Panorama

Blad 
 van 2380
Records 2046 tot 2050 van 11897
Nummer
1915, nr. 97, 2 dec. 1915
Blad
03
Tekst
3 PANORAMA te betrappen/’ — „Dat geloof ik wel !” — „Men moet geduld hebben.” „jullie hebt immers nu den tijd.” „Wij hebben zijn kolonel in ’t vertrouwen genomen. De man schrok lievig. Hij kon ’t maar niet begrijpen dat een officier van zijn regiment tot zulk een misdaad in staat zou zijn.” „Waarvoor heb je den kolonel noodig ?” vroeg Heinersdorff. „Hij moet Vidakovitch benoemen tot bataljonsadjudant. Begrijp je ’t ? Wij willen onweerlegbare bewijzen.” „En je zult ze krijgen als er nog gerechtigheid op deze wereld is.” „Golubjew heeft overigens Weenen verlaten. De grond schijnt hier een weinig te warm voor haar geworden te zijn?’ „Weet men waar zij heen is?” „Ja, naar Berlijn.” „Heeft Rusland dan ook in Duitschland duistere zaken te bewerkstelligen ?” „Nu, heel wat, hoor 1” lachte majoor Hoinami. „Duitschland is een nog veel gehater vijand dan wij, want voor de Pickelhauben hebben'zij een grenzenloos respect. Ons schatten zij niet hoog. Men mag wel zeggen God zij dank. Wanneer wij niet aan het verbond met Duitschland vast zaten, hadden de Wodki-broeders ons al lang overrompeld.” „Wij zijn altijd de arme bloedverwanten in de familie,” zeide Heinersdorff eenigszins bitter. „Wij zullen ten slotte het vliegen afleeren en dan bekommert zich niemand meer om het lot van den ouden, vleugellammen Adelaar.” „Mijn waarde vriend,” antwoordde de majoor met een pijnlijk lachje, „wij zullen den ouden Adelaar niet aan het vliegen brengen.” „Neen. dat zeker niet,” zeide Heinersdorff en het noodlot van zijn vaderland scheen hem zoo duister en hopeloos als de grauwe nevelavönd. „Maar ik had liever dat de oude Adelaar met roem viel in een strijd op leven of dood dan dat hij wacht tot de motten hem opvreten.” De majoor stond op. „Wij zullen het, naar te hopen is, niet meer beleven. Adieu.” Den volgenden dag kwam er een brief van Hedwig : „Waarom schrijf je mij niet ? Ik sterf van angst.” Hij antwoordde dadelijk en sprak een samenkomst voor den volgenden avond af. In het Schönbrunner Slotpark ontmoetten zij elkaar. Hedwig reikte hem haar bevende hand. Zij kon geen woord over haar lippen brengen. Haar oogen zwommen in tranen. Gok hij was sprakeloos. Zwijgend ging hij .met haar door het reeds in schemer gehulde park. Eindelijk zeide hij : „Zullen wij naar de „Gloriette” gaan ?” Zij knikte slechts. — Alleen om wat te zeggen begon hij : „Zoo dikwijls ik in Schönbrunn ben, moet ik aan Napoleon denken. Hij ging ook door deze Allée, ais meester van de wereld. Alles was toen eigenlijk veel hopeloozer en erger dan nu. Wie had toen kunnen denken dat die almachtige eens zijn leven als gevangene op een klein rotseiland zou eindigen ?” Hij wees naar het slot. „Maar onze oude Keizer zit nog altijd hier. Wat zijn we toch eigenlijk taai ! Wij kunnen niet ten onder gaan, zou men zeggen.” Zij weende onophoudelijk. Hij smeekte getroffen : „Maar lieveling !” Zij ging op een bank zitten en bedekte haar gelaat met de handen, snikken. Hij streelde radeloos haar arm. Ik ben schuld aan dat lijden, dacht hij en staarde met koortsachtigen blik in den milden avond. „Vergeef me, liefste,” bad zij, „dat ik mij niet beheerschen kan. Ik ben mijn zenuwen niet meer meester. 1 huis mag ik niet huilen en dus . . . Zij kon niet verder spreken. DE ACTIE IN SERVIË. Krijgsgevangen Serviërs leggen onder toezicht van Duitsche soldaten wegen aan voor transport-colonnes. Haar lichaam beefde van het sjare VAN HET ITALIAANSCHE LEGER. Een tweetal typen van Italiaansche soldaten: Een karabinier van het corps Alpen-gendarmen en een Alpenjager, Vooral de laatsten doen in dezen oorlog door hun uitstekende eigenschappen als bergsoldaten en door hun onstuimigheid veel van zich spreken. „Je moet kalrii worden, arme. Er is immers geen reden om te vertwijfelen. Houden wij niet evenveel van elkaar als vroeger ?” Zij vroeg snikkend ; „Ik wel, maar jij ?” „Hoe kan je nu zoo iets zeggen, lieveling. Ik heb ie lief tot mijn laatsten ademtocht. Niets kan ons scheiden ; niets.” Zij drukte zijn hand* aan haar borst, „je zult zien hoe goed ons leven nog zal worden. Wij zullen naar buiten gaan en onze rozen planten jij zorgt voor de koeien, wat?” Zij glimlachte onder haar tranen, „Maar nu moet mijn Hedwig weer bedaard worden en niet meer huilen.” Zij droogde haar oogen- en zeide vastbesloten : „Ik huil niet meer.” ; „Dan is ’t goed. Een Oostenrijksche generaalsdochter weent trouwens nooit.” „O ja ! Soms mag zij wel weenen.” „Maar heel, heel zelden.” Zij stond op. „Laten wij liever wat gaan looperi. ’t Wordt te koel.” Zij stegen langzaam naar de Gloriette omhoog. „Papa is heelemaal gebroken,” vertelde zij. „Hij zit maar en zwijgt en kijkt mij steeds zoo schuldbewust aan. Het spijt hem verschrikkelijk, dat moet je gelooven, mijn beste.” Hij antwoordde wat stug : „je kunt toch niet van mij verlangen dat ik hem nog om vergeving vraag.” „Dat verlang ik toch niet, lieveling,” zeide zij zachtjes. „Hij moet jou om vergeving vragen,” „Dat kan en zal hij niet. Dat weet je evengoed als ik,” — Zij zweeg bedrukt, — „Wij moeten ons daarover heenzetten, zoo goed als dat mogelijk is.” Zij vroeg zacht ; „Maar hoe, liefste ?” „De tijd brengt raad. Wanneer wij maar eens getrouwd zijn.” „Jawel, maar . . . .” „Ben je misschien bang dat generaal Buschgart zijn dochter niet zal vergunnen met een lafaard te trouwen ?” „Maar George ....!” „Ik ben er van overtuigd dat je vader er niets tegenin zal brengen wanneer jij mij volgt. Hij is daarvoor veel te trotsch. Hij zal hoogstens jou evenzeer verachten als mij.” „Hij veracht je niet George. Hij houdt van je/’ Heinersdorff lachte. „Heusch, hij houdt van je. Je moet hem alleen goed begrijpen. Hij is een oude soldaat. Je was misschien wat onhandig en trotsch ; je hebt hem geprikkeld.” „Heb ik hem geprikkeld ?” „Dat weet ik niet zoo precies, lieve, ik stel het me maar zoo voor. Wanneer hij je beleedigd heeft, kwam dat door gekwetste liefde.” „Ik vind dat je zeer eenzijdig voor je vader partij trekt.” „Laten wij rechtvaardig zijn, George.” „Ik ben rechtvaardig, maar ten slotte ben ik toch een mensch van vleesch en bloed. Wanneer iemand mij een slag op de rechterwang geeft, dan kan ik hem niet ook de andere wang toe keeren. Ik ben niet zoo zachtmoedig als iemand die op het koninkrijk der hemelen wacht'” „Met een ouden man kan je niet afrekenen : oog om oog en tand om tand.” „Dat wil ik ook niet Hedwig. ‘Ik verlang alleen wat geduld. Geduld en tijd. Wanneer eenmaal ons eerste kind geboren is, dan mag je vader komen. Ik zal dan den eersten stap doen en hem de hand toesteken. Wij zijn dan ouder geworden en zullen de woorden van vroeger niet meer tellen. Je ziet’t, ik ben zoo rechtvaardig en verstandig als een mensch maar zijn kan.” Zij zeide teeder : „Ik dank je, lieveling.” Zij waren bij de Gloriette aangekomen en keken weer op de lichtzee van Weenen. „En wat ga je nu doen George ?” „Ik heb nog geen plan. Voorloopig ga ik eerst naar huis, naar Altheinersdorff. Ik heb rust en stilte noodit om weer tot mezelf te komen. In den herfst haal ik je af en dan vieren wij bruiloft.” Zij vroeg zeer angstig ; „En wat gebeurt er dan met mijn ouden vader ?” „Dien moet je voor een tijdje alleen laten. Daaraan is niets te doen.” „Ja, zoo is ’t.” Maar haar hart. riep : Ik kan dat niet. Ik kan dat niet. „Het zal mij zoo moeilijk vallen om papa te verlaten, lieveling,” zeide zij na een poos. „Wanneer je mij liefhebt, moet je dat overwinnen.” „Geloof je dan niet dat ik je liefheb, uit ’t diepst van mijn ziel; meer dan alles ?” „Ik gelóóf ’t,” antwoordde hij vast. Zij greep zijn hand en kuste die, vóór hij het kon verhinderen. „Nu moet ik naar huis.” Zij verlieten de Gloriette. „Het is altijd zoo treurig thuis; je kunt je dat niet voorstellen.” Hij wist haar niet te troosten. „Wanneer * vertrek je?” . „Zoodra mijn zaken geregeld zijn. Waarschijnlijk reedsovermorgen. ’ ’ „Dan zien wij elkaar dus niet meer ?” „Tot den herfst!” Zij herhaalde werktuiglijk : „Tot den herfst I” „Schrijf mij dikwijls liefste. Ik zal zeer bezorgd over je zijn. Ik heb immers niets als de hoop op jou.” Zijn stem trilde van ontroering. „Ik zal dikwijls schrijven George.” Vóór de Hietzingei dorpskerk namen zij afscheid. (Wordt vervolgd). 97 (23a)
PDF
Nummer
1915, nr. 97, 2 dec. 1915
Blad
04
Tekst
PANORAMA 4 OPENING LEESZAAL TE ’s-HËRTOGEN BOSCH. De officieeie opening van de nieuwe leeszaal te ’s-Hertogenbosch. (V.F.B) VEREENIGING VAN RECLASSEER! NGSI NSTELLI NGEN . De vergadering van de Vereeniging van Reclasseeringsinstellingen op 27 dezer te Utrecht h. het gebouw „Irene” gehouden. {V.F.B.} Onder het zegel van den Staat. ;er Brutes, maire van Honfleur, vervloekte zijn noodlot. Z’n driekleurige ambtssjerp, zijn zeer in ’t oog loopende driekleurige kokarde, zijn ultra-republikeinsche slordigheid en de aangenomen naam Brutus, waren even zoovele bewijzen van zijn patriotisme en revolutionnaire principes. En inderdaad, de conventie had geen ijveriger dienaar, dan de burgemeester van Honfleur. Lichaam en ziel had hij gewijd aan de Fransche Republiek, een en ondeelbaar, en aan het apostelschap van Gelijkheid, Vrijheid en Broederschap — of Dood. En toch — in spijt van dit alles had hij zijn haat veroorloofd, het vrijheids-evangelie ontrouw te worden en was hij de slaaf geworden van een paar schoone oogen, het onvervreemdbaar eigendom van een jongmeisje, dat hem versmaadde. Hij had haar geringschatting eenigen tijd verdragen, gesterkt door zijn groote ijdelheid, die hem influisterde, dat ze weldra haar gezond verstand krijgen zou, dat haar zou vertellen, wat een prachtige kerel hij was en welk een groote eer het voor haar zou zijn de vrouw te worden van een man als hij, die zoo hoog stond aangeschreven bij de groote mannen der Revolutie. In zijn zelfverblinding was hij voortgegaan haar het hof te maken, vertrouwende op zijn succes en zichzelf overtuigende dat haar koelheid niets anders was, dan een der vele kunstmiddelen, waarmee de vrouwen gewoon zijn de ware gevoelens van heur hart te verbergen. Doch opeens was de sluier der zelfverblinding gescheurd en zag hij hoe groot zijn dwaling geweest was. Jeannette had zich verloofd met een ander, André genaamd en kapitein in het republikeinsche leger. Met woede en haat in het hart had hij het nieuws aangehoord van burger Gilbert, den vader van Jeannette, en daarom zat hij nu in zijn eenvoudige kamer en vloekte. Hij dacht aan den blik vol leedvermaak, waarvan Gilbert zijn mededeeling deed vergezeld gaan en zette zijn slimmen misdadigen geest aan ’t werk om burger Gilbert dien blik en Jeannette haar afwijzing betaald te zetten. Geruchten, kort geleden gehoord, dat burger Gilbert UIT HET MIJNBEDRIJF. De interessaifte foto’s van het leven en werken in de steenkolenmijnen, die we op deze pagina in beeld brengen, zijn genomen in de kolenmijnen te Hoensbroek, een der rijkste en meest bekende mijnen van ons land. — De foto hierboven laat zien, hoe de kolen, na losgehakt te zijn, op karretjes (lorries) geladen naar de liften worden gereden. De kolen worden, na met de lift naar boven te zijn gebracht, naar de spoorwagens gereden. in betrekking stond met de vervloekte aristocraten in Engeland, en die hij toen (oordeelende dat ze gevaarlijk konden worden voor den man. dien hij zich als schoonvader had uitgekozen) had onderdrukt en gelogenstraft, kwamen hem nu opeens weer klaar voor den geest. Wat, als er maar een zweem van waarheid in was 1 Bij den hemel ’ De guillotine zou het werk der wrake voor hem uitvoeren ! Niet zoodra had deze gedachte zijn geest vervuld of hij riep om Villette, een bandiet, te gelijkertijd zijn ambtenaar (de leer der Gelijkheid verbood het woord ,,dienstknecht”) en zijn spion. Villette begluurde hem steelsgewijs van onder zijn ruwe wenkbrauwen, terwijl hij binnentrad en de deur sloot. Hij was een zwaargebouwde man, slordig gekleed, zooals aan den ,,ambtenaar” van zulk een patriot betaamde met een allerongunstigst uiterlijk. ,,Herinner je je een gerucht dat liep een maand geleden, betreffende burger Gilbert ?” ,,Dat hij in briefwisseling is met de aristocraten in Engeland ?” ’ „Juist! Het is mij opnieuw ter oore gekomen, nü uit een bron, die mij doet denken dat het gerucht niet zonder grond is.” „Grond!” echo-de Villette. „Heb ik je niet verzekerd kort geleden, dat elk woord van het gerucht waar was ? Als je bewijzen wilt. . . „Bewijzen !” herhaalde Brutus gretig. „Zijn er bewijzen, man ?” „Een doos vol. ik weet van burger Gilbert’s beambte, mijn neef Rodenard, dat Gilbert in een alkoof, die altijd op slot is, een heelen voorraad verraderlijke papieren heeft, voldoende om half Honfleur naar de guillotine te brengen.” „Je weet zeker, dat jouw neef zich niet vergist» heeft ?” „Vergist? Ken je Rodenard, burger maire?” „Hm 1 Als hij even bekwaam is aan het sleutelgat als jij, Villette, dan zouden zijn informaties wat waard zijn.” De dikke lippen van den bandiet vormden zich tot een glimlach bij deze soort van vleierij. „Ik moet dien Rodenard zelf eens spreken,” zei Brutus. „ïk zal hem vanavond bij u sturen I” „In orde 1 Je kunt gaan !” „Er zijn twee soldaten beneden,” deelde Villette mee, terwijl hij naar de deur liep. „Zij passeeren Honfleur en vragen nachtverblijf. Hun papieren zijn correct. Ze zijn hier gekomen om een inkwartieringsbewijs.” „Zeer goed 1 Laat Barret ze het geven,” antwoordde Het hakken der kolen. Een gevaarlijke en zware arbeid. Het werken met electrische boren, waardoor de schacht geschikt wordt om uitgehakt te worden. De paardenstallen onder den grond. {foto's V.F.B)
PDF
Nummer
1915, nr. 97, 2 dec. 1915
Blad
05
Tekst
5 PANORAMA EEN KIJKJE IN EEN KLOKKEN GIETERIJ, Een onzer fotografen heeft deze week een bezoek gebracht aan de bekende klokkengieterij van de Firma Petit en Fritsen te Aarle-Rixtel (N,-Br.) en aldaar de foto’s genomen, die wij op deze pagina reproduceeren. Het ligt niet op ons terrein hier een overzicht te geven (in woorden althans) van de wordingsgeschiedenis der klok; evenmin willen wij hier bespiegelingen houden, over het nut der klokken. Wie daar iets meer van wil weten, verwijzen wij naar Schiller’s „Lied von der Glocke’’, waarin haar ontstaan en nut meesterlijk is beschreven. Onze foto’s hierboven geven (links) het transport der klokken en (rechts) de plechtige wijding. (foto's V.F.B.) De klok, zooals zij uit den vorm komt, wordt afgeschuurd en gladgemaakt. (V.F.B.) zwijgend aan met een houding, die zijn geringschatting voor den secretaris duidelijk te kennen gaf. Toen hij het vertrek verlaten had, boog de heer Barret zich over zijn papieren heen ; na eenige oogenblikken rees hij op en gaf den beiden wachtenden soldaten de gevraagde biljetten. „U wordt ingekwartierd bij burger Gilbert, Rue Nationale, 't Is de derde straat aan uw linkerhand en . . . .” ,,Ik ken den weg,” viel de officier in. De secretaris keek verrast op, maar zei niets. Ondervinding had hem geleerd, dat menschen die het minst zeiden, het langst leefden in die tijden. * * * Als zij het huis verlaten hadden en zich langs de kaai naar hun kwartier spoedden, barstte de jonge officier opeens in een schaterlach uit. „Foei, Simon 1 Denk eens na! Mijn mededinger wijst mij als verblijf het huis van Gilbert aan. Hij had verstandiger gedaan, eerst mijn naam te vragen. Gilbert zei dat hij een man was om te vreezen. Bah 1” „St *” waarschuwde de hercules, terwijl hij nauwlettend rondom keek. „Wanneer zul je toch eens leeren niet zoo luidruchtig te wezen? ’t Zal je op een goeien dag je hoofd nog kosten, reken daarop. Overigens zie ik geen reden de maire. Zijn geest was te veel met andere dingen bezig, om nu aan een paar soldaten aandacht te kunnen wijden. Een oogenblik later kwam hij echter op een inval. „Villette,” zei hij, „zeg Barret dat hii hen beiden bij burger Gilbert herbergt. Dat kan in ’t belang der Republiek zijn!” Villette pinkte veelbeteekenend, terwijl hij de deur sloot en ging naar beneden, de „Marseillaise” fluitende. In de kamer beneden, waar de maire zijn ambtsplichten vervulde, vond hij de beide soldaten, wachtende op het kwartier dat hun zou worden aangewezen. Beiden waren gekleed in de blauwe republikeinsche uniform met zwarte slobkousen. doch waar de een (een groote zware kerel, wiens lichaamsbouw van enorme kracht getuigde) beladen was met zak en ransel en in onverschillige houding op zijn geweer leunde, droeg de ander, een jonger man met een net en aangenaam voorkomen, slechts een zwaard en de wollen epauletten van een officier. Gouden epauletten waren afgeschaft als te zeer in strijd met de leer der Gelijkheid en Broederschap. Aan den anderen kant van het ongezellige lokaal bevond zich een lange tafel met papieren overladen, waaraan de secretaris Barret zat te schrijven. Hij was een jonge man met bleek gelaat, een air van beschaving en hoewel hoogst eenvoudig, toch zoo smaakvol gekleed, dat Villette er den aristocraat uit proefde. „De burger maire verlangt dat je deze blauwrokken zult inkwartieren bij burger Gilbert,”zei Villette op zijn ruwe wijze tot den bleeken secretaris. Barret knikte en doopte de veder in den inkthoorn. „Ik zal er voor zorgen ! Deze brieven zijn juist aangekomen. Een is van het Comité de Salut Public en meldt de aankomst hedenavond van den burger afgevaardigde Danton. De burger maire moet hiervan oogenblikkelijk worden verwittigd. Wil je hem den brief brengen ?” Villette nam het schrijven stilA. S. H. BOOMS.T Mr. Dr. F. L.. G. Z. M. VONK DE BOTH. Generaal PEDRO NEL OSPINA. Te ’s-Gravenhage is plotseling in den ouderdom van 74 jaar overleden de gepensionneerd luitenant-kolonel van 'net O.-I. leger de heer A. S. H. BOOMS. — Tot burgemeester van Tilburg is benoemd de heer mr. dr. F. L. G. Z. M. VONK DE BOTH, voorheen secretaris dezer gemeente. Tot nieuw gezant van Columbia bij ons hof is benoemd generaal PEDRO NEL OSPINA. 5O-JARIG BESTAAN VAN DEN LEIDSCHEN SCHOUWBURG. Maandag 29 November was het juist een halve eeuw geleden dat de Leidsche Schouwburg door de „Leidsche Schouwburgvereeniging'* in gebruik werd genomen. Ter gelegenheid van dit heuglijk feit gaven „Die Haghespelers’’ een feestvoorstelling van „De Quinneys” van Oachel voor ’n dicht-bezet huis. Onze foto geeft een mtérieur-opname van den schouwburg, genomen tijdens de voorstelling. (V.F.B.) De Klokken, bijna gereed, zijn opgehangen, om de zuiverheid van den klank te kunnen onderzoeken. {V.F.B.} voor je uitbundige vroolijkheid. Het beest zal niet zoo heel veel tijd meer noodig hebben om zijn vergissing in te zien en maires hebben een onaangename manier om hun fouten te herstellen.” „Bah! Morgenavond zijn we vertrokken!” „Maar als hij nu vandaag nog bemerkt, dat hij kapitein André heeft ingekwartierd bij burger Gilbert ?” „Welnu, wat zou dat? Hoorde je dien pennelikker niet zeggen dat Danton van avond in Honfleur komt ? Als ’t noodig is, beroep ik me op hem. Hij is geen dorpsmagistraat en een soldaat der Republiek zal bij hem gerechtigheid vinden.” „Gerechtigheid!” herhaalde Simon min of meer toornig. „Wat heb je aan gerechtigheid als Brutus den beschuldigenden vinger op jou richt ? Gerechtigheid, mijn vriend, is het synoniem van guillotine ! Je schijnt je nog geen goed denkbeeld gevormd te hebben van de wijze waarop men tegenwoordig hier gewoon is recht te doen 1” „Bah, wat ben je zwartgallig, Simon. Hoe kom je zoo?” „Zwartgallig of niet, ik zeg je dat het zaak is voorzichtig te zijn! Ik houd er niet van mijn leven op die manier in de waagschaal te stellen 1” „De duivel haal jou, Simon ! Waarom moet een goed patriot zoo’n onaangenaam mensch als jij tot reisgezel hebben? Kijk de zon eens heerlijk schij- •nen, En morgen is ’t mijn trouwdag. Wie praat er dan van guillotines ?” Simon gromde wat en stilzwijgend liepen de beide mannen voort, tot ze de Rue Nationale bereikt hadden. II. Jeannette verwelkomde haar bruidegom met tranen van vreugde, terwijl Gilbert het een prachtige grap vond. dat Brutus onwetend André naar hem had verwezen.
PDF
Nummer
1915, nr. 97, 2 dec. 1915
Blad
06
Tekst
PANORAMA 6 Hij betreurde het echter, dat hij dien morgen genoodzaakt geweest was, zijn bediende Rodenard te ontslaan, omdat hij dezen betrapt had, dat hij aan het spionneeren was. Hoe weinig belangrijk dit feit was, voor den pessimistisch gestemden Simon was het genoeg om diens achterdocht te wekken. Het leek hem lang niet onmogelijk dat Gilbert door deze daad aan den gewetenloozen Brutus een wapen in de hand gegeven had. Wat verhinderde dien Rodenard alle soorten valsche beschuldigingen te zweren tegen zijn vroegeren meester? In die dagen werd verdachtmaking op den voet gevolgd door een aanklacht tegen de veiligheid van den Staat. Bewijzen werden weinig, soms in ’t geheel niet gevraagd. Hij hield zijn argwaan nochtans voor zich, omdat hij geen schaduw wilde werpen op de luchthartige vreugde van zijn vriend André en diens jonge bruid. Dat zijn voorgevoelens niet ongegrond waren geweest, bleek echter uit hetgeen dien avond laat in het huis voorviel. Nauwelijks waren de bewoners ter ruste gegaan of ze werden opgeschrikt door een luid geklop op de voordeur. De oude Gilbert stond haastig op bevende en met duizend vreezen in ’t hart, want een sa” menzweerder zijnde, was zijn geweten niet gerust, ïn zijn kamerjas en met de slaapmuts op, ging hij naar beneden om de oorzaak van het nachtelijk rumoer te onderzoeken. Nauwelijks had hij de deur ontsloten, of ze werd door een krachtige hand ruw opengeworpen en een woeste klant met de Jacobijnenmuts (dat vreeselijk symbool van bloeddorstig patriottisme) trad het huis binnen, gevolgd door twee anderen. Een droeg een lantaarn, die hij omhoog hield, zoodat het licht op Gilbert’s gelaat viel. Het was Rodenard — de weggejaagde bediende van Gilbert. ,,Ben jij die gemeene verrader Gilbert !” schreeuwde de kerel met de roode muts. Het hart klopte den ouden man in de keel. Hij was verraden ! Desniettegenstaande, uit een instinctmatige zucht naar zelfbehoud, antwoordde hij kalm : ,,Ik ben burger Gilbert, maar ik ben geen verrader. Wie ben jij en wat moet jij hier op dit uur !” ,,De dienst van de natie kent geen uren ; daarvoor is het steeds tijd!” was het hoogmoedige antwoord.' En in ruwe taal vol beleedigingen vertelde de patriot aan Gilbert dat aan ’tComité de Salut Public ter oore gekomen was, dat hij een verrader en in correspondentie was met de gehate aristocraten, en dat zij gekomen waren om de deur van zekere alkoof, alwaar de bezwarende documenten verborgen waren, te verzegelen. Een siddering voer den ouden samenzweerder door de leden, nochtans betuigde hij dat het een vergissing moest zijn. ,,Ken je dezen man?” vroeg de patriot eensklaps op Rodenard wijzende. Gilbert lichtte den kandelaar op, zoodat het licht op het valsche gelaat van den spion viel. „Ja! Dat was mijn beambte. Ik ontsloeg hem voor oneerlijke handelingen. Als je informaties van hem komen, dan . . . .” „Dat doen ze, burger Gilbert,” viel Rodenard hem met een ruwen lach in de reden. Toen ging hij tot zijn metgezellen voort : „Volg me en ik zal je wijzen, waar de aristocraat zijn papieren bewaart.” Gilbert’s polsen sloegen koortsachtig. Zijn tong kleefde hem aan het verhemelte. Toch deed hij nog een poging om den toestand te redden. „Halt 1” riep hij, zich voor hen plaatsende. „Het is een complot om mij te berooven. Waar is uw bevelschrift ?” Een smerig papier met het zegel van den maire werd hem door den roodgemutsten patriot onder den neus geduwd. Hij deinsde terug. „U kunt uw gang gaan, burgers I” stamelde hij en volgde de mannen de trap op. Op de eerste verdieping aangekomen, ging Rodenard den mannen voor naar de eetkamer en vandaar naar de deur van de alkoof, waar hij wist dat de bewijzen van Gilbert’s schuld verborgen waren. De sleutel stak in het slot, maar door een speling van het lot was het niet omgedraaid. De Jacobijn bemerkte dit, doch in plaats van de deur te openen, zooals Gilbert verwacht had, deed hij de deur op slot en stak den sleutel in zijn zak. Toen een pijp lak te voorschijn halende, bevestigde hij met behulp van een grooten koperen stempel drie groote zegels dwars over de reet van de deur, aldus den deurpost en de deur met elkander verbindende. „Ziezoo 1” riep hij uit, achteruittredende en als een artist zijn werk bewonderende. „De inhoud van deze kamer is nu onder het zegel van den Staat. Beschadig het niet ! Morgenochtend komen de burger afgevaardigde Danton en de burger maire ze verwijderen.” DE BEWEGING VOOR VROUWENKIESRECHT. Door de Haagsche Afdeeling van de „Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht” is een nieuw middel uitgedacht ter propageering harer ideeën. Zij richtte n.1. in „Pulchri Studio’* een St.-Nicolaastafel in, waaraan een druk bezoek ten deel valt. (foto „Rembrcmdt”) „Vader, wat gebeurt er?” klonk plotseling een zachte stem achter hen. De mannen keerden zich om. In de opening der deur stond een jong meisje in nachtgewaad, de lange blonde haren los over de schouders hangende. Het schoone gelaat was bleek én met verschrikte oogen staarde ze de mannen aan. Er was iets zoo reins en onschuldigs in die verschijning, dat de ruwe kerels verlegen werden door haar tegenwoordigheid en hun ruwe tongen geen woorden konden vinden om haar weg te jagen. Terwille van zijn kind wist de oude Gilbert zijn zenuwen te bedwingen. „Ga naar bed, Jeannette!” riep hij haar toe. „Je zult DE Rl J KS-GROENTEN VOORZI EN I NO. Het comité van actie der Nederlandsche Groentenhandelaren, te Rotterdam in vergadering bijeen. Dit comité is gevormd met het doel overleg te plegen met de autoriteiten, inzake de voorziening in de behoefte aan groenten gedurende de wintermaanden, (foto „Remhrandt ) kou vatten. Er is niets gebeurd ! Deze burgers zijn hier voor zaken van den Staat, waarvoor trouwe patriotten altijd gereed moeten staan. Ga naar bed, kind !” En zij, bevreesd voor de woest uitziende mannen, gehoorzaamde hem. Jeannette was niet de eenige, wier nachtrust verstoord was geworden. Op het portaal boven de alkoof leunden twee mannen over de trapleuning en luisterden naar het gerucht dat van beneden kwam. André, met de voortvarendheid der jeugd, wilde naar beneden snellen, maar de voorzichtige Simon hield hem, bijna met geweld, terug. Niet dan nadat de Jacobijnen het huis verlaten hadden en de deur achter hen gesloten was, stond Simon aan André toe naar beneden te gaan. En dank zij de voorzichtigheid van Simon werd het gevaar van Gilbert en zijn huisgenooten afgewend. Toen de woestelingen eenmaal weg waren, was de kracht van den ouden man gebroken ; de kandelaar viel hem uit de bevende vingers en met een zacht gekreun viel hij bewusteloos neer. In dezen toestand werd hij gevonden door André, die hem met behulp van Simon naar boven bracht in dezelfde kamer waarheen Rodenard zijn metgezellen geleid had. Jeannette kwam de kamer weer binnen en knielde bij den bewusteloozen ouden vader neer. Simon keek de kamer rond of hij de oorzaak kon opspeuren van deze nachtelijke tragedie. Daar bemerkte hij de gezegelde deur en een ontevreden gefluit ontsnapte zijn lippen. Hij wilde André’s aandacht op de deur vestigen, toen de oude Gilbert weer bij kennis kwam. Met een diepen zucht opende hij de oogen, keek min of meer verward om zich heen, tot hem opeens alles wat voorafgegaan was weer' te binnen schoot. „Mijn God !” kreunde hij. „Ze zullen me guillotineeren!” „Vader, lieve vader!" smeekte Jeannette, hem vol liefde en medelijden aanziende. „Wat is er toch gebeurd?” Met een blik van intens verdriet en zorg, zorg voor haar en verdriet over het leed dat hij haar moest aandoen, en dat op dit oogenblik al zijn eigen vrees verbande, zag hij * op haar neer, terwijl hij zijn vermagerde hand op haar blonde hoofd legde. „Wees dapper, Jeannette,” mompelde hij. „Weesdapper, m’nkind! God zal je beschermen.” Toen zich tot André wendende, die naast hem stond zei hij: „André, zweer dat je haar zult liefhebben en beschermen na mijn .... na morgen! ’ ’ Met ’n stem die door de emotie hem zelf vreemd in de ooren klonk, sprak de jonge man den eed uit. „Het is noodig,” viel nu de onbehouwen Simon in, die op den achtergrond staande de groep met gefronsten blik aanzag. „Het zal noodig zijn, burger Gilbert, dat voor we je begraven, we eerst zeker weten dat je dood bent!” Een treurige glimlach kwam op het gelaat van den ouden man. „Ik ben reeds dood!” antwoordde hij. „Deze zegels zijn mijn doodvonnis. Ontsnappen zou krankzinnig zijn, want het huis wordt nauwkeurig bewaakt.” „Hm ! Wat is er in die kamer?” vroeg Simon. „Een bundel brieven van gevluchte aristocraten en andere documenten, genoeg om een regiment andere menschep, naar de guillotine te drijven.” „Wat! Als ze zoo gevaarlijk zijn, waarom vernietig je ze dan niet?” vroeg Simon koeltjes. „Vernietigen ?” hijgde Gilbert, opstaande. „Ben je gék? De kamer heeft geen anderen ingang dan deze deur. Als de zegels verbroken worden, zullen ze me guillotineeren.” „En als de zegels niet verbroken worden, doen ze het ook, dus . . . .” Hij hield op. Jeannette viel in zwijm. „Dat is jouw werk, Simon!” riep André verstoord uit, terwijl hij op het bewustelooze meisje toeliep. „Waarom praat je toch zoo ongevoelig ?” Simon schudde zijn breede schouders en zonder op zijn vriends uitval te antwoorden, keerde hij zich tot Gilbert en vroeg hem alle bijzonderheden omtrent het bezoek der drie mannen. Toen hij alles vernomen had, dacht hij een oogenblik na. „Hoe groot is die alkoof ?” vroeg hij eindelijk. „Ongeveer de helft van deze kamer !” „Zóó groot ! Uitstekend ! Je zegt, de deur was niet op slot ?” „Ja, door een nalatigheid van mij, misschien ten gevolge van het wegzenden van Rodenard, was de deur ongesloten gebleven !” „Ze draaiden den sleutel om zonder in het vertrek te kijken ?” „Ja!" „Stommelingen !” bromde Simon. „Maar wat kan de Cc ventie verwachten als het zulke dienaars heeft? Daar is ae hand der Voorzienigheid in, burger Gilbert !” „Zie je een weg?»” vroeg de oude man, bevende van hoop en vrees.
PDF
Nummer
1915, nr. 97, 2 dec. 1915
Blad
07
Tekst
7 PANORAMA „NOTABELEN”. De N.V. „Het Tooneel”, directeur W. Royaards, heeft ter gelegenheid van de plechtige opening van haar nieuwe „home”, den Princesseschouwburg te ’s-Gravenhage, onder zeer veel belangstelling het bekende tooneelspel „De Notabelen” voor ’t voetlicht gebracht. — Onze foto’s stellen voor, links, (in de'bekende volgorde): johan Gobau - Olmers; Gerard Vrolik - de heer Spreeuw, (Drogist); Willem Royaards - Burgemeester Nicolaas Spreeuw; Elias van Praag - Musch. Foto rechts, (zelfde volgorde): Elias van Praag - Musch; Anna Tollender - Mej. Brendel; Anna Sablairolles - Mej. Morgenrood; Gerard Vrolik - de heer Spreeuw. (Foto's Couvêe). ,,Ja, ik heb een idee! Gevaarlijke ziekten vragen gevaarlijke remedies, burger. Als mijn plan slaagt, ben je gered. Gebeurt dat niet, wel, dat zijn de zaken niet slechter !” ,,Simon, Simon ! Waarom plaag je me met hoop ?” „De burger afgevaardigde Danton is een vroege opstaander,” ging Simon kalm voort, „hij zal dus waarschijnlijk vroeg in den morgen komen. Als dat gebeurt is alles in orde, zoo niet . ...” hij maakte met zijn vingers een beweging langs zijn hals, „dan zullen we samen in de kar rijden. Nu de papieren !” Voordat Gilbert begreep wat de soldaat uitvoerde, had deze met zijn eene hand het slot en met zijn andere den grendel gegrepen ; toen zijn knie tegen den deurpost zettende, trok hij, dank zij zijn enorme kracht, de deur open. Zonder op de verschrikte uitroepen en vragen, zoowel van André als Gilbert te letten, verzocht hij den ouden man alle gevaarlijke papieren te vernietigen. Gilbert gehoorzaamde hem als in een droom, een prooi dan van hoop, dan van vrees en klaarblijkelijk geheel beroofd van zijn zinnen. Jeannette richtte zich op uit den stoel, waarin André haar geplaatst had. ,,Moed, juffrouw,” riep Simon haar toe. „We zijn bezig uw vader te redden,, wil, terwijl wij werken, bidden dat de hemel ons helpt. En nu, André, heb ik je hulp noodig.” „Wat is je plan?” „Dat zal ik je zeggen, terwijl wij het uitwerken. Kom, we hebben geen tijd te verspillen. Bid, mademoiselle, dat de burger-deputé Danton morgen vroeg komt, — heel vroeg?” 111. Of Jeannette’s gebed werd verhoord, is niet bekend, maar het was klokke zeven uur den volgenden morgen, toen de burger afgevaardigde Danton, vergezeld van den burger maire Brutus en twee soldaten aan Gilbert's woning klopten. Zij werden opengedaan door Gilbert zelf, die op zij ging om hen door te laten. Danton wierp een scherpen blik op den verdachte. ,,U ziet bleek, burger !” riep hij uit met een stem als de donder, een stem die heel Frankrijk sidderen deed. „ja!” antwoordde Gilbert, met een zucht die volstrekt niet gemaakt was. „Ik heb den geheelen nacht niet geslapen. Het is een schandelijke behandeling, waaraan ik. een trouw en loyaal patriot, mij heb moeten onderwerpen.” „We zullen zien, we zullen zien !” antwoordde Danton. „Maar als je bent wat je zegt, waarom vrees je, waarom beef je dan zoo, man ?” Gilbert sloot de deur. TIJDELIJK GEZANTSCHAP BIJ DEN PAUS. Bij Koninklijk besluit is Jhr. Mr. O. F. A. M. VAN NISPEN TOT SEVENAER, lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, benoemd tot buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister in tijdelijke en bijzondere zending bij den Pauselijken Stoel. (Foto Couvêe.) „Ik heb een goede reden om te beven. De vergissing is monsterachtig ...” „Kom, kom, burger,” viel Brutus in, „de burger-deputé zal dat wel beoordeelen. Wijs’ons den weg naar de kamer die mijn mannen hebben verzegeld.” Gilbert begaf zich naar de trap, maar nauwelijks had hij den voet op de eerste trede gezet of er klonk een luid geklop door het huis. „Wat is dat?” vroeg Danton scherp. „Hemel!” riep Gilbert verschrikt uit, „ze zijn ontwaakt. Dat vreesde ik al ! Gauw, burgers, gauw !” riep hij Danton en de anderen toe op angstigen toon. „Haast u, anders is ’t te laat en ben ik geruïneerd !” En hij vloog de trappen op met een snelheid, die zij onwillekeurig navolgden, Voor zij halverwege waren, klonk er een gekraak van splinterend hout vergezeld van woedende kreten : „Open ! Open !” „Spoed, burgers 1” schreeuwde Gilbert met zulk een grooten angst op het gelaat, dat de mannen hem verbaasd achterna renden. Zij bereikten het portaal err met een laatsten kreet: „Haast u !” vloog Gilbert de eetkamer binnen, waaruit de kreten schenen te komen. Ook de andere mannen bereikten de kamer en liepen deze door naar de deur van de alkoof. Een der paneelen lag versplinterd en juist toen zij naderden scheen de deur door een onzichtbare macht te schudden. Toen, met ratelend geluid vielen slot en grendel op den grond, ter zelfdertijd volgde met donderend geraas de zware deur, en over die deur tuimelde een reusachtige kerel. In een oogenblik was de razende reus overeind, vloekende en scheldende en niet zoodra had hij den bevenden Gilbert ontdekt of hij vloog met een woedenden kreet op den ouden man af en greep hem bij den keel. „Verrader! Hond! Aristocraat!” bulderde hij, terwijl hij zijn slachtoffer in zijn ijzeren greep bijna smoorde. Ondanks zijn verbazing beval Danton den hem vergezellenden soldaten de vechtenden te scheiden, voordat de bruut den ouden man mocht hebben gedood. Zij vielen op Simon aan, die, Gilbert loslatende, de beide soldaten van hem afschudde als een hond een paar ratten. „Laat me begaan !” brulde hij. „Laat me dien smerigen aristocraat leeren twee soldaten van Frankrijk achter slot en grendel te stoppen „Kalm, man donderde Danton, die nu meende alles te begrijpen. „Dat is niet de schuld van den ouden man. Er is hier iets wat nadere verklaring eischt!” En een zijdelingsche ontevreden blik viel op Brutus, wiens gelaat doodsbleek geworden was. Simon scheen zich plotseling hun tegenwoordigheid bewust geworden. Hij keek de mannen een voor een van het hoofd tot de voeten aan en met een zucht van berusting, Zal Brugge ook verwoest worden? Deze vraag zal menigeen, die als toerist deze schoone stad eenmaal bezocht, zich gesteld hebben. En niet zonder reden. Brugge toch ligt slechts 25 K.M. van de vuurlinie verwijderd en op slechts 13 K.M. van Zeebrugge, de stad, die reeds meermalen een bombardement heeft te verduren gehad. Geen wonder dus, dat menig liefhebber v.oud-stedenschoon zich met zorg afvraagt wat het lot zal worden van Brugge, indien de Geallieerden eventueel een offensief zouden beginnen. Zouden dan al die mooie en grootsche gebouwen, waaraan de stad zoo rijk is, hetzelfde treurig oorlogslot ondergaan van Dendermonde, Leuven, Yperen e. a.? Wij behoeven hier slechts te herin- J Brugge, in een formaat van 14x21 c.M., met verklarenden tekst in vier talen. Deze serie, die de bewondering afneren aan het Stadhuis, het Vredegericht, het Frankenpaleis, het Gruuthusepaleis; aan de prachtige kerken St.- j! dwingt van eiken kenner, kunnen wij met gerust hart den talrijken liefhebbers van dergelijke stadsbeelden aanbeSalvator-, Onze-Vrouwen-, St.-Jacobskapel van het Heilig Bloed; aan den grootschen, indrukwekkenden Halletoren h velen. Bij iederen boekhandelaar kan men de platen bestellen. — De linker foto geeft den lezer een kijkje op de met zijn wereldberoemd carillon; aan het ontelbaar aantal werken van groote schilders als Memling, van Eijck, „Groote Markt” met den Halletoren; links daarvan het Gouvernementspaleis en de groote post. In net midden het Van Oost, Gerard David en nog vele anderen, om te doen inzien dat een verwoesting van Brugge op kunstgebied ■ bekende standbeeld der Vlaamsche helden Jan Breidel en Pieter de Conink. De rechter afbeelding, voorstellend de een onherstelbaar verlies zou beteekenen. — De afbeeldingen die wij hierboven reproduceeren, verschafte ons een Sleutelbrug, laat zien hoe karakteristiek Brugge zijn oudheid bewaarde. Hoe schilderachtig doen het die oude Vlaam bevriend Belgisch uitgever, die behalve een serie van dergelijke kiekjes, ook een serie prachtplaten uitgeeft van ; sche trapgevels met op den voorgrond het vrouwtje in haar typisch-Bruggeschen kapmantel.
PDF
Blad 
 van 2380
Records 2046 tot 2050 van 11897