Panorama

Blad 
 van 2380
Records 2031 tot 2035 van 11897
Nummer
1915, nr. 95, 25 nov. 1915
Blad
04
Tekst
PANORAMA 4 EEN HEUGLIJK FEIT. Verleden week herdacht de Congregatie der Broeders van de Onbevlekte Ontvangenis te Maastricht het heuglijk feit van haar 75-jarig bestaan, welke herdenking bestond in een plechtige bijeenkomst in het gebouw der Congregatie en het houden van optochten door de stad. Onze foto’s geven, links: Het gebouw van de Congregatie. Midden: Mgr. Dr. J. E. H. Menten, Deken en pastoor van Maastricht, Huisprelaat van Z. H. den Paus, verlaat het gebouw der Congregatie na de plechtige bijeenkomst. Rechts: De drukte in de stad gedurende de optochten. (foto's V.F.B.) WITTE HAREN „Waarom niet, Greta?” „Omdat ik hem niet liefheb, mama !” riep het schoone meisje en wierp het trotsche kopje in den nek. dat de bruine lokken rond haar gelaat vlogen. „Is dat geen voldoende reden ? Moet ik hem nemen omdat hij jong en rijk is, omdat hij knap en voornaam is of omdat hij mij bemint ?” „Maar Greta,” zeide haar moeder ernstig, „daar noem je nu zelf alle eigenschappen op, die Werner tot den begearenswaardigsten echtgenoot maken. En dan zeg je nog, dat je hem niet bemint. Waarom bemin je hem niet?” „Moet daarvoor een oorzaak zijn?” vroeg Greta zacht, terwijl zij diep bloosde, hetgeen echter aan de kortzichtige moeder ontging. Mevrouw Alberts zonk in haar leuningstoel terug, terwijl zij met bekommerd gelaat haar dochter aanzag en zeide : „Luister, mijn kind, zoo gaat het niet langer. Dat is nu de vijfde, dien je afwijst en altijd om dezelfde reden : omdat je hen niet liefhebt. Het waren goede partijen. Wie weet of zich nog wel weer iemand voordoet als je ook Werner wegzendt. Geloof me, eer meisje, dat iedereen een blauwtje laat loopen, gaat over de tong en spoedig waagt zich niemand meer daaraan, want zij moet daartoe een grond hebben: öf het is hoogmoed öf zij heeft een ander lief. Ik weet dat geen van beide bij jou het geval is, maar daarom is het mij een raadsel, wat je tot deze zonderlinge handeling beweegt!” „Möèt ik dan trouwen, mama ?” vroeg Greta en haar stem sidderde een weinig. „Kind, kind! Wat moet dit beteekenen ? Je weet, ik ben ziek en als ik eenmaal kom te sterven, 'heb je niemand in de wereld, die je beschermen kan.” Het was alsof het jonge meisje hierop iets wilde antwoorden, doch ze zweeg. „Overleg nog eens met jezelve en bedenk dat zich niet spoedig weder zoo’n gelegenheid tot geluk aanbiedt.” „Tot geluk, mama?” zei Greta droomerig. „Geluk denk ik mij anders. Tot geluk behoort liefde.” „Ach, kind,” antwoordde de moeder, „tot een gelukkig huwelijk behooren achting, sympathie, en een zorgeloos bestaan. Geloof mij, die uit Hefde gesloten huwelijken zijn zelden gelukkig. De liefdesroes vervliegt spoedig en dan ziet men met nuchtere oogen de verkeerde verhoudingen en gebreken, waarvoor men vroeger blind was of blind wilde zijn. Bij Werner vind je alles wat voor een onbezorgd leven noodig is en bovendien aanbidt bij je.” „Maar ik hem niet.” „Dat komt wel,” meende mevrouw Alberts, „liefde verwekt wederliefde. Neem hem, Greta ! Schenk mij het rustige gevoel, je in veilige haven te weten, beschut tegen rampen en tegenspoeden. Doe het, doe het uit Hefde vo^ - ” kird 1 Dan zal ik kalm Kunnen sterven 1” POPPENTENTOONSTELLING IN ’TSTED. MUSEUMTÊ AMSTERDAM Vrijdagmiddag is te Amsterdam in net Stedelijk Museum een tentoonstelling van poppen geopend ten bate van de Amsterdamsche Vereeniging ..Zuigelingenzorg”. De expositie, die zich in een druk bezoek mag verheugen, is verrijkt met interessante inzendingen van H. H. M. M. de Koningin en de Koningin-Moeder. De foto boven geeft de inzending van de Koningin en Koningin-Moeder, o.a. een rieten poppenwagen, en speelgoed van H. M. Koningin Wilhelmina, dat thans van H. K. H. Prinses Juliana is. Foto onderaan: Een hoekje der zaal met antiek speelgoed. ('oio's Hofker) „Ik .... ik kan piet!” Het klonk als een noodkreet. Smart en trots teeKender. zich op de schoone gelaatstrekken van het meisje. Toen stond zij op en verliet de kamer. Op haar kamertje gekomen, wierp ze zich op de kleine sofa, verborg haar gelaat ir de handen er scheen diep na te denken. Zoo zat ze een wijle, toen liet ze haar handen zinken en keek met dwalen den blik haar kamei rord. Een echte meisjeskamer : elegant en inHem, met honderden overbodige dingen opgesmukt. Vazen, bordjes, balherinneringen en bloemen en een aantal photographieën. Aan een dezer bleef haar blik hangen. Zij stond op, nam het portret in de hand en zag het lang en errstig aan. Het was een mooie mannenkop vol uitdrukking, niet ir de eerste jeugd, veertig jaar wellicht, met een frisch energiek gelaat. „Je weet dat ik niet kan,” murmelde zij. „Frans . . . !” Er werd aan haar deur geklopt. Bliksemsnel zette zij het portret weer op zijn plaats en keerde zich om. Op haar „binnen” tiad de persoon de kamer in met wien zij zooeven de geheime samenspraak gehouden had. Een diepe blos verhoogde de schoonheid van haai gelaat. Lachende en met schitterende oogen liep ze op hem toe. „Gij, oom Frans?” Doch zijn voorhoofd was gefronst en zijn stem had een rauwen klank als hij zeide : „Uw moeder zendt mij tot je. Ik moet je verstand prediken !” Zij was bleek geworden tot op haar lippen en haar schitterende oogen werden door opkomende tranen verduisterd. Hij zette zich neer en zij bleef met gebogen hoofd voor hem staan als een kind dat knorren verwacht. Een lange pauze trad in. Eindelijk vroeg hij op vermoedden toon: „Waarom wijs je Werner af ?” „Ik heb het mama reeds gezegd : omdat ik hem niet liefheb,” antwoordde ze zacht. „Greta, zeg mij de waarheid, zooals je altijd gedaan hebt. Ik geloof niet dat dit je eenige beweegreden is. Weinige meisjes worden door zoo’n talrijke schare aanbidders omringd als jij en telkens als een daarvan aanzoek doet cm uw hand, wijst gij hem af -•-> dat is niet natuurlijk. Zeg mij waarom doe je dat?” Die diepe, weeke mannenstem trilde van innerlijke ontroering. Zij ontweek zijn vraag door een wedervraag. „Zal ik iemand nemen, dien ik niet liefheb?” „Waarom heb je hem niet lief?” vroeg Frans. „Hij is schoon, rijk en voornaam.... en jong,” voegde hij eraan toe — het klonk als een zucht. „Hoe moet degene dan wel zijn, dien je beminnen kunt?” Een seconde lang sloeg zij de oogen naar hem op, en dan keek ze weer voor zich. Andermaal stokte het gesprek. BETROUWBAARHEIDSRIT TWENTSCHE MOTORVER EENIGING. Door de Twentsche Motorvereeniging is op Zondag 21 November een betrouwbaarheidsrit gehouden over het traject Hengelo (O), (vertrek ’s morgens 8 uur). Zutfen, Arnhem, Apeldoorn. Zwolle, Ommen, Hengelo, waar de aankomst was bepaald op ’s middags 5.05 uur. Voor deelneming aan den rit hadden zich 24 rnotorwielrijders aangemeld, van wie er 22 uitkwamen. Foto links: Controle te Arnhem (Musts Saerum) van eenige deelnemers. Rechts: Controle : Apeldoorn door den Commandant van hei V. M. M. K«, den heer Toe Laer. (/nfo’s Sijes;
PDF
Nummer
1915, nr. 95, 25 nov. 1915
Blad
05
Tekst
5 PANORAMA UITGEWEKEN ARMENIËRS IN EGYPTE De gruwelen door de Turken aan de Armeniërs bedreven en die doo» de pers wereldkundig zijn gemaakt, hebben de laatsten er toe gebracht hun vaderland te verlaten en een toevlucht te zoeken in Egypte, waar zij groote kampen hebben opgeslagen. Een dezer dagen verscheen ook een brochure waarin de resultaten van het onderzoek inzake deze gruwelen zijn uiteengezet en waarvoor Lord Bryce een voorwoord schreef. Onze afbeelding links geeft een groepje bewoonsters in hun typische volkskleederdracht voor hun tenten in het kamp: rechts ziet men het uitreiken van voedsel aan eenige der uitgeweken Armeniërs. Eindelijk zij ze, nauw hoorbaar: ,,Ik wil in het geheel niet trouwen !” Zijn blik omsloot een oogenblik de schoone, teedere gestalte, toen riep hij hartstochtelijk uit: „Jij niet tróuwen ? Dat is onmogelijk ! En waarom niet' Waarom niet !” Zij gaf geen antwoord. IN DE DOLOMIETEN. Meer dan ergens anders heeft de strijd in de Dolomieten een avontuurlijk karakter. De terreinsgesteldheid maakt ’t geven van scherp-omlijnde orders dikwijls onmogelijk, waardoor het persoonlijk element van den eenvoudigen soldaat meer op aen voorgrond treedt. Op onze foto zien we een Oostenriiksche patrouille, die ver van het hoofdleger op verkenning zijnde, voeling krijgt met den vijand en nu op eigen initiatief daarmede ’n gevecht begint. „Oom Frans/’ vroeg ze plotseling, „waarom trouwt u niet?” — Verschrikt staarde hij haar aan. „Ik? .... Waarom ik niet?” — „Ja, oom Frans, u !” Hij scheen zich te bezinnen. Daarop zeide hij slechts : „Van mij is geen sprake I Wat kan je dat schelen !” „Neen,” drong zij aan, „zeg mij waarom trouwt u niet ?” „Laat toch . . . Doch zij liet zich niet afweren. „Als je het dan volstrekt weten wilt,” mompelde hij, terwijl hij star voor zich uitzag, „de eenige, die ik bemin en altijd zal beminnen is voor mij onbereikbaar.” „Is zij getrouwd?” „Neen !” „Wat dan ?” „Zij is jong en schoon en ik.... ik ben een man op leeftijd, Greta.” „U, oom Frans! En u bemint haar?” „Onuitsprekelijk!” fluisterde hij voor zich heen, als sprak hij in zich zelf. „En weet zij het ?” vroeg het meisje. „Hoe zou zij anders !” antwoordde hij. Een lange pauze volgde. In gedachten verzonken stond zij voor hem, half afgewend. Het schoone gelaat versteend van smart. Door haar niet opgemerkt, rustte zijr blik op haar in naamlooze teederheid, in verzengenden gloed. Eindelijk stond hij op. „Overleg nog eens met jezelf, Greta. En denk erom dat het uw moeders innigste wensch is.” Toen oom Frans vertrokken was, brak een storm van smart over Greta los. Zij zonk op de knieën en drukte het gloeiende gezicht in het kussen van de sofa. Het was haar als lag de wereld in puinhoopen. Zij wasin bet diepst van haar hart getroffen dat Frans beminde, een wezen beminde, dat zijn liefde versmaadde. Het was haar onbegrijpelijk, hoe een meisje hem versmaden kon. Hij was de verpersoonlijking van al wat goed en edel was. Voor de eerste maal legde zij zich de vraag voor of zij dan geloofd had, dat hij haar tot zijn vrouw zou maken. Zij, die zich zoo klein voelde nevens hem, die tot hem opzag in grenzenlooze vereering. Zij wist het niet. Dat wist zij slechts, dat hij, van af het oogenblik dat zij denken kon, de ster van haar leven was geweest, de heer over al haar denken en voelen, de afgod harer jonge ziel. Zij kende geen anderen wil dan den zijnen, geen ander geluk dan zijr bijval. Zij had aan niets gedacht dan aan hem, en niets gewenscht dan zijn nabijheid. — Zij voelde zich als een deel van hem en nu wierp hij haar achteloos van zich. Met één slag vernietigde hij haar droom van geluk. Dat hij wist, hoe gloeiend zij hem beminde, daaraan twijfelde zij geer oogenblik. Hoe had hem dat ook verborgen kunnen blijven ! Maar hij beminde een andere, die zou hij in zijn huis voeren ; want wie zou hem op den duur kunnen weerstaan ! Wat kwam het er op aan, wat er van haar werd ? Nu kon zij den wensch harer moeder vervullen en Karei Werner trouwen. Frans had het haar toch zelf geraden, hij begreep het niet, dat zij haar eigen wenschen niet aan TOT HOSPITAAL. INGERICHT. Het keizerlijk paleis te Potsdam f27 Nederl. mijl van Berlijn gelegen) is bijna geheel tot lazaret ingericht. De afbeelding hierboven vertoont een der zalen van het slot, die tot slaapzaal voor de gewonden is ingericht. Het paleis werd in 1701 voltooid; in het bijbehoörende park bevinden zich een standbeeld van keizer Alexander 1 van Rusland en van de generaals Blücher, Cneisenau, Kleist en Tauentzien. (V.F.B.) die van anderen ondergeschikt kon maken. Hij leefde en zorgde slechts voor anderen Hij had zelfs zijn eigen neigingen en verlangens eerst aan haar vader, toen aan haar moeder en eindelijk aan haar zelf opgeofferd — niet uit zwakheid, maar uit totaal gemis aan egoïsme, uit zelfopofferende goedheid des harten. AAN DE MASURISCHE MEREN. Aan. de Masurische Meren (West-Rusland) waar thans weer de doodsche eenzaamheid van den winter rondwaart, wordt de sombere indruk van het landschap niet weinig verhoogd door de sporen van den hevigen strijd, die er - woedde. Niet het minst spreken de nijdige prikkeldraadversperringen van. het bloedig drama, dat zich in deze verlaten vlakten heeft afgespeeld. SERVISCHE FRANCS-TIREURS. Reeds eerder wezen wij er op dat het een der bepalingen van het oorlogsrecht is, dat de oorlog alleen gevoerd mag worden door de soldaten der strijdende mogendheden. Dat deze bepaling door de civiele bevolking niet altijd wordt nageleefd, is uit de persberichten voldoende op te maken. Het franc-tireurwezen moet echter vooral in Servië erg wezen, zooals op onze foto wederom te zien is, die eenige Serviërs... waaronder een oude man weergeeft, die door de Oostenrijkers zijn aangetroffen met de wapens in de hand. Zonder twijfel wacht hun de dood. (V.F.B)
PDF
Nummer
1915, nr. 95, 25 nov. 1915
Blad
06
Tekst
PANORAMA 6 Zij, zijn getrouwe leerlinge, moest nu ook een offer brengen en met Werner trouwen. Zij huiverde. Voort1 Frans niet eenmaal meer zien? Zoover haar herinnering reikte, was hij steeds aan haar zijde geweest, haar beste, trouwste vriend ; en nu zou alles, alles uit zijn ? . . . . Toen haar vader stierf was zij een meisje van tien jaar ; toen trad Frans in haar leven, waarvan hij spoedig het middelpunt was. Hij was de compagnon van haar vader geweest, nu werd hij haar voogd. En welk een voogd! Terwijl hij in rusteloozen arbeid haar vermogen en dat harer moeder zocht te vermeerderen, vond hij nog tijd zich onvermoeid bezig te houden met de opvoeding van de kleine Greta. Dagelijks kwam hij, hield toezicht op haar onderricht en bekommerde zich om het kleinste wat haar betrof. Deze knappe, dertigjarige man wijdde aan het vreemde kind het grootste gedeelte van zijn rust en hielp het in al haar kleine moeilijkheden. In zijn hand was het bandelooze ding week als was. Als haar moeder en de oude, getrouwe Marie haar niet regeeran konden, en beden noch bedreigingen hielpen, was er slechts een vermanend woord van „oom Frans” (zooals zij hem noemde, hoewel geenerlei familieband hen verbond) noodig en haar trots was gebroken. Een door hem opgelegde straf verdroeg zij zonder tegenspraak en kuste soms nog de hand die haar strafte. De jaren veranderden niet veel aan deze verhouding; allengs leerde zij deelnemen aan zijn geestelijken arbeid. Ofschoon hij koopman was, had hij een veelzijdige kennis opgedaan en bestudeerde met voorliefde de botanie. Dit had eigenlijk zijn beroep moeten worden, doch op uitdrukkelijk verlangen van zijn vader, deed hij afstand van het door hem begeerde vak en beoefende het nu nog slechts als liefhebberij. Hij onderwees er ook Greta in, las veel met haar en hield nog toezicht op haar lectuur lang nadat zij de school verlaten had. Zij had een grenzenloos vertrouwen in hem, bekende hem al haar gedachten, zoodaf hij geloofde op den bodem harer ziel te kunnen lezen. Zij daarentegen wist weinig van hem. Slechts zelden trof zij hem buitenshuis aan, want terwijl zij met de voorname familiën der stad verkeerde, zocht hij met voorliefde geleeide kringen op. En daar hij tot die menschen behoorde, die niet genoeg van zichzelf spreken, zoo kende zij zijn betrekkingen en vrienden nauwelijks. Spraken anderen van hem, dan geschiedde dat altijd met de meeste hoogachting. Men roemde zijn edelen aard, zijn stille weldadigheid en ridderlijke grootmoedigheid. Elk zoo’n woord was een geschenk voor haar, waarmede zij den afgod op het altaar haars harten versierde. Zoo was het gebleven tot op dit oogenblik. Wel wierp zij zich niet meer op stormachtige wijze om zijn hals, kuste hem niet meer de handen; maar ieder van zijn wenschen was voor de jonge dame even zoo goed een gebod als vroeger voor het wilde kind. En nu zou alles uit zijn. —• Zij zou met Werner trouwen, de stad harer geboorte verlaten en Frans zou zijn geliefde tot zijn echtgenoote maken. Wie dat zijn kon, daarover dacht zij niet na, zij zou het immers toch niet kunnen raden, wijl zij zijn betrekkingen niet kende. ,,Alles is voorbij !” .... steunde Greta in haar eenzame meisjeskamer. „Leef, leef wel, Frans!” Het huwelijksdiner was geëindigd. In verschillende groepen stonden de bruiloftsgasten bijeen, een kop koffie in de hand en praatten ongedwongen. In het, midden van hen stonden de jonge bruid en bruidegom, welke laatste van geluk en zaligheid niet wist wat hij sprak en hoeveel hij sprak. Greta zag er allerliefst uit rnet de mirtenkroon, vanwaar de sluier tot op den langen sleep afhing. Zij zag ietwat bleek, maar was wonderschoon, daarover waren allen het eens. Zij scheen iemand te zoeken ! Haar oogen dwaalden rusteloos van de eene groep naar de andere. Eindelijk liep zij de zaal uit, de gang in en begaf zich naar haar kamer, waar heden de geschenken ten toon gespreid lagen. Daar zag zij Frans! Hij leunde met den rug tegen het venster en staarde in de lichten van de kleine kroon. Als zij binnentrad richtte hij zich met een ruk op. Zij trad dicht op ham toe. VERGADERING JAVA-COMITÉ. Verleden week werd in het „ American”-hotel te Amsterdam door het Java-Comité de 60ste jaarvergadering gehouden onder voorzitterschap van ds. P. E. Barbas. — Wij brengen hierboven een foto van de vergaderden. (V.F.B.) Door den „Bond BOND VAN GROSSIERS. van Grossiers in Nederland’’ werd op 17 dezer in hotel „American” te Amsterdam een vergadering gehouden, die druk bezocht was. — Hierboven een foto van het Bestuur. (F.F.B.) Frans,” zeide’ zij, (voor de eerste maal noemde zij hem niet „oom”), ,,ik wilde afscheid van je nemen en je danken, duizend maal danken, Frans, voor alles wat je voor mij geweest bent, voor je goedheid, trouw en geduld —■ voor alles, alles.” Haar stem sidderde. Aarzelend voegde zij er aan toe : „En ik wensch, ik hoop innig, dat zij nog eens uw eigendom worde, die gij zoozeer bemint, en dat zij je ook gelukkig maakt zooals je verdient.” Hij was zeer bleek geworden. Nu nam hij haar gezicht in zijn handen, zooals hij dat H. D. S. H ASSELM AN. G. v. d. LAAN. De heer H. D. S. HASSELMAN, oud-rijkslandbouwleeraar, is te Utrecht op 69-jarigen leeftijd overleden. Te ’s-Gravenhage overleed de bekende zee- en landschapschilder G. VAN DER LAAN. een in de schilderswereld zeer bekende en geziene figuur. zoo menigmaal gedaan had, toon zij nog een kind was en kuste haar op het voorhoofd en de oogen, lang en innig. „God zegene je, mijn geliefd kind !” was alles wat hij zeggen kon. Plotseling boog zij zich voorover en bracht zijn hand aan haar lippen. Hoete tranen vielen daarop, toen was zij ver- ' dwenen. Wij menschen weten niet wat geluk is en wat tot het geluk voert. Wij haken naar de gouden vrucht en hebben wij haar in den mond, dan bemerken wij dat een worm het binnenste heeft weggevreten. Wij jagen schitterende zeepbellen na en hebben wij ze eindelijk bereikt, dan spatten zij uiteen en komt het schuim ons in de oogen. Mevrouw Alberts zou hetzelfde ervaren. Haar dochter werd in het huwelijk, dat zij zoo vurig voor haar gewenscht had, nameloos ongelukkig. Aanvankelijk geloofde de moeder voor het kind het beste bereikt te hebben. Greta leefde in de rijkste en schitterendste omgeving, haar man aanbad haar on de wereld huldigde haar. Hoe zij zelf daarbij te moede was, daarvan sprak zij niet. Zij deed alles wat haar man wenschte en leidde, zonder tegenstand, het weelderige leven dat hem behaagde; slechts zijn vurige liefde beantwoordde zij niet. Een beminnelijke gade was zij voor hem, maar geen teedere. Innerlijk leed zij onduldbaar heimwee. In haar waken en droomen zag zij haar vaderstad met tot den hemel reikende torens en omgeven van een kring van reusachtige bergen. Droomend zat zij soms uren lang en dacht terug aan den tijd dat zij door de nieuwe straten wandelde en dan zag zij weder haar lief kamertje waar zij zoo gelukkig geweest was. Het beeld van Frans was in haar fantasieën onafscheidbaar met dat harer geboortestad te zamen geweven, zoodat zij niet wist naar wie van beiden haar hart het meest verlangde. Haar hart leed onder een onuitsprekelijk verdriet. Zij hield briefwisseling mat haar moeder, met Frans niet. Wel had zij hem meer dan eens geschreven, maar hij had haar niet geantwoord. Zij maakte hem daarvan geen verwijt, maar zijn stilzwijgen krenkte haar toch. Van dag tot dag verwachtte zij de aankondiging zijner verloving, —■ maar zij hoorde niets daarvan. Zoo verging een jaar, toen kruiste het noodlot haar levensweg. Haar man werd het slachtoffer van een ongeneeslijke krankheid. Op het eerste bericht ijlde haar moeder tot haar en bezwoer haar om haar man naar eer ziekeninrichting te zenden. Ook haar vrienden en bekenden raadden haar dit te doen. Het zou dwaasheid zijn haar jeugd aan zijn zijde te begraven. Doch zij kon daartoe niet besluiten. De arme zieke was voor zijn omgeving volkomen ongevaarlijk en had zijn liefde voor haar zelfs in zijn ernstig lijden niet verloren. Slechts in haar nabijheid was hij rustig en hing haar aan als een hulpeloos kind. Zonder klagen nam zij haar zwaar kruis op en droeg het met stille onderwerping. De gedachte aan Frans en wat hij als plicht zou beschouwen, leidde haar in al haar doen. Zij trok zich geheel uit de samenleving terug en leefde slechts voor het groote kind dat geheel haar hulp noodig had. De gebroken man en de jonge vrouw woonden in het groote huis te midden van de drukke stad als op een eenzaam eiland. Slechts als zij met hem uitging, zag zij vreemde menschen en menige vroegere bekende nam, als hij haar ontmoette, den hoed dieper af uit eerbied vooi haar zelfopoffering. Haar moeder had haar sedert lang weder verlaten en leefde met het oog op haar gezondheid aan de Riviera. Toch liet zij niet na haar dochter voortdurend te schrijven om haar man in een of andere inrichting te doen verplegen. Ten einde raad schreef Greta eindelijk aan Frans, de beslissing aan zijn oordeel overlatende. Wat hij leed, kunnen geen woorden zeggen. De bitterste verwijten maakte hij zich dat ook hij tot dit huwelijk had medegewerkt. In nameloos verlangen strekte hij soms de armen naar haar uit, als wilde hij haar aan zijn hart drukken als zijn eigendom voor eeuwig. Toen echter haar brief kwam, twijfelde hij geen oogenblik. Zooals hij haar had opgevoed in gestrenge plichtsbetrachting, zichzelf als voorbeeld stellend, zoo schreef hij haar ook thans: „Bij je echtgenoot moet je blijven. Daar is je plaats !” Zij had niet anders verwacht en kuste de regelen in deemoedige liefde. Zoo verstreken drie treurige jaren. Eindelijk bracht de dood verlossing. Zij jubelde niet, want zij had den armen zieke uit grenzenloos medelijden liefgekregen. Bovendien bood de vrijheid haar niet het geluk waarop zij niet meer hoopte en waaraan zij niet meer geloofde. Gedurende al de jaren was Frans niet bij haar geweest. Haar moeder had soms wekenlang met haar in haar somber huis geleefd, Fran3 wasechter nooit gekomen. Zij beklaagde zich daarover niet, maar het deed haar pijn. Had hij haar geheel vergeten en verstooten ? Hij kwam echter niet, omdat hij den moed daartoe miste, omdat hij vreesde: zijn jarenlang verkropte passie zou tot een uitbarsting komen bij haar aanblik. Ook thans zouden zij elkander niet wederzien. Zij bracht met haar lijdende moeder den winter in het Zuiden door. Daar scheen Greta tevreden te zijn. Met Frans stond zij evenwel in drukke briefwisseling. Hij had haar bij haar mans dood hartelijk geschreven, als in haar meisjestijd, als zij met haar moeder op reis was. Schier onbewust
PDF
Nummer
1915, nr. 95, 25 nov. 1915
Blad
07
Tekst
7 PANORAMA N EDERLANDSCHE SCHAATSENRIJDERSBOND. Geleid door den voorzitter, kapitein F. J. Backer, had in het Restaurant van de Haagsche Ijsclub aan ’t Bezuidenhout te ’s-Hage de jaarlijksche algemeene vergadering plaats van den Ned, Schaatsenrijdersbond, tijdens welke de wedstrijden van den Bond voor het komend seizoen werden vastgesteld en geregeld en enkele wijzigingen in de statuten werden aangebracht, die met algemeene stemmen werden aangenomen, (foto M. M. Couvêe). N.V. „ONDERLINGE ROUWVEREEN1GING”. Door de N.V. „Onderlinge Rouwvereeniging” te Rotterdam, welke vereeniging werd opgericht tot exploitatie van rouwstallen, worden aldaar groote gebouwen gesticht voor dat doel. Verleden week o.a. werd in de Zwaanshals de eerste steen voor een dergelijk gebouw gelegd, welke plechtigheid wij hierboven in beeld brengen. (V.F.B.) had zij hem geantwoord in den ouden toon van vertrouwen en vereering. Hij antwoordde hierop spoedig en weldra was de oude hartelijkheid weder teruggekeerd. Hij sohreef haar over alles waarin zij belangstelde of wat haar verheugen kon. Zij breidde haar doen en- denken voor hem uit en schilderde hem de jaren, die sedert hun verwijdering vervlogen waren. Uit deze brieven trad hem niet meer dat vroolijke, verwende meisje tegen, maar een ernstige jonge vrouw, die het ongeluk niet verbitterd, maar gelouterd had. Hij meende weder op den bodem harer ziel te kunnen lezen, die hem kristalhelder voorkwam, maar begreep niet wat haar moed, kracht en volharding gegeven had, wat haar had staande gehouden, wat haar rein had doen blijven als een kind — haar onmetelijke liefde tot hem. Hij lag voor haar ziel op de knieën en zag niet dat zij zijn beeld spiegelde in haar diepten. Hij begreep niet dat hij haar gemaakt had tot wat zij was. Intusschen verging de winter. Toen de zomer naderde besloten zij en haar moeder naar het Oostenrijksche bergland te vertrekken, Frans zou haar daar bezoeken. Mevrouw Alberts en Greta kozen als verblijfplaats uit een klein, eenvoudig oord, aan een der groote meren gelegen. De villa die zij huurden, stond op een hoogte aan den landweg die haar van het water scheidde. De blik kon vrij op de blauwe golven rusten en bijna het geheele meer overzien, welks oevers dicht met eroen begroeid waren. Aangezien nog geen modern com- ’ fort tot dit afgelegen hoekje doorgedrongen was, hadden slechts weinige familiën haar tenten hier opgeslagen en zelfs met deze kwamen de beide vrouwen in geen aanraking, wijl zij ook daar het stil-voorname leven als thuis voerden. Greta’s denken was geheel op Frans’ komst gericht. Zij hoopte, zij wilde niets dan alleen hem wederzien ; weder zijn hand vatten en zijn stem hooren. Er vergingen echter nog vele weken voor hij kwam, en zij zei tot zichzelve, dat dit wederzien voor hem niets beduidde. Eindelijk kwam hij. Op een grauwen achternamiddag stond zij op de landingsplaats en verbeidde het stoomschip. Haar hart klopte luid en haar oogen staarden onafgebroken in de verte. — Het verleden was vergeten, zij wist slechts dat hij in weinige minuten bij haar zou zijn. Eindelijk kwam de boot aanstoomen, legde aan en Frans sprong als de eerste op de smalle plank. Niet in staat een woord te spreken, strekte zij de handen naar hem uit, die hij in de zijne nam, ze immer meer tot zich trekkend, als wilde hij haar in de armen sluiten. Doch hij liet haar plotseling los en ze liepen naast elkander voort. Hij was slechts weinig veranderd, De slanke, krachtige mannengestalte maakte een goeden, aangenamen indruk. Zij, in haar zwart gewaad, het bruine haar dat vroeger in weerspannige lokken haar gelaat omlijstte thans in een eenvoudigen knoop gelegd, zag er meisjesachtig-teer uit, en haar gezichtje, dat smaller en bleeker geworden was, scheen hem bijna nog jeugdiger dan vroeger onder haar bruidskrans. Zooals zij daar aan zijn zijde ging, reikte zij slechts tot zijn schouder en onwillekeurig boog hij tot haar als hij sprak. Zij leidde hem tot haar moeder, die hem verzocht, gedurende zijn verblijf bij haar te logeeren. Op dit eerste wederzien volgde een rij van schoone, zonnige dagen. Een lichte waas van rood kwam op hare wangen en uit haar oogen straalde een stille tevredenheid. Alle leed „DE CONTROLEUR VAN DE SLAAPWAGENS”. Onder regie van L. Chrispijn ging verleden week in het Gentraal-Theater te Amsterdam dat zich steeds in een druk bezoek mag verheugen het bekende stuk van A. Bisso.o„De Controleur van de slaapwagens”. Onze foto geeft een scène uit het laatste bedrijf. V. I. n. r.: Cath. Kinsbergen; Chrispijn; Jeanne Hopman; Toiiny Stevens; Bart Kreeft; B'ets Cremer; Mevr. Bouwmeester; Jan Lensma; Mevr. Chrispijn-v. Meeteren. van vroeger was vergeten, een stil geluk was op haar geheele wezen te lezen. Slechts éen ding kwelde haar ; hij zou spoedig afreizen, want een zondeilinge onrust scheen zich soms van hem meester te maken. Zij brachten vele uren met elkander door. Des morgens vroeg als haar moeder nog sliep, togen zij reeds op weg. Het liefst wandelden zij naar het Westen, waar de weg naar het meer eindigde in een smal dal dat naar een kleiner meer leidde. Daar gebruikten zij dan een eenvoudig ontbijt en de tijd vervloog in half vroolijke, half ernstige gesprekken. Menigmaal gebeurde het, dat hij plotseling zweeg, haar naar huis terugbracht en zich den ganschen dag niet meer liet zien. Hij botaniseerde, heette het dan ; doch nooit zag zij dat hij iets thuis bracht. Zoo waren zij op een voormiddag weder uitgegaan. De zon scheen echter zoo fel, dat Greta daardoor verhit en vermoeid werd en Frans’ voorslag, een boerenwagen te huren om daarop naar huis terug te keeren, gaarne aannam. Reeds zat zij op de hooge bank, toen Frans haar een bouquet van blauwe gentianen overhandigde, die hij zooeven gekocht had. Zij boog zich tot hem over, zoodat haar wangen zijn hand beroerden. „Ik dank u, goede oom Frans 1” Een donkere blos steeg Frans naar het gelaat en eenigszins ruw zeide hij : ,,Rijd alleen naar huis, Greta, ik kom straks wel.” Hij wendde zich om, verliet haar en eerst tegen etenstijd zag zij hem weder. Een andermaal had hij ’s avonds op het meer met haar rondgevaren. De volle maan stond aan den hemel. Zij zat aan het roer en wiegde zich zachtjes op de maat van den golfslag, zoodat haar bruine lokken, die zij op zijn wensch weer gekapt had ais in haar meisjestijd, zacht meedansten. Een droomerige stemming .had zich van beiden meester gemaakt. Zij spraken geen woord. Zoo dreven zij langzaam voort. Daar zei ze eensklaps als tot zichzelf: „Hoe zalig, als men hier de liefde vindt.” Een schok voer Frans door de leden. Hij greep naar de riemen, roeide de boot naar den oever en geleidde haar naar huis. Daarop verdween hij in den donkeren nacht. En als zij hem dan, verwonderd over zijn zonderlinge handelwijze, vroeg, wat hem zoo plotseling scheelde, dan gaf hij geen of zeer onvoldoend antwoord. (v.f.b;) De maand September was aangekomen. De natuur glansde nog in volle schoonheid, maar toch lag des morgens de nevel langer over het dal en de alpenviooltjes bloeiden reeds als voorboden van den herfst. Toch braken dikwijls, als in het midden van den zomer, zware onweders los. Zoo was het ook heden. Buiten stormde en donderde het, de familie zat bijeen in de huiskamer. Frans las iets voor, Greta zat tegenover hem en luisterde naar de voor haar zoo geliefde stem. Als hij opkeek, ontmoette zijn blik den haren. Eensklaps stond hij op en zei, dat hij nog naar buiten ging. Zij volgde hem. „Waar ga je heen, Frans ? Toch niet op het meer ?” Hij stelde haar gerust en ijlde heen. Zij blikte hem door het venster na. Trots zijn belofte, zag zij hem op den oever toetreden, de boot losmaken en afstooten. Het onweder had opgehouden, het regende nog slechts in groote druppels, en de golven hadden witschuimende kammen. Greta liep het huis uit en op den oever toe om hem te bezweren terug te keeren, doch reeds was UIT HET INTERN EERINGSKAMP „HARDERWIJK”. Onze vroegere correspondent uit. België, die thans als geïnterneerde in het kamp te Harderwijk vertoeft, zond ons eenige kiekjes, die het leven dat de soldaten aldaar leiden, op typische wijze illustreeren Links ziet men de zaai, die voor de geïnterneerden tot het ontvangen van hun familie en vrienden is ingericht. Midden; een hartstochtelijk liefhebber van het diaboiospel aan het oefenen. Rechts: een oud Vlaamsch volksspel, de z.g. platte rolbaan. (foto's Du Houx}.
PDF
Nummer
1915, nr. 95, 25 nov. 1915
Blad
08
Tekst
PANORAMA 8 J. S. MEUWSEN. t Zaterdagmiddag 20 November is te Amsterdam overleden de heer J. S. MEUWSEN, voorzitter van den Algemeenen Middenstandsbond en van de Algemeene Winkeliersvereeniging aldaar. In hei jaar 1863 geboren, is hij vanaf de oprichting de leider van beide bovengenoemde vereenigingen geweest: een leider die slechts moeilijk te vervangen zal zijn. hij om de naaste landtong verdwenen. Zuchtend ging ze naar huis terug.Een zonderlinge, angstige beklemmingmaakte zich van haar meester. Alle beweringen harer moeder, dat Frans toch nooit een onbezonnen daad deed, dat hij een water- en weerkundige was, en zij zich op zijn kennis en ondervinding volkomen kon verlaten, namen haat onrust niet weg. Nadat de hemel eenigszins opgeklaard was, brak met ongelooflijke snelheid en hevigheid een nieuw onweder los. Het plotselinge en de woede waarmede orkaan, donder en bliksem zich verheffen en de natuur in geweldige beroering brengen, is ’n eigenaardigheid der bergstreek Schuimend en bruisend sloegen de witgekuifde golven tegen den oever. Het meer dat er eetst violetblauw uitgezien had. nam nu een grauwgroene kleur aan. Daarop hulde zich alles in een dichten sluier die hemel en water scheen te vereenigen. Krakend bogen zich de pijnboomen. Elke minuut scheurde een helle bliksemstraal het donkere wolkenfloers en een krakende donderslag volgde, die door de echo der bergen verhonderdvoudigd werd. Schrikwekkend, doch schoon en grootsch, was de strijd der natuurkrachten, maar Greta zag die schoonheid niet. Angst en ontzetting beklemde haar het hart en snoerde haar keel te zamen. De handen gevouwen stond zij aan het venster en zag met brandende oogen de woeste golven aan. ï ONZE BOEKENTAFEL .. llllllp an de uitgeversmaatschappij Gebr. Kluitman te Alkmaar ontvingen wij ter bespreking een zevental boeken voor de jeugd, waarvan het een er al mooier uitziet dan het ander. Ze moeten wel tot koopen lokken, zoo kleurig en fleurig doen de prachtbanden aan waarvan de uitgever ze voorzien heeft. Maar de inhoud is aan het uiterlijk evenredig; het is ’t beste van onze goede kinderschrijvers waf hier geboden wordt, voor lagen prijs. Chr. van Abkoude, De Waterratten, Een boek voor sporfjongens. Geïllustreerd door Jan Rinke. De Waterratten is de naam van een club «jongens die zich. als echte Geuzen, op ’t water thuis voelen. Zij zijn eerste roeiers, zeilers, zwemmers, zij maken tochten per motorboot, zeilen op de Noordzee en maken ook een Waferkamp mee. Dat laatste is iets geheel nieuws! Een spannend boek, vol leven en afwisseling; hef eene avontuur volgt met bioscopische snelheid hef andere op. Onder echt-Hol~ landsche jongens speelt hef, die in rechte lijn afstammen van onze groote zeehelden. Ontelbare platen, krabbels, zwartjes en een gekleurde vlaggenkaarf zijn kwistig over de bladzijden gestrooid. Chr. van Abkoude, Jaap Snoek van Volendam. Ge­ ïllustreerd door Jan Rinke. Ook in dit vermakelijke boek een overvloedige hoeveelheid alleraardigste prenten. De avonturen van Jaap Snoek, een onverIllustraties uit: „Een Vlaamsch Gezin”. - „Vlegeljaren van Henkie Snip’’. Haar moeder, die op den divan lag, sprak haar voortdurend moed in, maar zij luisterde er niet naar, zij hoorde slechts het rumoer der woedende elementen daarbuiten en den noodkreet van haar gekwelde ziel. Zoo verging de tijd l Eindelijk hield ze het niet langer uit. Ze moest naar buiten. Met moeite hield zij zich, staande op het smalle voetpad dat naar het meer leidde. Daar vond zij eenige visschers en logeergasten verzameld. De tijding had zich reeds verbreid, dat zich een boot op het meer bevond. De visschersiieden schudden bedenkelijk het hoofd : daa* was niet meer te helpen. Op Greta’s vraag of zij niet wilden uitvaren om hem te zoeken, wezen ze stom op de kokende, witgekuifde golven. Zij bood hun een klein vermogen als ze het nochtans wagen durfden — tevergeefs I Geen hunner bood zich aan. Waartoe zou het ook nuttig zijn ? Waar zouden ze hem zoeken op den wijden, gansch-donkeren plas? Haar opgewondenheid nam toe van minuut tot minuut. Daar scheen het haar alsof zij hulpgeroep hoorde. De anderen hadden evenwel niets vernomen. Zinneloos van angst sprong zij in de dichtstbijzijnde boot en maakte haar los. Haar moeite was vergeefsch : de golven dreven haar telkens weder naar den oever terug en doornat en met bloedende vingers moest zij het eindelijk opgeven. De menschen stonden machteloos tegenover de woedende natuurkrachten. Zoo brak de avond aan en het weer werd stil. Pikzwart was de nacht, geen ster aan den hemel: de natuur die kort te voren nog zoo wild geraasd had, was thans doodstil. Greta was naar huis gekeerd en. zat weder aan het venster ; zij staarde naar buiten in diepe wanhoop. De uren vergingen. Haar oude moeder was op den divan van vermoeienis in slaap gevallen. De lichten waren uitgedoofd. Greta zat bewegingloos. Als de morgenschemering aanbrak verliet ze stil het huis en schreed op het meer toe, welks oever ze langs wandelde, zonder doel, steeds verder en verder, den zonsopgang tegemoet, die een heerlijken dag beloofde. De zon kleurde met gouden stralen het firmament en het meer. Zij zag het niet. Zij bemerkte niet dat zij* voortschreed, zij dacht niet meer. Haar ziel schreide slechts: ,,Frans 1 Frans!’’ Zoo wandelde ze voort één, twee uren. De zonnestralen gloeiden in haar gezicht. Daar, plotseling, bij een wending van den weg, trad iemand haar te gemoet. Zij keek op. Wijd openden zich haar vermoeide oogen, toen breidde zij de armen naar den wandelaar uit en zonk bewusteloos ter aarde. Illustraties uit: „De Waterratten”. - „Ver van Huis”. valschte visschersjongen uit dat wonderlijke en kleurig-mooie Volendam, zijn van een meesleependen humor, maar ook de ernstige, zelfs aandoenlijke tooneelfjes ontbreken niet. Evenals het vorige is dit een echt, rond-Hollandsch boek, en aan den schrijver, die het jongenshart begrijpt als weinigen, komt dank toe voor deze in beeld gebrachte waarheid; niet alleen een groot deel van onze toekomst, maar ook van ons heden, ligt op het water! A. C. Kuiper, Ver van huis. Geïllustreerd door Jan Wiegman, De werken van juffrouw Kuiper kunnen elke aanbeveling ontberen. Ze spreken voor zichzelf. „Ver van huis is misschien wel haar beste boek, zeker een van haar meest belangwekkende. Een Hollandsch meisje logeert in Duitschland kort voor hel uitbreken van den oorlog — ziedaar het gegeven. Een actueel boek dus. Ook een boeiend boek, dat de oudere meisjes, voor wie f bestemd is. ook wel eens aan hun broers mogen laten lezen. De wijze waarop Willemienfje, de hoofdpersoon, in de Duifsche omgeving voor haar eigen nationaliteit weef op te komen, stempelen haar tot een kleine heldin. De uitvoerige plaatjes van Jan Wiegman zullen de aandacht trekken. A. Hans, Een Vlaamsch gezin in oorlogstijd" Geïllustreerd door O. Geerling. Eveneens een actueel boek, dat te Rousselaere. in de omgeving van Yperen, speelt. Het brengt de verschrikkingen van den oorlog slechts zooveel op den voorgrond als dienen kan om onze jeugd tot nadenken te stemmen. De vlucht der Belgische familie, die hef middelpunt van dit mooi geschreven en onderhoudende verhaal vormt, hun veilige aankomst te Aardenburg en hun verblijf in hef kamp van Ede, roepen on*s de aangrijpende gebeurtenissen na den val van Antwerpen weer voor den geest. In menig opzicht een historisch boek van blijvende waarde waarvoor O. Geerling fraaie plaatjes toekende. N. W. C. Kuyk, Uit de vlegeljaren van Henkie Snip. Geïllustreerd door O. Geerling. Henkie Snip is ’n lastige, ondeugende jongen. Maar dat zit niet NEDERL. R0T0GRAVURE-MAATSCHAPP1J, LEIDEN. EEN NIEUWE POLIT1EBOOT. De rivierpolitie te Rotterdam heeft een nieuwe politieboot (de derde) tot haar beschikking gekregen. Deze nieuwe boot, die evenals de beide eerste voorzien is van een inrichting voor draadlooze telegrafie, heeft een enorm sterk zoeklicht, waarmede ‘s nachts het water kan worden afgezocht en een flinke, ruime dekkajuit, waarin gewonden gedurende de vaart kunnen worden verpleegd. (/ofó Welf} Toen zij weer bij kennis kwam, zag zij Frans bij haar nedergeknield. Frans, die zij reeds doodgewaand had ; verzwolgen door het woedende meer, Tranen liepen hem langs de gebruinde wangen. Hij drukte haar donkere lokken met eerbiedige liefde aan zijn lippen en murmelde telkens; „Witte haren ' Witte haren !” Eerst begreep zij hem niet, doch toen zij zich oprichtte, viel haar blik op haar lokken, die op haar borst neervielen. Daar zag zij in het rosé morgenlicht sneeuwwitte stralen in het donkerbruine htar. Wat de ellende van veie jaren niet vermocht, had deze enkele nacht bewerkt, waarin zij aan Frans’ leven getwijfeld had. Nu was hij opgestaan en had haar opgeheven. Vol zalig heid lag zij aan zijn borst, maar hij zocht tevergeefs naar woorden. Eindelijk riep hij uit: ,.Witte haren — om mij, om mij ?” ,,Frans,” zeide zij, ,,waren deze eerst noodig? Wist je dan niet dat ik je bemin, zoolang ik denken kan ?” „Had ik dat gevreten, ik zou je niet van mij weggezonden hebben, terwijl mij het hart brak. Ik bekende je mijne liefde, als antwoord verloc/de je je met Werner en eerst je afscheidswoorden op je huwelijksdag zeiden mij dat je mij niet begrepen had „Ik .... was ik .... die onbereikbare .... ik ?” „Wie anders dan jij ! mijn kind, mijn liefste!" stamelde hij en voor de eerste maal kuste hij haar op haar lippen. in zijn slechten aard — hef is de schuld van zijn teveel aan levenslust. De burgemeester en de veldwachter hebben hun handen vol aan hem, maar alles komt terecht; ze worden zijn beste vrienden. ,P. Visser, De slag aan de Marne. Geïllustreerd door O. Geerling. P. Visser heelt als jeugdschrijver naam gemaakt met zijn verhalen uit de Nederlandsche geschiedenis. Ditmaal heeft hij den slag aan de Marne tot onderwerp gekozen, een der merkwaardigste wereldgebeurtenissen uit den laatsten tijd. Een aangrijpend boek, waarin die geweldige episode uit den groofen oorlog, meegemaakt door een Parijschen jongen, historisch volkomen tot haar recht komt. Een groofsche stof. met kennis en bekwaamheid verwerkt. Onze jongens moeten dit boek lezen; hef is een oorlogsboek — maar in den goeden zin. Leerrijk en tot nadenken stemmend. P. Visser, De ritmeester van Water! o o. Geïllustreerd door O. Geerling. Hoewel dit verhaal op zichzelf staaf, kan het als een vervolg op „De Zwervers van hef Groote Leger” beschouwd worden.' een boek dat wij eveneens zeer kunnen aanbevelen. Hef geweldige drama van Waterloo vindt in den heer Visser een kundigen beschrijver, die de historische juistheid der feiten op aangename wijze weef te verbinden met een. romantische verwikkeling. Jongens die van geschiedkundige verhalen houden en dat moesten ze allen doen. want er bestaat voor hen geen beter lectuur! — zullen zich dit boek als St.-Nicolaasgeschenk niet beklagen. BOEKENIER. Illustraties uit: ,,De slag aan de Marne”. - „De Ritmeester van Waterloo”
PDF
Blad 
 van 2380
Records 2031 tot 2035 van 11897