|
PANORAMA 14
„Kijk,” zei hij. „we hebben jaren lang samen gewerkt,
gedeeld en gezwegen. Nu trek je je terug. Best, moet je
: elf weten. Maar zooals we met jou gedeeld hebben
moet je ’t ook met ons doen. Het collier van mevrouw
Vredenborgh, dat je machtig bent geworden, is, ik weet
het, minstens 20 mille waard. Wil je ons ons deel geven,
ja of neen ?”
Nu begreep ik waarom ik naar Antwerpen gelokt moest
worden : de hebzucht, in wier dienst ik zélf zoo menig
onrechtmatige daad had verricht, keerde zich tegen mij.
,,Het collier,” zei ik, ,,heb ik de eigenaresse weer teruggezonden
en . . . Couwart’s spottende lach brak mijn
zin af . . .
,,Je hebt met geen kinderen te doen”, sprak hij nog eens
,,wil je deelen of niet ?”
,,ïkheb ’t collier niet meer - dat is alles wat ik je antwoorden
kan,” zei ik.
„Neem dat dan alvast, verrader,” en met deze woorden
sloeg Couwart mij met den knop van zijn revolver tegen
het hoofd. Het schemerde mij rood voor de oogen en ik tuimelde
achterover. Een oogenblik moet ik buiten kennis
geweest zijn, doch ik kwam dra weer bij en oordeelde het
het verstandigst voorloopig den bewustelooze te spelen.
..Pak hem op” hoorde ik weer Couwart’s stem. De
anderen gehoorzaamden en vatten mij aan. Ze droegen
mij het vertrek uit en de trappen af. Wat zij met mij
voorhadden kon ik niet vermoeden, maar ik zou het weldra
weten. Tot in den kelder daalden ze af, daar deden zij een
deur open en lieten me op den
steenen vloer liggen. „We zullen
meneer pletten, tot er geen
sprank leven meer in hem is,”
zei Couwart op zijn gewonen,
joviaal-gezelligen toon, en
Borndjef, de Pool, lachte in
zijn keel. Het viertal sloot de
deur en klom naar boven en
ineens werd me hun plan duidelijk.
Ik lag op den vloer van de
stopplaats van de groote, zware
goederenlift, — nog een minuut
wellicht en het gevaarte zou
neerdalen en me verpletteren.
In één sprong was ik overeind
en trapte tegen de deur
maar ’t was vergeefsche moeite.
Koortsachtig werkte mijn brein
om een manier te vinden tot
ontsnappen, maar mij scheen
geen kans te blijven. Ik keek
om me heen, naar boven — in
de verte zag ik de onderzijde
van de lift. die dadelijk dalen
kon, .... ik sloeg mijn blik
naar den grond .... en plots
flitste een idee mij door het
hoofd, dat een goede genius mij
moet hebben ingegeven, ’t Was
een eenvoudig, simpel denkbeeld
dat mij een kans op redding
bood .... De keldervloer
was met zeer groote, vierkante,
gehouwen tegelsteenen geplaveid
— dat moest mijn redding
zijn. Snel tastte ik in mijn zakken,
die mijn vijanden gelukkig
niet hadden doorzocht. Mijn
groot, stevig zakmes openknippen
was ’t werk van een. oogenblik
en met een gesmoorden
kreet wierp ik me op de knieën.
Het geluk begunstigde mij.
De kalk tusschen de steenen
was bros en. los, vermoedelijk
door den moerassigen grond
waarop het huis stond. Alles
hing nu af van mijn snelheid.
De wanhoop gaf mij kracht en
ik gunde me zelfs geen tijd een
blik naar boven te werpen,
naar de dreigende lift. Mijn
belagers hadden het blijkbaar
niet noodig geoordeeld zich te
haasten, — nog altijd daalde
het gevaarte niet. .
Met een laatsten, wanhopigen ruk, kreeg ik het vierkante
bakbeest uit de voegen — op dit oogenblik hoorde ik het bekende
zoeven van een lift die in beweging komt en nimmer
heb ik met grooter ontzetting een onheil zien naderkomen
dan in dien klammen kelder. Snel plaatste ik den steen
rechtop, en hield hem, terwijl ik mezelf languit en zoo plat
mogelijk tegen den grond drukte, met m’n beide handen,
die bebloed waren van den ingespannen arbeid, krampachtig
vast. De steen stak een kleinen decimeter boven mij uit —
kon hij den druk van de lift weerstaan, dan was ik, voorloó-
pig althans, gered. Het gevaarte naderde en het monotone,
zacht-zoevende geluid klonk me als een doodsbed in de ooren.
Nog een meter was de lift boven me, . . . . nog een halve
meter, daar— bang, bonsde ze op den steen en — stond.
Hoe lang ik zoo plat gelegen heb weet ik niet, — vermoedelijk
niet langer dan ’n vijf minuten, maar de tijd scheen me
een eeuwigheid toe. Eindelijk vernam ik het klik-klak van
de zich in beweging stellende lift en geen seconde later
hoorde ik iemand de keldertrap afdalen. Een joviaal-voldaan
lachje klonk me in ’t oor — geen twijfel, het was die duivel
Couwart. Aan de stappen kon ik opmaken dat hij alleen was ;
it anderen schenen toch te kieschkeurig te zijn om zich te
VAN *N SCHOON EN MENSCHLIEVEND WERK.
Als een idylle van vrede, temidden van afschuwelijke, de menschheid ont~
eerende moordpartijen, ligt Zwitserland in zijn ongestoorde rust en met
zijn zuivere, maagdelijke schoonheid. Het is een aangename verkwikking
voor onzen door-de-dageiijksche-oorlogsgruwelen-afgestompten geest, in
gedachten te vertoeven bij het stille werk. dat des vredes is, en dat nog steeds
door de broeders van het St.-Bernardsklooster, op den hoogsten top van
den St. Gothard gelegen, met even groote zelfopoffering als vóór den oorlog
verricht wordt. — Op deze pagina brengen wij enkele foto’s, het dagelijksch
werk van deze menschiievende kloosterlingen in beeld brengend. Hierboven
het dresseeren der honden, die verdwaalde reizigers moeten opsporen.
De honden vinden een verdwaalden reiziger en kondigen door luid geblaf aan, dat hulp noodig is.
De reddingsbrigade keert na volbrachten arbeid huiswaarts
(foto's V.F.B.)
komen vermeien in den aanbhk van mijn verplet lichaam
Ik richtte mij op en wachtte. De stap naderde — de ckm
ging open en op ’t zelfde oogenblik wierp ik mij op mijn vijan .
Hij tuimelde achterover met ’t achterhoofd op den steener,
vloer en bleef liggen. Zonder op- of omzien snelde ik de trap
op en vond de baan vrij. Ik was ontsnapt en stond weldra
in de koele, verkwikkende buitenlucht.
Aan aangifte bij de politie kon ik natuurlijk niet denken
en er bleef me niets anders over dan zoo spoedig mogelijk
naar Holland terug te keeren. Van drie van het viertal
dat mijn vermeende ontrouw op zoo wreede manier had
pogen te straffen, heb ik tot heden nimmer meer iets vernomen.
Vreezen ze mij en achten zij het beter zich niet meer
aan mij te wagen ? Ik moet bekennen dat ik lange, lange
maanden in stille vrees heb geleefd voor een nieuwen aarv
slag. Het was vooral, neen uitsluitend Couwart, van wien
ik alles verwachten kon en het is misschien niet edel van me,
maar ik moet bekennen dat een gevoel van vreugde en ver
lichting over me kwam toen ik, nu juist vier weken geleden,
in het avondblad dit bericht las :
„Te Antwerpen is de algemeen-geziene expediteur,
de heer H. Couwart, een dezer dagen onder beschuldiging
van spionnage door de Duitschers in arrest
gesteld en gistermorgen te 10 uur gefusilleerd.”
Zoo heeft hij dan toch het einde dat hij verdiende niet kunnen
ontloopen en zijn dood herinnert me er een keer te meer
aan dat het avontuurlijke, riskante bestaan van den outlaw
zijn keerzijde heeft en meestal,
hoe handig schrandere romanciers
het met poëtische aantrekkelijkheid
weten te omstrikken
en omlooveren, het meest ontstellende
en wreede proza is.
De Orde van de
Broodkorst
Tafereel uit de Fransche Revolutie.
Ia lanterne' A
bas 1’aristocrat!”
’t Gezicht van ’n
woedende volksmenigte,
hun
rumoer, hun geschreeuw
is angstwekkend, ten
allen tijde, doch was dit vooral
in die vervloekte dagen van
den Terreur. Gelukkig past de
menschelijke natuur zich aan
de meest ongunstige toestanden
aan, en zoo was ik ongevoelig
geworden voor de verschrikkingen
van dit tijdperk.
Mijn leven had reeds te vaak
aan een zijden draad gehangen,
dan dat ik zoo spoedig verschrikt
zou zijn. Het zachtste
gefluister, dat ook ik een aristocraat
was, zou voldoende
zijn geweest om mij aan den
dichtstbijzijnden lantaarnpaal
op te knoopen. Mijn vermomming
als werkman had mij
nochtans uit menig gevaar gered
en ik had zelfbeheersching
geleerd in een harde school.
Ik wilde snel voortloopen,
doch de menigte versperde mij
den weg en ik werd met kracht
in een portiek gedrongen tegenover
een huis, waaruit een
drom volks stroomde, die zich
onder de menigte verspreidde.
Alle hoofden waren naar de
geopende deur gericht en alle
halzen rekten zich uit, terwijl
een koor van stemmen riep:
„Komt hij?” „Waar is hij?”
„Waar is de vervloekte aristocraat
?”
„Hij komt 1”
Een klein mannetje vertoonde zich voor een der ramen
van de benedenverdieping en — met een sprong — was
hij opeens middenin de golvende menschenmassa.
Het kleine armelijk gekleede creatuur werd met een gebrul
van vreugde door de menigte begroet en als ’t ware bij
acclamatie als hun leider aangenomen.
„Concitoyens! Medeburgers 1” schreeuwde hij en wild
gesticuleerende wees hij naar de ramen der eerste verdieping
en naar een in de nabijheid staanden lantaarnpaal. Een
storm van applaus was zijn antwoord; een reusachtige
sjouwerman pakte het mannetje als een kind op, zette hem
op zijn breede schouders en vanaf zijn hooge zitplaats
vervolgde de volksmenner zijn toespraak. In kernachtige,
welsprekende, doch van haat overvloeiende zinnen wist hij
de toch reeds ziedende hartstochten der volksmenigte tot
krankzinnige woede op te voeren. Hij was geen oogenblik
stil; zijn mager lichaam zwaaide heen en weer en met
zijn rechterhand wuifde hij hen voortdurend toe; zijn
linkerarm, dat zag ik nu eerst, was een stomp.
Dramatisch, met weinig woorden, maar veel gebaren
schetste hij de misdaden van de aristocratie, de onderdruk
king van het volk.
|