Panorama

Blad 
 van 2380
Records 2026 tot 2030 van 11897
Nummer
1915, nr. 94, 22 nov. 1915
Blad
07
Tekst
15 PANORAMA IN DEN KNOP :: GEBROKEN :: DOOR ANNE VERLEUR een zucht strekte het i meisje zich op de canapé ■ uit, een behaaglijke, ouderwetsche canapé, waar- 4 van het goudbruine trijp * een wondermooien achtergrond vormde voor ’t donkere meisjeskopje. — Het meisje legde een arm op de zijleuning tot steun van haar hoofd en streek met de andere het haar van haar voorhoofd. Toen sloeg ze haar oogen op, keek door de serreruiten naar de heldere blauwe lucht en zuchtte weer. „Hoe kan ik er ooit meer een einde aan maken,” zei ze tot zichzelf, terwijl ze peinzend beet op ’jn grashalm, dien ze uit den tuin had meegebracht. „Hoe langer het duurt, hoe meer ik zeker weet, dat ik het nooit, nooit zal kunnen doen. ’t Is nu te iaat.” Met een snik drukte ze haar hoofd in ’t canapékussen, „O, boy. boy, hoe heb je het ooit zoover kunnen laten komen.” Ze was sinds meer dan een jaar verloofd, maar de man, die haar ring droeg, was niet voor haar : „der Herrlichste von Allen,” Hij hield zielsveel van haar. maar wat zij hem gaf. was dankbaarheid voor de liefde, die hij nooit moe werd haar te betoonen. Het meisje dacht aan den tijd. dat ze haar verloofde leerde kennen. Hoe haar hart bij dien ander was, voor wien zij niets scheen te zijn. Hoe haar hart klopte van vreugde, die beklemde, wanneer hij kwam. En zoo dikwijls zij hem ontmoette was het alsof hij licht en leven meebracht. Maar niemand dacht aan de mogelijkheid, dat zulk een innige liefde in haar ontvonkt was. Hij was zooveel ouder en door zijn groote kennis en ontwikkeling stond hij ver boven haar.En toch ! Als een stortvloed had die liefde haar overstelpt. Soms was hij zoo vriendelijk en attent voor haar, dat diep, diep EEN NIEUWE ZIEKEN-AUTO. De Haagsche Geneeskundige Dienst heeft bij de firma Pennock te ’s-Gravenhage een nieuwen Zieken-Auto doen vervaardigen, die aanmerkelijk kleiner is dan de bestaande Roode-Kruisauto's. De inrichting geschiedde volgens de denkbeelden van den directeur van den dienst, dr, G. W. Boland, De foto hierboven geeft een uitstekend denkbeeld van de inwendige inrichting van den auto. De nieuwe Zieken-Auto van den Haagschcn Geneeskundigen Dienst van achteren gezien, (foto's „Rembrand!') in haar hart zich iets roerde, dat zei: „’t Zou toch kunnen, hij zou toch van mij kunnen houden.” Maar dat waren kleine vlammetjes van hoop, die door den ijzigen wind der werkelijkheid dadelijk uitgedoofd werden. Na eenigen tijd had ze zich de overtuiging opgedrongen, dat ze nooit iets voor hem zijn zou. Toen kwam in haar leven de jonge man, met wien zij nu verloofd was. Van hun eerste kennismaking af vatte hij liefde voor haar op en na korten tijd vroeg hij haar, of zij zich voor haar verder leven aan hem wilde toevertrouwen. Het meisje mocht hem wel leiden, maar dat was ook alles. Maar omdat zij slechts een heel gewoon meisje was en geen romanheldin, en er in haar een groot verlangen naar sympathie en liefde was, een drang om voor iemand de eerste te zijn. daarom zei ze : ja. En al wilde zij het zichzelf niet bekennen, zij was bang, dat die ander iets van haar liefde bemerkt zou hebben en zij wilde hem tot eiken prijs toonen. dat zij niet naar zijn liefde trachtte. Maar nu had ze er diep berouw van. Nu het te laat was. Want haar verloofde sprak al over den tijd van de bruiloft en zij had zijn edel karakter leeren waardeeren en zij wist ook, dat zijn leven zonder haar waardeloos was. Over dit alles mijmerde het meisje en zij dacht eraan, hoe zij den man, dien ze boven alles liefhad, eens had hooren reciteeren : ,,Ik ween om bloemen, in den knop gebroken En vóór den uchtend van haar bloei vergaan, Ik ween om liefde, die niet is ontloken, En om mijn harte dat niet werd verstaan.” ,,Ja,” zei ze bloemen in den knop gebroken, en mijn harte, dat niet wera verstaan. Maar liefde, die niet is ontloken dat niet.” En — met een blik op haar ring : „Was ze maar nooit ontloken . . . Toe stond ze op, schoof de serredeuren open en trad den De Princesseschouwburg :: in Den Haag :: E en niet groot, maar keurig intiem theater is het. Eén blik in de zaal met haar stemmig-grijze betimmering en goud-damasten behangstof, overtuigt U ervan. Er is weinig aan opgesierd, gelukkig; de grijze grondkleur draagt hier en daar ivoor-kleurige bandversieringen; dat is alles. De bruin tapestry fauteuil-zittingen, de goudbruine achtergrond der loges, de melk-achtig matte lichtbedekkingen, de eenvoudige vorm van deuren, lijsten, balcons en zoldering, het geeft bijeenen een indruk van distinctie, als men maar zelden ziet. Rondom het plafond is, verscholen achter de vooruitstekende wandlijsten, een verlichting aangebracht, waarvan men de bronnen heel niet ziet, maar welke niettemin schitterend is. De tooneel-opening is langwerpig vierkant', betrekkeiijk laag; hierdoor verkrijgt de stoffage van het tooneel en de groepeering der figuren het aanzien van een schilderij in eenvoudig-vormen lijst en komt aldus nog voortreffelijker uit Deze bijzonderheid valt dadelijk als iets nieuws en practisch op. Een andere practische bijzonderheid zijn de „paniek-sluitingen”, geleverd door de firma Hoogeveen en Co. te ’s-Gravenhage. Aan den binnenkant der deuren is een tweetal ijzeren staven aangebracht, welke staven middenin opelkander sluiten, en dus éen rechte stang dwars over de deur vormen. Bij paniek nu, wanneer de hoofden en handen der beangstigde menschen dermate in het ongereede zijn, dat deurknoppen of klinken niet of niet dan met groote moeite en oponthoud behoorlijk worden omgedraaid of opgelicht, bewijst deze paniek-sluiting enorm goeden en snellen dienst. Het aanstuwend publiek dringt vanzelf naar de deur op, en dit opdringen tegen de wat vóoruitstekende ijzeren staaf aan, is voldoende om deze zich te doen openen in het midden. en de deur is zoo vanzelf open. De verdeeling van het gebouw is een kunststukje van passen en meten; iets waarmee, volgens een oude zegswijze, veel tijd versleten wordt. Maar dat laatste is hier zeker niet het geval. Immers in nog geen 7 maanden is het geheele gebouw voltooid. De architect is de heer L. de Wolf. een Hagenaar. Daar het beschikbare terrein niet veel oppervlakte had. zoo werd de zaal dwars door het rechthoekige terrein ontworpen. Hierdoor konden ten eerste op zich zelf zaai en tooneel veel grooter worden dan wanneer zij recht middenin den rechthoek waren gebouwd, en ten tweede komen de uitgangen nu zoo te liggen, dat er van door de brandweer voorgeschreven zijgang dispensatie gegeven worden kon. In de overschietende ruimte, een soort van ruimte-afknip seis, rondom, zijn zoowaar een aardige tearoom, een behoorlijke bodega, een mooie foyer, goede vestiaires, toiletten, kleedkamers en andere benoodigde vertrekken en vrij ruime gangen gemaakt. Het is een kunststuk, zooals alles in elkaar past: een soort van genoeglijke, grillige legdoos lijkt het En toch, dit moeten wij er nog bij voegen, zijn de vertrekken niet erg hokkerig: betrekkelijk gesproken zelfs zijn tearoom, bodega en foyer nog ruim. De directiekamer van Royaards dient ’s avonds voor kleedkamer; het schrijfbureau wordt in een kaptafel ge transformeerd of het zoo niets is. Dit is alzoo een voorbeeld van de zeer vele .practische oplossingen, die gevonden werden om de moeilijke opgave klaar te spelen: op een klein brokje grond een modernen, aan de nieuwe en hooge eischen voldoenden Schouwburg te bouwen. Het is bovendien best geslaagd. Het is een coquet, keurig theatertje. Tooneel-vrinden, het is nu aan U. deze kleine ruimte avond aan avond te vullen. Denkt er om. Met een variatie op het „klein maar fijn” zij het hier „klein maar.... vol.” Kyf-Kyf. Een voorbeeld van smaakvolle tooneeldécors, uitgevoerd door den bekenden tooneeldécorateur Lensvelt. DE GROOTE ZAAL. DE ROOKSALON. (V.F.B.)
PDF
Nummer
1915, nr. 94, 22 nov. 1915
Blad
08
Tekst
PANORAMA 16 tuin in. Het was een mooie, groote tuin, die nu in zijn herfstschoonheid met de glanzende zonnestralen, luchtig huppelend over de goud-getinte bladeren, dubbel mooi was. Maar ’t meisje zag dat schoone niet. Zij zag ook niet het glinsteren van de wiegelende herfstdraden en de rijke kleurvervloeiingen, niets daarvan. Langzaam liep ze den tuin door en ging eindelijk op een bank zitten. En al haar gedachten trokken zich samen om het ééne, dat zij sinds gisteren wist: dat hij, na lange afwezigheid, terug was gekeerd, zich in haar nabijheid, in haar omgeving bevond, dat zij hem elk oogenblik zou kunnen ontmoeten ..... En het meisje vroeg zich met angst af, hoe zij het zou kunnen verdragen, wanneer hij weer. als vroeger, zijn geregelde bezoeken bracht. Na haar verloving was hij niet meer bij hen geweest, en hoè zou zij zich kunnen bedwingen, wanneer zij hem weerzag 1 ,,Misschien,” trachtte zij zichzelf te troosten, .... ,,misschien komt hij niet, misschien zal ik hem W J. J. HOITSMA. . A. T. K. N. M, HARTMANN. t Te ’s-Gravenhage is op 15 dezer overleden de heer W. A. T. K. N. M'. HARTMANN, hoofdcommies van het departement van Koloniën, ridder in de orde van Oranje-Nassau. De heer J. J. HÓITSMA. commissaris van politie te Gorkum, is aldaar op 46-jarigen leeftijd overleden. niet zien . ..” Maar zij wist, dat ’t anders zou zijn. En terzelfder tijd hoorde zij voetstappen naderen. Het meisje wendde het hoofd om — en zag. En de man, die met vlugge schreden naderkwam, doorschouwde haar weerlooze oogen. En in dit ééne oogenblik zagen twee menschen, die tot nu toe blind geweest waren. Hij stond voor haar. Het meisje was opgestaan en de man nam haar beide handen in de zijne. „Kind,” zei hij, met een stem, die van ontroering trilde, „kind. . . .” Het meisje wilde iets zeggen, maar ze zweeg. Even bleef het stil ; toen vroeg hij zacht: „Is het werkelijk waar ? O, lieveling, liefste I” Het meisje maakte haar handen los en blos zich over haar gezicht verspreidde, zei Ioofd . .. .” „Je was verloofd,” zei de man, nu met een triomfklank terwijl een diepe „Ik ben vervan deze groep is opgericht. De vele andere autoriteiten. (V.F.B.). VOOR ONZE MILITAIREN. De feestelijke inwijding van het Friesch militair Tehuis in de fortengroep Abcoude, dat door de officieren opening werd o.a. bijgewoond door Gen. Ophorst, Baronesse Tuyll van Serooskerken. Dr. de Hartog en in zijn stem en hij trachtte den ring van haar vinger te schuiven. — „Het kan niet,” zei het meisje, „ik . . . .” „Luister nu eerst,” zei de man, terwijl hij haar zacht op de bank neerdrukte. „Luister !” En nu vertelde hij haar, hoe hij haar had liefgehad al die jaren, maar het niet durfde uitspreken. „Je was nog maar achttien, en ik dacht : zoo jong zal ze zich niet willen verbinden aan iemand, die zooveel ouder is. Het kostte mij ontzettend veel, zoolang te wachten, maar alleen de vrees, dat je nog je jeugd te lief zoudt hebben, deed me zwijgen. Tot ik het bericht kreeg van je verloving. Ik durfde niet meer hier komen, want ik wist, dat m’n liefde meester zou zijn boven alle verstandelijke overwegingen. Ik heb met m’n liefde geworsteld al dien tijd, maar nu kon ik het niet langer. Ik kwam terug, en evenals vroeger liet men me hier als een oud, vertrouwd vriend binnen. Ik wilde, ik moest komen, om in je oogen je geluk te lezen, om de zekerheid te hebben, dat van ons beiden althans éen gelukkig zou zijn —en nu hebben je oogen je verraden. Maar het is nog niet te laat, liefste . . . .” „Het is te laat,” zei ze met toonlooze stem. „Ik heb mijn verloofde m’n woord gegeven en dat is mij even heilig als mijn trouwbelofte het zou zijn. Want ook vóór ik verloofd DE GUSTAAF-ADOLFVEREENIGING. De jaarvergadering van de Gustaaf-Adolfvereeniging, op 17 November te Utrecht gehouden. (V.F.B.) was, hield ik van jou.” — „Dat kun je niet meenen,” zei de man smartelijk. „Het wil dit zeggen,” zei het meisje, „dat ik mezelf een oogenblik vergeten heb, en je daardoor iets ontsluierd is, wat mijn leven lang bedekt had moeten zijn. Maar het is te laat. Ik heb mijn woord verpand en kan ’t niet terugnemen. Ga nu, en , maak het mij niet al te moeilijk.” „Het kan niet, het mag niet. O, mijn meisje, mijn eigen lief meisje, zeg, dat het niet waar is, dat je het niet meent 1” „Ga weg,” zei ze, en haar stem trof hem tot diep in zijn ziel, „voor ik zou vergeten wat ik niet mag.” Haar smeekende blik ontwapende hem. Zacht legde hij de hand op haar hoofd. „Mijn meisje,” zei hij nog eenmaal. Toen, plotseling, als rukte hij zich los, keerde hij zich om en ging, zonder om te zien. Het meisje staarde hem onbeweeglijk na, maar toen zijn voetstappen weggestorven waren, drong de bittere waarheid tot haar door: hij ging van haar weg en zou nooit terugkeeren, hij, haar liefde, haar leven. Was dit waarlijk haar hoogste roeping : haar geluk te offeren aan w.at zij haar plicht meende te zijn ? EEN HOOGST ZELDZAAM FEIT. Een hoogst zeldzaam voorkomend geval deed zich verleden week voor in de Amsterdamsche politie-wereld. Op één dag vierden n.1. 10 agenten van politie hun 25-jarig ambtsjubileum, wat zeker wel een unicum kan worden genoemd! Hierboven de jubilarissen poseerend voor onzen fotograaf. (V.F.B.) En opeens, in onstuimig verlangen, strekte zij de armen uit : „Kom terug, kom terug, mijn eenige lieveling; ik kan niet zonder je, ik wil je niet missen, blijf bij me, ik heb je zoo noodig.” Haar oogen staarden zonder te zien, en haar bevende lippen fluisterden : „Bloemen, in den knop gebroken .... O liefste, liefste . . . .” Belangrijke Mededeelingen. D e „Panorama”-roman „Een kwajongen in Amerika” is' compleet Om onze abonné’s in de gelegenheid te stellen, dit mooie werk te doen inbinden, hebben wij een linnen stempelband doen vervaardigen, die hun voor den zeer lagen prijs van 25 cents wordt aangeboden. De band is wat uitvoering betreft gelijk aan dien van „Juliana Rockox” en „De Tunnel”, welke boeken reeds als premie bij „Panorama” werden gegeven. Wij raden onzen abonné’s aan de vellen vooral niet oningebonden te laten liggen, daar de gebonden deeltjes later een mooie serie zullen vormen, die onder den titel „Panorama-bibliotheek” een sieraad voor de boekenkast zal zijn. — Voorts vestigen wij nog de aandacht van onze abonné’s op de circulaire die zij in ’t volgende nummer zullen vinden, en die zij vooral niet verzuimen moeten te lgzen, daar er een belangrijke mededeeling in zal worden gedaan over de „St.-Nicolaas-Panorama-premie” die wij onzen lezers zullen aanbieden. HANDELSCURSUS VOOR DEN MIDDENSTAND. Verleden week had in het gebouw der H.B.S. voor meisjes op Bleyenburg te ’s-Gravenhage de opening plaats van de lessen aan den Handelscursus voor den Middenstand. Hierboven een groep der commissie, den directeur, eenige leeraren, leeraressen. benevens de genoodigden, o. w. de Wethouder van onderwijs, die de officieeie inwijding der lessen bijwoonden. (foto v. Tol.) DE NATIONALE KINDERVRIEND. De vereeniging „De Nationale Kindervriend,” die in 1900 opgericht werd ter blijvende herinnering aan het huwelijk van H. M. de Koningin en Z. K. H. Prins Hendrik, gaf Woensdagavond 1.1. haar jaarlijksch groot kinderfeest in „Concordia” te ’s-Gravenhage. Onze foto geeft een groep van het bestuur, staand, temidden van de feestvierenden. (foto o. Tol). NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPPIJ, LEIDEN.
PDF
Nummer
1915, nr. 95, 25 nov. 1915
Blad
01
Tekst
No. 95 (22a) 25 NOV. 1915 AFZONDERLIJKE NUMMERS 7'/2 CENT ABONNEMENT PER KWARTAAL 26 NUMMERS f 1.30 A. W., SIJTHOFF'S UITGEVERS MAATSCHAPPIJ - LEI&EN OM DEN ONAFHANKELIJKHEIDSBEKER EEN GEVAARLIJK MOMENT VOOR HET DOEL DER ROTTERDAMMERS. HET BONDSÈLFTAL: Staand, v.I.n.r.: Wennekes, Maas, Bouvy, Versluys, Verwey, van Hemert. Zittend, zelfde volgorde: van Rappard, de jong, van Lingen, Valk, jentinck. HET ROTTERDAMSCHE ELFTAL: Staand, v.I.n.r : Klip, Martin, Jeckel. de Korver, Horburger, de Muyter. Zittend, zelfde volgorde: v. d. Wolk. Rutfelse, Jurgens, Vermaes, Beyers, Een zeer spannend moment uit den wedstrijd om den Gouden Onafhankelijkheidsbeker, te Rotterdam gespeeld op Zondag 21 November tusschen het Rotterdamsche en het Bondselftal. De doelverdediger op den grond ... de bal vlèk voor het doel ... De achterspeler in snellen ren om hem te stoppen . . . Wat hem op ’t nippertje gelukte. — Elk jaar in November wordt gespeeld om een gouden beker, in 1913 uitgeloofd voor een wedstrijd tusschen een Rotterdamsche ploeg en een ploeg samengesteld uit spelers van verschillende elftallen. De nu gespeelde wedstrijd eindigde 1—1 gelijk, zoodat de beker, volgens de bepalingen, in ’t bezit bleef van de club, die hem ’t vorig jaar won, in dit geval ’t Bondselftal.
PDF
Nummer
1915, nr. 95, 25 nov. 1915
Blad
02
Tekst
PANORAMA 2 • ♦ ♦ * ♦ ♦ ♦ DE OORLOG IN MET ROMAN VAN LUDWIG WOLFF (Vervolg) zal je de waarheid zeggen, Bey. je W? WÉl ^ent eeni&e> c^e a^es tot °P laatste toe weten zal.” Hij begon te vertellen, vloeiend en rustig alsof hij vertelde wat een ander beleefd had. Hij verhaalde van den avond bij Golubjew, van haar bezoek, van de beleediging van luitenant Vidakoviteh en van den vruchteloozen gang naar Hedwig. Nadat Heinersdorff geëindigd had verklaarde Töschtük kalm : ..Die geschiedenis is zeer interessant.” De kapitein vroeg een weinig ongeduldig : „En welke gevolgtrekkingen trek je uit deze „interessante geschiedenis?” „Ten eerste dat mevrouw Golubjew werkelijk verliefd op je geworden schijnt te zijn en ten tweede dat de luitenant Vidakoviteh een Russische spion is.” „Aan de mogelijkheid dat Golubjew mij liefheeft heb ik niet gedacht ; maar dat Vicla- , __ kovitch een spion is daarvan ben ik bijna overtuigd.” „De luitenant heeft je uitgedaagd ?” I ' „Ja”. „ I „En je moet met hem duelleeren ? „Ik moet met hem duelleeren.” | Hij zeide dit op zulk een merkwaardigen toon dat Töschtük opmerkzaam werd. „Aan je verloofde wil je de waarheid niet zeggen ?” „Ik kan het niet.” „Neem me niet kwalijk, maar dat begrijp ik niet. Op dit punt ben ik waarschijnlijk te veel Mohammedaan.” Heinersdorff maakte, een verontschuldigende handbeweging. „Wat denk je dus te doen?” „Ik zal niet duelleeren.” Töschtük keek hem verbaasd aan. „Ik dacht dat je moést duelleeren.” „Zeker, maar ik doe ’t niét. Ik duelleer niet omdat ik de zielsrust van mijn verloofde hooger stel dan al het andere en omdat ik mij niet laat dwingen door Golubjew.” Töschtük vroeg, na een oogenblik : „Kan het niet zeer onaangename gevolgen voor je hebben als je die voldoening weigert ?” Heinersdorff antwoordde kalm : „Zeker. Ik zal mijn positie prijs moeten geven. Ik zal mijn ontslag moeten nemen.” „Ik dacht dat je graag militair was.” „Ik ben met hart en ziel soldaat!” „En om zoo’n kleinigheid wil je nu je post verlaten ?” „Ik kan het vaderland van nut blijven, ook al moet ik deze uniform uittrekken.” Töschtük dacht even na en zeide toen : „Daar je besloten hebt niet te vechten, zou men de zaak misschien op een andere manier kunnen aanpakken.” Heinersdorff keek hem vragend aan. „Je voorschriften verlangen toch niet dat je duelleert met een onwaardige ?” „Zeker niet.” Töschtük-Bey glimlachte. „Dan is het immers zeer gemakkelijk.” „Hoe dan ?” „Je verklaart dat Vidakoviteh een. spion is!” „Ik ben geen aanbrenger,” zeide Heinersdorff trotsch. „Als je een spion ontmaskerd, die het vaderland schaadt, is dat geen aanbrengen, maar een verdienste.” „Ik kan niet, alleen op een vermoeden, een Oostenrijksthen officier als spion aangeven.” Töschtük antwoordde zeker en zelfbewust: „Ik zal je de bevrijzen leveren.” Heinersdorff blikte hem twijfelend aan. „Vóór morgen kan je mij die bewijzen niet leveren, waarde Bey.” „Vóór morgen zeker niet.” „En overmorgen, is alles te laat. Je ziet mijn waarde, dat ik niet te helpen ben. Laten we aan het noodlot zijn loop.” De Turk glimlachte : „Met andere woorden, ik kan nu heengaan !” „Je weet zeer goed Bey, dat ik dat niet zeggen wilde.” Töschtük legde vergoelijkend de hand op zijn schouder. „Natuurlijk. Toch moet ik gaan, daar ik je immers toch niet helpen kan.” Hij bleef een poos nadenkend staan en zei dan : „Vergeef me, maar ik kan de gedachte niet onderdrukken dat wat je op ’t punt staat te doen, op de een of andere manier verkeerd is.” „Hoezoo ?” „Wanneer je uit den dienst gaat moet je je bruid immers toch alles vertellen.” Heinersdorff schrok even. „Neen, ik behoef dan alleen te zeggen dat ik weigerde om te duelleeren met een onwaardige. Wanneer ik echter duelleer zou zij het recht hebben te vragen waarom ik het doe.” Töschtük antwoordde beleefd: „Dat zijn nuances die ik niet begrijp, maar je zult wel gelijk hebben.” „Men heeft nooit gelijk, zonder tegelijk op de een of andere manier ongeluk te hebben,” zei Heinersdorff bedrukt. „Dat is het menschenlot.” Töschtük greep de hand van zijn vriend en zeide bijna plechtig : „Je bent een man, Heinersdorff, want je hebt de kracht om vol te houden!” De kapitein antwoordde met een glimlach van twijfel : „Dan ben ik op het pad van de ioe Siera, waarbij te lezen staat dat Allah de beste rechter is.” Ili WAAR.DE strijd het hevigst woedde. Gezicht op een gedeelte der stad Lille (N,-Frankrijk, nabij de Belgische grens),-die grootendeels verwoest is. Opvallend is ’t, dat de toren bijna geheel onbeschadigd is gebleven tijdens het bombardement. — Op 10 October begon voor Lille het voorspel van den grooten worstelstrijd en sinds dien heeft het geschut vóór Lille geen oogenblik gezwegen. De stad werd eerst door de overheid als een opene verklaard; later werd zij echter door de Franschen verdedigd. Den Hen Oct. van ’t vorig jaar werd Lille door de Duitschers bezet, in wier handen het thans nog is. „Laat ons den godsdienst er buiten laten,” zei de Turk afwerend. Een half uur nadat Töschtük-Bey weggegaan was kwamen majoor Homann en kapitein Cimonega. „De kerel heeft je dus werkelijk uitgedaagd ?” riep Cimonega. „Wie zijn z’n secondanten ?” vroeg Homann. „Kapitein Engelbrecht en luitenant Myskiewiecz.” „Ik ken geen van beide heeren.” Cimonega zeide : „Kapitein Engelbrecht is mij bekend. Hij is een kalm, verstandig man.” Heinersdorff bood den kameraden cognac aan en reikte hun sigaretten. „Ik vroeg u om hier te komen om u te vragen of ge mijn secondanten zoudt willen zijn.” „Dat spreekt immers van zelf,” antwoordden ze gelijktijdig. „Uw woord behoef ik nog niet te hebben,” verklaarde Heinersdorff. „Eerst moet ge alles weten, voor ge ja zegt.” De beide officieren zagen hem nieuwsgierig aan. „Luister dus. Ik heb het besluit genomen, het. onveranderlijke, door niets te verwrikken besluit genomen, niet met luitenant Vidakoviteh te duelleeren” „Ben je waanzinnig geworden ?” vroeg Homann verschrikt. „Dan kan je je wel dadelijk een kogel door het hoofd schieten • riep Cimonega. Heinersdorff bleef rustig onder den aanval zijner vrienden. „Waarom wil je niet vechten ?” vroeg Homann. „Omdat ik iemand, wien ik in het volle bezit van mijn verstand in het gezicht‘gezegd heb dat hij onwaardig is de Keizerlijke uniform te dragen, geen ridderlijke voldoening geef.” „Je verklaart dus luitenant Vidakoviteh voor satisfactionsunfahig,” zei Cimonega. „Best, dat is een standpunt,” verklaarde majoor Homann. „Waarop grondt je de Satisfactionsunfahigkeit ? Het is 'toch niet voldoende te zeggen : ik duelleer met dien heer niet omdat hij satisfactionsunfahig is.” „Ik kan ’t op ’t oogenblik op geen enkele manier bewijzen.” „Dat is een leelijke geschiedenis,” zei Cimonega. „Waarvan beticht je Vidakoviteh ?” vroeg Homann. „Aan ons, je secondanten, dien je dat toch te vertellen.” Heinersdorff antwoordde met vaste stem : „Ik beweer dat luitenant Vidakoviteh een spion is.” De officieren keken hem versteld aan. „Je beweert dat Vidakoviteh —” „Ja, dat beweer ik, nog meer, ik ben er van overtuigd, maar ik kan het nog niet bewijzen; vandaag niet en morgen niet. De toekomst zal ’t bewijzen.” De kameraden overlegden. Majoor Homann meende nadenkelijk: „Als ik eerlijk ben moet ik zeggen dat ik instinctmatig al sedert eenigen tijd de verdenking die jij uitgesproken hebt, tegen Vidakoviteh koester.” „Kan je ons geheel geen aanknoopingspunt voor je verdenking geven ?” vroeg Cimonega. „Mijn aanknoopingspunten zijn niet tastbaar genoeg, anders zou ik Ze immers benutten, daar miin toekomst op het spel staat”. Allen zwegen. Toen hernam Heinersdorff: „En thans, nu ge alles weet, vraag ik u of ge mijn vertegenwoordigers wilt zijn ?” „Dat is toch natuurlijk,” antwoordden de kameraden. Heinersdorff drukte hun de handen. „Ik dank u !” „Wij zullen dus morgen aan de vertegenwoordigers van Vidakoviteh verklaren” —zeide majoor Homann — „dat je weigert hem ridderlijke voldoening te geven.” „Juist. Zonder opgave van redenen.” „En als de zaak voor den eereraad komt,” zeide Cimonega, „zal je dan ook niet zeggen waarom je aan den luitenant Vidakoviteh weigert voldoening te geven ?” „Wanneer ik niet meer weet dan nu, neen.” „Dat is waanzin, Heinersdorff,” riep Cimonega. „Dat is verstandig. Ik moet een onweerlegbaar bewijs in handen hebben wanneer ik een Oostenrijksclien officier van spionnage beschuldig, anders maak ik mijn positie er maar slechter door. Bovendien zou ik daardoor Vidakovitch waarschuwen en de ellendeling zou zijn straf ontgaan.” „Ik moet je gelijk geven,” antwoordde majoor Homann met verstikte stem. Hij sprong op, greep Heiners dorft’ bij de schouders en vroeg aangedaan : inenscb • Weet je wel wat je gaat doen ? Heb je alles goed overdacht ?” Heinersdorff antwoordde vastbesloten : „Ik weet alles. Ik heb alles nauwkeurig overlegd, beste vriend.” „Je wilt ons dus verlaten ? Je gaat je uniform afleggen ?” „Ik moet, kameraden.” Een hevige smart overtrilde plotseling zijn lichaam. De tranen kwamen hem in de oogen. Hij wendde zich af en ging naar het venster om zijn vrienden te verbergen wat in hem omging. De beide officieren staarde^ doodsbleek omlaag en waagden het niet elkaar aan te zien. Zij persten de lippen opeen om zich niet zwak te toonen. Majoor Homann zeide, schijnbaar onverschillig: „Alles is nog niet verloren. Misschien gelukt het ons aan den luitenant Vidakoviteh zijn verraad te bewijzen vóór dat de eereraad zitting neemt, want een spion is hij, dat voel ik, dat weet ik.” Heinersdorff keek hem aan, met een doffen, hopeloozen blik. „Ik betwijfel het, kameraden.” Toen zei majoor Homann, en iedere spier trilde in zijn strak, bruin gelaat : „Misschien zal ’t dan voor jou te laat zijn, maar dit zweer ik je : Wij zullen den schoft in de ga ten houden en hem zoo achtervolgen en opjagen als nog nooit een mensch opgejaagd werd. Alle ,;Menseh, DUISTER
PDF
Nummer
1915, nr. 95, 25 nov. 1915
Blad
03
Tekst
3 PANORAMA honden zullen wij op hem loslaten, geen dag en geen nacht zullen wij rusten vóór wij hem de gouden sterren van zijn kraag kunnen rukken en hem zijn gebroken sabel voor de voeten werpen. Dat zweer ik !” „Dat zweren wij,” herhaalde kapitein Cimonega. X. voor Heinersdorff. moest doorbrengen Hij zou hier, naar Bitter-zoete dagen kwamen De uren die hij op zijn bureau waren een kwelling voor hem. menschelij ke berekening weldra niets meer te doen hebben. Hij wist dat hij zijn ontslag moest nemen wanneer hem niet een ongedacht toeval ter hulp kwam, en daaraan kon hij niet gelooven. Hij maakte zich in die smartelijke dagen geheel vertrouwd met de gedachte aan het afscheidnemen. Wat hij later zou beginnen, daaraan kon hij jnog niet denken. Het was ai zwaar genoeg het denkbeeld te dragen dat hij allesmoest verlaten wat zijn levensdoel was geweest. Zoo smartelijk als de uren van den diensttijd waren, zoo opwekkend straalden de namiddagen. Zoodra hij maar kon, reed hij naar Hietzing, naar zijn verloofde. Lichtend en dronken van zonneschijn had de jonge lente haar intocht gedaan. lederen dag werd de hemel blauwer, de lucht zachter en de zon warmer. Een lentéroes had de geheele stad aangegrepen. Hedwig en Heinersdorff hielden het thuis niet uit. Een onbedwingbare lust tot dwalen, was hun kloppende harten binnen gedron gen. De witte stralen lok ten, en de groene bos schen en de matte ver ten. Eiken namiddag gingen zij opweg, meestal samen. Soms noodigden zij den ouden generaal uit mede te gaan, maar die zeide altijd maar : „Jullie hebt geen olifant noodig, je bent volwassen menschen. Laat mij maar thuis. Mij maakt de lente moe en lui/’ Zij wandelden naar de „Einsiedelei” en het „Himmelhof”, en toen de dagen langer werden, steeds verder in het Weenerwoud, in het lichte, vroolijke Weenerwoud, dat zoo trouwhartig weet te glimlachen, waar de hoornen Weensch spreken als zij elkaar wat te zeggen hebben, en dat al zijn kinderen, de bedroefden en de lichtzinnigen, teeder als een moeder aan het hart drukt. Nooit zullen Hedwig en Heinersdorff die jubelende voorjaarsdagen vergeten. Nooit zullen zooveel bloempjes de bruine weiden sieren, nooit zullen de viooltjes, die aan den bosebrand staan, sterker geuren, nooit zullen de vogels in de avondschemering lieflijker zingen. De hemel zal nooit weer zoo hoog en blauw zijn, en de verre heuvels zullen nooit weer zoo ontroerend roepen en lokken als in deze heilige lente. Nooit weer zullen Heinersdorff en zijn verloofde zoo jong en vol verlangen naar den zonsondergang zien. Op een morgen zaten zij in Weidlingau bij het grafmonument van den dapperen generaal Laudon. En hier aan de voeten van dien ouden ijzervreter, HET SERVISCHE LEGER IN NOOD. Wanhopig zet hèt kleine, doch dappere Servische leger den ongelijken strijd tegen zijn drie overmachtige vijanden, de Duitschers, Oostenrijkers en Bulgaren voort. De hulptroepen, die de Fransche bondgenoot zond, vermogen niet het geweld der opdringende legers te stuiten, en zoo ziet zich Servië den ondergang nabij. Als een stortvloed is de ellende mèt het offensief der vijanden over het moede en afgestreden Servenland gekomen; hongersnood en ziekten teisteren de bevolking; het leger strijdt, dikwijls van het hóógnoodige verstoken, met die doffe gelatenheid en ernst, die den rampzaligen is; slechts hun vaderlandsliefde en hun eer als soldaat; slechts hun ijzeren en onverwoestbare wil zichzelf te zijn en niet de slaaf van een ander, doet de Serviërs den oorlog, die voor hen’n strijd om het bestaan is, voortzetten tot het bittere eind. — De foto’s die wij op deze pagina afbeelden, illustreeren den toestand van het Servische leger op diep-schrijnende wijze. Bovenaan ziet men een tweetal soldaten, die, uitgeput van honger en vermoeienis, langs den weg zijn neergezegen; hun paard, dat hun vriend en makker is in den strijd, staat uitgeput van ontbering in hun nabijheid, wachtend tot zijn meesters in hun rust nieuwe kracht vergaard hebben, om den tocht voort te zetten. Op de onderste afbeelding ziet men enkele Serviërs bezig met het bouwen van veldkeukens; op den voorgrond een drietal dat in doffe wanhoop terneer zit, hun trekken door smart en ontbering verstard. die in het Weenerwoud uitrustte van zijn roemrijke veldslagen, sprak Heinersdorff voor het eerst met haar over de toekomst. „Ik denk sedert verscheidene dagen over een plan, lieveling,” zoo begon hij. „Wat voor een plan ?” „Ik weet niet hoe jij er over denken zult,” ging hij aarzelend voort. „Ik zal er over denken, zooals jij dat wilt, George,” antwoordde ze. „Ik wil den dienst verlaten,” zei hij plotseling beslist. — „Den dienst verlaten ?” vroeg zij verrast. „Het is voorloopig nog maar een plan.” verontschuldigde hij zich, „ik wilde er vóór alles met jou over spreken.” „Hoe moet ik je daarin raden ?” Het was heel stil bij het graf van Veldmaarschalk Laudon. „En wat wil je dan gaan beginnen?” „Ik weet het nog niet precies. Ik zou misschien mijn landgoed zelf kunnen beheeren. Je hebt er geen denkbeeld van Hedvyig, hoe groot en mooi het landgoed is. ” velden en - ik zijn 4ven te Hij werd heel spraakzaam, „Wij hebben reusachtige bosschen en en molens en twee honderd koeien en we konden dan geheel vrij en onafhank en zouden aan niemand rekenschap bek geven, terwijl ik nu toch maar een subaltern officier ben die altijd in de houding moet staan en dansen naar de pijpen van anderen. Welbeschouwd behoef ik dat toch heelemaal niet te doen.” „Dat begrijp ik wel,” zeide Hedwig eenvoudig. „Waarom heb je eigenlijk, als grondbezitter, de militaire loopbaan gekozen ?” „Men denkt zoo niet aan alles, als men nog jong is. En bovendien had ik jou waarschijnlijk niet leeren kennen, als ik geen officier was geworden !” Zij glimlachte gelukzalig en legde zijn hand in de hare. „Ik stel het mij als iets heerlijks voor, met jou samen buiten te wonen, lieve Hedwig. Als ik officier blijf dan heb je niets aan me. Steeds dienst en nog eens dienst, en de manoeuvres en de stafreizen .........” „Het zou veel mooier zijn buiten te wonen,” viel zij hem in de reden. „Je hebt groot gelijk. Ik ben blij dat je weg wilt.” Haar oogen glansden verheugd. „Wij zullen leven als het Koningspaar in het sprookje.” Zijn hart juichte. Hoe rooskleurig leek hem de toekomst. Zij zeide glimlachend: „Ik zal dan voor de koeien zorgen.” „Natuurlijk ’” „En om het geheele landgoed planten wij een hooge rozen- haag opdat niemand ons geluk zien kan.” Hij kuste haar dankbaar de hand. Plotseling trok een schaduw over haar stralend gezicht. „Maar mijn arme vader !” „Hoe dan ?” „Hij zal zich zeer ongelukkig gevoelen dat je den dienst verlaten wilt.” „Dat behoeft hij zich toch niet aan te trekken, Hedwig.” „Neen, maar verliest hij mij zal een harde worden.” Hij dacht nu ook na. „Ja, daarin heb je gelijk. Maar ten slotte wordt je vader toch ook gepensionneerd, en dan komt hij bij ons.” „Dan komt hij bij ons,” herhaalde zij , maar het klonk aarzelend en moedeloos. Zij verlieten het graf van den ouden Laudon en gingen stil naar huis. Over zijn zaak hoorde Heinersdorff niet veel. Hij hoorde alleen door zijn vertegenwoordigers dat zij onderworpen was aan het oordeel van den eereraad. Op een dag kwam majoor Homann en zeide bemoedigend : „Het gaat goed, Heinersdorff, Wij zijn hem op het spoor.” Heinersdorff vroeg twijfelend : „Op het spoor ?” „Jawel, beste vriend. Wij weten dat hij in verbinding staat met een Russische vrouwelijke spion. Een zekere Golubjew.” Heinersdorff glimlachte : „Hoe weet je dat ?” ( Wordt vervolgd). 95 (22a/ dan J)at strijd
PDF
Blad 
 van 2380
Records 2026 tot 2030 van 11897