|
PANORAMA 14
Op 13 en 14 November
onder voorzitterschap
is in
van den heer
VRIJZI N N IG-DEMOCR ATISCH E BOND.
„Musis Sacrum” te Arnhem de algemeene vergadering gehouden van den Vrijzinnig-Democratischen Bond
ziet men o.a. de Kamerleden de
(V.F.B.)
Hoe zouden ze in
mij den man herkend
hebben, voor
wien haar liefde het
levenslicht was?
Toen was ik jong,
zwart, krachtig, een
acteur van het eerste
plan, vol vooruitzichttên.
En vandaag —
ben ik oud, gebroken,
met een baard,
grijs voor mijn tijd,
’n onaanzienlijke tooneelknecht
op wien
niemand let. Dat was
ik tót vandaag. Maar
nü, vannacht, ben ik
de Koning derWrake!
Het is geen wonder
dat ze mij niet herkenden
; die laatste
acht jaren hebben mij
zoodanig veranderd,
dat ik mijzelven niet meer ken.
Hoe rustig is de nacht; het maanlicht schijnt in mijn
kamertje ; een zacht wit licht als de dood. Het is juist
zulk een nacht als toen het krankzinnige in mij stierf en
ik mij er rekenschap van begon te geven, dat ik steeds
dieper wegzonk en mij daardoor steeds meer verwijderde
van de mogelijkheid om mij te kunnen wreken.
„Om mij te kunnen wreken moest ik weer terug in den
cirkel, waarbinnen zij hun leven leefden, het koste wat
het koste ! Ik moest weer terug naar ’t tooneel waar ze waren,
al was het niet meer in de positie van vroeger.” Dat
was het wat ik tot mijzelven zei, morgen, middagen avond.
Van af dat oogenblik dronk ik geen drup meer.
Ik deed alles, wat mijn hand maar vinden kon. Ik
werkte en zwoegde en slaafde en terwijl ik werkte
fluisterde een zachte stem mij voortdurend in het
oor : „Oog voor oog en tand voor tand ! Voor een
wonde een wonde ! Voor een buile een buile I”
Ik zal nimmer den dag vergeten dat ik als tooneelknecht
werd aangenomen in den schouwburg van het
provinciestadje M. Ik begreep wat een strijdros
voelen moest, dat voor een omnibus gespannen, de
krijgsmuziek weer hoort.
Mijn hoofd is versuft van de emoties en de overspanning,
maar ik wil niet eindigen, voordat ik alles
heb neergeschreven, wat ik schrijven wilde.
Stap bij stap wist ik mijzelven op te werken uit het
moeras, waarin ik gezonken was. Van den kleinen
schouwburg ging ik naar ’n grooteren, in ’n grootere
stad, totdat ik de betrekking kreeg, die ik thans bekleed.
Geen belangrijke betrekking, maar een die
aan mijn doel heeft beantwoord.
Acht jaren geleden een bemind en gezien acteur,
thans een tooneelknecht!
Maar als acteur faalde ik, terwijl ik als nederig
requisiteur ben geslaagd. Maandagavond kwamen
ze in den schouwburg ; ze hadden een engagement
voor een maand. Eindelijk hadden onze wegen, na
acht jaren, elkander weder gekruist.
Was het toeval? Of het Noodlot? In het laatste bedrijf
van het drama, waarin zij de hoofdrollen vervulden
moest de man de vrouw, die hem verlaten wilde, dooden,
Neen, het was geen toeval, maar een onafwijsbare beschikking
van het Lot.................................................. .... .
Wat is het lang geleden, dat ik het laatste neerschreef,
wat heb ik lang stilgezeten, om nog éénmaal in gedachte
te doorleven wat van Maandag tot op heden is voorgevallen.
Het was op een Woensdag, dat ze van mij heenging
; het is op Woensdag dat ze van hem is heengegaan.
Venus en Adonis ! Ze was even schoon op acht en twintig
jarigen leeftijd, als toen ze twintig was ; neen, schooner,
mr. L. N. Roodenburg, lid der Tweede Kamer. Op de voorste
heeren Koster, Marchant, Roodenburg, Ketelaar en Limburg.
veel schooner ! Er was een groot geluk in haar oogen ; een
verheerlijking op haar gelaat, een gratie in al haar bewegingen.
Haar stem was zachter, voller, rijker, ronder dan
ooit te voren. Een herboren Venus, een Venus met moederliefde.
En hij ? Hem hadden, evenals haar, de jaren slechts
voordeel gebracht. Hij leefde in haar leven. Hij zorgde
voor haar alsof ze zijn kind was, zoowel als zijn vrouw !
Den eersten avond, dat ik hem de revolver gaf, beefde
zijn hand. Ik hoor haar nóg lachend tot hem zeggen : „Ben
je nog steeds bang, liefste?” En zijn antwoord: „Ik zal
iederen nacht vreezen. tot ons engagement ten einde is.”
GEEN ALLEDAAGSCH PUBLIEK.
De Abessiniërs, die op reis van den dierentuin Hagenbeek naar hun vaderland, eenigen tijd
te Amsterdam vertoeven (zie ook de foto in een onzer vorige nummers) hebben ter herinnering
aan hun bezoek aan onze hoofdstad eenige inkoopen gedaan in het Magazijn de
Bijenkorf, waar zij voor onzen fotograaf poseerden.
„Malle jongen !” riep ze hem over haar schouder toe, terwijl
ze optrad, „het zijn maar losse patronen !”
Losse patronen ! Vanavond was er een scherpe in. Ik
deed ze in de revolver en overtuigde mij, dat ze niet weigeren
zou. Mijn hand beefde niet, toen ik hem de revolver
gaf. Hij hoorde de stem niet, die in mijn oor fluisterde :
„Oog voor oog en tand voor tand.”
Zij speelden, o, hoe speelden zij ! Vuur Scheen te komen
van zijn lippen, gloeiende lava van de hare. Toen lichtte
hij de hand, die het wapen omklemde omhoog. Er klonk
een kreet; daarna een schot; toen weer een kreet en de
val van een lichaam.
„Dood aan de vrouw met haar trouweloos hart!” riep
hij uit. Toen zakte het scherm. Het applaus was reusachtig I
nj
Er werd gehaald
en nog eens gehaald;
op en neer, op en
neer, alsof het publiek
niet te bevredigen
was. En onderwijl
kleurde langzaam
’n dunne roode straal
kleederen en vloer.
Hij zag het en het
publiek zag het.
Er klonk ’n kreet
van afgrijzen uit den
schouwburg, van voren,
van achteren, er
klonk ook een kreet
van * wanhoop over
het tooneel van hem!
De revolver van zich
werpende, viel hij
voor haar neer en
nam haar in de armen.
Het was een afgrijselijke
kreet, doch hij werd overstemd door de intens
vlijmende stem aan mijn oor: „Oog voor oog en tand
voor tand !”
Eindelijk was ik gewroken. Zijn hand had het levenslicht
gedoofd van het licht van zijn leven. Zijn hand had
de vrouw gedood, die hij beminde, die hem beminde, die
ik beminde ! Hij had haar nu verloren, evenals ik haar
verloren had, maar hij had nu voor zich acht jaren, die ik
achter mij gelaten had. Heb ik ze werkelijk achter mij gelaten
? Is mijn verdriet werkelijk ten einde ? Wat is het
dat mij op dit oogenblik, het uur van mijn triumf, de ziel
beknelt, de slapen bonzen doet? Wroeging? Ben ik zijn tweelingbroeder
in wanhoop en verdriet?
Ik heb het neergeschreven ! Hoe verschilt het van
wat ik had willen schrijven. Het is geschreven niet
met inkt, maar met mijn hartebloed, niet met
woorden, maar met de ellende mijner ziel.
En nu ligt ze daar, dood, in de kleine kamer waar
ze haar heenbrachten. Ze voerden hem weg na
het eerste uur, toen zijn wanhoop was overgegaan
in tranenloos verdriet.
Zij is nu alleen in de kleine kleedkamer. Ik wil naar
haar toegaan en bij haar zitten. Misschien zullen
haar gesloten oogen zien in den dood wat ze niet
zagen in het leven. Misschien zal ze mij nu herkennen
!
Ze moet mij herkennen. Ik wil deze bekentenis meenemen
en in haar gevouwen handen leggen.
En dan?
En dan ! In het requisietenruim ligt de revolver
in een kleine lade van den schoorsteenmantel. En daar
is, in een verborgen hoek, nog een patroon, die geen
losse patroon is.
Nu weet ik waarom ik dit alles heb neergeschreven
van het begin tot het einde ! Ofschoon haar oogen
gesloten zijn, zal ze kunnen lezen wat deze bladzijden
bevatten, zal ze leeren begrijpen, het namelooze
leed, dat ik die acht jaren doorleefd heb. Laat
ze het weten !
Ik voel mij nu zoo vreemd te moede. Alle haat
is verdwenen, mijn eenzaamheid voorbij.
De wereld is voor mij veranderd. Mijn ellende heeft
een eind genomen !
En nu wil ik opstaan en zacht gaan naar die kamer, uit
het bleeke maanlicht in den donkeren nacht, terwijl die
zachte stem mij steeds in het oor blijft suizen, alle andere
dingen op aarde verdringende : „Oog voor oog en tand voor
tand !”
DUITSCHE INTRIGES IN AMERIKA.
Zooals men weet is de Amerikaarïsche justitie op het spoor gekomen van een zeer uitgebreide organisatie, welke
hoofdzakelijk gericht was tegen den aanmaak van munitie in Amerika voor de Geallieerden. Het onderzoek inzake
deze samenzweringen is thans in vollen gang. Op onze foto ziet men de hoofdpersonen van het proces, V.l.n. r.:
Tay, Walter Scholz en Paul Deache,
DE BELGEN IN NEDERLAND.
Hef Belgische Comité te Rotterdam dat voor de aldaar vertoevende Belgen uitnemend geslaagde feestelijkheden
organiseerde ter gelegenheid van den verjaardag van Koning Albert. Zittend: 1. De Belgische Senator, Hermans
Ansloos, voorz.: 2. Van Gestel, le Secr.; 3 R. van Loo, consul, vice-voorz. en voorz. v.h. Belgisch onderwijs te
R’dam; 4. d’Ammar, 2e Secr. Op den achtergrond geïnterneerden, tijdelijk studenten a.d. Ned. Handelshoogeschool
te R’dam, met hun commandant-kapitein (achter den voorz.). (foto Wolf)
|