|
15 PANORAMA
„MEA CULPA” VAN Jhr. VAN RIEMSDIJK.
Door de Kon. Ver ,.Het Nederlandsch Tooneei” is met zeer veel succes op de
planken gebracht het bekende — en bij het publiek geliefde — tooneelspel van
Jhr. van Riemsdijk: ,,Mea Culpa”. Wij brengen hierboven eenige scènes in beeld.
Links: Louis Bouwmeester als Baron Van Karstra in het 2de bedrijf. Midden:
Een tooneeltje uit het 3de bedrijf. V. 1. n. r.: Jac. Reule - Jonker van Karstra;
Mevr. Rika Hopper - Anna; W. v, d. Veer - Johan. Rechts: Jan C. de Vos als
Tuinbaas Mulder in het 2e bedrijf. (foto's M. M. Couvëe).
vergezeld ? Je bent voornemens je mannen te verrassen,
zooals ik zei.”
„Ik geloof niet dat ik ooit een verrassing voor hen ben,”
zei ik.
„ik zou je haast vergezellen, om mij te overtuigen,”
lachte hij.
Ook ik lachte. „Goeden nacht. Tot ziens !”
Hij scheen in gedachten verzonken.
„Goeden nacht!” antwoordde hij. „Tot morgen als mijn
gezelschap je ten minste niet verveelt. Hallo 1” Hij keek
den zeekant uit en wees over mijn schouder naar iets wat
zijn verwondering scheen gaande te maken. „Wat kan dat
zijn ?”
Ik wendde het hoofd om en staarde insgelijks naar het
Zuiden, naar de ^ust van Afrika. Ik zag echter niets bijzonders
in de mistige duisternis, slechts een enkele ster en in de baai
vaag de lichten van enkele schepen.
Opeens vatte een krachtige hand mij bij de kin en werd
mij ’n doek, met een zoeten weeën geur doortrokken, tegen
mond en neus gedrukt. Ik worstelde en vocht om los te
komen, de benauwde lucht scheen mij in de longen te branden
als kokend lood. Ik trapte wanhopig achteruit, doch
niets was in staat mij uit den ijzeren greep te bevrijden.
Spoedig begon mijn tegenstand te verminderen, een machteloosheid,
een verlamming scheen zich van al mijn ledematen
meester te maken, mijn armen vielen langs mij neer ; mijn
hoofd zonk mij op de borst, toen hoorde ik een gesuis in
mijn hoofd en ik sliep in.
Toen ik weer ontwaakte voelde ik mij pijnlijk en versuft.
Ik wilde spreken, doch een onduldbare pijn in den mond
verhinderde dat en bracht mij tot de ontdekking dat mijn
tong met een tandenstoker aan mijn lippen gestoken was.
Een knellende band aan mijn polsen bewees mij dat ik
gebonden was en mijn beenen schenen
door een zwaren last ter aarde
gedrukt.
Toen mijn oogen een weinig aan
de duisternis gewend waren, kwam
ik tot beter begrip van de positie,
waarin ik mij bevond. Ik lag in de
schaduw van de klip, naast den
geheimen ingang van de galerij.
Dwars over mijn beenen zat Von
Blum en keek mij nauwlettend aan,
klaarblijkelijk het oogenblik afwachtende
dat ik weer tot bewustzijn
zou komen. Hij boog zich
tot mij over en fluisterde mij in ’t
oor:
„Ben je ontwaakt ? Beweeg je
rechtervoet als ’t zoo is 1”
Een oogenblik aarzelde ik, doch
wat zou ’t mij helpen hem te bedriegen
? ïk schuifelde dus met mijn
voet. Hij grinnikte.
„Je ziet, dat ik den geheimen
ingang weet,” zei hij. „Mijn vraag
in de club diende slechts om te
weten of ƒƒƒ dien ook wist. Ongelukkig
weet ik het woord van het
slot niet. Jij zult het dus moeten
openen, mijn vriend !”
Mijn bloed stroomde mij naar
het gelaat van woede en ik schudde
hevig met het hoofd. Het
letterslot wordt iederen dag geopend
met een ander woord, slechts
bekend aan den gouverneur, den
majoor der artillerie en den officier
van den dag. De schurk ! Ik
het openen ! Ik zag hem liever
hangen 1
Zijn rechterhand gleed over mijn
borst; er glinsterde iets en ik vóelde
een scherpen prik.
„De dolk is vlak boven je hart,
vriend Strange,” fluisterde de schavuit. „Denk, als je blieft,
eens verstandig na. Het leven is zoo goed. Je hebt nog
een mooie toekomst voor je. Het zou dwaas en onnoodig
wezen die hier zoo roemloos te eindigen. Denk eens aan
wat je verliest. Ze vertelden mij bovendien dat je spoedig
gaat trouwen.”
Een visioen van Nellie’s lief gelaat scheen uit de duisternis
op te rijzen om mijn foltering te volmaken. O, gij die dit
leest in een rustige binnenkamer, kunt niet begrijpen de
wanhoop en zieleangst die mij op dit oogenblik beving.
Uit dit leven te verdwijnen, plotseling, verraderlijk ; te
sterven, niet als een man, maar als een rat in een val;
geen tijd te hebben om te denken, plotseling in de eeuwigheid
te worden gestooten .... God moge mij vergeven 1 Ik
schuifelde weer met mijn voet.
Hij knikte, terwijl hij langzaam oprees van mijn beenen.
„Ik had een vermoeden, dat je rede zoudt verstaan,” fluisterde
hij weer. Hij drukte mij tegen de rots, zoodat mijn
gebonden handen de steenen beroerden. „Kras met je vinger
het woord in de aarde 1” beval hij.
Ik kraste geduldig, moedeloos, maar niet het gevraagde
woord.
„Je zult mij daarna dooden,” spelde ik langzaam.
„Gek 1” mompelde hij woedend. „Wat heb ik aan het
woord zonder jou? Jij moet mij geleiden door de gangen,
waarvan ik, (dit kan ik je nu wel zeggen) absoluut niets
weet. Vergis je echter niet, vriend. Deze dolk verlaat mijn
hand niet. Vermijd dus de wachthuisjes en de schildwachten.
Ik zal jouw jas aantrekken en ken mijn Engelsch goed genoeg
om het wachtwoord te zeggen. Neen, ik zal je niet
dooden, als je volgzaam bent. Als we terug zijn, zal ik je
weer in slaap maken voor vier en twintig uur, in dien tijd
zal ik reeds halfweg Madrid zijn. Ik zweer je op mijn solIntendant
VON GERLACH.
Mevrouw CRETA VAN ’T SANT JONSON, der Covent Garden
Opera te Londen, die de Else in Lohengrin zingt.
Kapelmeester
KNAPPERTSBUSCH.
DE ELBERFELDER OPERA IN NEDERLAND.
De in ons land, vooral te Rotterdam, zoo gunstig bekende Elberfelder Opera, onder leiding van den Intendant
Baron Arthur von Gerlach, komt den 2en December te Rotterdam met „Lohengrin” en den 3en met „Tannhauser”.
Ditmaal gaat het gezelschap, waarbij zangeressen en zangers van den eersten rang, ook naar Arnhem, en het
ligt in de bedoeling van Intendant Von Gerlach binnenkort ook te Amsterdam en te ’s-Gravenhage operavoorstellingen
te geven. (foto's Wolf.)
CARL SCHRöDER,
van de Opera te Keulen, zingt de
Lohengrin.
WILLY ZILCKEN.
datenwoord dat ik je leven sparen zal, als je mij geen strik
spant. Maar laat me je nog eens duidelijk zeggen, dat deze
dojk steeds in de onmiddellijke nabijheid van je hart is.”
„Het zal mijn loopbaan vernietigen,” kraste ik weer neer.
Hij gromde als een teleurgestelde wolf, toen hij zag dat ik
nog aarzelde. Buiten zichzelf van woede pakte hij mij bij
de haren, en trok mijn hoofd achterover, zoodat ik aan tong
en lippen onduldbare pijn leed.
„Vernietigen ?” siste hij. „Is dood dan geen vernietiging ?
Geef mij het woord, oogenblikkelijk of op mijn woord ik
steek je neer.”
En toen — alleen omdat een idee, een vage hoop bij mij
opkwam — deed ik het. Ik wist, ik gevoelde dat deze spion
zijn eed niet houden zou. Hij zou zich van alle geheimen op
de hoogte stellen, hij zou door mijn hulp ontsnappen en dan
zou hij zich van mij ontdoen en mij achterlaten dood en
onteerd in de duisternis van de klip.
„Sebastopol!” schreef ik neer. Hij schikte de letters en
de deur vloog open. Hij duwde mij voor zich de gang in en
sloot de deur. Met de eene hand hield hij mij bij mijn sabelkoppel
beet, terwijl hij met de ander den dolk vlak bij mijn
schouderblad hield. Zoo liepen wij voorwaarts met den dood
in de onmiddellijke nabijheid van mijn hart en schande in
het vooruitzicht, tenzij ik het wanhopige plan wist te volvoeren,
dat mijn geest bezig hield.
O, die eindelooze wandeling door de sombere mijngangen !
De pauzes, de onderzoekingen, de notities die hij maakte!
De vragen die hij mij stelde en die ik beantwoorden moest
met mijn wijsvinger 1 De vrees die mij doortrilde als we een
wachthuis of schildwacht passeerden ! Thans nog ontwaak
ik soms kreunende en naar adem snakkende uit mijn slaap,
wanneer ik als in een nachtmerrie, dien langen weg nog eens
afleg, en den prik van den dolk, de vlijmende pijn van mijn
doorboorde tong eh lippen met
nieuwe hevigheid gevoel.
Een ding stond onomstootelijk
bij mij vast; hij zou niet ontsnappen,
neen, duizendmaal neen !
Mocht mijn leven verloren gaan,
mijn eer zou ongeschonden blijven.
Er bleef mij nog een zwakke
hoop over. Ik moest hem ongehinderd
naar mijn eigen batterij kunnen
voeren, naar dien doolweg van
holen en gangen, die het noordwestelijk
deel van de rots doorsneden
en die ik alle kende als de
palm van mijn hand. Daar was
voor mij een kans te ontkomen
aan de hinderlaag waarin ik gevallen
was.
Zoo slopen wij voort, stil, onopgemerkt,
zooveel mogelijk de galerijen
vermijdende waar we ontdekt
konden worden, en steeds gebruik
makende van verbindingsgangen.
Welk een schurk hij ook was, moet
ik Von Blum bewonderen om zijn
stalen zenuwen. Gekleed in mijn
overjas gaf hij zonder aarzelen in
onberispelijk Engelsch het wachtwoord
aan eiken schildwacht, dien
wij passeerden.
Eindelijk bereikten wij het gedeelte
waar ik het bevel voerde.
Ik bleef staan. „Wat is dat ?”
vroeg hij. „Schrijf het antwoord
in mijn hand.”
„Mijn !”
Langzaam schreef ik met mijn
nagel de letters in zijn handpalm.
Ik zag in den schemer zijn tanden
glinsteren. Met een hand betastte
hij het dichtstbijzijnde kanon.
„Het uwe !” fluisterde hij en er
klonk leedvermaak in zijn stem.
|