Panorama

Blad 
 van 2380
Records 2036 tot 2040 van 11897
Nummer
1915, nr. 96, 29 nov. 1915
Blad
01
Tekst
In dit nummer reproduceerden wij een drietal schitterende herfstfoto’s, geschikt om te worden ingeiijst No. 96 (22b) 29 November 1915 AFZONDERLIJKE NUMMERS 7’/2 CENT VERSCHIJNT 2, MAAL. PER W E E ABONNEMENT PER KWARTAAL 26 NUMMERS f 1.30 A.W. SIJTHOFF'S -UITGEVERS M AATSCH APPIJ.- LEI DEN Het jongste portret van H. M. de Koningin en Z. K. H. den Prins te paard. Het deed ons genoegen van H.H. K.K. H.H. toestemming te verkrijgen tot het reproduceeren van bovenstaand portret, dat, hoewel reeds voor eenigen tijd vervaardigd, tof heden niet in de geïllustreerde pers mocht verschijnen. (Foto M. M. Couvêe.)
PDF
Nummer
1915, nr. 96, 29 nov. 1915
Blad
02
Tekst
PANORAMA 10 Olaf, de Noorman door Sigurd Halvorssen is een tijd geweest, dat Olaf de Noorman bekend was van de Lofoden tot de Balearische eilanden en dat was zoover als de wereld bekend was in die dagen. Jaar in jaar uit zeilden zijn langgekielde schepen de haven uit om vol terug te keeren. Somtijds was het met ruw goud of met fijn gedreven zilver; dan weer met prachtige wol. of gedroogde huiden ; vaak ook met kruiken vol mede of honing of manden gevuld met rijp koren ; en menigmaal ook met weerbarstige slaven en met vreesachtige weenende slavinnen ; nooit echter roofde hij een vrijgeborene maagd. Een enkele maal, als de tongen los werden bij den bierkroes, vroeg men hem, waarom hij altijd deze minderwaardige dingen nam en nimmer het beste van alles, maar dan antwoordde hij nurks : „Geen man weet wat hij neemt als hij een vrouw rooft.” Dan lachten de jonge mannen, maar de ouden van dagen knikten en herinnerden zich vrienden die een vrije maagd hadden thuis gebracht als hun bruid. Was daar niet Hengist, die zich van de rots stortte voor een zwartoogige Gallische juffer, die bevallig was en schoon van aangezicht, maar hem uitlachte en tot wanhoop bracht, zeggende dat hij haar niet met geweld kon leeren hem te beminnen. Daarom sloeg hij haar neer en zij stierf en hij wierp zich van de rots. En dan was daar Gudrun, die een blauwoogige Germaansche maagd roofde. Ze vonden hem op een morgen met ’n dagge in den strot en de blauwoogige Germaansche naasthem pratende en lachende, beroofd van haar zinnen. En wat was er gebeurd met Sweyn, die een samenkomst had met ’n Griekschemaagd en nimmerterugkeerde? Ja, Olaf was wijs, zeiden de ouden. En toch was het vreemd, dachten ze, dat een man, zoo moedig als Olaf, bang was voor een vrouw. De oude Freda die hem gezoogd had, haalde de magere schouders op als zij dit hoorde, want zij wist dat hij niet bang was. „De waarheid die allen kennen is de waarheid niet, Olaf”, zei ze tot hem. „Geef mij een ander antwoord.” Hij keek met gefronst gelaat voor zich voor hij antwoordde. „Ter wille mijner moeder”, antwoordde hij eindelijk, ..eer ik alle vrouwen en zal niemand nemen tegen haar wil.” Dat was een deel der waarheid ; de rest vertelde hij aan Wulfram, zijn vriend, toen ze alleen waren des nachts op het dek van zijn schip midden op zee. „Het gebeurde toen ik een knaap was van twaalf jaar”, begon hij, en hij keek nadenkend neer op de kalme blauwe watervlakte. „Toen sloeg ik den grijzen wolf met mijn kleine speer en vader nam mij mee op reis, vóór mijn tijd. Je herinnert ’t je?” „Ja,” antwoordde Wulfram, „ik herinner mij. Ik doolde ‘Najaar, tilt: „TMaar lichtende Wegen", van diehard de Cneudt door de wouden, dagen lang en huilde van woede, dat geen woedende wolf kwam om mij te slaan of geslagen te worden/’ ,,De tijd kwam, kameraad, en je sloeg.” „Toen was ik vijftien en volwassen. Dat beduidde niets meer I” Olaf legde zijn zware hand op den schouder van zijn vriend. „Het is niets bijzonders voor jou om groote dingen te doen”, zei hij. „Jij zou het toen ook gedaan hebben, maar het geluk was met mij. Ik ging dus op reis. Jij kent zoo’n eerste reis. Wulfram, en het heerlijke ervan !” Wulframs oogen werden zacht bij die herinnering en hij knikte. Nog enk’le boomen steken droef en stil wat gele, lang verdorde blaren uit... Oe dag is roerloos, grijs en huiverkil, de effen luchten dragen geen geluid .,. „Dagen lang was het heerlijk weer. Ze leerden mij in de groote masten te klimmen, de zeilen te reven en te onderscheiden of ’t een schip van een vriend of vijand was, als ’t nog maar een stipje aan den horizon was. Een ander maal liet vader mij de roerpen vasthouden, toen kwam een golf en wierp mij op het dek, maar de roerpen liet ik niet los. Vader prees mij hiervoor en hij prees niet vaak. Ze zijn goed deze dingen om nog eens te herdenken.” „Ja,” peinsde Wulfram, „ze zijn goed.” „Na vele dagen bereikten we het groote kanaal dat stroomt tusschen Brittannië en Gallië. Daar overviel ons een storm. De „Adder” verloor een mast, de „Zeewolf” beide masten en de „Draak”, waarop wij ons bevonden, had nauwelijks een lapje zeil over. Vader bond mij aan de verschansing vast, anders was ik overboord geslagen. Reusachtige zeeën bedekten ons soms ; het was een heerlijke storm. Den tweeden dag vielen we om te schuilen een baai binnen van de rivier de Thames, landden op de noordkust en repareerden ons schip met het materiaal dat we vonden. Nauwelijks waren we gereed of de bevolking kwam in groote menigte op ons af. We vluchtten des nachts weg naar het Zuiden, waar hoog op de klippen een klooster staat.” „Waar wij landden den vorigen winter ?” vroeg Wulfram peinzend. „Toen leerde ik eerst dat ik de ziel van mijn vriend niet kende ; voor dien wist ik niet dat hij een geheim voor mij had.” Olaf staarde naar de starren, die helderder werden, naarmate de nacht donkerder werd. „Ik zou ’t je verteld hebben, als je niet zoo wijs was,” zei hij eindelijk. „Men kon het licht voelen, dat uit het Oosten kwam, toen de mannen zich gereed maakten te landen. Ik herinner mij nog vaag het gekletter van wapenen in den vroegen uchtendstond xen de zoete lucht van het gras en de lentebloemen, terwijl de randen der wolken goud en purper gekleurd werden. Toen de zon zich begon te verheffen boven de kim, hadden twee honderd moedige mannen reeds den top van de klip bereikt. Van de vijftig mannen, die onder den ouden Henric waren achtergelaten om de schepen te bewaken, werden er hier en daar wachtposten uitgezet. Ik stampte van woede op het dek, omdat ik achterblijven moest. Ik was zoo boos, dat de oude Henric mij toestond wat op de kust te wandelen. „Ga niet verder dan de laatste wachtpost’ ’, beval hij, „anders zal je vader met ons beiden afrekenen I” Natuurlijk ging ik toen juist verder.” „Dat was verkeerd!” merkte Wulfram op. Olaf glimlachte, want gehoorzaamheid is niet voor de leiders. „In het eerst bleef ik in de nabijheid van de klip, doch weldra bemerkte ik een greppel die door de zon geheel was opgedroogd en tusschen twee velden liep vol rijp koren en papavers.” Hij staarde op het groene water met het witte schuim beneden hem. „Alleen de zee is mooier!” „En een maagd, als je de ware gevonden hebt”, zei Wulfram, die uit ondervinding sprak. „Ik vond haar ; een blauwoogig, goudharig meisje van tien jaar, droomende tusschen de papavers en het koren. Ze sprong op en wilde vluchten, doch ik greep haar bij den pols en trok haar mede. Zij beefde, doch schreide niet, hoewel de dauw in haar oogen stond. Ik zag nimmer zulke oogen !” Hij staarde weer op de zee en zweeg ; Wulfram legde hem de hand op den arm. „Ze sloeg mij en worstelde om los te komen. Er was temperament in die meid ! Ik trok haar mee naar het eind van de greppel, terwijl ze allerlei onverstaanbaars prevelde ! Toen riep ze op eens een woord dat ik verstaan kon : „MoederI Moeder 1” ” Olaf haalde diep adem. „Wulfram, ik had mijn moeder lief !” „Dat doet een goed zoon I” zei Wulfram. „Het kind zag dat mijn gelaatstrekken zachter werden en
PDF
Nummer
1915, nr. 96, 29 nov. 1915
Blad
03
Tekst
11 PANORAMA plotseling kuste zij mijn hand en keek mij aan. Wulfram, ’k zag nimmer zulke oogen.” „Zool” merkte Wulfram peinzend op. „Je liet haar gaan?” „Ik liet haar gaan”, was het antwoord, alsof hiermee de geschiedenis eindigde. Wulfram werd echter „de Wijze” genoemd. „En toen?” vroeg hij. „Ze liep een eind terug,verschool zich, . . . keek naar mij . . en kwam terug.” Wulfram keek glimlachend naar de klappende zeilen, alsof hij ze een ge - heim vertellen wilde. „Het gaat altijd zool” zei hij. „Ze gaf mij haar hand. Dit was er in 1” Olaf ontblootte de borst en in hetschijnsel van het maanlicht glinsterde iets als goud. „En ze zei niets?” vroeg Wulfram. „Dat is zoo de manier bij de vrouwen.” „Zij sprak in haar taal, die ik niet kon verstaan; maar mijn ooren bewaarden de klanken en ik leerde hun beteekenis van mannen die de taal kenden.” „Wat zei ze?” „Kom en haal mij als ik groot ben 1” „Ha!” riep Wulfram uit. „En daarom ging je er heen, verleden jaar?” Olaf knikte. „Welke gedachtenis gafjehaar? Het is jouw gewoonte niet, geschenken aan te nemen voor niemendal.” „Ik gaf haar den tand van den wolf, dien mijn vader door een kundigen lijfeigene in goud had laten zetten. Ik hing haar den ketting zelf om den hals. Van „Olaf den Noorman van Schlee Fiord” zei ik en liet haar den naam eenige malen herhalen, opdat ze dien niet vergeten zou.” „En toen ?” „Toen. . . . Voor dien tijd had ik nimmer een maagd gekust.” Olaf zweeg en perste de lippen opeen. „Wij landden daar een jaar geleden”, zei nu Wulfram de Wijze peinzend. „Het was in den winter en Aelfric, hun hoofd, was op de jacht, anders zouden we warmer ontvangen zijn. Ja wij hadden een mooie kans. In het klooster was een groote voorraad zilver en als je gezocht had in de kelders. . .” „Ik zocht naar andere dingen”, zei Olaf. „En wat vond je ?” „Alleen .... de maagd !” „En je nam haar niet 1 Waarom ?” „Het was in het struikgewas achter de kerk, dat ik haar zag. Haar oogen waren als bedauwde violen en mijn ketting was om haar hals ; maar ik herkende haar al, voor dat ik dit zag. Ik wilde haar nemen, maar . . . .” „Als de Goden de gelegenheid geven is de rest voor den mensch.” „Denk je, mijn vriend ?” 5Nu in de wouden gouden boomen treuren, Wegkwijnend héél hun sterke reuzenkracht, "Nu wreede winden in geweld’ge macht Hun purp’ren schoonheid alvernielend scheuren, *Nu staart hun stervensblik naar al die kleuren, Hun lange wellust, door hun tintenpracht, 6n aadmend zwaar zien zij den doodennacht 2Syn doffen mantel over ’t glanzen beuren. Uit: „Veraen”, van Heannette ‘Nijhuis. Uitg, H, 'Honig, Utrecht Wulfram de Wijze keek van de zee naar de sterren en van de sterren naar de zee. „Ik heb gedachtI” zei hij kalm. „De maagd was in jouw hand.” „Ja!” stemde Olaf norsch toe. „Ik was de sterkste !” „Als je haar genomen had. ...” Herfst. 2>e staan zoo stil, die stervensmoede boomen 6n buigen ’t hoofd in huiverend ontzag Voor wat ze weten, voelen naderkomen.., ©an, plots gegeeseld door een wilden slag, Heffen zij raadloos de ontblaarde kronen "Naar winter, juublend in het hoongelach. „Gudrun stal een maagd !” „Je was toch niet bang voor den dolk ?” „Slechts voor den dolk in haar oogen.” Wulfram haalde de breede schouders op. „Wat zei de maagd met den dolk in haar oogen?” „Niets ! Zij zag mij slechts aan, half bevreesd, half uitdagend, tot ik haar het gouden sieraad toonde. Toen gaf ze mij haar hand.” Olaf stapte eenige malen op en neer. „Het was de zachtste en kleinste hand”, mompelde hij. „Ja”, zei Wulfram, doch hij meende, dat hij ’n zachtere kende, want in sommige zaken helpt wijsheid een man niets. „En je liet haar gaan ?” „Zij vertrouwde op mijn bescherming.” „Je hadt haar kunnen beschermen aan boord van „De Draak.” Olaf schudde het hoofd. „Als zij gewild had....” Hij zweeg. „Gewild had ?” riep Wulfram ongeduldig uit. „Zag je niet dat ze jouw geschenk bewaard had ?” Olaf sloeg met zijn groote hand op de borstwering. „Bij Odin !” riep hij uit. „Ik was een dwaas !” „Een dwaas is wijs als hij zijn dwaasheid kent.” „Maar als hij weet dat het te laat is ? Is het te laat ? Zeg ’t mij, Wulfram !” Wulfram zei niets, langen tijd, doch staarde voor zich met droomerige halfgesloten oogen. Olaf sloeg hem oplettend gade, want Wulfram de Wijze had de gave van het tweede gezicht, evenals zijn vaderen vóór hem. Eindelijk slaakte hij een diepen zucht en strekte de hand uit. „Zie!” riep hij uit. „De Goden zenden de gelegenheid voor de derde maal. Het zou hen vernederen meer te doen !” Olaf volgde de richting van de hand zijns vriends, keek scherp over de kalme zee en nu zag hij een kleine boot op hen toezeilende in de zilveren stralen van het maanlicht. Iï. Ethelberta, dochter van Godwin Thaan van Minster in Sheppey zat op een lentemorgen op den rand eener met gras begroeide klip en staarde doelloos over de zee. Een leeuwerik zong hoog in de blauwe lucht en andere vogels sjilpten in de struiken. Boterbloempjes en madeliefjes kleurden de groene grasvlakte met hun geel en wit en slapende papavers vlamden tusschen het koren. De hellingen der rotsen waren bedekt met groen en rood en mauve, want het was de tijd van het jaar, waarin de natuur schoon is. De vloed kwam aanrollen met zacht geruisch over het door den uchtendzon geel beplekte strand. Aan den horizont was een wit en een donker zeil zichtbaar en eenige meeuwen vlogen rond, witte vlekken in de bleekblauwe lucht. Ethelberta’s oogen, blauwer dan de hemel, waren vochtig en heur haar, schooner van kleur dan de boterbloemen, hing zwaar over schouders en rug neer. Herhaaldelijk zocht haar blanke hand den blanken hals waar aan een gouden ketting een wolfstar>d gehangèn had, die — er nu niet meer was. 96 (22b)
PDF
Nummer
1915, nr. 96, 29 nov. 1915
Blad
04
Tekst
PANORAMA 12 Een uur ging voorbij, toen keek ze op, ontmoette de oogen van Aelfric haar broeder, en die oogen stonden ernstig. „Als een man ’t leven geeft — en meer — aan een vrouw en zij verraadt hem, wat zal er dan met haar gebeuren ?” „Zij zal sterven 1” zei Ethelberta. ,,En als die man de vijand is van haar vader en haar broeder en haar volk ?” „Ook dan zal zij sterven,” zei Ethelberta weer. Aelfric dreef de punt van zijn lange speer diep in den grond. „Jij — mijn dochter — daan,” barstte hij Zij sprong op. „Ik ?” riep ze uit. „Ik ? — O, was ik een man en jij niet mijns moeders zoon.” Zijn oogen dwaalden van de glorie van haar gouden haar naar haar voeten roze en wit onder de zilveren sandaalriemen. moeders hebt dit gelos. NATIONALE VEREENIGING VOOR DEN VOLKSZANG. (KP.S.) Door de „Nationale Vereeniging voor den Volkszang” is op 24 dezer in „Dilligentia” te ’s-Hage een uitvoering gegeven, die zich in een bijzondere belangstelling mocht verheugen, hetgeen zeker een verblijdend verschijnsel is in verband met het actueele vraagstuk v. d. Volkszang. „Waar is de wolfstand, dien je droeg?” vroeg hij. Dr. W. J. v. GORKOM. M. C. E. STAKMAN. t De bekende leider van de pestbestrijding in Ned.-Indië. de heer Dr. W. J. VAN GORKOM, die in 1911 naar Indië vertrok, is aldaar plotseling overleden. Als tuberculöse-specialist had dr. v. Gorkom zich in Nederland een groote vermaardheid verworven. — Te Nijmegen is op 75-jarigen leeftijd overleden de heer M. C. E. STAKMAN, die vooral in de jaren 1892-’93 veel van zich deed spreken door zijn protesten tegen zijn ontslag als resident van Menado. Ze bloosde. „Als mijn vijand mij een vriend toont te zijn, kan ik hem dan nog haten ?” was haar wedervraag. De blos was nu verdwenen en haar wangen waren bleek. „Ik ben geen man van veel woorden”, ging Aelfric voort, „waar is het halssieraad ?” „Misschien — nam jij ’t weg, nu Olaf niet hier is.” Hij richtte zich in zijn reusachtige lengte op en strekte de sterke armen uit. „Vannacht”, zei hij, „zal hij hier zijn !” Zij slaakte een kreet. „Omdat hij onze vijand is, zal ik hem verslaan ! Maar jij, die hij spaarde om hem te verraden...” „Verraden ? . . . . Ik ? .... Hem ?” hijgde ze. Aelfric nam haar gelaat tusschen zijn groote handen en keek haar in de oogen. Toen hij weer sprak was zijn stem teeder. „Kleine zuster,” zei hij, „ik deed jou onrecht.” Hij streek liefkoozend over haar fraai haar. „Hoe verloor je het halssieraad ?” „Het was toen ik in de laan wandelde met Cerdic”, antwoordde zij, „en ik hem vertelde, dat ik hem niet liefhad.” Aelfric knarste op de tanden. „Hij stal het”, riep hij uit. „De hond ! Hij heeft het aan Olaf gezonden om hem hierheen te lokken naar jou die aan hem je leven — en meer schuldig is !. . . De stammen zijn verJAARVERGADERING ,,PATR I MON IUM”. Op 22 en 23 dezer hield het Nederl. Werklieden-Verbond „Patrimonium” te Amsterdam zijn 34e algem. jaarvergadering onder voorzitterschap van den heer P. van Vliet. Tijdens de bijeenkomst, die druk bezocht was, werd een telegram van hulde aan H.M. de Koningin gezonden. gaderd om hem te ontvangen 1” — Zij vatte zijn hand. „Hij mag niet komen ! Hij moet niet komen 1” riep ze uit. „Jij zult hem waarschuwen.” Aelfric schudde het hoofd. „Hij is onze vijand ! Het is ons récht hem te verstrikken. Maar Cerdic, die jouw naam stinkende maakt. . . .” hij greep fier zijn speer, „hem zal ik neerslaan.” Hij zwoer een duren eed, maar Ethelberta sloeg haar armen om zijn hals. „Dood hem of spaar hem, ’t is mij onverschillig, alleen red Olaf 1” Hij schudde het hoofd. „Tweemaal heeft hij mij gespaard !” „Hij is onze vijand”, zei Aelfric weerspannig. „Zijn voorvaders waren de vijanden van onze vaders. Het is plicht dat ik hem dood!” „Heeft ooit een vriend zooveel voor mij gedaan ?” pleitte zij. „Zijn mijn leven en eer dan niets voor jou ?” Hij wendde het hoofd af. „Aelfric 1 Lieve broeder !” III. Het was twee nachten geleden sedert de kleine boot op „De Draak” kwam toezeilen en daar een in goud gevatten wolfstand kwam brengen aan Olaf den Noorman. Het schip had sindsdien stevig doorgezeild. Het was tegen den ochtend dat Olaf den helmstok van den stuurman overnam, toen zij de eilanden naderden. Op dat oogenblik riep de uitkijk dat een kleine boot in het gezicht was, komende van het Zuidwesten. Olaf stuurde „De Draak” dien kant uit en toen de kleine boot naderkwam, werd ze door Olaf met donderende stem aangeroepen. Een reusachtige, blonde man verhief zich in de kleine boot en antwoordde met even zware stem : „Ik ben Aelfric, Thaan van Minster! Ethelberta, mijn zuster, wil Olaf den Noor spreken.” „Ikben Olaf de Noor!” antwoordde deze, terwijl hij een doordringenden blik wierp op de ineengedoken figuur aan Aelfrics zijde. Olaf beval den man aan het roer het schip in den wind te brengen, opdat broer en zuster gemakkelijker aan boord konden komen. Hij beval tevens een schemel op dek te brengen bedekt met kostbare huiden voor Ethelberta en boog zich voorover om een kus te drukken op haar vingeren. „Ik ben op uw roep gekomen als de Noordenwind,” zei hij, „en bid u, ontbloot uw aangezicht.” Zij sloeg haar sluier weg en zag hem aan met schitterende oogen. Zelfs de ruwe Noormannen waren verbaasd en fluisterden tegen elkander, dat, waarlijk, de Saksische maagden schoon waren van aangezicht. „Het past niet aan een maagd een man te roepen,” zei ze, Mr. J. P. v. outeren. t Mr. a. polak. Op 63-jarigen leeftijd overleed te Arnhem de heer Mr. J. P. VAN OUTEREN, Off. v. Just. aldaar. De overledene promoveerde in 1877 te Leiden in de rechten en vervulde sedert October 1909 zijn bovengenoemde functie te Arnhem. - Mr. A. POLAK, de overbekende Amsterdamsche advocaat, herdacht verleden week zijn 50-jarig jubileum als doctor in de rechtswetenschappen. De heer Polak is behalve als jurist ook als journalist een zeer bekende en geziene figuur. „vooral niet als die man de vijand is van haar volk. Ik heb u niet geroepen, Olaf!” Olaf staarde haar met pijnlijk verbaasden blik aan. „Het teeken ?” vroeg hij ruw. Toen vertelde ze hem van het complot en van de meer dan duizend mannen die op hem wachtten in hinderlaag als hij zou landen. Hij boog dankend het hoofd, maar antwoordde niet. „Wij hebben onze schuld betaald, Olaf! Leven voor leven !” zei Aelfric. „Kom nu„als je wilt, als onze vijand!” Olaf boog weer het hoofd, zeer ernstig en geleidde hem naar de verschansing. Had hij de maagd aangezien, dan zou hij een half vragenden, half teleurstellenden blik in haar oogen gevonden hebben, maar hij wendde het hoofd af, hoewel hij haar de hand gaf. Alleen Wulfram de Wijze staafde het meisje aldoor aan. „Dacht je je zuster weer mee te nemen, Aelfric ?” vroeg Wulfram plotseling. De trotsche Thaan keek hem verstoord aan. „Ik vertrouw volkom men op Olaf!” was het4 kalme antwoord. „Terecht I” hernam Wulfram. „Maar twijfel je niet aan je zuster ?” Ethelberta slaakte een zwakken kreet; nu eerst keek Olaf haar aan en zag de vraag in haar oogen. Hij spreidde zijn krachtige armen uit en (V.F.B.) maagd liep op hem toe en verborghaar hoofd aan zijn breeden borst
PDF
Nummer
1915, nr. 96, 29 nov. 1915
Blad
05
Tekst
13 PANORAMA KRIJGSGEVANGENENTRANSPORT. Een afdeeling Servische krijgers, in de jongste gevechten krijgsgevangen gemaakt, wordt onder geleide van Oostenrijksche soldaten naar de concentratiekampen achter het front vervoerd. DE OORLOG EN DE WEGEN. Een compagnie Duitsche „Arbeitertruppen” bij den aanleg van wegen in Champagne (N.W.-Frankrijk). De wegen worden met stukken steen verhard, bij welke bewerking van de nieuwste hulpmiddelen wordt gebruik gemaakt. In een oogenblik had Aelfric het zwaard in de hand ; hij sloeg echter niet, want de Noormannen vormden een kring rondom hem. Hij keek het paar aandachtig aan. „Zij zal gelukkig zijn met Olaf !” zei hij eindelijk. Toen stapte hij alleen in zijn kleine boot en voer terug en sedert dien dag was er vrede tusschen het volk van de eilanden en het volk der zee. „De Draak” voer naar huis terug zonder goud of zilver, zonder huiden of graan, met niets anders dan een vrijgeboren maagd, de bruid van Olaf den Noorman. Deze meende echter dat 'zij meer, veel meer waard was, dan al deze dingen. VAN HET OOSTELIJK OORLOGSTOONËEL. Een Russische in den grond ingebouwde veldkeuken op geringen afstand achter het front. Van hieruit worden de voorposten van een middagmaal voorzien. Zooals op de foto duidelijk te zien is, heerscht de winter in deze streken reeds in al zijn gestrengheid. BERICHT. Onze St.-NICOLAASPANORAMA-PREMIE is een reuzen-succes! Niet alleen komen de aanvragen van onze abonné’s met honderdtallen te gelijk bij elke post binnen, maar ook bereiken ons dagelijks talrijke bewijzen van dankbaarheid, dat wij ter gelegenheid van ’t St.-Nicolaas- en Kerstfeest onzen lezers wederom een zoo kostbare verzameling kunstplaten met lijst aanbieden. Die bewijzen van erkentelijkheid geven ook ons een gevoel van zelfvoldaanheid. Wij zien er toch uit dat ons streven om onzen abonné’s aangenaam te zijn, wordt op prijs gesteld. Over de St.-Nicolaasverrassing, die wij voor onze jeugdige lezers voorbereiden, in ’t volgend nummer nader. Red. DE SPION EEN VERHAAL UIT DE VOORGESCHIEDENIS VAN DEZEN OORLOG DOOR PRISCIAAN \/on Blum lachte, doch het was een goed-gehumeurde V lach. Hij was positief zekér van zijn zaak : toch was zijn houding niet uitdagend. Ik antwoordde nochtans min of meer scherp: „Je wilt ons overbluffen 1 Je mag wat weten van onze kanonnen thuis, a la bonheurl O, zooals de geheele wereld doet, betrekken we de helft van onze kanonnen uit Duitschland! Jelui hebt ongetwijfeld de noodige plannen en bijzonderheden van onze schepen, — we hebben ze van jelui ; maar toch zijn er nog eenige geheimen, die de Britten voor zichzelve bewaren I” Hij lachte weer en stak een sigaar aan. Hij had de grootste pret en ging op vertrouwelijken toon voort: „Geen enkele! Niet één 1 We kennen jullie van binnen en van buiten.— Havens, schepen, spoorwegen, batterijen, geweren en manschappen. We zijn over alles ingelicht, tot de schoenen en den beruchten knoop van de slobkous toe. Ik geloof dat ik je tot op eenige honderden stuks vertellen kan, hoeveel paar sokken er in de kleedingmagazijnen zijn afgekeurd. Ik zal er eens naar vragen als ik weer thuis ben en je het resultaat meedeelen. Je kunt het dan vergelijken met je gegevens.” — „Och, loop naar de maan met jullie statistieken !” zei ik. „Je kunt dit te weten komen van eiken klerk, vreemdeling of niet, die in onze kleedingmagazijnen werkzaam is. Het is niet moeilijk het aantal zadels, paarden, geweren en manschappen te weten te komen. Londen is een zeef vol informaties. Hier in Gibraltar is het evenwel een beetje moeilijker. Kun je mij bijvoorbeeld de bewapening zeggen van batterij 15 in de tweede galerij ?” EEN TOCHT OVER DE SLAGVELDEN VAN CHAMPAGNE. Met toestemming van de Fransche regeering heeft een aantal journalisten onder geleide van een officier van den Franschen generalen staf een tocht gemaakt over de slagvelden van Champagne, waarop vooral door het jongste, hevige Fransche offensief de aandacht is gevestigd. De foto’s, die wij hierboven in beeld brengen, zijn gedurende dezen tocht genomen. Zij stellen voor, links: een der wegen naar het front, waarop het verkeer met voertuigen bijna even druk is ais in de hoofdstraten van Parijs. Midden: Een Duitsche loopgraaf, gefotografeerd direct n& het verlaten ervan door de Duitschers. Rechts: De uitwerking van het Fransche granaatvuur op de Duitsche loopgraven.
PDF
Blad 
 van 2380
Records 2036 tot 2040 van 11897