenschte mijn levenswandel. Toch meende ik, daar ik bij al mijn schelmerijen nooit geld had weten over te houden, het beste te doen een grooten slag te wagen. Krantenlezers met een goed geheugen zullen zich de in dien tijd plaats gehad hebbende diefstal van het paarlcollier van baronesse Vredenborgh nog wel herinneren: het was mijn werk. Drie dagen later stierf de vader van het meisje dat ik beminde en wier naam ik in dit verband niet noemen wil -— ze bleef alleen achter, — rijk en onafhankelijk. Wij huwden, en op den dag van ons huwelijk zond ik baronesse Vredenborgh het- collier terug — waarvan zij echter nimmer iets aan de buitenwereld liet blijken. Hare achterhoudendheid heb ik nimmer begrepen en deze is me, zooals uit het vervolg van m’n verhaal blijken zal, bijna noodlottig geworden. Wij vestigden ons in het Gooi en voorzichtig en bij stukjes maakte ik mijn vrouw bekend met mijn antecedenten, die ik steeds voor haar had weten verborgen te houden. Haar liefde was groot genoeg om den schok te weerstaan. Slechts stond ze er op dat ik met werken mijn schuld zou inboeten en ik gehoorzaamde graag aan haar bevel. En als ik nu wel eens over EEN VEROVERDE FRANSCHE DUIKBOOT. De Fransche duikboot Tourguoise, die door de Turken werd veroverd en opnieuw gedoopt werd met den naam Mustedto-Oubaschi. EEN VEROVERDE FRANSCHE DUIKBOOT Het gebed vóór den doop van de boot. DE OORLOGSTOESTAND ,N NOORD-FRANKRIJK. Als nieuwe maatregel is door de Duitschc overheid in het bezette gebied van Noord-Frankrijk bepaald, dat ieder in’t vervolg van een pas moet zijn voorzien. Om ontduiking van dezen maatregel te voorkomen, krijgt iedereen een nummer en wordt hij daarmede gefotografeerd. De linker foto geeft het kieken en registreeren weer van de bevolking van een dorpje in de omgeving van Arras. De rechter afbeelding toont aan dat zelfs nonnen op deze wijze worden gefotografeerd,
PDF
Nummer
1915, nr. 100, 13 dec. 1915
Blad
05
Tekst
13 PANORAMA DE TRAGEDIE IN SERVIË. Een aangrijpend beeld: de laatste Servische krijgsgevangenen worden voor de oogen van vrouw en kinderen weggevoerd. DE OVÊRHËERSCHERS. Hongaren, deel uitmakend van de bezetting, in een Servisch dorpje. de stille boschwegen loop en naar de wuivende boomen luister, of als ik over de verre, bruine heide tuur, of naar den blauwen hemel, waar witte wolkenschepen zachtjes langs drijven, — als ons dorp zich baadt in het gouden zonnelicht en de roode pannedaken vroolijk afsteken op een verschiet van donker groen, dan begrijp ik zelf wel niet dat mijn vredig, gelukkig bestaan van thans voorafgegaan werd door den zenuwmoordenden strijd van den outlaw tegen de maatschappij, door een leven van koelbloedige waaghalzerij, van avonturen en bravoure. Maar mijn dagboek herinnert me aan de waarheid . .. Nog éénmaal zou ik teruggevoerd worden in de atmosfeer van misdadigheid die ik ontvlucht was. Het was op een somberen herfstdag in October dat ik den brief ontving die aanleiding zou worden tot het avontuur dat ik u ga verhalen, en dat ik u aan de hand van mijn aanteekeningen zoo geregeld mogelijk zal navertellen. Uit den grijzen, roerloozen hemel viel dien dag de fijne motregen zonder ophouden, de bruine en gele bladeren dwarrelden van de druipende boomen : dat was het wazige, melancholische Holland waar je droefgeestig aan denkt als je in verre zonnelanden vertoeft, maar waar je hart naar trekt. Ik kwam tegen den avond thuis in m’n glimmende regenjas, waar ’t water van afdroop. Binnen was ’t gezellig en warm, ’t diner was gereed en ik kreeg ’t behaaglijke, veilige gevoel dat de middeleeuwsche reiziger moet hebben ondervonden als dikke, stevige burchtmuren hem in den avond gastvrijheid boden. Tegen zevenen werd er gescheld en kwam de fatale brief. Ik brak hem open en las : „Kom Donderdag a. s. tegen negen uur ’s avonds in het Hanze-gebouw. Cnze, en vooral jouw veiligheid hangt af van je tijdige komst. „DE VIER.” Ik liet ’t epistel aan mijn vrouw lezen en we overlegden. Ze wilde me bij zich houder^ - zooals iedere vrouw in zoo’n geval gewild zou hebben. Maar ik was van andere meening. Ik dacht aan mijn, en vooral aan haar veiligheid, die bedreigd werd. Ik wist zeer goed wie het korte, raadselachtige briefje geschreven hadden, alleen vroeg ik mij af, hoe zij DE WEERLOOZE SLACHTOFFERS. Servische vrouwen zwerven hongerig en met de wanhoop in het hart langs de wegen, niet wetend waar voedsel en onderdak voor zich en haar kinderen te vinden. mijn woonplaats hadden weten uit te vinden. Intusschen — ik besloot aan den oproep gevolg te geven en nam, na duizenderlei beloften over omzichtigheid en onmiddellijke terugkomst, afscheid van mijn vrouw. Ze schreide bij het vertrek en ik was lang niet in ’n opgewekte stemming toen de trein me dien zelfden Woensdagavond nog naar Antwerpen voerde. Prompt negen uur stond ik den volgenden avond voor het Hanzegebouw. Het stond in een zijstraat van de Keyzerlei, dien Vrooliiken boulevard, waar ’t vóór den oorlog zoo jolig placht toe te gaan . . . Het was een oud, grauw gebouw, dateerend uit SERVIË EN ALBANIË. Albaneesche vrouwen informeeren aan de Servische grenswacht naar het lot van hun als krijgsgevangen weggevoerde echtgenooten. den Spaanschen tijd, en in den gevel was een steen aangebracht waarin een bepluimde ruiter gebeeldhouwd stond — Anno Domini 1589. Van binnen was het huis gemoderniseerd in sommige opzichten, er was electrisch licht en er was een goederenlift, — ’t gebouw diende, overdag tenminste, uitsluitend voor magazijn en kantoor van den expediteur Henri Couwart. De blonde, altijd vrooliike en grappige Henri was de meest gewetenlooze schurk dien ik ooit ontmoet heb. De wereld kende hem als koopman in-goeden-doen, als eerIN HET BEZETTE GEBIED. De burgerbevolking van Krusevatsch (Servië) wordt op een hoop gedreven, waarna de strijdbare mannen worden afgezonderd en weggevoerd. Vrouwen en kinderen moeten zich verder zonder den steun van hen zien te redden. baar burger en sportman, — wij, zijn intieme bekenden, wisten hoe hij in ’t duister wroette en er weergaloos-handig in wist te slagen anderen steeds de kastanjes voor zich uit ’t vuur te laten halen. Het Hanzegebouw, zijn eigendom, diende ons jaren als veilige plaats van samenkomst daar werden de plannen beraamd en de schema’s in elkaar gezet van menigen stoutmoedigen roof .... Ik trok aan de zware koperen schel, de deur werd mij opengedaan en ik klom de trappen op naar het mij welbekende achtervertrek op de bovenste verdieping. Toen ik binnentrad met Couwart, die me had opengedaan, zag ik drie van mijn vroegere kameraden en collega’s om een tafel zitten, een internationaal gezelschap : Karl Schöntur, de sluiper, Emil Borndjef, een Pool die ongelooflijk sterk was en altijd zweeg en Guus Baas, de elegante man van de wereld die, evenals ikzelf eenmaal, voornamelijk in de juweelenbranche werkte. De vier verwelkomden me, Henri schoof met ’n joviaal gebaar ’n stoel aan, ik nam 'plaats en . . . zag op ’t zelfde oogenblik een viertal revolvers op me gericht. Ik was in een valstrik geloopen. Maar welken? en wat hadden zij in ’s hemelsnaam voor ? Verbaasd keek ik, zonder te spreken, van den een naar den ander. „Kijk maarzoo schaapachtig niet,” klonk de spottende stem van Couwart, „je zult ons heusch niet om den tuin leiden door den onnoozele te spelen.” „Wat, in ’s hemelsnaam, heeft dat alles te beduiden ?” riep ik uit. „Dat zal ik je vertellen als je dan zoo onnoozel bent,” hernam Couwart. Iets in zijn manier van spreken verontrustte me. Ik wist dat hij een stillen wrok tegen mij koesterde, omdat ik hem jaren geleden eens belet had een daad te volvoeren, zóó laag en laf als alleen hij uit kon denken. BERICHT. Abonnés die klachten hebben over de bezorging van ons blad, gelieven deze met opgaaf van den boekhandelaar, bij wien zij geabonneerd zijn, rechtstreeks te richter, tot de Administratie van PANORAMA, DOEZASTRAAT 1-3-5, LEIDEN. DE REQUISITIES. Door de requisities wordt de ellende in Servië nog ondraaglijker.
PDF
Nummer
1915, nr. 100, 13 dec. 1915
Blad
06
Tekst
PANORAMA 14 „Kijk,” zei hij. „we hebben jaren lang samen gewerkt, gedeeld en gezwegen. Nu trek je je terug. Best, moet je : elf weten. Maar zooals we met jou gedeeld hebben moet je ’t ook met ons doen. Het collier van mevrouw Vredenborgh, dat je machtig bent geworden, is, ik weet het, minstens 20 mille waard. Wil je ons ons deel geven, ja of neen ?” Nu begreep ik waarom ik naar Antwerpen gelokt moest worden : de hebzucht, in wier dienst ik zélf zoo menig onrechtmatige daad had verricht, keerde zich tegen mij. ,,Het collier,” zei ik, ,,heb ik de eigenaresse weer teruggezonden en . . . Couwart’s spottende lach brak mijn zin af . . . ,,Je hebt met geen kinderen te doen”, sprak hij nog eens ,,wil je deelen of niet ?” ,,ïkheb ’t collier niet meer - dat is alles wat ik je antwoorden kan,” zei ik. „Neem dat dan alvast, verrader,” en met deze woorden sloeg Couwart mij met den knop van zijn revolver tegen het hoofd. Het schemerde mij rood voor de oogen en ik tuimelde achterover. Een oogenblik moet ik buiten kennis geweest zijn, doch ik kwam dra weer bij en oordeelde het het verstandigst voorloopig den bewustelooze te spelen. ..Pak hem op” hoorde ik weer Couwart’s stem. De anderen gehoorzaamden en vatten mij aan. Ze droegen mij het vertrek uit en de trappen af. Wat zij met mij voorhadden kon ik niet vermoeden, maar ik zou het weldra weten. Tot in den kelder daalden ze af, daar deden zij een deur open en lieten me op den steenen vloer liggen. „We zullen meneer pletten, tot er geen sprank leven meer in hem is,” zei Couwart op zijn gewonen, joviaal-gezelligen toon, en Borndjef, de Pool, lachte in zijn keel. Het viertal sloot de deur en klom naar boven en ineens werd me hun plan duidelijk. Ik lag op den vloer van de stopplaats van de groote, zware goederenlift, — nog een minuut wellicht en het gevaarte zou neerdalen en me verpletteren. In één sprong was ik overeind en trapte tegen de deur maar ’t was vergeefsche moeite. Koortsachtig werkte mijn brein om een manier te vinden tot ontsnappen, maar mij scheen geen kans te blijven. Ik keek om me heen, naar boven — in de verte zag ik de onderzijde van de lift. die dadelijk dalen kon, .... ik sloeg mijn blik naar den grond .... en plots flitste een idee mij door het hoofd, dat een goede genius mij moet hebben ingegeven, ’t Was een eenvoudig, simpel denkbeeld dat mij een kans op redding bood .... De keldervloer was met zeer groote, vierkante, gehouwen tegelsteenen geplaveid — dat moest mijn redding zijn. Snel tastte ik in mijn zakken, die mijn vijanden gelukkig niet hadden doorzocht. Mijn groot, stevig zakmes openknippen was ’t werk van een. oogenblik en met een gesmoorden kreet wierp ik me op de knieën. Het geluk begunstigde mij. De kalk tusschen de steenen was bros en. los, vermoedelijk door den moerassigen grond waarop het huis stond. Alles hing nu af van mijn snelheid. De wanhoop gaf mij kracht en ik gunde me zelfs geen tijd een blik naar boven te werpen, naar de dreigende lift. Mijn belagers hadden het blijkbaar niet noodig geoordeeld zich te haasten, — nog altijd daalde het gevaarte niet. . Met een laatsten, wanhopigen ruk, kreeg ik het vierkante bakbeest uit de voegen — op dit oogenblik hoorde ik het bekende zoeven van een lift die in beweging komt en nimmer heb ik met grooter ontzetting een onheil zien naderkomen dan in dien klammen kelder. Snel plaatste ik den steen rechtop, en hield hem, terwijl ik mezelf languit en zoo plat mogelijk tegen den grond drukte, met m’n beide handen, die bebloed waren van den ingespannen arbeid, krampachtig vast. De steen stak een kleinen decimeter boven mij uit — kon hij den druk van de lift weerstaan, dan was ik, voorloó- pig althans, gered. Het gevaarte naderde en het monotone, zacht-zoevende geluid klonk me als een doodsbed in de ooren. Nog een meter was de lift boven me, . . . . nog een halve meter, daar— bang, bonsde ze op den steen en — stond. Hoe lang ik zoo plat gelegen heb weet ik niet, — vermoedelijk niet langer dan ’n vijf minuten, maar de tijd scheen me een eeuwigheid toe. Eindelijk vernam ik het klik-klak van de zich in beweging stellende lift en geen seconde later hoorde ik iemand de keldertrap afdalen. Een joviaal-voldaan lachje klonk me in ’t oor — geen twijfel, het was die duivel Couwart. Aan de stappen kon ik opmaken dat hij alleen was ; it anderen schenen toch te kieschkeurig te zijn om zich te VAN *N SCHOON EN MENSCHLIEVEND WERK. Als een idylle van vrede, temidden van afschuwelijke, de menschheid ont~ eerende moordpartijen, ligt Zwitserland in zijn ongestoorde rust en met zijn zuivere, maagdelijke schoonheid. Het is een aangename verkwikking voor onzen door-de-dageiijksche-oorlogsgruwelen-afgestompten geest, in gedachten te vertoeven bij het stille werk. dat des vredes is, en dat nog steeds door de broeders van het St.-Bernardsklooster, op den hoogsten top van den St. Gothard gelegen, met even groote zelfopoffering als vóór den oorlog verricht wordt. — Op deze pagina brengen wij enkele foto’s, het dagelijksch werk van deze menschiievende kloosterlingen in beeld brengend. Hierboven het dresseeren der honden, die verdwaalde reizigers moeten opsporen. De honden vinden een verdwaalden reiziger en kondigen door luid geblaf aan, dat hulp noodig is. De reddingsbrigade keert na volbrachten arbeid huiswaarts (foto's V.F.B.) komen vermeien in den aanbhk van mijn verplet lichaam Ik richtte mij op en wachtte. De stap naderde — de ckm ging open en op ’t zelfde oogenblik wierp ik mij op mijn vijan . Hij tuimelde achterover met ’t achterhoofd op den steener, vloer en bleef liggen. Zonder op- of omzien snelde ik de trap op en vond de baan vrij. Ik was ontsnapt en stond weldra in de koele, verkwikkende buitenlucht. Aan aangifte bij de politie kon ik natuurlijk niet denken en er bleef me niets anders over dan zoo spoedig mogelijk naar Holland terug te keeren. Van drie van het viertal dat mijn vermeende ontrouw op zoo wreede manier had pogen te straffen, heb ik tot heden nimmer meer iets vernomen. Vreezen ze mij en achten zij het beter zich niet meer aan mij te wagen ? Ik moet bekennen dat ik lange, lange maanden in stille vrees heb geleefd voor een nieuwen aarv slag. Het was vooral, neen uitsluitend Couwart, van wien ik alles verwachten kon en het is misschien niet edel van me, maar ik moet bekennen dat een gevoel van vreugde en ver lichting over me kwam toen ik, nu juist vier weken geleden, in het avondblad dit bericht las : „Te Antwerpen is de algemeen-geziene expediteur, de heer H. Couwart, een dezer dagen onder beschuldiging van spionnage door de Duitschers in arrest gesteld en gistermorgen te 10 uur gefusilleerd.” Zoo heeft hij dan toch het einde dat hij verdiende niet kunnen ontloopen en zijn dood herinnert me er een keer te meer aan dat het avontuurlijke, riskante bestaan van den outlaw zijn keerzijde heeft en meestal, hoe handig schrandere romanciers het met poëtische aantrekkelijkheid weten te omstrikken en omlooveren, het meest ontstellende en wreede proza is. De Orde van de Broodkorst Tafereel uit de Fransche Revolutie. Ia lanterne' A bas 1’aristocrat!” ’t Gezicht van ’n woedende volksmenigte, hun rumoer, hun geschreeuw is angstwekkend, ten allen tijde, doch was dit vooral in die vervloekte dagen van den Terreur. Gelukkig past de menschelijke natuur zich aan de meest ongunstige toestanden aan, en zoo was ik ongevoelig geworden voor de verschrikkingen van dit tijdperk. Mijn leven had reeds te vaak aan een zijden draad gehangen, dan dat ik zoo spoedig verschrikt zou zijn. Het zachtste gefluister, dat ook ik een aristocraat was, zou voldoende zijn geweest om mij aan den dichtstbijzijnden lantaarnpaal op te knoopen. Mijn vermomming als werkman had mij nochtans uit menig gevaar gered en ik had zelfbeheersching geleerd in een harde school. Ik wilde snel voortloopen, doch de menigte versperde mij den weg en ik werd met kracht in een portiek gedrongen tegenover een huis, waaruit een drom volks stroomde, die zich onder de menigte verspreidde. Alle hoofden waren naar de geopende deur gericht en alle halzen rekten zich uit, terwijl een koor van stemmen riep: „Komt hij?” „Waar is hij?” „Waar is de vervloekte aristocraat ?” „Hij komt 1” Een klein mannetje vertoonde zich voor een der ramen van de benedenverdieping en — met een sprong — was hij opeens middenin de golvende menschenmassa. Het kleine armelijk gekleede creatuur werd met een gebrul van vreugde door de menigte begroet en als ’t ware bij acclamatie als hun leider aangenomen. „Concitoyens! Medeburgers 1” schreeuwde hij en wild gesticuleerende wees hij naar de ramen der eerste verdieping en naar een in de nabijheid staanden lantaarnpaal. Een storm van applaus was zijn antwoord; een reusachtige sjouwerman pakte het mannetje als een kind op, zette hem op zijn breede schouders en vanaf zijn hooge zitplaats vervolgde de volksmenner zijn toespraak. In kernachtige, welsprekende, doch van haat overvloeiende zinnen wist hij de toch reeds ziedende hartstochten der volksmenigte tot krankzinnige woede op te voeren. Hij was geen oogenblik stil; zijn mager lichaam zwaaide heen en weer en met zijn rechterhand wuifde hij hen voortdurend toe; zijn linkerarm, dat zag ik nu eerst, was een stomp. Dramatisch, met weinig woorden, maar veel gebaren schetste hij de misdaden van de aristocratie, de onderdruk king van het volk.
PDF
Nummer
1915, nr. 100, 13 dec. 1915
Blad
07
Tekst
15 PANORAMA „Nu is onze tijd gekomen ! We zullen niet nalaten er gebruik van te maken ! Nooit hebben ze medelijden met ons getoond ; nu ook geen laf medelijden met hen I Daar komt er een van dat verwenschte tuig l Een van onze meest gehate vijanden!” Als automatisch volgden alle hoofden de richting van zijn uitgestrekten arm en een gebrul van woede steeg uit den volkshoop op. Aan de geopende deur verschenen drie mannen, die in hun midden een vierden met zich meevoerden. Deze laatste, die een hoofd boven de anderen uitstak, droeg den welbekenden blauwen kiel, zijn air en houding verraadden evenwel onxiiskenbaar den aristocraat. Hij was een reus van een man met een trotsch, zinnelijk gelaat en oogen die voor de eerste maal leerden wat vrees was. Hij hijgde nog van zijn laatste worsteling om de vrijheid. Zijn zwart haar hing over zijn gelaat en met een ruk van zijn hoofd wierp hij een lok terug ; zijn handen waren op zijn rug gebonden. Toen hij het hoofd ophief, herkende ik hem en wist ik dat hij van alle menschen het minst op medelijden te hopen had. In het rijk der tirannen was de hertog van Saint-Robert de verpersoonlijking geweest van hardvochtigheid en onderdrukking. HET SINT-NICOLAASFEEST VOOR SCHOOLKINDEREN. Door de Haagsche ^Vereeniging tot het houden van St-Nicoiaasfeestjes op Haagsche en Scheveningsche Scholen” is dit jaar aan een 6000 leerlingen een prettig St.-Nicolaasfeest bereid. Den kleinsten kleuters werd de poppenkast van Kellenbach, den grootsten bioscoop en goochelkunst vertoond. Dat de Vereeniging succes heeft gehad, ziet men op onze foto aan de blijde gezichten der grootere kinderen tijdens de bioscoopvoorstelling. {foto Hijmans). EEN NIEUWE NEDERLANDSCHÉ INDUSTRIE. De in aanbouw zijnde glasfabriek van de Philips' gloeilampenfabrieken te Eindhoven. De Philips’ gloeilampenfabrieken te Eindhoven, waarop thans meer dan 3000 Nederlandsche arbeidersf-sters) werk vinden, zal zelf de fabricage van de glasballons. die voor de vervaardiging van electrische gloeilampen noodig zijn, ter hand nemen. In den loop van de maand December za! met deze nieuwe Nederlandsche industrie, die wederom werk zal verschaffen aan een groot aantal arbeiders, aangevangen worden. ,,A la lanterne ! A la lanterne !” brulde de menigte. Een havelooze vrouw vloog de trappen van het bordes op en sloeg den edelman met de vlakke hand in het gelaat. Hij uitte een kreet van woede, doch ik zag de vrees groeien in zijn blik. ,.A la lanterne 1” gilde de bende en de mannen dwongen hun gevangene ruw de trappen af te gaan. Honderden handen werden uitgestoken om de prooi aan te nemen. Hij worstelde en deed een laatste wanhopige poging om zich te bevrijden ; doch zelfs zijn reuzenkracht vermocht niets tegen deze tallooze schare. Ze sleurden hem mee, her- en derwaarts, onder kreten van triumf, tot hij onder de lantaarn stond. En eerst toen brak de banjir, de vloedgolf van hun krankzinnigen haat over hem los. Als duivels dansten ze om hem heen, wezen naar hem, huilden van genot en elk oogenblik verwachtte ik dat ze hem in stukken zouden scheuren. Het was een afschuwelijk tafereel ! Doch toen hun razernij het toppunt scheen te bereiken, kwam er plotseling stilte. De eenarmige man had zich door het menschenkluwen heengewerkt en stond nu naast den hertog in het midden van den kring. Hij stak de hand omhoog om stilte en alsof van het kleine mannetje een hypnotische kracht uitging, heerschte er op hetzelfde oogenblik een intense, afschrikwekkende stilte ! ,,Burger Saint-Robert!” De hooge schrille stem van den kleinen man trilde door de lucht. De hertog keek hem aan en ik zag hoe zijn gelaat veranderde. ,,Je weet, burger, dat de tijden, veranderd zijn, sedert ik de eer had je slaaf te wezen. Andere tijden, andere zeden 1 ik heb een rekening met je te vereffenen, burger !” De hertog stiet een verwensching uit. „Ik ben natuurlijk zeer vergevensgezind,” ging de kleine man spottend voort. .,Ik spreek alleen voor anderen 1 Mijn vordering houd ik maar achterwege. Anders, burger, zou je misschien moeten betalen voor ... dit !” Hij stak den stomp van zijn linkerarm omhoog en weer keek ik den hertog aan en zag hem de oogen sluiten als voor een akelig vizioen. ,,De lantaarn wacht en we hebben nog ander werk te doen.” ging de eenarmige volksmenner voort. „Ik vraag nochtans uw gewaardeerde aandacht voor slechts vijf minuten. Je zult met alle égards waarop je recht hebt, behandeld worden als je even wilt luisteren . . . .” „Mille tonnerres!” vloekte de hertog op ruwen toon. „Als ik hangen moet, verspil dan geen woorden ! Je hebt het spel gewonnen, dat weet ik, en dat weten jullie. Voltooi dan je werk als je durft, canaille?' Een storm van verontwaardiging steeg op uit de woedende menigte bij deze laatste woorden, doch de kleine man stak zijn stomp omhoog en weer werd het stil. „Burger Saint-Robert 1” zei hij. „Ik zal kort zijn, zooals je vraagt. Ik verzoek je terug te denken aan het jaar van den hongersnood. Toen, evenals nu, deed je ons de eer aan, ons „Canaille” te noemen.” In uitdagende houding en met flikkerende oogen stond Saint-Robert voor den kleinen armelijken Nemesis. „Wij stierven van den honger, burger ; wij, onze vrouwen en onze kinderen. We smeekten je om brood en je weigerde. Je zei : „Laat de honden sterven !” En wij J. C. SCHRÖDER, hoofdredacteur van het dagblad „De Telegraaf”, die verleden week op last der justitie werd gevangengenomen. stierven bij tien-, bij honderdtallen. Maar honger maakt zelfs honden brutaal. We wisten dat je volop koren had in je schuren en brood genoeg om allen te voeden. We zagen onze vrouwen en kinderen sterven en wederom kwamen we bij je, en smeekten om brood. Weet je ’t wel. burger?” Een gemompel steeg op uit de menigte. „Toen deed je een proclamatie rondgaan : Laat ieder die brood behoeft op het kasteel komen 1 We zegenden je en kwamen 1 Het was een groote schare menschen, allen zwak en uitgeteerd van ontbering, die zich warmden aan een reusachtig vuur op het binnenplein. Jij was bezig je te vermaken met een groot aantal van je edele vrienden. We hoorden ’t rumoer van je drinkgelagen, terwijl wij vergingen van honger. We hoorden muziek, en dans en zang, terwijl wij verkleumd en ellendig ons verdrongen rondom het vuur. NED. VEREENIGING VOOR HUISVROUWEN. In het gebouw van de firma Heystee aan de Heerengracht te Amsterdam, hield de afd. Amsterdam der Ned. Ver. v. Huisvrouwen op 7 Dec. een ledenbijeenkomst, waar Mej. Dr. Charlotte van Manen uit den Haag het Dienstbodenvraagstuk behandelde. Aan de bestuurstafel zitten van links naar rechts de dames: Spinossa Cattela-Lob, Leendertz-Loman, Franco Mendes-Calisch, Olivier-Koch. v. d. Meulen—v. d. Meuten. Ricardo-Enthoven. VOORSTELLINGEN DOOR ENGELSCHE GEÏNTERNEERDEN. De „Timbertown Follies”, een tooneelgezelschapje bestaande uit Engelsche geïnterneerden te Groningen, zal in den avond van 13 en 14 December in den Princesse-Schouwburg te Den Haag voorstellingen geven ten bate van de toevlucht „Nachtverblijf voor behoeftigen ” (Hofje van Sas). In verschillende plaatsen trad dit troepje reeds met succes op. {foto Hijmans.)
PDF
Nummer
1915, nr. 100, 13 dec. 1915
Blad
08
Tekst
PANORAMA 16 Verleden week werd op het fort Kudelstaart een h EEN AFSCHEIDSFEEST. est gegeven, dar deels bedoeld was als afscheid aan de vertrekkende tandstormmannen, deels als St. ziet men een groep der officieren en onderofficieren van het fort. Nicolaasfeest. Op onze foto Je liet ons lang wachten, doch we hadden warmte, voor het eerst sedert vele, vele weken. En daarom wisten we hoe we geduldig moesten zijn. ”De eenarmige man zweeg een oogenblik; het ruwe volk rondom hem hing ademloos aan zijn lippen. „Toen kwam jij naar buiten, burger Saint-Robert. Jij en je gasten, lachende en spottende. Mademoiselle de Montagne droeg een groeten diamanten collier, dien je haar gegeven had, een die je veertig duizend francs gekost had, een som die ons allen langen tijd voor ellende had kunnen behoeden. Je beval ons trotsch ons van het vuur te verwijderen, achteruit te gaan, opdat wij je gasten niet zouden hinderen. En wij — gehoorzaamden .... O, we wisten zoo goed te gehoorzamen. We geblakerd vlogen we op Luit -Gen eraal G. A BUHLMAN. Gen.-Majoor VAN TERWISGA Luitenant-generaal G. A. BUHLMAN, commandant van het veldleger, die als zoodanig zijn ontslag, genomen heeft. — Gen.-maj. VAN TERWISGA. die luit.-generaal Buhlman in diens functie van commandant van het veldleger zal opvolgen. verlieten het weldadige vuur en stonden opeengehoopt, huiverend in een hoek van het plein.” Weer zweeg de man, en de stilte van de menigte deed benauwend aan. Saint-Robert wendde zijn afgemat gelaat naar den kant waar ik stond en opnieuw zag ik den grooten angst in zijn blik. „Toen sprak je weer tot ons. Je zei: „Hier is het brood waarnaar je gevraagd hebt 1” We zagen je bedienden, een stoet van lakeien en die allen droegen stapels brood, hoog opgestapeld, Ah I dat heerlijke brood ! Dat gezegende brood I We verslonden het met onze oogen en weer zegenden wij je I” Een gemompel ging door de menigte, doch stierf weer weg. „We stonden daar en wachtten, geduldig en stil, doch o zoo verlangend. We konden het heerlijke brood ruiken waar we stonden. Neen, niet ons eigen harde boerenbrood, maar brood dat je zelf at, „pain de luxe”, „pain bis.” Je lakeien brachten steeds meer aan op zilveren bladen. We dachten aan onze vrouwen en kinderen thuis, kermende van den honger en in den geest zagen we ze dol van vreugde bij onze terugkomst. Het was hard, onduldbaar dat wachten. Toen stak je je hand omhoog, al je bedienden kwamen tegelijk naar voren op dit signaal en op hetzelfde oogenblik was al het brood, dat heerlijke brood — in het vuur geworpen — al dat kostLinks: een kijkje op de veiling te Amsterdam, waar wekelijks duizenden eieren geveild worden. Rechts: De eieren worden, na te zijn gekeurd (hetgeen geschiedt door ze met een kaars te doorlichten) van een rijksmerk voorzien. . (foto's V\F.B.) EEN NIEUW ALTAAR. Het nieuwe altaar, dat door een der parochianen geschonken werd aan de kerk te Wieringen. Deze offertafel werd gemaakt'door de firma H. Funnekotter te Rotterdam. NEDERL. ROTOGRAVUPE-MAATSCHAPPIJ, LEIDEN. DE GEÏNTERNEERDE ONDERZEEER. De Duitsche onderzeeër, die onlangs bij Terschelling geïnterneerd werd, is vandaar naar Alkmaar overgebracht, waar hij door onzen fotograaf, ondanks de moeilijkheden die er aan verbonden waren, gekiekt werd. (.F./=.£). bare brood, dat het leven van onze vrouwen en kinderen zou hebben gered.” „En toen schaterde je het uit 1 En al je edele gasten schudden van het lachen, toen wij als krankzinnigen in de vlammen vlogen om nog te redden wat te redden was. Het was nutteloos : het brood was reeds verbrand voor we het konden bereiken, Verbrand je af. slaven die wij waren : we hadden je kunnen vermoorden. Je sloeg ons echter uiteen, jij en je gasten met jullie wapens. En wij, uitgezwakt en ongewapend konden niet vechten. Toen riep je met je bulderstem : „Laat het „Canaille” leeren mij niet lastig te vallen I” Burger Saint-Robert. herinner je je dat nog alles ?” * izcvcco Ds E. A.G. v.HOOGERM O. HUYZEN. De heer H. C. K.EYSER, directeur der firma v. Gend &. Loos te Amsterdam, vierde verleden week zijn 5O-jarig jubileum als ambtenaar dezer firma. - 3 December herdacht de heer Ds, E, A. G. v. HOOGERHUYZEN den dag dat hij vóór 50 jaar ais dominee bevestigd werd te Ter Aa. Sedert 1 jan. 1907 is hij emeritus en woont hij te Hilversum, Zijn hooge stem sloeg over tot een gegil en op den hertog toespringende sloeg hij dezen in het gelaat. Hoelang zou dat afschuwelijke tooneel nog duren ? Daar ging iets door de menigte van hand tot hand, tot het den eenarmigen man bereikte. Deze stak het omhoog, opdat allen het zouden kunnen zien : het waren sneetjes brood, broodkorsten en -resten met een touw aaneengebonden tot een groot halssnoer. „Burger Saint-Robert!” schreeuwde de kleine aanvoerder, „om uw diensten aan het volk bewezen, benoemt het volk je tot ridder in de Orde van de Broodkorst 1” En onder uitbundig geschater en gehoon van den menschenhoop rondom hem, hing hij met nagebootste plechtigheid den krans van broodkorsten om den nek van den ongelukkige. En met dit teeken van wraak van het lang geplaagde, nu losgelaten volk uitgedost, bengelde een oogenblik later hertog de Saint-Robert aan den lantaarnpaal. De volksmassa, wier woede nu gekoeld was, loste zich langzamerhand op. Het kleine mannetje bleef nog even staan, richtte zich op zijn teenen omhoog en den gehangene een kushand toewerpende, schreeuwde hij : „Burger, zoo wreekt zich „Canaille ” !” ©
PDF
Blad 
 van 2380
Records 2071 tot 2075 van 11897