Panorama

Blad 
 van 2380
Records 2041 tot 2045 van 11897
Nummer
1915, nr. 96, 29 nov. 1915
Blad
06
Tekst
PANORAMA 14 Hij antwoordde niet dadelijk, doch keek mij onderzoekend aan. „ïk durf zeggen : ja — als je er me den tijd voor geeft,” antwoordde hij langzaam. „Maar kan je zelf wel controleeren of mijn inlichtingen juist zijn?” „O, Ja 1 Zonder twijfel!” „Kun je ?” „Ja, met de meeste nauwkeurigheid 1” Hij keek mij doordringend aan. „Ik dacht dat belangrijke dingen voor subalterne officieren geheim waren. Wij weten, natuurlijk, omdat wij ons handwerk maken van weten. Doch ik vermoed dat de bewapening van zoo’n belangrijke batterij slechts bekend is aan de hoofdofficieren en ingenieurs van de vesting. En — dit is geen vleierij, maar gemeend — deze zijn gewoonlijk onomkoopbaar.” Ik knikte en grinnikte. „Wij zijn niet gevleid,” antwoordde ik, „doch nemen gaarne een compliment aan, zooals het wordt aangeboden. Als een lid van het onomkoopbare lichaam zeg ik u dank.” „Maar hoe zul je mijn gegevens dan kunnen toetsen ?” vroeg hij weer. „Het is mijn eigen batterij !” antwoordde ik eenvoudig. Mijn collega’s schaterden het uit, want ik had Von Blum schaakmat gezet. Hij was echter niet uit het veld geslagen. „Dat is natuurlijk beslissend !” stemde hij toe. „In allen geval, voor ik vertrek, hoop ik je te verrassen met mijn mededeelingen. Ik heb ze natuurlijk niet in mijn hand en kan ze je dus niet dadelijk toonen. Het kan ons absoluut niet schelen als je verneemt, hoeveel wij weten. Het is juist omdat we nauwkeurig van jullie strijdmacht op de hoogte zijn, dat we geen ruzie met jullie maken. Het zal er echter eenmaal van komen ; wij nemen in kracht toe en eens zal de dag aanbreken, dat we klaar zijn. En dan . . . . ” „En dan ?” vroeg mijn collega Ferrer. „Laten we hopen, dat dit promotie beteekent voor ons allen,” antwoordde Von Blum zoetsappig. Hierop begon hij met eenige andere collega’s te whisten en aangezien een mijner onderofficieren ziek was, ging ik heen om hem te bezoeken. Toen ik terug kwam, was Von Blum verdwenen, en waren de anderen over hem aan het praten. „Ik hoor, Strange, dat jij hem hier geïntroduceerd hebt,” zei de kolonel. „Jawel, kolonel I” antwoordde ik. „Hoe ben je met hem in kennis gekomen ?” Ik vertelde hem dat hij tot het gevolg van prins Eugenius behoorde en een brief voor mij had meegebracht van mijn broeder in Engeland. „Zie u zelf maar,” zei ik, terwijl ik den brief te voorschijn haalde. De brief deelde mee, dat majoor Von Blum van het 31ste huzarenregiment, militair attaché was geweest te St.-Petersburg en bekend stond als een sportman en een aangenaam, wellevend mensch. Hij sprak Engelsch als een Engelschman en hield van een goed diner, een goed paard en een goede sigaar. Hij had mijn broeder aan zich verplicht door hem den afgeloopen winter bij zijn verblijf te St.-Petersburg allerlei vriendschapsdiensten te bewijzen, waarom hij mij verzocht den majoor, die aan het gevolg van prins Eugenius op diens reis in de Middellandsche zee was toegevoegd, wederkeerig gastvrijheid te verstrekken, gedurende zijn verblijf te Gibraltar. BEGRAFENIS J. S. MEUWSEN. Woensdagmiddag te één uur is het stoffelijk overschot van den heer J. S. Meuwsen, in leven voorzitter v. d. Middenstandsbond en de Algemeene Winkeliersvereeniging te Amsterdam, op „Zorgvlied” onder zeer veel belangstelling aan den schoot der aarde toevertrouwd. Algemeenen blijken van (V.F.B.) DERDE LUSTRUM „VRIENDENKRING VAN HET H. SACRAMENT”. Verleden week herdacht de „Vriendenkring van het H. Sacrament” te’s-Hage met veel luister zijn 15-jarig bestaan. Ter gelegenheid van dit heuglijk feit heeft de kring een reeds lang verbeide banier gekregen (zie foto), waarvan de plechtige inzegening door Deken Wijtenburg Zondag 21 November heeft plaats gehad. Dit fraaie Sacramentsvaandel is ontworpen en vervaardigd in de ateliers van Dh. H. Fermin. (foto v. Tol.) De kolonel gaf mij den brief met een goedkeurenden knik terug. Zoo was majoor Von Blum de eerstvolgende weken voortdurend in ons gezelschap en hoe langer de kennismaking duurde, des te meer sympathie kregen we voor den jovialen huzarenofficier. Hij was een vroolijke gezel en een goed ruiter. „Paardrijden,” verklaarde hij met enthousiasme, „vind ik de prachtigste sport. Natuurlijk, daarvoor ben ik soldaat en cavalerist.” Waren de manschappen van het 31e huzarenregiment zooals hun majoor, dan zouden ze ons wat te doen geven, als de krijgsgod ze tegen ons uitzond. Wij waardeerden hem daarom te meer en ik geloof dat de sympathie wederkeerig was. Hij bezocht geregeld het officierencasino in de vesting en onderhield zich in ’t bijzonder met mij, met wien hij gaarne over dienstzaken sprak. Soms waren zijn vragen evenwel van dien aard, dat ik hem het antwoord er op schuldig bleef. „Ik begrijp niet,” zei h ij op zekeren avond, „hoe je in staat bent een goed toezicht te houden op al je posten en schildwachten, en al die kruisgangen en galerijen, je vraagt den wacht van een mijngang om toegelaten te worden, deze treedt naar buiten en kan onderwijl je je ronde begint de verschillende schildwachten waarschuwen dat je op komst bent. Je kunt ze dus nooit overvallen en ze kunnen onderwijl doen wat ze willen.” Ik glimlachte. „Dat weten wij wel te verhinderen,” zei ik. „Hoe?” „Ik dacht dat je van al die dingen even goed op de hoogte waart als wij ?” hernam ik. Hij lachte goedgehumeurd. „Ha, ha, ha 1 Die is goed gepareerd. Dat is de straf voor mijn nieuwsgierigheid. Nochtans begrijp ik niet hoe je dat voorkomen kunt.” „Wel, we worden niet toegelaten door de wacht en die komt niet naar buiten, dat is al 1” zei Ferrer, die beter had moeten weten. Ik zag hoe de kolonel de wenkbrauwen fronste. Von Blum keek hem aangenaam verrast aan en knikte. „Natuurlijk I” stemde hij toe, „Daaraan had ik moeten denken. Er zijn geheime ingangen alleen aan enkele van de officieren bekend.” We lachten allen om de naïeve manier, waarop hij zijn meening te kennen gaf. „Ik denk dat een partijtje whist beter is, dan al dat gepraat over den dienst,” merkte de kolonel rustig op. „Heb jij nog tijd voor een spelletje, Strange?” Ik knikte. Ik had dien nacht de ronde, doch behoefde over een uur pas op te stappen. Toen ik eindelijk het casino verliet, ging Von Blum met mij mee. Wij wandelden samen al pratende eenige minuten voort, tot wij kwamen aan een punt, waar wij moesten scheiden, hij om naar zijn verblijf te gaan, en ik om mij naar Flagstaff Hill te begeven, een deel der vesting slechts voor officieren toegankelijk. Het was een eenzaam plateau waar onze wegen scheidden, de een leidde naar beneden, naar de stad, de andere naar de hoogste regionen van de vesting. „Je bent bezig mijn hypothese waar te maken, waarde Strange,” zei Von Blum toen hij mij de hand ten afscheid reikte. „Waar is de wacht die den officier van den nacht DE BLOEMENTENTOONSTELLING TE AALSMEER. Zaterdagmiddag is in de tooneelzaal van ’t hotel „De Drie Kolommen” te Aalsmeer een bloemententoonstelling geopend door de afdeeling Aalsmeer van de Nederlandsche Maatschappij voor Tuinbouw- en Plantkunde De baten dezer tentoonstelling, die zich in veler belangstelling mag verheugen, zullen komen ten voordeele van het Koninklijk Nationaal Steuncomité. Onze foto’s geven, links: Overzicht der expositie .met op den achtergrond enkele leden der jury. Midden: De Reuzen-Chrysanten met de door de Afd. Aalsmeer in 1912 te Londen verworven zilveren „Cup”. Rechts: Een groep autoriteiten, o.a. B. en W. van Aalsmeer en Jhr. Boreel van Hoogelanden, Alg. Voorz. Ned. Mij. van Tuinbouw- en Plantkunde. (Fbto's D. v. Kreveld).
PDF
Nummer
1915, nr. 96, 29 nov. 1915
Blad
07
Tekst
15 PANORAMA „MEA CULPA” VAN Jhr. VAN RIEMSDIJK. Door de Kon. Ver ,.Het Nederlandsch Tooneei” is met zeer veel succes op de planken gebracht het bekende — en bij het publiek geliefde — tooneelspel van Jhr. van Riemsdijk: ,,Mea Culpa”. Wij brengen hierboven eenige scènes in beeld. Links: Louis Bouwmeester als Baron Van Karstra in het 2de bedrijf. Midden: Een tooneeltje uit het 3de bedrijf. V. 1. n. r.: Jac. Reule - Jonker van Karstra; Mevr. Rika Hopper - Anna; W. v, d. Veer - Johan. Rechts: Jan C. de Vos als Tuinbaas Mulder in het 2e bedrijf. (foto's M. M. Couvëe). vergezeld ? Je bent voornemens je mannen te verrassen, zooals ik zei.” „Ik geloof niet dat ik ooit een verrassing voor hen ben,” zei ik. „ik zou je haast vergezellen, om mij te overtuigen,” lachte hij. Ook ik lachte. „Goeden nacht. Tot ziens !” Hij scheen in gedachten verzonken. „Goeden nacht!” antwoordde hij. „Tot morgen als mijn gezelschap je ten minste niet verveelt. Hallo 1” Hij keek den zeekant uit en wees over mijn schouder naar iets wat zijn verwondering scheen gaande te maken. „Wat kan dat zijn ?” Ik wendde het hoofd om en staarde insgelijks naar het Zuiden, naar de ^ust van Afrika. Ik zag echter niets bijzonders in de mistige duisternis, slechts een enkele ster en in de baai vaag de lichten van enkele schepen. Opeens vatte een krachtige hand mij bij de kin en werd mij ’n doek, met een zoeten weeën geur doortrokken, tegen mond en neus gedrukt. Ik worstelde en vocht om los te komen, de benauwde lucht scheen mij in de longen te branden als kokend lood. Ik trapte wanhopig achteruit, doch niets was in staat mij uit den ijzeren greep te bevrijden. Spoedig begon mijn tegenstand te verminderen, een machteloosheid, een verlamming scheen zich van al mijn ledematen meester te maken, mijn armen vielen langs mij neer ; mijn hoofd zonk mij op de borst, toen hoorde ik een gesuis in mijn hoofd en ik sliep in. Toen ik weer ontwaakte voelde ik mij pijnlijk en versuft. Ik wilde spreken, doch een onduldbare pijn in den mond verhinderde dat en bracht mij tot de ontdekking dat mijn tong met een tandenstoker aan mijn lippen gestoken was. Een knellende band aan mijn polsen bewees mij dat ik gebonden was en mijn beenen schenen door een zwaren last ter aarde gedrukt. Toen mijn oogen een weinig aan de duisternis gewend waren, kwam ik tot beter begrip van de positie, waarin ik mij bevond. Ik lag in de schaduw van de klip, naast den geheimen ingang van de galerij. Dwars over mijn beenen zat Von Blum en keek mij nauwlettend aan, klaarblijkelijk het oogenblik afwachtende dat ik weer tot bewustzijn zou komen. Hij boog zich tot mij over en fluisterde mij in ’t oor: „Ben je ontwaakt ? Beweeg je rechtervoet als ’t zoo is 1” Een oogenblik aarzelde ik, doch wat zou ’t mij helpen hem te bedriegen ? ïk schuifelde dus met mijn voet. Hij grinnikte. „Je ziet, dat ik den geheimen ingang weet,” zei hij. „Mijn vraag in de club diende slechts om te weten of ƒƒƒ dien ook wist. Ongelukkig weet ik het woord van het slot niet. Jij zult het dus moeten openen, mijn vriend !” Mijn bloed stroomde mij naar het gelaat van woede en ik schudde hevig met het hoofd. Het letterslot wordt iederen dag geopend met een ander woord, slechts bekend aan den gouverneur, den majoor der artillerie en den officier van den dag. De schurk ! Ik het openen ! Ik zag hem liever hangen 1 Zijn rechterhand gleed over mijn borst; er glinsterde iets en ik vóelde een scherpen prik. „De dolk is vlak boven je hart, vriend Strange,” fluisterde de schavuit. „Denk, als je blieft, eens verstandig na. Het leven is zoo goed. Je hebt nog een mooie toekomst voor je. Het zou dwaas en onnoodig wezen die hier zoo roemloos te eindigen. Denk eens aan wat je verliest. Ze vertelden mij bovendien dat je spoedig gaat trouwen.” Een visioen van Nellie’s lief gelaat scheen uit de duisternis op te rijzen om mijn foltering te volmaken. O, gij die dit leest in een rustige binnenkamer, kunt niet begrijpen de wanhoop en zieleangst die mij op dit oogenblik beving. Uit dit leven te verdwijnen, plotseling, verraderlijk ; te sterven, niet als een man, maar als een rat in een val; geen tijd te hebben om te denken, plotseling in de eeuwigheid te worden gestooten .... God moge mij vergeven 1 Ik schuifelde weer met mijn voet. Hij knikte, terwijl hij langzaam oprees van mijn beenen. „Ik had een vermoeden, dat je rede zoudt verstaan,” fluisterde hij weer. Hij drukte mij tegen de rots, zoodat mijn gebonden handen de steenen beroerden. „Kras met je vinger het woord in de aarde 1” beval hij. Ik kraste geduldig, moedeloos, maar niet het gevraagde woord. „Je zult mij daarna dooden,” spelde ik langzaam. „Gek 1” mompelde hij woedend. „Wat heb ik aan het woord zonder jou? Jij moet mij geleiden door de gangen, waarvan ik, (dit kan ik je nu wel zeggen) absoluut niets weet. Vergis je echter niet, vriend. Deze dolk verlaat mijn hand niet. Vermijd dus de wachthuisjes en de schildwachten. Ik zal jouw jas aantrekken en ken mijn Engelsch goed genoeg om het wachtwoord te zeggen. Neen, ik zal je niet dooden, als je volgzaam bent. Als we terug zijn, zal ik je weer in slaap maken voor vier en twintig uur, in dien tijd zal ik reeds halfweg Madrid zijn. Ik zweer je op mijn solIntendant VON GERLACH. Mevrouw CRETA VAN ’T SANT JONSON, der Covent Garden Opera te Londen, die de Else in Lohengrin zingt. Kapelmeester KNAPPERTSBUSCH. DE ELBERFELDER OPERA IN NEDERLAND. De in ons land, vooral te Rotterdam, zoo gunstig bekende Elberfelder Opera, onder leiding van den Intendant Baron Arthur von Gerlach, komt den 2en December te Rotterdam met „Lohengrin” en den 3en met „Tannhauser”. Ditmaal gaat het gezelschap, waarbij zangeressen en zangers van den eersten rang, ook naar Arnhem, en het ligt in de bedoeling van Intendant Von Gerlach binnenkort ook te Amsterdam en te ’s-Gravenhage operavoorstellingen te geven. (foto's Wolf.) CARL SCHRöDER, van de Opera te Keulen, zingt de Lohengrin. WILLY ZILCKEN. datenwoord dat ik je leven sparen zal, als je mij geen strik spant. Maar laat me je nog eens duidelijk zeggen, dat deze dojk steeds in de onmiddellijke nabijheid van je hart is.” „Het zal mijn loopbaan vernietigen,” kraste ik weer neer. Hij gromde als een teleurgestelde wolf, toen hij zag dat ik nog aarzelde. Buiten zichzelf van woede pakte hij mij bij de haren, en trok mijn hoofd achterover, zoodat ik aan tong en lippen onduldbare pijn leed. „Vernietigen ?” siste hij. „Is dood dan geen vernietiging ? Geef mij het woord, oogenblikkelijk of op mijn woord ik steek je neer.” En toen — alleen omdat een idee, een vage hoop bij mij opkwam — deed ik het. Ik wist, ik gevoelde dat deze spion zijn eed niet houden zou. Hij zou zich van alle geheimen op de hoogte stellen, hij zou door mijn hulp ontsnappen en dan zou hij zich van mij ontdoen en mij achterlaten dood en onteerd in de duisternis van de klip. „Sebastopol!” schreef ik neer. Hij schikte de letters en de deur vloog open. Hij duwde mij voor zich de gang in en sloot de deur. Met de eene hand hield hij mij bij mijn sabelkoppel beet, terwijl hij met de ander den dolk vlak bij mijn schouderblad hield. Zoo liepen wij voorwaarts met den dood in de onmiddellijke nabijheid van mijn hart en schande in het vooruitzicht, tenzij ik het wanhopige plan wist te volvoeren, dat mijn geest bezig hield. O, die eindelooze wandeling door de sombere mijngangen ! De pauzes, de onderzoekingen, de notities die hij maakte! De vragen die hij mij stelde en die ik beantwoorden moest met mijn wijsvinger 1 De vrees die mij doortrilde als we een wachthuis of schildwacht passeerden ! Thans nog ontwaak ik soms kreunende en naar adem snakkende uit mijn slaap, wanneer ik als in een nachtmerrie, dien langen weg nog eens afleg, en den prik van den dolk, de vlijmende pijn van mijn doorboorde tong eh lippen met nieuwe hevigheid gevoel. Een ding stond onomstootelijk bij mij vast; hij zou niet ontsnappen, neen, duizendmaal neen ! Mocht mijn leven verloren gaan, mijn eer zou ongeschonden blijven. Er bleef mij nog een zwakke hoop over. Ik moest hem ongehinderd naar mijn eigen batterij kunnen voeren, naar dien doolweg van holen en gangen, die het noordwestelijk deel van de rots doorsneden en die ik alle kende als de palm van mijn hand. Daar was voor mij een kans te ontkomen aan de hinderlaag waarin ik gevallen was. Zoo slopen wij voort, stil, onopgemerkt, zooveel mogelijk de galerijen vermijdende waar we ontdekt konden worden, en steeds gebruik makende van verbindingsgangen. Welk een schurk hij ook was, moet ik Von Blum bewonderen om zijn stalen zenuwen. Gekleed in mijn overjas gaf hij zonder aarzelen in onberispelijk Engelsch het wachtwoord aan eiken schildwacht, dien wij passeerden. Eindelijk bereikten wij het gedeelte waar ik het bevel voerde. Ik bleef staan. „Wat is dat ?” vroeg hij. „Schrijf het antwoord in mijn hand.” „Mijn !” Langzaam schreef ik met mijn nagel de letters in zijn handpalm. Ik zag in den schemer zijn tanden glinsteren. Met een hand betastte hij het dichtstbijzijnde kanon. „Het uwe !” fluisterde hij en er klonk leedvermaak in zijn stem.
PDF
Nummer
1915, nr. 96, 29 nov. 1915
Blad
08
Tekst
PANORAMA 16 „Wel, vriend, ik heb uw vraag reeds beantwoord. Hoeveel van dit kaliber staan er in uw galerij ?” Ik schreef een getal in zijn hand, niet het juiste ; ik zou hem geen gelegenheid geven ze te tellen. „We hebben er tweemaal zooveel in Metz, behalve onze 30,5 c.M. mortieren !” blufte hij. Ik wist thans met zekerheid, dat hij mij zou dooden, als hij mijn diensten niet meer noodig had. Zou hij .mij dergelijke mededeelingen gedaan hebben, als hij mij in het leven wilde laten ? Hij betastte het sluitstuk, den mond en de hefboomen en overtuigde zich dat alles was zooals ik hem vóórspelde. Daarna fluisterde hij weer: „Geleid mij verder!” Met kloppend hart voldeed ik aan dit bevel, Ik zou hem verder geleiden, den weg .... naar den Dood. Buiten in den verticalen wand van de krijtrots, die zich hoog bóven de stad verheft, hadden mijn manschappen van patrijspoort tot patrijspoort een rand uitgehakt een hand breed. Als houvast was door hen ongeveer een meter daarboven een groeve gehakt. Zij hadden geleerd als apen langs dit pad van affuit naar affuit te klimmen. Deze verrichtingen hadden meermalen de bewondering gewekt van de manschappen der andere batterijen, die het niet zouden gewaagd hebben een dergelijk halsbrekend kunststuk uit te halen. Bij mijn batterij bevonden zich evenwel een dozijn mannen uit North-Umbrië, getrainde rotsenbeklimmers, die dit middel hadden uitgedacht om zich snel van het eene kanon naar het andere te kunnen begeven en niet verplicht te zijn na elk schot van de kazemat naar de galerij behoeven te gaan. Mijn batterij was daardoor in staat sneller te vuren en had hiervoor meermalen een onderscheiding ontvangen. Ik voelde dat Von Blum schrok en eenigszins aarzelde, toen ik naar de patrijspoort stapte in plaats van naar de galerij terug te gaan. Zijn greep aan mijn koppel was minder KINDERVOEDING. Groep onvermogende kinderen der 1ste Nederlandsche Schoo! voor Slechthoorende kinderen te ’s-Gravenhage, Bleekerslaan 11a. Deze school is opengesteld voor alle doove kinderen, zoowel te ’s-Gravenhage als elders woonachtig, van allerlei stand en godsdienstige richting. Dat het onderwijs ook aan de armsten wordt verstrekt, blijkt uit bovenstaande foto. De kinderen laten 'zich ’t warme maal, dat zij dagelijks ontvangen, goed smaken. Daar de wet niet toelaat, dat deze kinderen voedsel ontvangen vanwege de Algemeene Vereeniging „Kindervoeding”, moeten de kosten geheel bestreden worden uit particuliere bronnen. De oproep der Penningmeesteresse v. d. school, Mejuffr. A. v. Oosterom, Stadhouderslaan 20, Den Haag, om financieelen steun voor dit doel, vond veel weerklank. Ook H. M. de Koningin-Moeder schonk een belangrijke gift. stevig. Ook ik hield mijn koppel slechts luchtig in mijn gebonden handen. Gedurende onzen langen tocht had ik in de donkere gangen mijn gesp weten los te maken. Hij hield mij staande en fluisterde mij haastig een vraag in ’t oor. „Geheime uitgang 1” Ik schreef de beide woorden in zijn hand, doodsbenauwd dat hij het beven van mijn vinger bemerken zou. Hij knikte en ik stapte opnieuw op de patrijspoort toe. Het geluk diende mij. De mist was zeer toegenomen en hing als een dik gordijn voor de opening ; doch daardoor verdubbelde voor mij het gevaar een misstap te doen. Ik ademde diep en bad in stilte. Nog één seconde dan was het beslist. Een onweerstaanbare vrees greep mij aan; ik aarzelde. God zij dank, ik had den moed mijn aarzeling te overwinnen. Resoluut stapte ik de opening uit, draaide mijn voet scherp den hoek om en ... , vond den rand. « Tegelijkertijd liet ik den koppel los en vatten mijn geboeide handen de richel. Op het allerlaatste oogenblik moet hij argwaan gekregen hebben, doch toen was het te laat. Hij stapte rechtuit de opening uit; toen zijn voet geen grond voelde, slaakte hij een kreet van schrik, één vreeselijke seconde grepen zijn vingers mijn tuniek, doch mijn greep was stevig. Met al zijn gewicht hing hij een ondeelbaar oogenblik aan mij, mijn voet stond echter vast, toen scheurde het goed, ik keek over mijn schouder heen en zag hem vallen met uitgespreide armen in de donkere diepte benéden mij. * * * Een uur later strompelde ik de kamer van mijn kolonel binnen, om hem met bloedende lippen en tong van mijn overval te vertellen. Hij is een man van staal. Met mij alleen zocht hij de ruwe steenvlakte op beneden de noordelijke klippen en daar vonden we een onherkenbare bloederige massa, die eens majoor Von Blum geweest was. Hierop gingen we beiden naar den gouverneur. Wat er tusschen hen beiden en ^prins Eugenius gesproken werd, toen den laatste het ongeval werd meegedeeld, ben ik nimmer te weten gekomen. Eenige dagen later vermeldde de officieüse „Hamb. Nachr.” dat majoor Oscar Von Blum, toegevoegd aan het gevolg van prins Eugenius, plotseling overleden was in de uitoefening van zijn beroep. Een Belgische Vluchtelingen- :: Kolonie in Engeland :: Maar, eeds zooveel werd er in ’t gastvrije Nederland geschreven over en vooral gedaan vqqy onze Belgische vluchtelingen, dat we ons ernstig afvroegen of er voor dit onderwerp bij de Panorama-lezers nog wel belangstelling kon bestaan. ons weten, werd er nog niet zoo heel veel Een ruim Engelsch kasteel in een „Belgische Kolonie” herschapen. Bovenop wappert de Belgische vlag, zichtbaar reeds op grooten afstand. gepubliceerd — vooral niet in beeld — over tehuizen voor Belgische vluchtelingen in Engeland. Daarom onderstelden we dat de bevindingen en uitslagen op dit gebied over zee verkregen, wellicht hier of daar in Nederland nog gretig zouden vernomen en vergeleken worden. Niet dat we beweren dat Nederland in dit opzicht nog iets te Scène uit een familiefeestje. verzorgen — leeren zou hebben, oh neen! — men weet in Engeland wel beter! — slechts ’n bloote voorstelling wilden we geven van de werkwijzen die hier de „businesslike” Engelschman aangenomen heeft. Na den eersten grooten toevloed van vluchtelingen werd ook hier weldra ingezien dat ’n bestendige inrichting alleen aan de immer stijgende vereischten kon voldoen. Maatregelen dienden er getroffen om die duizenden en nogmaals duizenden, die nu tot ruim 200.000 aangroeiden en wekelijks nog toenemen, voor onafzienbaren tijd te plaatsen. Bepaalde men zich in ’t begin meestal uitsluitend bij plaatsing — in elk dorp bijna werd ’n komiteit gevormd dat spoedig de noodige fondsen verzamelde om zooveel families ais mogelijk was te kunnen latertrachtte men ook den vluchtelingen werk te verschaffen; dit tot algemeene tevredenheid èn der Komiteiten èn der Belgen, die er over ’t algemeen niet van hielden zoo maar den ganschen dag met de armen gekruist te zitten. Zulks was des te meer vervelend daar ze tegen hun niets dan Engelsch pratende weldoeners al gauw. .. uitverteld waren. * * * Het ondersteuningswerk waarover we hier in ’t bijzonder ’n woordje willen zeggen, kwam in ’t begin van 1915 tot stand. Het Komiteit was zoo gelukkig een edelmoedigen weldoener te vinden die bereidwillig een ongemeen ruim kasteel (zie foto I) tot haar beschikking stelde. Bij de inrichting werd er vooral naar gestreefd de kolonie in haar eigene noodwendigheden, voor zooveel mogelijk, te laten voldoen. Zoo werd er te Londen bij de aanvraag op gewezen dat er ’n flinke timmerman, ’n paar schoenmakers, kleermakers van de partij moesten zijn. De overige mannen zouden dan den ruimen hof bewerken, die het kasteel omgeeft. (Zie foto II). Ook de vrouwen mochten bij de werkverdeeling niet vergeten worden! Vooreerst staat elke huismoeder in voor den goeden onderhoud der huiskamer waarover elke familie hier beschikt, en werd verder het vegen en reinigen der gangen en gemeenschapszalen, het koken en opdisschen der malen onder hen verdeeld. Daarbij werd er nog gelegenheid gevonden om voor onze soldaten te breien. Over de verschillende werkzaamheden bracht het komiteit onlangs een halfjaarsch verslag uit, dat in hooge mate bevredigend was. We herinneren ons nog hoe ons den eersten dag Engelsche kost werd voorgezet en hoe traag de porties werden naar binnen gewerkt! Gelukkig wisten onze Vlaamsche huismoeders al rap een flinke hervorming door te voeren waartegen de Engelsche conservateurs geen bezwaar hadden. Dan moest ge ons volkje zien lepelen hebben! Trouwens alles wordt door onze vrijgevige weldoeners gedaan, om ons gedwongen verblijf hier zoowel nuttig als aangenaam te maken. Zoo bestaan er allerlei spelen; kan men gaan aanzitten bij ’n goed voorziene leestafel waar het Vlaamsch in eere gehouden wordt, lijk ’tpast, en werd er zelfs ’n piano uit de naburige stad gehaald. Af en toe wordt dan ’n familiefeestje óp touw gezet lijk de „Hulde aan de Verbondenen” (zie foto’s III en IV). De Belgen spitten er lustig op los! Een uitgestrekt tennisveld gaat in een vruchtbaren aardappelakker veranderd worden. Deze korte schets is er ’n bewijs te meer van dat de geestdrift van het Engelsche Volk voor onze arme landgenooten onverzwakt mag heeten. Onze eeuwige, diepgevoelde erkentelijkheid blijft onzen edelmoedigen weldoeners dan ook verzekerd. Belgian Colony-Littleport. Vlaming. Scène uit eèn familiefeestje. NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPPIJ, LEIDEN.
PDF
Nummer
1915, nr. 97, 2 dec. 1915
Blad
01
Tekst
No. 97 (23a) 2 DEC. 1913 AFZONDERLIJKE NUMMERS 7'/2 CENT ABONNEMENT PER KWARTAAL 26 NUMMERS f 1.30 DE TOOVENAAR OP DE RUITEN DE TOOVENAAR OP DE RUITEN WINTERVERMAAK VOOR DE JEUGD Nu 't weer winter wordt WINTER-AVONDSTEMMING
PDF
Nummer
1915, nr. 97, 2 dec. 1915
Blad
02
Tekst
PANORAMA 2 DIE OORLOG IN HET DUISTER ROMAN VAN LUDWIG WOLFF - (Vervolg) öschtük-Bey heeft ons op dat spoor gebracht/’ „Töschtük ?” „De schoft kan ons niet meer ont* snappen, ’t Is alleen nog maar een kwestie van tijd, wanneer wij hem betrappen/’ Heinersdorff antwoordde peinzend: „Voor mij zal ’t te laat zijn!” Majoor Homann vroeg driftig: „Hoe kan je dat hu zeggen ?” „Ik weet ’t, ik voel het, maar dat doet er niet toe. Ik zal dan tenminste gerehabiliteerd wórden/’ Homann verklaarde wrevelig: „Je bent een vervelende pessimist geworden.” Heinersdorff staarde zwijgend voor zich uit, alsof hij in de toekomst kon zien. Op een trouweloozen valschen Aprildag kwam het uur dat over alles besliste. Het regende toen Heinersdorff door de schemerende Maxingstraat naar het huis van zijn verloofde ging. Hij vroeg den ouden knecht die hem zijn mantel afnam : „Is de juffrouw thuis ?” „Ja kapitein, zijn excellentie is ook reeds hier.” toen hij de kamer binnentrad vond hij daar alleen den ouden generaal die opgewonden op en neer liep. De generaal bleef ten slotte vóór hem staan eh zeide driftig : „Men hoort rare noten kraken over je, waarde Heinersdorff/’ Heinersdorff groette den generaal en zeide : „Wat dan, excellentie ?” „Je wilt een kameraad dien je beleedigd hebt, geen voldoening geven !” „Inderdaad excellentie. Dat wil ik niet.” „En waarom niet, als ik vragen mag ?” „Omdat ik den man niet voor satisfactionsfahig houd.” Generaal Buschgart verklaarde met luider stem : „Een Oostenrijksch officier is dat altijd !” „Deze Oostenrijksche officier zeer zeker niet, excellentie.” „Waarom niet ?” „Ik kan het bewijs daarvan thans nog niet leveren/’ De generaal werd vuurrood. „Zoolang je dat bewijs niet kunt leveren is de luitenant Vidakovitch wel satisfactionsfahig. Zoo denk ik er over, kapitein.” „Maar ik niet, excellentie.” De generaal deed eenige stappen door de kamer en zeide toen kalmer : „Overigens geeft ’t niets of we over deze zaak verder redetwisten. Het beslissende woord zal de eereraad spreken.” Heinersdorff gaf geen antwoord. „Als de eereraad den luitenant Vidakovitch satisfactionsfahig verklaart moet je hem immers toch voldoening geven.” Heinersdorff verklaarde beslist : „Ik zal ook dan geen voldoening geven, excellentie.” De generaal keek hem ten uiterste verbaasd aan. „Ook dan zult ge geen voldoening geven, kapitein ?” „Neen, excellentie.” „U zult het bevel van uw meerderen niet opvolgen, mijnheer de kapitein ?” „Er zijn bevelen, generaal, die men niet kan opvolgen De generaal zeide medelijdend : „Je bent ziek, Heinersdorff.” „Ik was nooit gezonder dan thans,, excellentie.” Generaal Buschgart schreeuwde, buiten zich zelf: „Dan houdt u mij voor den gek, kapitein !” „Ik zou dat nooit durven wagen, generaal.” „Jé wilt niet vechten als de eereraad het verlangt ?” „Neen !” „Je wilt liever met schande en oneer uit het leger gestooten worden ?” „Jawel, excellentie.” De aderen op het voorhoofd van den generaal zwollen op. „Dat is lafheid, kapitein Heinersdorff !” Heinersdorff wankelde, alsof hij een slag in het gezicht had gekregen, ’t Was hem alsof hij op den ouden man moest toespringen en hem neerslaan. Maar dan herkreeg hij zijn zelfbeheersching, herkreeg met een ruk de macht over zijn lichaam en zeide met een holle, toonlooze stem, die uit de verte scheen te komen : „Alleen de eerbied voor uw grijze haren, excellentie .........” In de deur verscheen Hedwig Buschgart. Onbeweeglijk en verstijfd van smart stond zij daar en zag ontzet naar de beide mannen, die voor haar alles op de wereld waren. De oude generaal had alle bezinning verloren. Hij schreeuwde, trillend over zijn geheele lichaam: „Bekommer je niet over mijn grijze haren! Ik zeg het nog eens: Lafheid is het! Lafheid !” Toen bemerkte Heinersdorff Hedwig, die doodsbleek tegen den deurpost leunde. Toen werd hij kalm. Hij maakte een korte buiging voor den generaal en ging, rechtop, de kamer uit. Hedwig volgde hem. Zij sloeg de armen om zijn hals en snikte : „Wat een ongeluk, lieveling ! Wat een verschrikkelijk ongeluk !” Hij streek zacht over haar haar en maakte zich langzaam los. Alles leek hem een zware, den adem benemende droom toe. Hij had willen schreeuwen of huilen en bleef toch van steen en gevoelloos. Zeer duidelijk zag hij de oude gravuren in de hal, terwijl hij zijn mantel aandeed, den Keizer bij Santa Lucia en den zeeslag bij Lissa. Hij dacht ; nooit meer zal ik die prenten zien, nooit meer zal ik in dit huis komen, nooit meer. Hij kuste Hedwig en zeide : „Ik zal je schrijven, liefste!” Zij weende onophoudelijk. Hij opende de deur en trad naar buiten in den regen, zeer langzaam ging hij de leege Maxingstraat af, het kerkhof voorbij en door de nachtelijke velden op Hezendorf aan. DE STRIJD IN NOORD-FRANKRIJK. Generaal Joffre (x) slaat, in tegenwoordigheid van eenige officieren van zijn staf, de krijgsverrichtingen gade der Fransche troepen. Eenzaam en donker w'as het hier boven. De regen ruischte en de wónd kwam fluitend van alle kanten. Beneden in de diepte gloeiden de lichten der stad. Wat is dat alles dwaas, dacht Heinersdorff smartelijk. Nu is ’t toch zoo geloopen als het niet had mogen zijn. Wanneer ik gevochten had, was het ook niet erger gew-eest. Ik ben misschien toch een verkeerden weg gegaan, maar ik kan nu niet meer terug. Ik heb het spel verloren. Zijn hart kromp ineen. Hoe zal haar keuze zijn tusschen hem en haar vader ? Tusschen dezen laatste en hem was de brug gebroken. „Dat is lafheid, kapitein Heinersdorff,” brulde de wind. De kikvorschen kwaakten het. De regen fluisterde het hem in ’t oor. Hij begon sneller te loopen. Hij wilde de vreeselijke stemmen van den nacht ontvlieden. Doornat en koortsig bereikte hij het station. Toen hij thuis was schreef hij zijn verzoek om ontslag. XL Den volgenden ochtend meldde Heinersdorff zich ziek teneinde niet meer op zijn bureau te moeten komen. Hij wilde zijn kameraden niet zien en bovenal een ontmoeting met generaal Buschgart ontgaan. Inderdaad voelde hij zich ook zoo moe en terneer alsof hij van een zware ziekte was hersteld. Toch voelde hij het als een verlichting en alsof hij vrijer kon ademhalen, nu alles beslist was. Hij behoefde zich nu niet meer te kwellen met onmogelijke hoop en was eindelijk generaal Buschgart dankbaar dat deze hem tot een beslissing had genoopt. Thans-, nu hij zich geheel van alles had bevrijd, bleef hem de uitspraak van den eereraad en de smaad van het gedwongen afscheid bespaard. Hij was nu zelf meester over zijn eer en behoefde zich niet meer te buigen wanneer onbevoegde rechters dat verlangden, rechters die zich geen denkbeeld konden vormen van den samenhang der dingen. Alleen speet ’t hem dat hij niet onmiddellijk nadat Vidakovitch hem had uitgedaagd, zijn verzoek om ontslag had ingediend. Hij had zich dan veel pijnlijks bespaard, en voor alle dingen het onderhoud met Hedwigs vader. Wanneer hij alles rustig overdacht, bleef er van de geheele ongelukkige historie niets anders over dan het niet meer uit te wisschen woord van den ouden generaal, dat als met zweepslagen zijn gezicht en zijn hart had gestriemd. Niemand ter wereld zou het hebben gewaagd hem van lafheid te beschuldigen ; zelfs Vi dakovitch en Golubjew moesten vermoeden welk een heldenmoed er stak achter zijn schijnbare lafheid, maar het noodlot wilde juist, dat de eenige die het niet had mogen zeggen, dat doodelijke woord tegen hem uitsprak. Maar berouw was nutteloos. Men kon niets ongeschied maken. Hij zat peinzend bij het venster en staarde naar den grauwen dag. De lucht hing grijs en zwaar over den koepel van de „Rotonde” en scheen daarop te drukken. Aan de zijde der Donau kwamen de nevelen op en omhulden de lentegroene hoornen met een valen sluier. Laat op den middag kwam majoor Homann. „Ik hoorde dat je ziek was, en kom eens kijken hoe ’t je gaat.” „Dank je,” antwoordde Heinersdorff vriendelijk. „Ik ben niet ziek/’ „Niet ziek ?” vroeg Homann verbaasd. „Je ziet er toch hoogst miserabel uit, beste vriend !” „Dat komt door het ongunstige licht.” „Zoo. Nu, dat doet me dan genoegen. Maar waarom heb je je dan ziek gemeld ?” „Dat is maar een uitvlucht.” „Een uitvlucht ?” „Ja. Ik heb mijn ontslag gevraagd.” Majoor Homann sprong op. „Ben je gek, kerel ?” Heinersdorff glimlachte moedeloos. „Ik had nooit beter mijn hersens bij elkaar.” „Maar — waarom deed je dat dan ?” „Ik heb nauwkeurig de zaak overwogen. Het heeft geen nut de uitspraak van den eereraad aftewachten. Je weet even goed als ik wat de eereraad zal beslissen.” „Dat kan men niet met zekerheid vooruit zeggen,” antwoordde Homann. „Jawel. Laten wij ons niets wijsmaken. Hij zal verlangen dat ik duelleer. Zou ik mij laten wegjagen met schande en bespotting? Dan ga ik liever vrijwillig.” „Maar wat heb je met je ontslag bereikt ? Niets. De eereraad zal toch verlangen dat je vecht, waanneer hij Vidakovitch voor ,,satisfactionsfahig’ ’ verklaart. ’ ’ „Dat kan hij niet verlangen want ik heb ook mijn officiersambt neergelegd/’ Majoor Homann riep woedend : „Dat is wel ’t domste wat je had kunnen doen. Je krijgt nu iedereen tegen je!” „Ik kan er niets aan veranderen.” Homann liep de kamer op en neer. „Ik moet je bekennen dat ik je niet begrijp. Ik begrijp de heele geschiedenis niet.” „Ik ben volkomen in mijn recht en mijn geweten is zuiver. Dat is mij voldoende. De anderen mogen er van denken wrat ze willen; dat laat mij koud. De toekomst zal bewijzen dat ik de uniform van den Keizer met eere heb gedragen.” „Daar twijfelt immers niemand aan,” antwoordde majoor Homann tegenstribbelende. „Nu, wat dan ?” „Maar niemand zal dezen stap begrijpen, kerel!” „En jullie wilt Vidakovitch toch ontmaskeren ? Dan begrijpt iedereen w^aarom ik liever mijn betrekking neerlegde vóór dat ik vechten moest met dien schoft.” Majoor Homann ging w^eer zitten en dacht na. „Je hebt gelijk, Heinersdorff. Misschien was ’t toch het verstandigste wat je doen kunt. In ’t eerste oogenblik overziet men alles niet. Maar ’t is toch een ongeluk dat een man als gij door een stompzinnig toeval van ons losgescheurd wordt. Wij hebben niet veel menschen als gij bent.” Heinersdorff glimlachte getroffen. „Schei uit met je liefdesverklaringen!” „’t Is immers waar. Wanneer ik er aan denk dat zoo’n schurk nog langer als officier mag rondloopen, terwijl jij Hij voltooide den zin niet, die hem in de keel stokte* Heinersdorff zei troostend: „Voorbeschikt, oude ‘ Niemand kan iets daaraan doen.” Na een poos begon majoor Homann, zeer zakelijk : „Het is niet zoo gemakkelijk om dien Vidakovitch
PDF
Blad 
 van 2380
Records 2041 tot 2045 van 11897