|
PANORAMA 10
Olaf, de Noorman
door Sigurd Halvorssen
is een tijd geweest, dat Olaf de Noorman
bekend was van de Lofoden tot de Balearische
eilanden en dat was zoover als de
wereld bekend was in die dagen. Jaar in jaar
uit zeilden zijn langgekielde schepen de haven
uit
om vol terug te keeren.
Somtijds was het met
ruw goud of met fijn
gedreven zilver; dan
weer met prachtige wol.
of gedroogde huiden ;
vaak ook met kruiken
vol mede of honing of
manden gevuld met rijp
koren ; en menigmaal
ook met weerbarstige
slaven en met vreesachtige
weenende slavinnen
; nooit echter
roofde hij een vrijgeborene
maagd.
Een enkele maal, als
de tongen los werden
bij den bierkroes, vroeg
men hem, waarom hij
altijd deze minderwaardige
dingen nam en
nimmer het beste van
alles, maar dan antwoordde
hij nurks :
„Geen man weet wat
hij neemt als hij een
vrouw rooft.”
Dan lachten de jonge
mannen, maar de ouden
van dagen knikten en
herinnerden zich vrienden
die een vrije maagd
hadden thuis gebracht
als hun bruid. Was daar
niet Hengist, die zich
van de rots stortte voor
een zwartoogige Gallische
juffer, die bevallig
was en schoon van aangezicht,
maar hem uitlachte
en tot wanhoop
bracht, zeggende dat
hij haar niet met geweld
kon leeren hem te beminnen.
Daarom sloeg
hij haar neer en zij stierf
en hij wierp zich van de
rots. En dan was daar
Gudrun, die een blauwoogige
Germaansche
maagd roofde. Ze vonden
hem op een morgen
met ’n dagge in den
strot en de blauwoogige
Germaansche naasthem
pratende en lachende,
beroofd van haar zinnen.
En wat was er gebeurd
met Sweyn, die
een samenkomst had
met ’n Griekschemaagd
en nimmerterugkeerde?
Ja, Olaf was wijs, zeiden
de ouden. En toch was
het vreemd, dachten ze,
dat een man, zoo moedig
als Olaf, bang was
voor een vrouw. De
oude Freda die hem
gezoogd had, haalde de
magere schouders op als
zij dit hoorde, want zij
wist dat hij niet bang
was.
„De waarheid die allen
kennen is de waarheid
niet, Olaf”, zei ze
tot hem. „Geef mij een
ander antwoord.”
Hij keek met gefronst
gelaat voor zich voor hij
antwoordde.
„Ter wille mijner moeder”, antwoordde hij eindelijk,
..eer ik alle vrouwen en zal niemand nemen tegen haar wil.”
Dat was een deel der waarheid ; de rest vertelde hij aan
Wulfram, zijn vriend, toen ze alleen waren des nachts
op het dek van zijn schip midden op zee.
„Het gebeurde toen ik een knaap was van twaalf jaar”,
begon hij, en hij keek nadenkend neer op de kalme blauwe
watervlakte. „Toen sloeg ik den grijzen wolf met mijn kleine
speer en vader nam mij mee op reis, vóór mijn tijd. Je
herinnert ’t je?”
„Ja,” antwoordde Wulfram, „ik herinner mij. Ik doolde
‘Najaar,
tilt: „TMaar lichtende Wegen", van diehard de Cneudt
door de wouden, dagen lang en huilde van woede, dat geen
woedende wolf kwam om mij te slaan of geslagen te worden/’
,,De tijd kwam, kameraad, en je sloeg.”
„Toen was ik vijftien en volwassen. Dat beduidde niets
meer I”
Olaf legde zijn zware hand op den schouder van zijn vriend.
„Het is niets bijzonders voor jou om groote dingen te doen”,
zei hij. „Jij zou het toen ook gedaan hebben, maar het geluk
was met mij. Ik ging dus op reis. Jij kent zoo’n eerste reis.
Wulfram, en het heerlijke ervan !”
Wulframs oogen werden zacht bij die herinnering en hij
knikte.
Nog enk’le boomen steken droef en stil
wat gele, lang verdorde blaren uit...
Oe dag is roerloos, grijs en huiverkil,
de effen luchten dragen geen geluid .,.
„Dagen lang was het heerlijk weer. Ze leerden mij in de
groote masten te klimmen, de zeilen te reven en te onderscheiden
of ’t een schip van een vriend of vijand was, als ’t
nog maar een stipje aan den horizon was. Een ander maal
liet vader mij de roerpen vasthouden, toen kwam een golf
en wierp mij op het dek, maar de roerpen liet ik niet los.
Vader prees mij hiervoor en hij prees niet vaak. Ze zijn goed
deze dingen om nog eens te herdenken.”
„Ja,” peinsde Wulfram, „ze zijn goed.”
„Na vele dagen bereikten we het groote kanaal dat stroomt
tusschen Brittannië en Gallië. Daar overviel ons een storm.
De „Adder” verloor een mast, de „Zeewolf” beide masten
en de „Draak”, waarop wij ons bevonden, had nauwelijks
een lapje zeil over. Vader bond mij aan de verschansing
vast, anders was ik overboord geslagen. Reusachtige zeeën
bedekten ons soms ; het was een heerlijke storm. Den tweeden
dag vielen we om te schuilen een baai binnen van de rivier
de Thames, landden op de noordkust en repareerden ons
schip met het materiaal dat we vonden. Nauwelijks waren
we gereed of de bevolking kwam in groote menigte op ons af.
We vluchtten des nachts weg naar het Zuiden, waar hoog
op de klippen een klooster staat.”
„Waar wij landden den vorigen winter ?” vroeg Wulfram
peinzend. „Toen leerde
ik eerst dat ik de ziel
van mijn vriend niet
kende ; voor dien wist
ik niet dat hij een geheim
voor mij had.”
Olaf staarde naar de
starren, die helderder
werden, naarmate de
nacht donkerder werd.
„Ik zou ’t je verteld
hebben, als je niet zoo
wijs was,” zei hij eindelijk.
„Men kon het
licht voelen, dat uit
het Oosten kwam, toen
de mannen zich gereed
maakten te landen. Ik
herinner mij nog vaag
het gekletter van wapenen
in den vroegen
uchtendstond xen de
zoete lucht van het
gras en de lentebloemen,
terwijl de randen der
wolken goud en purper
gekleurd werden. Toen
de zon zich begon te
verheffen boven de kim,
hadden twee honderd
moedige mannen reeds
den top van de klip bereikt.
Van de vijftig
mannen, die onder den
ouden Henric waren
achtergelaten om de
schepen te bewaken,
werden er hier en daar
wachtposten uitgezet.
Ik stampte van woede
op het dek, omdat ik
achterblijven moest. Ik
was zoo boos, dat de
oude Henric mij toestond
wat op de kust
te wandelen. „Ga niet
verder dan de laatste
wachtpost’ ’, beval hij,
„anders zal je vader
met ons beiden afrekenen
I” Natuurlijk ging
ik toen juist verder.”
„Dat was verkeerd!”
merkte Wulfram op.
Olaf glimlachte, want
gehoorzaamheid is niet
voor de leiders.
„In het eerst bleef
ik in de nabijheid van
de klip, doch weldra
bemerkte ik een greppel
die door de zon geheel
was opgedroogd en
tusschen twee velden
liep vol rijp koren en
papavers.” Hij staarde
op het groene water
met het witte schuim
beneden hem. „Alleen
de zee is mooier!”
„En een maagd, als
je de ware gevonden
hebt”, zei Wulfram,
die uit ondervinding
sprak.
„Ik vond haar ; een
blauwoogig, goudharig
meisje van tien jaar,
droomende tusschen de
papavers en het koren.
Ze sprong op en wilde
vluchten, doch ik greep
haar bij den pols en trok
haar mede. Zij beefde,
doch schreide niet, hoewel de dauw in haar oogen stond.
Ik zag nimmer zulke oogen !” Hij staarde weer op de zee
en zweeg ; Wulfram legde hem de hand op den arm. „Ze
sloeg mij en worstelde om los te komen. Er was temperament
in die meid ! Ik trok haar mee naar het eind van de
greppel, terwijl ze allerlei onverstaanbaars prevelde ! Toen
riep ze op eens een woord dat ik verstaan kon : „MoederI
Moeder 1” ” Olaf haalde diep adem. „Wulfram, ik had mijn
moeder lief !”
„Dat doet een goed zoon I” zei Wulfram.
„Het kind zag dat mijn gelaatstrekken zachter werden en
|