Panorama

Blad 
 van 2380
Records 2061 tot 2065 van 11897
Nummer
1915, nr. 99, 9 dec. 1915
Blad
02
Tekst
PANORAMA 2 (Vervolg) moet niet verder met me meegaan, lieveling,” zei ze, en haar lippen trilden. Hij kuste haar hand. Een diepe smart steeg in hem op en neep zijn keel dicht. „Vaarwel Hedwig. Blijf van mij houden.” — „En jij van mij George !” Haar oogen zwommen in tranen. Hij dreigde haar schertsend met den vanger. „Ja, ik weet ’t wel,” riep zij, dapper haar tranen bestrijdende — „een generaalsdochter mag niet weenen.” XII Nadat Heinersdorff zijn aangelegenheden had geregeld en de noodzakelijke afscheidsbezoeken had gebracht, ging hij op een mooien voorjaarsdag in den trein zitten om naar huis te reizen. Zijn hart was zwaar en bedrukt. Hij maakte zich verwijten dat hij voor Hedwig niet lief genoeg geweest was. Hij ging nu wreg en liet haar alleen, met haar zwaren strijd, in plaats van bij haar te blijven en haar te beschermen wanneer zij zwak en moedeloos zou worden. Maar hoe kon hij haar helpen? Op dén duur had hij het toch niet uitgehouden om zijn verloofde in ’t geheim en in het verborgen van het donkere park te moeten ontmoeten. Dat was hun beiden niet waardig. Hij had ook geen reden om zich te verbergen. En wanneer Hedwig, ter wille van den huiselijken vrede, die verheimlijking moest zoeken, dan kon hij dit wel begrijpen, maar dan was ’t toch beter als hij tot den herfst wegbleef. Zoo troostte zich Heinersdorff, maar hij was niet verheugd over dien troost. In het diepst van zijn ziel bleef een doffe angst voor de toekomst achter. Te Linz moest hij den sneltrein verlaten en op de Mühl-lokaallijn overstappen. Nu ging hij zijn eigenlijk tehuis te gernoet. Zijn ziel werd vrijer en opgewekter. De lucht was helder en de velden zagen groen en vele boomen waren reeds in bloei. Aan het eindstation van het lijntje, in Aigen-Schlagl, stapte hij uit. De oude stationschef trad op hem toe en begroette hem. „Grüss Gott, Baron. Dat is een zeldzaam bezoek!” „Men kan niet altijd doen zooals men wil, waarde meneer Wiesmayer. Hoe gaat ’t u ? Altijd nog gezond?” „Dank u, Baron, ’t Moet maar gaan. Jonger wordt men niet.” „God zij dank, Wiesmayer.” „Uw rijtuig is er nog niet, Baron.” „Dat komt ook niet. Ik heb mijn komst niet vooruit gemeld. Ik wil grootmoeder verrassen.” De stationschef vroeg gedienstig: „Wil ik voor een rijtuig zorgen, Baron ?” „Zeer bedankt, meneer Wiesmayer, dat is niet noodig. Ik ga te voet. ’t Is immers zoo’n mooie dag. Maar mijn bagage zoudt u voor me kunnen bewaren, wanneer u zoo goed wilt zijn.” — „Met ’t grootste genoegen, Baron.” „Ik zal ze vanavond laten halen. Tot weerziens meneer Wiesmayer. Kom mij eens bezoeken als u tijd hebt.” „Ik zal gaarne die vrijheid nemen. Uw dienaar, Baron.” Heinersdorff ging op weg. De straatweg leidde langs velden en weilanden en dan weer door een bosch met hooge boomen. De zon brandde aan den hemel alsof het Juli was en niet April. De leeuweriken jubelden hoog in de blauwe lucht, en uit de hagen klonk merelslag. Heinersdorff wandelde met lichten tred en vroolijk voort als een jongen. Hij floot en zong met de vogels om ’t hardst. Na een uurtje geloopen te hebben kwam hij aan een ouden, vervallen grenssteen waarop het wapen van de familie Heinersdorff nog zichtbaar was: twee vechtende hanen. Heinersdorff nam overmoedig zijn hoed af en groette eerbiedig. „Hier begint mijn koninkrijk,” lachte hij. Hij ging op den steen zitten om uitterusten, want naar het kasteel was het nog een goed uur gaans, en stak een sigaret aan. Hij hield het niet lang uit. Toen ging hij verder. Met voldoening zag hij dat de landerijen er goed uitzagen en het bosch goed onderhouden was. Op een grasvlakte aan den boschrand graasden eenige reeën en keken verwonderd naar hem zonder angstig te worden. Na een kromming van den weg zag hij het kasteel. Het lag op een kleine hoogte temidden van een oud park, breed en uitnoodigend, een groot gebouw, dat toch geen te zwaarwichtigen indruk maakte. Het paste goed in het breed opgezette landschap want op den achtergrond verhief zich donker en geweldig het Bohemerwoud, dat een kleiner gebouw gedrukt zou hebben. Zooals ’t nu was beheerschte het kasteel „Altheinersdorff” echter de streek, zooals het daar krachtig en massaal gelegen was; geel met groene vensterluiken, echt Oostenrijksch en op Schönbrunn gelijkend. Hij stond nu voor de parkpoort. Voorzichtig opende hij die en keek de tweede lindenlaan af die naar het slot voerde. Op het terras kon hij onduidelijk en vaag een gestalte zien. Dat was zeker grootmoeder; wat zou zij blijde zijn, dacht hij vergenoegd. Plotseling sloeg een hond aan. Diarolo had hem ontdekt. Met een vroolijk geblaf rende hij met groote sprongen door de oprijlaan, sprong tegen Heinersdorff op, sloeg zijn pooten om hem heen, trachtte hem in ’t gezicht te likken en rende weer terug om het bezoek aan te DE OORLOG EN DE HOF VAN EDEN. Op de plaats waar volgens de meening van sommigen de hof van Eden moet zijn geweest, in ieder geval, in het land aan de samenvloeiing van Tigris en Euphraat, het uit den Bijbel bekende Mesopotamië, dat zoo rijk aan heilige herinneringen is, woedt ook thans de wereldoorlog, die geen tradities of godsdienstige overleveringen ontziet. kondigen. Hij blafte tegen de oude baronnes en snelde toen weer terug naar zijn baas die hem over den kop streek en zeide : „Ja, ja, ik ben ’t, bedaar maar, Diarolo. Je bent mijn brave hond!” Diarolo likte zijn handen en kwispelde zoo hard met zijn staart dat de jonge bladen van het struikgewas afvlogen. De oude baronnes was door het geblaf van den hond opmerkzaam geworden. Zij stond op van de tafel waaraan zij de koffie had gebruikt en keek de laan in. Zij herkende haar kleinzoon dadelijk, want zij had, niettegenstaande haar twee en zeventig jaar, oogen als een valk. Zij riep fnet haar luide mannelijke basstem, waarvoor de menschen op het landgoed banger waren dan voor den duivel, vol blijde verrassing uit : „Ja — George !” Als een jong meisje sprong zij de trappen omlaag en liep op Heinersdorff toe. Hij begon nu ook hard te loopen en als twee jonge kinderen stormden zij op elkaar af. Diarolo schoot blaffend tusschen beiden door. Toen stonden zij lachend en zwijgend bij elkaar. — De grootmoeder omarmde hem zóo, dat hooren en zien hem vergingen en kuste hem onophoudelijk. Zij was bijna een hoofd grooter dan hij en sterk als een eik. — „Maar hoe kom je hier jongen? Dat is een verrassing. En die leelijke kerel schreef me geen woord daarvan. Nu, wacht maar eens !” Zij schoof haar arm onder den zijne en leidde hem naar het terras. „Waar heb je je bagage ?” „Aan het station.” „Ik zal ze direct laten halen. Maar ga nu zitten ! Drink je koffie!” Tegenspraak gold niet. „Ik ben blij dat je gekomen bent, jongen. Blijf je lang hier ?” Hij knikte maar met het hoofd, daar hij een stuk cake in zijn mond had. „Maar je ziet er heelemaal niet goed uit, mijn beste. Mager en bleek, wat drommel!” „O, dat zal wel beter worden, grootmoeder,” lachte hij. „Dat zullen we hopen !” „En hoe gaat het u, grootmoeder ?” „Goed. Dat zie je toch wel.” Haar donkerbruin gezicht, omringd door het sneeuwwitte haar, straalde van levenslust. „Alleen word ik wat te dik en dat is jammer.” De kleinzoon spotte goedmoedig: „Ten slotte verliest u nog uw mooie taille! Dat u mij zoo iets aandoet, grootmoeder !” „Maak je maar vroolijk over me, jij slechte jongen, je hebt gelijk !” „Maar u is toch nog altijd een heel mooie vrouw; daar is niets van te zeggen.” Zij lachte vroolijk. „Houd je grootmoeder voor den gek, domme jongen !” Hij sprong op en kuste haar op de gladde, ongerimpelde wangen. „Vertel mij nu eens, hoe jij zoo verlof hebt gekregen.” „Dat is een lange historie. Ik heb een paar uur noodig om u alles te vertellen. Vanavond.” „Goed. Bovendien heb ik nu toch geen tijd daarvoor. Ik moet je kamer in orde laten maken. En dan het avondeten ! Waarom heb je me dan geen woord geschreven, bengel ?” Ze snelde weg, zonder een antwoord aftewachten en liet hem alleen met Diarolo, die aan zijn voeten lag en niet ophield met kwispelstaarten. Hij verbaasde zich altijd weer als hij zijn grootmoeder terugzag, over haar jeugdige frischheid en haar vroolijkheid. Zij had weinig genoegen aan haar leven gehad. Zij was een dochter . van een Oostenrijksch generaal, Graaf Ihlefeld en had haar jeugd in Venetië doorgebracht, dat destijds nog aan de Habsburgers behoorde. Zij was nog zeer jong toen zij den eerste-luitenant Heinersdorff huwde wiens vader gouverneur van Venetië was. Het jonge huwelijk nam een vroegtijdig en bitter einde. De eersteluitenant Heinersdorff, de grootvader van George Heinersdorff, viel bij Kö- niggratz. De jonge vrouw bleef met een kind achter en ging naar Altheinersdorff. Sedert het jaar 1866 was zij nu hier, en had in al dien tijd geen enkele maal haar kleine rijk verlaten. Zij beheerde het landgoed, voedde haar zoon op en later haar kleinzoon. Dan begroef zij haar eenig kind en haar schoondochter en bleef opgewekt en goedhartig en onveranderlijk jong. Zij zocht geen troost bij de kerk, zooals dat soms de gewoonte van oude dames is, want zij was niet vroom en niet geloovig ofschoon zij ieder gaarne op zijn wijze zalig worden liet, zij verdroeg zich zeer goed met den ouden pastoor die verstandig genoeg was om haar niet te willen bekeeren. Wat haar staande en sterk hield, dat was werken. Zij stond op met de kippen en ging het laatste naar bed. Ze vreesde geen vorst of sneeuw, geen onweersregen of zonnebrand. Heinersdorff moest dikwijls aan de begrafenis van zijn vader denken. Hij was toen nog een kleine jongen maar hij had toch daarbij een indruk gekregen die onvergetelijk bleef. Hij zag nog zijn grootmoeder zooals zij daar, groot en sterk in haar zwart rouwkleed, naast de groeve van haar zoon stond. Zij weende waarschijnlijk ook, ofschoon hij zich dat niet herinneren kon, maar na de plechtigheid ging zij naar het slot terug, verkleedde zich en steeg te paard om toezicht op den hooioogst te houden. Geen dag langer droeg zij rouw. De zwarte kleederen werden dadelijk na de begrafenis in de kast gesloten. „Ik treur met’t hart, niet met de kleederen,” zegde zij afwijzend toen de schoondochter een schuchtere opmerking waagde. De stem van zijn grootmoeder wekte hem uit zijn droomen. Zij riep uit een raam der eerste verdieping : „Je kamer is al klaar. Je kunt je wasschen als DE OORLOG IN HET DUISTER ROMAN VAN LUDWIG WOLFF
PDF
Nummer
1915, nr. 99, 9 dec. 1915
Blad
03
Tekst
3 PANORAMA je wilt. En kom dan eten !” — „Dank u, tot uw dienst, kolonel/’ antwoordde hij lachend. Zij aten in de groote met hout betimmerde zaal waarin het geheele college van kardinalen gemakkelijk plaats had kunnen vinden, leen groote kroon straalde over de reusachtige tafel, maar haar schijnsel was te zwak om de geheele zaal te verlichten. De hoeken lagen in het donker. Groote beukenblokken laaiden in de open schouw, want de avonden waren nog koel. Heinersdorff vroeg : „Eet u hier ook ais u alleen is, grootmoeder ?” „Natuurlijk, waar zou ik anders eten? Ik kan toch niet in de keuken bij de dienstboden gaan zitten ?” „Natuurlijk ; maar, zegt u mij eens, bent u niet bang, zoo alleen, in deze groote manege ?” Zij lachte luid. „Bang ? Waarvoor zou ik bang zijn, kereltje ? Ik ben alleen bang voor domheid en die laat ik hier niet binnen.” „Maar u moet u toch vervelen grootmoeder. Vooral gedurende die lange winteravonden.” „Ik verveel mij nooit. De pastoor komt dikwijls en vertelt mij van zijn zorgen. De lieden willen namelijk heelemaal niet meer vroom zijn ! En een anderen keer zijn het de rentmeester en zijn vrouw die hier komen. Maar,” vervolgde zij, „ik ben toch maai ’t liefste alleen.” „Nu, ik kan wel weer vertrekken,” lachte hij. Zij dreigde hem met haar mes. „Zeg eens, speel nu niet met mij.” „Nu vooruit dan maar, grootmoeder/’ verzocht hij. „Wanneer ik alleen ben dan lees ik de kranten en lach mij een bochel over de domheden die bij jullie in de wereld geschieden.” „U heeft gemakkelijk lachen !” „Moet ik mij dan ergeren ? Ik denk er niet aan.” . Hiilegde zijn vork neer en leunde met een zucht in zijn stoel. „Heb je genoeg gegeten, jongen ?” vroeg de grootmoeder bezorgd. „Nu. en óf. Ik kan mij niet meer bewegen”. „Jij bent ook een held ! De tegenwoordige menschen hebben geen maag meer.” Zij schelde. De bediende begon aftenemen. „Wat drinken wij voor ’t feest van vanavond joggie ?” vroeg zij. „Wil je rooden of witten wijn ?” „Liever rooden wijn.” „Goed dan. Wij hebben een fabelachtige Chateau Yquers in den kelder. Eerste klasse kan ik je verzekeren.” Zij klapte met haar tong. „Let op Jozef. Zeg aan Poidi dat zij naar den kelder gaat en een van de flesschen haalt die rechts heelemaal in den hoek liggen, en die een beetje warmt. ” „Zeer goed, mevrouw.” „Hier is de sleutel van den kelder.” De bediende keerde zich om om weg te gaan. Zij vroeg geslepen lachend aan haar kleinzoon : „Eén flesch zal echter te weinig zijn, geloof je ook niet, jongen ?” Hij antwoordde weifelend : „Ik weet ’t niet, maar dat zeg ik u : ik laat mij door u.niet onder tafel drinken.” Zij schudde van ’t lachen en riep den bediende achterna : „Hallo ! Poidi moet twee flesschen brengen !” „Zeer goed, mevrouw.” Toen de wijn in de glazen fonkelde stak zij een sigaar aan en schimpte na de eerste trekken : „Die trabucos worden steeds slechter !” „Alles wordt grootmoeder.” „Zeker, zeker.” Zij hief haar glas op en klonk met hem. ..Lang zal je leven jongen, en gezond blijven !” „U ook, Zij dronk haar tot op den bodem. „Daar komt niets van in. Uitdrinken ! Schaam je. Zoo een jonge man ! Leeg !” Hij moest gehoorzamen. ,,Een/goed wijntje, wat ? ’ ’ ,, Uitstekend, maar een beetje zwaar,” meende hij bedenkelijk. ,, Belachelijk. 1 >ie wijn doet je niets.” Zij rookten een poos zwijgend ; dan zeide de grootmoeder : „En nu vooruit er mee. mijn jongen. Vertel op !” Hij antwoordde nadenkend : „Ik weet heelemaal niet waarmee ik moet beginnen. „Altijd met ’t lastigste.” „Nu dan, vóór alle dingen: slechter, grootmoeder.” das uit AAN DE ISONZO. Een Oostenrijksche artilleriestelling aan de rivier de Isonzo, waar de strijd tusscbén Oostenrijk en Italië het hevigst woedt. Het stuk geschut is aan beide zijden door een wal van zandzakken gedekt, waardoor ook de bedieningsmanschappen voor geweervuur vrijwel zijn beschermd. ik ben niet met verlof hier, grootmoeder.” „Wat betrekent dat ?” „Ik ben heelemaal uit. den dienst.” Zij keek hem aan als begreep zij hem niet dadelijk, sloeg met haar vuist op de tafel dat de glazen rinkelden en riep : „Donnerwetter ! Dat is het verstandigst wat een Heinersdorff sedert honderd ja ren heeft gedaan. Prosit, jongen !” Zij klonk met hem en hij moest haar gezondheid drinken. Haar oogen schitterden van vroolijkheid. „En heb je nu heusch en werkelijk den geheelen militairen dienst aan den kapstok gehangen ?” .,Ja” „Hoe is dat dan gebeurd ?” Hij vertelde haar, zonder Golubjew te noemen, van de uitdaging van luitenant Vidakovitch en van de noodwendigheid om ontslag te nemen, daar hij niet met dien kerel wilde duelleeren. Zij’ hoorde hem vol bewondering aan en zeide daarna hoofdschuddend : „Jongen, jongen, waar heb jij je verstand vandaan DE VELDTOCHT IN RUSLAND. „Generaal Winter.” de grootste en lastigste vijand van de Duitschers in Rusland, heeft zijn intrede in af zijn gestrengheid in dit land reeds gedaan. Dikke ijsscholien maken de rivieren, die dikwijls voor de Duitschers noodzakelijke verbindingswegen zijn. onbevaarbaar: sneeuwbuien, die vaak dagenlang aanhouden, belemmeren niet weinig de krijgsoperaties. Geen wonder dus, dat de strenge Russische winter, deri geest der troepen, die aan een derge’ijk klimaat niet gewend zijn. ondanks alle voorzorgen van den generalen staf wat kleeding en voeding betreft, terneerdrukt. Onze foto geeft de rivier de Vistulu in bevroren toestand. kunt toch de wereldgeschiedenis niet vergekregen ? Je praat waarlijk juist zoo alsof je geen Heinersdorff maar een Ihlefeld was.” „Niet arrogant worden, grootmoeder!” „Ja dat is waar : jullie bent altijd heel dapper geweest en hebt je leven gegeven voor God, Keizer en Vaderland, maar verstandig, wees niet boos, jongen, verstandig zijn jullie nooit geweest.” „Dat begrijpt u niet, grootmoeder.” „Best. Ook -al goed. Hoofdzaak is maar dat je de uniform hebt uitgetrokken.” „Dat is me zwaar genoeg gevallen.” Ze riep daverend : „Maak je niet belachelijk ! Is dat dan een beroep voor jou ? Heb jij ’t noodig om als Capitanó rond te loopen, „geeft acht” te staan en oorlogsplannen te teekenen die geen waarde hebben ?” „Als iedereen zoo sprak als u, dan zou ’t leelijk met ons gesteld zijn.” Zij dronk een teug en antwoordde boos : „Leelijker kan ’t heelemaal niet worden mijn zoon. De Oostenrijkers zijn niet meer te helpen, geloof me. Ze zijn weekelijk en besluiteloos, ze hebben geen zelfbewustzijn en geen eenheid ; de duivel moge ze halen. Ik ben maar een oude, domme vrouw ; dat behoef je me niet te vertellen. Ik ben sedert ’66 hier niet vandaan geweest, maar ik ken Oostenrijk beter dan jullie allemaal, die midden in ’t leven staan. Jullie zien niet in boe dit land in de laatste vijftig jaar omlaag gegaan is.” Hij wilde een tegenwerping maken. „Laat mij uitpraten ! Ik was nog in Venetië en in Milaan toen die plaatsen Oostenrijksch waren. Je kunt je nu niet eens meer voorstellen wat dat beteekcnde. Wij hebben Venetië en Lombardië afgegeven, omdat wij volgzaam en zoete kinderen waren.” Hij zeide glimlachend : „U ' ‘ ‘ beteren ?” „Ach wat, wereldgeschiedenis! Wanneer wij niet zulke slappelingen waren, zouden wij voor ons een •geheel andere wereldgeschiedenis maken. Hij klonk met haar. „Laten wij die domme politiek met rust, grootmoeder !” „Ja, dat levert toch niets op, daarin heb je gelijk, jongen. Ik lach meestal ook om al dien onzin, maar soms loopt bij mij de gal toch over als ik lees wat bij ons al niet mogelijk is. Daar reizen bijvoorbeeld Oostenrijksche afgevaardigden naar Rusland en naar Servië en stoken daar tegen Oostenrijk. Is zoo iets ergens anders op de wereld mogelijk dan bij ons ? Als ik de Keizer was zou ik de kerels bij hun terugkeer aan den eersten den besten zwart-gelen grens paal doen ophangen.” Daarop kon hij niet antwoorden. De grootmoeder zeide bitter : „Maar per slot van rekening, wat gaat mij. dat alles aan ! ’t Doet mij genoegen dat je je nu zelf een beetje zult bekommeren over je goed.” „Eigenlijk ben ik hier heelemaal overbodig,” bracht hij daartegen in. „U kunt dat veel beter dan ik.” „Best mogelijk en ik ben ook nog gezond en sterk, maar op een of anderen dag word ik toch opgeroepen voor het laatste rapport.” „Wel neen,” schertste hij, „u zult allen overleven,” „Daarmee zeg je me niets vriendelijks, ” antwoordde zij ernstig. „Zoo mooi en pieizierig was mijn leven niet. Ik wil ook eindelijk mijn rust hebben.” Hij beproefde haar op te vroolijken. „Schaam u, grootmoeder. . U wordt beneveld. U verdraagt niets meer.” „Oho,” lachte zij. „Ik sta je nog mijn jongetje ! Prosit ! Ad fundum !” Nadat zij gedronken had, zeide zij : „Je kunt, zoolang ik het beheer voer, je met een of ander tijdverdrijf bezig houden.” „Wat dan, bijvoorbeeld ? ’ ’ „Laat je tot afgevaardigde kiezen. Dat kan direct gebeuren. Ik behoef daarom alleen maar een woord met den pastoor te spreken . ’ ’ Hij weerde met beide handen af. „In hemels naani! Dat ontbrak mij nog maar. Ons parlement ’ Dat is wel het naarste van alle narigheden. Ze klappen elkaar aan en vechten om aanplakborden en taalbesluiten. Er is daar niet een die opstaan en zeggen zou : Vrede. Weest 6 n ’ ƒ Wordt vervolgd). 99 (24a)
PDF
Nummer
1915, nr. 99, 9 dec. 1915
Blad
04
Tekst
PANORAMA 4 De diamanten Collier. Een verhaal uit den bloeitijd der ridderschap. ’ean de Gourvilie stond voor zijn meester met gebogen hoofd en in zijn hand een hoed met roode afhangende pluim. Markies De Saulles keek hem ernstig van over de tafel aan. ..Denk er aan De Gourvilie. ik duld geen uitspattingen meer. Een stap terug naar je oude gewoonten en je verlaat mijn dienst.” De Gourvilie boog. „Je hebt nu je huid nog gered en bent gelukkig de gevangenis ontsnapt, doch van nu af heeft het oude leven afgedaan.” „Op mijn woord, markies, het was een zaak van eer!” antwoordde boud De Gourvilie. „Natuurlijk I Zijn majesteit denkt echter anders over dobbelaarstwisten 1 je bent een handig man, De Gourvilie, en je zwaard is. een gevaarlijk wapen, doch jouw passie voor de kaarten en dobbelsteenen zal je tot verderf worden. Ik waarschuw je daarom: wil je in mijn dienst blijven, dan moet je de dobbeltafel schuwen als de pestziekte.” „Zooais u zegt, markies!” „Neen. zooais ik beveel !” ging zijn meester met verhefUIT HET DIAMANTBEDRIJF. Het snijden der diamanten, een secuur en lastig werkje. UIT HET DIAMANTBEDRIJF. Wij bieden onzen lezers op deze pagina een aantal interessante foto's, genomen in een diamantslijperswerkplaats te Amsterdam. Het diamantbedrijf, waarvan reeds vroeg wordt gewag gemaakt het slijpen van diamant geschiedde b.v. reeds in 1385 te Nürnberg is van ouds te Amsterdam een hoogst belangrijke tak van nijverheid en aldaar heeft die kunst meer dan elders een hooge mate van volkomenheid bereikt. De werkloonen. die in deze nijverheid worden verdiend, zijn den laatsten tijd aanmerkelijk geklommen en de voorbeelden dat een werkman in één jaar 10.000 gulden verdient, niet zeldzaam. Vele meisjes en vrouwen hebben zich mede op het diamantvak toegeFegd en de welvaart en weelde onder die standen namen geruimen tijd verbazend toe. Onze foto geeft de electrische zagerij in de werk plaatsen van de diamantslijperij der firma Zeldenrust. fing van stem voort. „Ik duld niet dat je nog een enkele sou verdobbelt.” „Zooais u beveelt dan, markies!” „Goed ! En nu de zaak waarover ik je spreken wilde. Je bent een man van discretie, De Gourvilie?” „ja, markies!” „En hebt een helder hoofd om een delicate opdracht goed uit te voeren ?” „U behoeft mij slechts op de proef te stellen.” „Ik waarschuw je, je waagt je hoofd en zult je zwaard noodig hebben.” „Markies, dat doet mij te meer naar het avontuur verlangen.” „Goed ! Ik zie dat ik mij niet in je bedrogen heb.” De markies opende een klein kistje en haalde hieruit een collier te voorschijn van diamanten en smaragden. „Waak hierover als over je leven en breng het veilig aan een persoon . . . .” „Een zij, markies ?” De Saulles beet op zijn lippen en fronste de wenkbrauwen. „Jouw vernuft werkt te snél, monsieur en te ver ! Luister en zwijg ! Binnen een uur begeef je je op w'eg, te paard, en neemt den heirweg naar Chèvres. Dezen volg je tot aan den driesprong, daar sla je rechts af; dit pad wordt weinig gebruikt en is. vrees ik, slecht begaanbaar. Tegen middernacht zul je een kleine herberg bereiken : „De gouden Sporen.” Dat is je bestemming. Iemand zal je daar wachten of spoedig na je aankomen, dien je kunt herkennen aan zijn gestalte en kieeding : een kleine, dikke monnik. Om vergissing te voorkomen vraag je hem of ‘er struikroovers op den weg zijn. Als hij je dan antwoordt : „Wolven zijn meer te vreezen dan roevers !” is hij de man, dien je zoekt. Geef hem het collier met de woorden : „Vrijdag middernacht — gesloten koets weg naar Cha lons. Hij zal binnen een paar uur terugkomenmet het collier en een antwoord. Keer onmiddel lijk terug, want ik wacht je klokke elf.” „Om negen uur, markies I” „Ah 1 Des te beter. Je zult spoedig meer hooren van de zaak, waarvan dit een begin is. Denk er wel aan : je leven is geen strootje waard als het collier in verkeerde handen komt. „Ik zal het een niet verliezen zonder het ander,” antwoordde De Gourvilie, boog en verliet het vertrek. Twee uur voor den noen galoppeerde De Gourvilie den heirweg naar Chèvres af. Hij neuriede een vroolijk wijsje en knipoogde tegen de landmeisjes op den weg. Gestoken in een nieuw kostuum in de kleuren van zijn meester en waaraan hij zelf veeren en linten had toegevoegd, zag De Gourvilie er als een jonker uit. Aan zijn zijde bengelde zijn zwaard, dat hem reeds in een dozijn straatgevechten en duels onmisbare diensten bewezen had en bij dobbelaars en avonturiers zeer gevreesd was. Zijn ongebondenheid had hem in steeds grooter moeilijkheden gebracht, totdat de markies De Saulles, die ’s mans moed, vernuft en vaardigheid met den degen had opgemerkt, hem onder zijn bescherming genomen had. overtuigd UIT HET DIAMANTBEDRIJF. Het zagen der diamanten, hetgeen geschiedt met behulp van plaatjes van phosphorbrons ter dikte van l/l0 millimeter en met diamantpoeder. (Foto genomen bij de firma Boaz). UIT HET DIAMANTBEDRIJF. Het vervaardigen der fijne zaagjes, waarmede de diamant gezaagd wordt. UIT HET DIAMANTBEDRIJF. Na verschillende bewerkingen te hebben ondergaan, wordt de diamant aan den slijper gegeven, die er den gewenschten vorm aan geeft. {foto's V.F.B.)
PDF
Nummer
1915, nr. 99, 9 dec. 1915
Blad
05
Tekst
PANORAMA IN DEZE STAD HEERSCHT CHOLERA! (Foto links): In verband met de onvoldoend-hygiënische toestanden, die in de door de Duitschers bezette plaatsen regelen te nemen, teneinde te voorkomen dat de gezondheid der bezettingstroepen in ge'vaar kwam. Het bord met Slonim. geeft daarvan een voorbeeld. Het volgende staat op het bord te lezen: „Soldaten! Neemt u in acht! In de (Foto rechts): Teneinde aan de steeds grooter wordende behoeften aan ammunitie te kunnen voldoen, heeft men i DUITSCHLAND EN HET AMMUNITIEVRAAGSTUK. en dorpen van Russisch-Polen heerschen, heeft de Duitsche generale staf zich genoodzaakt gezien, afdoende maathet waarschuwende opschrift, dat, zooals op onze foto is te zien. opgehangen is in een der straten van het stadje stad heerscht cholera! — Eet geen rauw fruit, drinkt geen ongekookt water, gaat geen aangetaste huizen binnen.” n Duitschland beslag gelegd op alle messing (geelkoperen) vijzels, die maar eenigszins ontbeerlijk zijn. {foto V.F.B.) in hem een trouw en handig dienaar te vinden. Van af dit oogenblik beschouwde De Gourville zijn fortuin gemaakt. Hij was in de wolken over zijn nieuwen meester, zijn fraaie kleedij en zijn heerlijk ros. De dobbelhuizen in de Rue de St. Croix en zijn oude vrienden behoorden tot een verleden, dat vergeten moest worden. Terwijl hij daarheen reed, begon hij te denken over zijn opdracht; alle bijzonderheden en afgeluisterde nieuwtjes bijeenvoegende maakte hij zijn gevolgtrekkingen : „Er is een dame in ’t spel,” peinsde hij, „die zonder twijfel op het laatste oogenblik verschijnen zal. Waarom beet de markies anders op zijn lip en bloosde, toen ik er op zinspeelde? De markies is niet gehuwd, noch verliefd op een der dames aan het hof. Ergo, als hij verliefd is, woont zijn schoone in de nabijheid der „Gouden sporen.” Laat zien, hij zei, de monnik zou binnen een paar uren terugkeeren; een uur voor de dame om DE MONTENEGRIJNEN EN DE WINTER. Bovenstaande foto, die eenige Montenegrijnsche soldaten in beeld brengt tijdens een verkenning in de bergen, toont ons op welke wijze de legerautoriteiten in dit land de soldaten trachten te beschermen tegen ’t ruwe winterweer, dat vooral in deze streken schrikwekkend wezen kan. weer rechts af, gaf zijn paard de sporen en reed inde vallende duisternis verder, terwijl zich reeds een verwijderd gerommel deed hooren. Hij vloog in wilden galop den onbekenden weg langs waaraan geen einde scheen te komen. Urenlang reed hij voort en nog steeds was er geen herberg te zien. „Vervloekt, ik ben verkeerd!” riep de eenzame ruiter mismoedig uit. „Bij een leege maag krijg ik nu nog een natte huid.” Het begon nu te stortregenen en de duisternis werd volkomen. De toch al slechte weg was thans in een modderpoel herschapen en tot overmaat van ramp verloor het paard een zijner ijzers, zoodat het kreupel ging loopen. Onze reiziger vervloekte zijn noodlot, waardoor zijn zending dreigde te mislukken, toen een zwak schijnsel van licht in de verte hem weer nieuwe hoop gaf. Naderkomende zag hij echter dat het niet de lang gezochte herberg v as waaruit het licht scheen, maar ’n groot landhuis. LORD KITCHENER AAN HET FRONT. Lord Kitchener, (x) vergezeld van een Fransch stafofficier, brengt een bezoek aan het front in Noord-Frankrijk. Op den achtergrond bemerkt men Engelsche soldaten, Australiërs en Gurkha's , over haar antwoord te denken ; en een uur voor den vromen broeder om heen- en weer te kuieren. Drommels! Welk kasteel ligt er in de nabijheid van „De gouden Sporen.” Dat moeten we weten ! „Vrijdag — middernacht — gesloten koets!” Dat ruikt naar een schaking. Duivels ! De markies valt hoe langer hoe meer in mijn smaak. Ik wou ’t nu al Vrijdag was. Ik zie ’t alxvoor me : een donkere nacht; de dame veilig in de koets ; alarm en vervolging Moor den bedrogen vader en broeders. Het zou me spijten als de vervolging niet plaats had. Dat moeten we trachten te arrangeeren. Te drommel 1 Als de dame geschaakt moet wprden, laten we ze dan goed schaken en een paar druppels bloed storten te harer eer 1 Maar die gauwdievenmanier belooft een tamme sport, een dame van rang onwaardig. We moeten een vervolging hebben, a< zou ik die zelf arrangeeren!” Tegen vier uur in den namiddag bereikte hij den driesprong en sloeg daar rechts af. Zooals de markies vermoed had, bevond de zijweg zich in zeer desolaten toestand. Hij reed nu behoedzaam verder voortdurend rondom ziende en af en toe stilhoudende om te luisteren. Op ’t onverwachts deelde de weg zich weer in tweeën. „DuivelsI” mompelde De Courville, teleurgesteld, „de markies sprak niet van dezen tweesprong. Dat wordt gek als ik den verkeerden weg kies.” Hij keek eens rond en- zag hoe zich aan den horizon onweerswolken samenpakten. Snel besloten sloeg hij, op geluk, BERICHT. In het Kerstnummer zullen onze jeugdige lezeressen en lezers een aardige verrassing vinden. — W&t het zijn zal . . . daarover later. RED. EEN DAME GEDECOREERD. Mademoiselle E. Moreau, die wegens haar moedig gedrag tijdens den aanval der Geallieerden op Loos, reeds eervol werd vermeld op het dagrapport, ontvangt uit handen van generaal De Sailly het oorlogskruis.
PDF
Nummer
1915, nr. 99, 9 dec. 1915
Blad
06
Tekst
PANORAMA Teleurgesteld maar niet ontmoedigd steeg De Gourville ar en besloot naar den weg te vragen en zoo mogelijk een versch paard te leenen om het doel van zijn bestemming alsnog te bereiken. Op zijn kloppen kwamen er eenige bedienden met toortsen, die hem van zijn paard ontlastten, lerwijl een hem voorging en hem naar een zaal bracht alwaar drie mannen, aan een tafel gezeten, hun tijd met kaartspelen zoek brachten. Bij De Gourville’s plotselinge binnenkomst stonden de mannen verrast op, De binnentredende bemerkte met één oogopslag aan het rijke intérieur, de schilderijen, gobelins, huisraad en de groote sommen gouds die op de tafel lagen, dat hij in de woning was van een rijken landedelman. „Je koos een slechten avcnd uit voor je tocht, monsieur!” zei de oude, dien De Gourville voor den eigenaar van het landgoed hield. „Inderdaad, het weer lijke me al evenmin als de weg, want ik ben verdwaald/* „Je bent daardoor te meer welkom in mijn huis,’* an twoordde de ander weer met een welwillendheid in zijn stem. die in tegenspraak was met de sinistere uitdrukking van zijn gelaat. „Ik ben baron de Longueville !” De Gourville boog. „Ik dank u. baron ! Mijn naam is Jean de Gourville. Ik was op weg naar de herberg „De gouden Sporen” genaamd, die ik reeds bereikt zou hebben, als ik niet verdwaald was geraakt „De herberg bevindt zich hier in den omtrek, maar niet aan dezen weg. Niet bekend hier, zou u een heelen omweg moeten maken en niet voor den ochtend uw bestemming bereiken, wat met dit hondenweer ondoenlijk is. Mijn huis staat u daarom vannacht ten dienstel” De Gourville boog weer. „Uw gastvrijheid is mij zeer welkom, want mijn paard heeft een ijzer verloren en loopt kreupel, zoodat ik het niet langer berijden kan.” „We zullen dit morgen vroeg verhelpen. Rust intusschen wat uit, terwijl ik eenige ververschingen laat komen.” Een vlammend vuur, een koude kip en een flesch van baron’s oude bourgogne schonk De Gourville nieuwe geestkracht. Terwijl hij at en nadacht over wat hem te doen stond, werd in de aangrenzende kamer het spel voortgezet en vond onze reiziger gelegenheid meer in ’t bijzonder waar te nemen in welk gezelschap hij geraakt was. Een der drie mannen was klaarblijkelijk de zoon van den baron, een schrale jongeman van ongeveer acht en twintig jaar met een bleek, onheilspellend gelaat als zijn vader. „Net een paar om eens mee te vechten,” peinsde De Gourville. De derde persoon was een groote, plompe landedelman uit den omtrek, comte Rupert Lacraisse, die niet de beschaafde manieren, maar ook niet het ongunstige gelaat had van zijn speelgenooten. Het spel werd, onder den invloed van den wijn, voortgezet met een hartstocht die zelfs De Gourville verbaasde. Het geschuif van de kaarten, het rinkelen van het geld en het gescherts van de spelers bereikten als welbekende klanken het oor van De Gourville, bij wien de passie voor het dobbelspel met vernieuwde kracht naar voren trad. TENTOONSTELLING VAN OORLOGSPRENTEN IN HET STEDELIJK MUSEUM. Zaterdagmiddag werd in het Stedelijk Museum te Amsterdam geopend de internationale tentoonstelling van oorlogsprentkunst, welke georganiseerd werd door de Vereeniging „Kunst aan het Volk”. De tentoonstelling, waarvan reeds nu kan worden verklaard, dat zij een succes is, geeft een aangrijpend beeld van de ellende, die door den oorlog over de wereld gekomen is en biedt bovendien een uitstekende gelegenheid de verschillende Hij had geld, het goud van markies De Saulles brandde hem in den zak en zijn vingers tintelden om het er uit te halen, in spijt van zijns meesters strenge vermaningen. Hij streed met de grootste inspanning tegen zijn oude ondeugd : de verleiding was echter te groot voor De Gourville, die nog nooit in zijn leven een passie onderdrukt had. Toen hij zijn maal geëindigd had, voegde hij zich bij de anderen door wie hij luidruchtig werd uitgenoodigd. Het volgende oogenblik schitterde zijn' goud op de tafel en één vooj' één vielen de kaarten voor hem neer: zijn laatste aarzeling was overwonnen ; belofte en zending waren vergeten. Gedurende eenigen tijd was De Gourville met zijn koel hoofd in het voordeel tegen zijn verhitte tegenstanders en zijn bescheiden som geld werd gestadig grooter. De flesch ging lustig rond en ook De Gourville raakte verhit zoowel door den wijn als door zijn geluk. Na een uur keerde dit echter en zijn winst was spoediger verdwenen dan ze gekomen was. Dit deed hem zijn koelbloedigheid verliezen ; hij wendde wanhopige pogingen aan het verlorene te herwinnen, wat slechts ten gevolge had dat zijn goud des te sneller van hem naar graaf Rupert en den baron verhuisde. Opnieuw streek de baron een stapeltje goud naar zich toe en De Gourville, van woede en teleurstelling op de lippen bijtende, wierp juist de kaarten neer. als hij even opziende, aan het eind der zaal, onbeweeglijk en van de anderen onopgeMej. m. a. adriani. J. M. v. POEL. Dr. p. oudschans. Te Den Haag is in den ouderdom van 76 jaar overleden Mej. M. A. ADRIANI, oud-directrice van de inrichting voor oogiijders aan de Laan van Meerdervoort te ’s Hage, ridder in de orde van Oranje-Nassau. — De heer J. M. v, d. POEL. inspecteur der Posterijen en Telegrafie te Groningen, herdacht 1 December zijn 40-jarig ambtsjubileum. 21 December a.s. hoopt de heer Dr. P. OUDSCHANS te Ginneken, een der oudste prakti seerende geneesheeren van ons land. zijn 60-jarig jubileum als arts te vieren. kunstenaars-temperamenten en -sentimenten te vergelijken. TENTOONSTELLING VAN OORLOGSPRENTEN IN ’T STEDELIJK MUSEUM. Een groep van autoriteiten en genoodigden, die bij de opening van de internationale tentoonstelling van oorlogsprentkunst in het Stedelijk Museum te Amsterdam tegenwoordig waren. (Y.F.B.J merkt, een jonge dame zag staan. Haar zeldzame schoonheid. die niets heeft van de Longuevilles, treft hem zoo, dat hij haar een oogenblik als verbluft blijft aanstaren. De zoon van den baron, zijn blik volgende, merkt nu ook de binnengetredene op. „Vader,” fluisterde hij voorovergebogen naar den baron, „daar is nicht Louise.” „Louise !” riep de oude heer scherp uit, „’t is hier geen plaats voor jou 1 Waarom kom je ons hier lastig vallen ? Wil je ons geluk doen keeren ?” „Ik meende niets kwaads, oom 1 Ik wist niet dat u bezoek had. Ik werd zoo angstig alleen op m?n kamer.” „Praatjes ! Ga heen. meisje 1 Kom, monsieur De Gourvdle. wat zet u ?” De Gourville was genaderd tot zijn laatste vijf-franc-stuk. Met den moed der wanhoop nam hij de kaarten op. Van den storm die in hem woedde, was op zijn onverstoorbaar gelaat niets te zien. Met fiere onverschilligheid wierp hij zijn goudstuk op de tafel. „Poeh ! Niet meer ?” vroeg spottend de jonge baron. „Dat is kinderspel I” „Ha, ha, ja, kinderspel !” stemde de oude heer lachend in. „Kom. monsieur De Gourville, ik zal je een voorbeeld geven.” En hij deed een flinken greep in zijn goudhoop. De Gourville beefde van ingehouden hartstocht. Hii had prachtige kaarten in de hand, het geluk scheen hem weer toe te lachen edoch, zijn geld was op. Daar schoot hem plotseling een denkbeeld door het verhitte brein, gewaagd, lichtzinnig ; — hij aarzelde, terwijl het hart hem in de keel klopte. „Kom, vooruit met je louis d’orl” galmde de slome Lacraisse. De laatste aarzeling was overwonnen. Met een ruk haalde De Gourville het étui met het diamanten collier te voorschijn en wierp het open op tafel. De steenen schitterden als vuur. „Kinderspel, zeg je !” pochte hij. „Ik zet dit collier tegen jullie schamel goud’ Ik tart jelui 1” De baron en zijn zoon deinsden terug als hadden ze een slag ontvangen. Met wijdgeopende oogen. sprakeloos, en een uitdrukking van haat op beider gezichten,staarden ze eerst het kleinood en dan elkander aan. „Mijn collier 1” klonk (KP.B.) het opeens van de lippen der jonge dame, die op de tafeltoeliep,doch midden in het vertrek staan bleef. „Bandiet!” gierde de baron, van woede bui ten zichzelf. „On beschaamde schurk 1 Het bewijsvan je struikrooverij ons in het gelaat te durven slingeren 1 Maar nu hebben we je, en je zult met je leven voor deze onbeschaamdheid betalen !” en zijn stoel omverwerpende, sprong hij op en trok zijn degen. Als een bliksemstraal drong de waarheid in De Gourville’s hersenen door: dat was dus de dame, die door den markies bemind werd en blijkbaar door haar oom-voogd in afzondering gehouden werd, als bruid voor zijn zoon. En hij, ezel, slingerde zijn vijanden het collier in het gezicht en verraadde hun daardoor het geheim van de liefde dezer maagd I „Zooals je wilt!” bulderde hij, te gelijkertijd opspringende en zijn rapier trekkende. „Trek 1 Charles !” riep de baron. „Trek, voor de eer van ons huis. Trek, Lacraisse ! als je je bij ons voegen wilt!” „Duivels vloekte De Gourville. „We spelen nog. maar de inzetten zijn verhoogd : jullie levens tegen het mijne ... Hij pareerde een uitval van den baron, te gelijkertijd een stoel opnemende om een aanval van graaf Rupert af te weren. De jonge De Longueville sloop rond om hem van achteren aan te vallen. Drie rapieren vlamden dreigend De Gourville tegen, wiens hart opsprong van strijdlust. Hij was opeens weer de duellist, de roekelooze vechtjas uit de Rue St. Croix, voor wien het gevaar slechts bekoring had om het gevaar dat er aan verbonden was. „Lafaard 1” schreeuwde De Gourville, terwijl hij zich snel omkeerde en den stoel met zoo’n kracht naar den jongen baron wierp, dat deze op den grond viel. Op hetzelfde oogenblik verwondde de degen van den ouden heer hem in den linkerschouder. „Het eerste bloed is u, baron ! Pas op nu !” zei hij en viel met kracht op hem aan. Lacraisse kwam zijn gastheer te hulp, doch De Gourville had hem in ’t oog. Bliksemsnel het rapier van den baron neerslaande, een schijnbeweging, stak hij Lacraisse zijn degen in de borst. Zwaar viel deze neer. Onderwijl was de jonge Charles van zijn val opgerezen en de drie degens kletterden
PDF
Blad 
 van 2380
Records 2061 tot 2065 van 11897