Panorama

Blad 
 van 2380
Records 2016 tot 2020 van 11897
Nummer
1915, nr. 93, 18 nov. 1915
Blad
05
Tekst
PANORAMA maar veel geldbezit was er niet. „„En ik dan/*” zei ze bitter, „„moet ik dan een armhuissloofje worden?”” ,’k Begrijp niet, dat je je zoo boos maakt. Je zei zoo dikwijls: als we elkander maar hebben, dan kan al ’t andere me niet schelen, — en nou mijn geld weg is... ? „„O, als je ’t niet had kunnen helpen,’ antwoordde ze nu heftig, ,als het niet je eigen domme schuld was en als je iets kon, een beroep geleerd had, of iets anders wou beginnen, dat niet zoo’n schraal ongelukkig-tobbend bestaan gaf, als juist onderwijzer. Want wat zullen we met een hart vol liefde doen — als er geen brood is in de kast, geen geld in de beurs. Ik verzeker je — ’k heb het honderden malen gezien — daar kan op den duur de meest standvastige liefde niet tegenop. Het wordt gehaspel en getob zonder eind, ik waag me er niet aan !”” ,Dus je wilt me niet arm trouwen, je laat mij in den steek ?’ klonk uitdagend zijn stem. „„Dat is te zeggen, éérst moet je een positie hebben die ons een niet al te zeer bekrompen bestaan in een boek 1” en het beeld van Martien van Strijen verscheen in een plotseling romantisch licht voer haar. Natuurlijk zou alles goed komen tusschen de twee gescheidenen. Verhalen waarin ze „elkaar niet krijgen” waren altijd erg vervelend, vond ze. ’t Was „speelkwartier”, zooals de groote kinderen de pauze tusschen hettweede en derde lesuur nog steeds bleven noemen. Truus Versteeg liep met vroolijke, dartele sprongen naar een troepje klasgenooten toe, die in een hoek van de tweede speelplaats — waar geen leeraren liepen — ietsstonden te bekijken of te bepraten, de hoofden dicht bijéén. Ze maakte een opening in ’t kringetje, kéék . . „01 — van wie?” — vroeg ze verrast. „Laat zien, laat zien!” riepen de verschillende stemmen dooreen, maar Eddy danste als een dolle met een portret in de rondte, steeds uitroepend; „wie zou ’t gedacht hebben van Veenendaal, he?” , Toen bekeek ze het critisch. „Een knap meisje ! Een óud portret VOOR DEN komenden winter. ai!” Dan, met de plotselinge wisEen groep Fransche officieren poseeren in hun nieuwe winterkleeding voor onzen oorlogsfotograaf. seling van stemming haar eigen, EEN VROUWELIJKE SOLDAAT. Tot een verrassende ontdekking kwamen onlangs de Duitschers bij ’t inschrijven van Russische gevangenen. Onder de krijgsgevangenen bevond zich n.1. de vrouw van een Russisch onderofficier, die sedert het begin van den oorlog aan de zijde van haar man gestreden had. Eerst toen zij in handen viel der Duitschers, werd zij ontmaskerd. waarborgt. Het kan misschien jaren duren, maar ik zal geduld hebben . ,En als ik géén positie weet te verwerven, als ik arm blijf, dan trouw je me niet ? ’ ,,,,Nee””, zei ze, „„je zal me even lief blijven, maar trouwen doe ik je dan niet.”” „Ze had eigenlijk slechts bedoeld, hem een heftigen prikkel, een spoorslag tot flinke krachtsinspanning te geven, maar de uitwerking was vreeselijk.” ,Even lief’ sprak hij haar honend na, even lief zonder geld als met ? — nee — huichel nu maar niet langer, ’k Heb je nou gelukkig nog bijtijds in de kaart gekeken. Je zult het ondervinden werd me gezegd. Maar ik heb het niet willen gelooven, wou niet eens eerst de proef nemen. Neen, ik had het niet van je gedacht.” Heftig bewogen trok hij den ring van zijn vinger, en legde dien op tafel. ,Liever géén vrouw, dan een die me om mijn geld trouwt en als je me in armlede niet volgen zoudt — je zegt het zelf — dan moet je ’t me nu óók in mijn rijkdom niet doen.’ — „Hij keerde zich om en ging heen. Voor altijd! Zonder een enkel woord van afscheid. Twee dagen later stuurde hij haar brieven, portretten enz. terug, en nooit heeft ze meer iets van hem gehoord. Zij woonde toen in Friesland, en hij in Gelderland, maar ze denkt dat hij nu misschien buitenslands is, VAN DE SERVISCHE GRENS. Bovenstaande foto’s brengen een paar typische, we zouden haast zeggen, gemoedelijke straattooneeltjes in beeld uit een door de Oostenrijkers bezet Servisch dorp. Oorlogsbeelden als zij zijn, is toch de krijgszuchtige stemming verre te zoeken en doen zij meer denken aan een vreedzaam tooneeltje tijdens een groote inkwartiering. want — en dat is ’t ergste van ’t geval — later bleek dat hij nooit gespeculeerd had, en niets had verloren. Een half jaar later kreeg ze een aanzoek van den man die haar de leugen verteld had, toen begreep ze de heele geschiedenis en toen vermoedde ze ook, dat diezelfde kerel het was, die haar verloofde had opgestookt haar eens op de proef te stellen. En natuurlijk juist doordat het eigenlijk een misverstand was geweest kan ze nu dien eersten en eenigen maar nooit vergeten. Ik denk altijd dat hij vroeg of laat weer eens in haar leven zal verschijnen. Zijzelf ook, geloof ik, al is de hoop nu minder evendig geworden op den langen duur. „Heeft ze nooit eenige toenadering geprobeerd later?” „Neen, dat kon ze niet. Het feit bleef, dat zij verklaard had, hem niet arm te willen aannemen; als zij nu weer vertelde, dat ze dat niet gemeend had, zou hij haar immers niet vertrouwen, want dat zij na dien tijd aanzoeken genoeg gehad heeft, óók van zeer gegoede jongelui, dat kan hij niet weten. Maar — wie zal zeggen dat hij nog vrij is?” . . De beide dames stonden op, en wandelden den tuin in. Toen kwam uit de aangrenzende kamer de 15-jarige Truus, die daar stil voor de piano gezeten — droomend, en zonder de toetsen aan te raken — de heele geschiedenis had gehoord, ,,’n Echt verhaal 1” dacht ze. „Precies als EEN ONTPLOFTE GRANAAT. Hoe een Fransche 7.5 cM.-granaat er uit ziet. na de ontploffing. De buitenwand is geheel uit elkaar geslagen, waardoor de inhoud, de z.g. springlading, gelegenheid heeft gekregen zich naar alle kanten te verspreiden en dood en verderf te zaaien in de vijandelijke linies. ANTIEKE WAPENS IN DEN MODERNEN OORLOG. Dat in Servië alles „gemobiliseerd” is, blijkt uit bovenstaande foto waarop men een collectie thans geheel verouderde wapens ziet, die in een verlaten Servische loopgraaf door de Bulgaren werden buitgemaakt. Blijkbaar kan ’t Servische legerbestuur niet alle weerbare mannen die het thans noodig heeft, om het land te verdedigen, voorzien van een moderne bewapening. voegde ze er meewarig aan toe: „zeker een gestorven liefde.” Bedaard, bijna ernstig, gaf ze het portret toen aan de anderen over. Ook Truus keek nu en een plotselinge schok doortrilde haar, want ze herkende duidelijk de beeltenis van Martien van Strijen. Ze zweeg wijselijk over haar ontdekking maar snel gingen haar gedachten door haar fantastisch brein. Wéér kwam de geschiedenis die haar zuster aan haar moeder verteld had, haar in de gedachten, en weer kwam mee de herinnering aan het boek dat een soortgelijke geschiedenis behelsde. „Bijeengebracht” heette het. Een klein meisje was daar de onwillekeurige oorzaak dat de geliefden elkaar weer terugvonden, en het boek eindigde met de verklaring van den held, dat hij dat zusje levenslang dankbaar bleef. Wat zou Truus graag ook zoo’n rol vervullen. Niemand thuis wist de naam vanMartiensvroe gere verloofde, niemand kon helpen dan zij — Truus — alleen. En juist nu! Door déze gebeurtenis! Want bleek er niet ^duidelijk uit dat mijnheer Veenendaal zijn gewezen meisje niet was vergeten, dat hij haar nog liefhad? Toen de rust een weinig was weergekeerd in het troepje vroeg ze aan de andere vier : „Wie gaat ’m terugbrengen ?” „Wij met z’n allen !” —
PDF
Nummer
1915, nr. 93, 18 nov. 1915
Blad
06
Tekst
PANORAMA 6 „Ben je wijs, dan begrijpt hij dat we erstel mee gemaakt hebben. Eén alleen moet het doen”. „Nou, maar ik niet! Ik niet” — riep de een voor, de ander na. ,,Je hebt kans dat hij de heele geschiedenis uithooren wil.” „Hoe kwam jelui er dan aan?” vroegTruus weer. „Stien zegt”, begon Eddy,,,dat ie op de plaats gevonden is, maar ik geloof ’t niet. Wie verliest nu zoo iets. Hij zal ze binnen misschien neergelegd hebben en toen zullen ze......... neen hoor, ik vertrouw het niet en ik waag me er ook niet aan ze terug te brengen. Laten we ze maar laten liggen!”— „Nee”, zei Truus, „dat is gemeen! Dan zal ik ze terugbrengen.” „Best, maar weet je, dat de man al weg is? Hij had het laatste uur geen les, omdat de vierde klas leerschool heeft.” „Dan ga ik straks naar zijn huis!” Aldus werd overeengekomen, en aldus geschiedde ! DIRECTEUREN VAN GEMEENTELIJKE REINIGINGSDIENSTEN. Door de Vereeniging van Directeuren van Gemeentelijke Reinigingsdiensten in Nederland, is op 11 en 12 November te Leiden onder voorzitterschap van den heer M. A. v. d. Perk de 7e jaarvergadering gehouden, die druk bezocht was. — Hierboven een groep der vergaderden. (VJF.B.) ’s Middags om kwart vóór vijven stond Truus voor de woning waar mijnheer Veenendaal zijn kamers had. Hij was thuis en men liet haar naar boven. Het gebeurde' vaak, dat er leerlingen kwamen om mijnheer te spreken, want hij had steeds tijd over, om bij een of andere moeilijkheid in het werk extra hulp te verleenen. „Dag Truus. Ga zitten 1” en toen zij niet dadelijk begon: ,,Wel, wat heb je op je hart ?” „Is u iets verloren, mijnheer ?” Ze haalde de portefeuille uit een papier en reikte ze hem over. Hij kleurde licht van schrik. „Mijn portefeuille. Hoe kom je er aan ? Ik kan ze toch niet verloren zijn.” „Die hebben ze gevonden, mijnheer. Op de plaats.” „Dat kan niet! Ik heb ze vanmiddag nog bij me gehad, en ben toen niet meer op de speelplaats geweest.” Hij begreep, dat er een streek achter zat, maar hij zag ook in, dat dit kind ze niet zou hebben teruggebracht als ze daar iets van wist. Maar hij kon toch niet nalaten even te vragen : „Is er ook in gesnuffeld, dat je weet ?” „Neen mijnheer, dat niet, maar . .” ze vermande zich. „We hebben een portret gezien.” Nu kleurde hij sterk. Dat had-ie nou van zijn sentimenteele stommiteit om zoo’n portret bij zich te houden — dacht hij. Het was het eenige dat hij nog van zijn vroegere verloofde bezat. Hij keek het kind tegenover hem vorschend aan. Zenuwachtig en verlegen staarde ze naar den grond, onzichtbaar de blauwe droomende meisjesoogen. Maar niet veel over zeggen, dacht Veenendaal, dat zal het verstandigst zijn. En hardop zei hij luchtig : „Ik vind het erg aardig van je Truus, dat je ze zoo gauw komt têrugbrengen. Ik zou ongerust geworden zijn, als ik ze miste. Ik dank je zeer hartelijk” en hij scheen de zaak als afgedaan te beschouwen. • Maar Truus bleef nog zitten. Moest alles nu zóó afloopen? Zou dan haar heele mooie plan in het water vallen ? Ze had zich alles zoo duidelijk voorgesteld en het moest heel anders gaan.... Toen zei ze opeens dapper,maar zonderhem aan te zien : „Ik, — ik kèn die dame” en toen hij, stom van verbazing zweeg, vervolgde ze: „die dame van ’t p rtret”. Hij zweeg nóg, zag haar alleen maar aan. „Het is Martien van Strijen,” voegde Truuser TWAALFDÈ’LUSTRUM v. h. GENOOTSCHAP „ARCH1TECTURA ET AMfCITIA”. Door het Genootschap „Architectura et Amicitia” is ter gelegenheid van zijn 6O~jarig bestaan in het Stedelijk Museum te Amsterdam een interessante collectie inzendingen bijeengebracht die voor een minnaar van architectonische ontwerpen, de bezichtiging overwaard zijn. De verschillende inzendingen zijn zoodanig gerangschikt, dat zij door hun contrast-ideeën, de eentonigheid, * waarmede een expositie van bouwkunstige plannen opzichzelf bedreigd wordt, verdrijven en den beschouwer boeien. De tentoonstelling, die Zaterdag j.1. in tegenwoordigheid van verschillende autoriteiten — zie bovenstaande foto — is geopend, staat onder artistieke leiding van de heeren Lion Cachet en Roland Holst. (V.F.B.) aan toe, beter durvend, nu ze eenmaal een begin gemaakt had. Veenendaal blééf zwijgen — stug. Wat wóu dat kind van ’m ? Zijn hartsgeheimen uithooren ? Wat ging het hem aan, of zij iemand kende, die een doode was voor hem ? Toch beving hem eenige nieuwsgierigheid. Wat zou er met haar zijn ? Hoe kende dit kind haar ? Zou ze al DE NEDERLANDSCHE HANDELSHOOGESCHOOL. In tegenwoordigheid van vele autoriteiten, o.w. burgemeester Zimmermann (x), is verleden week door den heer A. C. Kröller, pres.-curator der Nederlandsche Handelshoogeschool te Rotterdam, den eersten steen gelegd voor een nieuw gebouw voor deze onderwijsinrichting. Op onze foto ziet men den heer Kröller de feestrede uitspreken vóór ’t plaatsen v. d. steen, (foto Wolf.} getrouwd wezen — of geëngageerd .... Maar om te vragen was hij toch te trotsch. Dat laatste begreep Truus goed. Dat had je in de boeken ook altijd. En Martien, die was immers óok te trotsch. Daarom was Truus al tevreden, dat hij haar zoo zwijgend bleef aanhooren. Ze kwam nu pas goed in haar rol. „En ik weet de geschiedenis van vroeger, van haar engagement”. Ze keek Veenendaal triomfantelijk aan; wat zei die daar nou wel van ? „Wat weet je ? En hoe kom je er aan? Waarom vertel je me dat alles? Wat wil je eigenlijk?” — „U gelukkigmaken,” zei ze laconiek. Zijn wantrouwende aardkwam weer boven. „Wie heeft je gestuurd, kind?” vroeg hij streng. „Niemand! Ze weten niet, dat ik het weet. Ik heb het verhaal maar gehoord van mijn zuster toen ze het aan mijn moeder vertelde.” „En dat ga jij nou rondvertellen ?” „O neen, mijnheer. Ik heb het niemand gezegd, niemand! ’k Heb ook den kinderen op school niet gezegd dat ik ze kende, dat meisje van ’t portret.” „Maar wat wéét, of wat dénk je dan eigenlijk ?” vroeg hij, nog een weinig achterdochtig. „Wel, u bent vroeger geëngageerd geweest met Martien, en dat is een vriendin van mijn zuster, verleden jaar geworden in Apeldoorn. En die is toen bij ons drie weken komen logeeren, en” — ze lachte hem eens aanmoedigend toe, „van den zomer komt ze wéér”. „Zoo — enne...” de vraag wou niet over zijn lippen tegenover het kind. Bedenk toch dat het een leerlinge van je is, zei hij bij zichzelf. Ik had haar al lang moeten wegsturen. Maar daarvoor was zijn belangstelling toch te groot. „En,” vervolgde Truus, zijn nadenken gunstig opnemende, „zij heeft nog altijd spijt van toen — toen u wegging. Maar ze is toch te trotsch om het zelf te willen zeggen.” „Hoe weet jij het dan ?” „Door me zus. Die begreep dat allemaal wel, zei ze, en ze zei ook, dat dat kwam, omdat het eigenlijk een misverstand was geweest, want er zat immers een andere vent tusschen, die had u allebei opgestookt, en nou dacht Martien altijd dat je nog wel eens komen zou en dat vind ik zoo zielig.” Truus vergat haast heelemaal, in het vuur van haar betoog, dat ze tegenover een leeraar stond. — Maar hij niet! „Zóó, vertellen ze je dat ook allemaal?” vroeg hij kortaf. „Ze hebben me niks gezegd,” antwoordde ze met nadruk. „Samen zaten Ma en Mien te praten — nou — en Martien die kan jongens genoeg krijgen.” „Zoo ?” vroeg hij schijnbaar ongeloovig, als kreeg hij schik in ’t geval. „Ja, onze Theo ook al. Dat is mijn broer.” „Hoor eens Truus. Je bent een beste meid, maar je moest beter weten wat je zeggen of stilhouden moet. Ik zou niet graag willen dat je mijn zusje was.” Verbaasd en verontwaardigd keek ze op. „Maar ik bedoél toch, u allebei te helpen. Als u nou wéét, dat Martien van den zomer weer in de stad komt, dan kan u” . . . en levendiger ging ze opeens voort: „Als het later in orde is gekomen, moet u nóóit vertellen, dat ik dat allemaal geklikt heb !” Hij zag haar aan met ondoorgrondelijken blik. „Zal u niet, mijnheer,” vroeg ze nu wat angstiger weer. „Geef u me daar de hand op ?” Hij lachte en stak haar de hand tot afscheid toe. Maar zij aarzelde nog — wou zekerheid. „Wat — wat zal u nou doen, mijnheer?” „Ik? Dóen?” „Ja—met Martien bedoel ik. Nou u het allemaal weet, dat ze er spijt van heeft — en dat ze van den zomer weer komt. Wat zal u nu doen ?” „Niets.” Ze keek hem ongeloovig-vragend aan. „Nee niets. — Dag Truus!” Hij legde zijn handen op haar schouders.
PDF
Nummer
1915, nr. 93, 18 nov. 1915
Blad
07
Tekst
7 PANORAMA HET ROSENTHAL-MAY-ZUSTERHUIS GERESTAUREERD. Naar aanleiding van de verleden week gereedgekomen restauratie van het Rosenthal-May-Zusterhuis te Amsterdam, waartoe het bestuur door vriendenhanden werd in de gelegenheid gesteld, hebben wij het genoegen hierboven onzen lezers eenige intérieur- en extérieur-opnamen aan te bieden van dit bekende Israëlitische Ziekenhuis. Links: De conversatiezaal voor de Zusters; midden: de voorzijde van het gebouw; rechts: de eetzaal. „Truusje, waarom huil je nu ?” „Ik huil niet”, antwoordde ze, de oogen laag naarden grond gericht. „Jawel, ik zie tranen. Waarom is dat?” „Omdat” — en nu druppelden werkelijk twee tranen van haar wangen — „omdat ik het zoo jammer vind dat ik dat alles ben gaan oververtellen, nou het toch nergens goed voor is.” „Dat wéét je niet,” zei hij, behoefte voelend om haar een weinig te troosten. „Neen, als u niks wil dóen !” Zij haalde haar zakdoekje uit haar ceintuur. Hij nam het haar uit de hand en veegde haar tranen weg. „Jij moest niet aan die dingen denken, Truus. Trek je er niets van aan. Groote menschen zorgen voor zich zelf en kleine meisjes moeten dat maar laten loopen zooals ’tgaat. Denk er niet meer aan.” Hij gaf haar’t zakdoekje weer in de hand. „Kijk me nu .eens aan — en lach weer vroolijk.” Ze dééd het. „Dag mijnheer”. „Dag hoor. En zorg dat je de heele geschiedenis vergeet” . . Maar hijzélf vergat niet.................................................. Het was een mooie Augustusdag in dezomervacantie. Truus Versteeg stond, met de hand boven de oogen voor het felle zonlicht dat op het water scheen, aan den grooten plas te kijken naar de aan den kant liggende roeibootjes, . die zachtjes heen en weer schommelden. Juist kwamen er een paar roeiers aan, schoven hun bootje zachtjes tusschen de andere in. Eén stapte aan wal en maakte het touw vast, toen Truus in den ander mijnheer Veenendaal herkende. „Zoo Truus, zin om mee te roeien?” „Nou mijnheer, óf ik.” De ander, een collega, keek verstoord op. Die Veenendaal nou weer ! Had-ie niet van des morgens 11 tot des middags 6 uur rondgevaren — en wou-ie nou dadelijk wéér. En dan met zoo’n kind. Zeker weer een leerling ! — „Maar ik ga niet mee, ik heb geen tijd meer,” zei hij waarschuwend. bovenstaande afbeelding laat ons het nieuwe gebouw zien van de bekende firma Hajenius aan het Rokin No. 92—96 te Amsterdam. Uit een oogpunt van architectuur L> maakt dit gebouw niet alleen een massief-soliden indruk, maar tevens is het een sieraad voor onze, aan werkelijk mooie gebouwen niet zeer rijke hoofdstad. Ook het intérieur van het gebouw wekt door de uitvoering bewondering voor de royale wijze waarop de tegenwoordige eigenaar der firma Hajenius is te werk gegaan. — Op Zaterdagavond 13 Nov. waren tal van genoodigden bijeen gekomen om het inwendige van ’t nieuwe gebouw te bezichtigen. Ook wij behoorden tot de geïnviteerden en spoedden ons om 8 uur tijdens hevige windvlagen en onder ’n aanhoudenden plasregen langs de bemodderde Amsterdamsche straten naar ’t punt van concentratie, in casu het Rokin. Reeds dadelijk bij het binnenkomen werden wij getroffen door de prachtige inrichting van het gebouw. Het lust ons niet in ’n doode beschrijving te getuigen van de inwendige inrichting, maar wij geven er de voorkeur aan onze totaal-indrukken samen te vatten door te zeggen dat de uitvoering van ’t geheel getuigt van ’n royale, uiterst smaakvolle degelijkheid. Geen drukke versieringen, geen hinderlijke glimmerigheid, geen weerkaatsende spiegels, doch alles stemmige, rustige deftigheid. Talrijke mooie bloemstukken, waaronder er waren die met heerlijke zalmkleurige rozen „geurden”, prachtige chrysanten, enz., gaven het geheel een feestelijk aanzien. De eigenaar der firma Hajenius, de heer A. N. J. Nijman, leiade, daarin bijgestaan door zijn beminnelijke echtgenoote, zijn dochter en zijn beide in vriendelijke hoffelijkheid uitmuntende zoons, de genoodigden rond door de vele mooie, schitterend verlichte en aangenaam verwarmde localiteiten. Den talrijken aanwezigen dames en heeren was het aan te zien, dat zij zich aangenaam verrast gevoelden door de prettige ontvangst. Keurig in het zwart gekleede heeren, tot het personeel behoorende, presenteerden „Haieniussen” en weldra verschenen zwart-gejaponde dienstbaren, die met angstvallige bezorgdheid zich tot taak gesteld hadden de kelen der genoodigden niet te doen verdrogen en hun magen tal van heerlijke versnaperingen toe te dienen. Inderdaad, vier onzer zintuigen: het gezicht, de reuk, de smaak en het gevoel, werden op aangename wijze gestreeld. De heer Nijman werd den geheelen avond druk gecomplimenteerd door de vele aanwezigen onder wie wij verschillende voorname Amsterdammers opmerkten. In de keurig, in dof mahoniehout uitgevoerde show-room, vereenigden zich later de bekenden en vrienden van den gastheer en werd het verdere ged.eelte van den avond gezellig pratende doorgebracht. Het spreekt vanzelf dat bij die gelegenheid menige Hajenius in rook is opgegaan. TENTOONSTELLING ..ARBEID ADELT”. In de benedenzalen van „Pulchri Studio” te ’s-Gravenhage is een tentoonstelling geopend van werkstukken, vervaardigd door de werksters van „Arbeid Adelt”. Niettegenstaande den druk der tijden is de vereeniging er in geslaagd alle werksters aan den arbeid te houden, zoodat ook dit jaar heel wat te koop is. Fraai kantwerk, poppen en vele andere smaakvolle voortbrengselen van dameshandwerk, snij- en schilderwerk zullen ook dit jaar weer heel wat kijksters en koopsters trekken. Links: een gezellig zitje op de tentoonstelling. Rechts: een mooi hoekje der expositie. (*oto's Hijmans) ,,Best,”antwoorddeVeenendaal gemoedelijk. „G’n avond!” „Nou, bonjour dan hoor !” zei de ander, toen hij zag, dat zijn vriend doorzette, en ging, onmerkbaar hoofdschuddend, heen. — „Zeg Truus, met wie ben je hier?” In de twee maanden die verstreken waren sinds den dag, waarop Truus Versteeg de portefeuille was komen terugbrengen, was er geen woord over het critieke onderwerp meer gewisseld. Nu kwam de heele geschiedenis haar weer voor den geest en een blijde hoop vervulde haar. Want waren ze nu niet gemakkelijk bij elkander te brengen ? En zou hij wel de vacantie in de stad zijn gebleven, als hij het niet gewild had ? .. . . „Met mijn zus Mien, en Martien van Strijen en mijn broertje van tien” — antwoordde ze voorzichtig, en vroolijk liet ze er op volgen : „Gaat u mee naar ze toe ?” „Ja.” Hij sloeg zich wat af, zette zijn hoed op, en ging met heftig kloppend hart naast haar, zwijgend haar gebabbel aanhoorend. De dames zaten aan een tafeltje heel dichtbij, maar met den rug naar den waterkant, en keken beiden verrast om toen Truus eensklaps opgewonden tot hen riep : „Hier is Mijnheer Veenendaal van school, dit is mijn zuster —” Zij stonden op. „Hoogst aangenaam !” — „en dit is —” „Ik had reeds de eer,” viel hij in, en stak ook Martien de hand toe. „Hoe gaat het u ?” Martien was plotseling zeer bleek geworden, toen ze zijn naam had hooren uitspreken, maar dadelijk daarop, toen ze haar hand in de zijne voelde, overtoog een hoog rood haar gelaat. Mien Versteeg begreep vaag, wat er gebeurde. „Mag ik de dames verzoeken om ’t genoegen van haar gezelschap in de roeiboot,” vroeg hij, zijn zenuwen met kracht bedwingend. Martien van Strijen was intusschen weer gaan zitten. Haar beenen weigerden haar den dienst. Daar was hij nu terug. Na zeven jaar! En hij deed of er niets bijzonders was gebeurd tusschen hen, of hij een oude kennis weerzag. Hij was weinig veranderd, vond Martien. Zijn gladgeschoren gezicht met de donker blauwe levenslustige oogen, zijn flanellen costuum en rechte „HAJENIUS”
PDF
Nummer
1915, nr. 93, 18 nov. 1915
Blad
08
Tekst
PANORAMA 8 stroohoed gaven hem een zeer jeugdig voorkomen. Het lange blonde haar in ’t midden gescheiden, die eigenaardige hoofdbeweging als van een leeuw die zijn manen schudt — het was alles nog zoo precies als zij hem al dien tijd in haar herinneringen vóór zich had gezien. Maar zij was ouder geworden, vond zelfs, dat zij, bij hém vergeleken, er zéér oud uit moest zien. Het verdriet der scheiding en de wroeging hadden haar niet in haar voordeel kunnen veranderen, tenminste wat het uiterlijk betrof. Hém vond ze nog jong en frisch, lenig en knap, zichzélf oud en saai, en ’t was of zij zich schaamde dat hij haar nu zoo in ’t gezicht stond te zien en haar zoo veranderd moest vinden. Ze dacht er geen oogenblik aan, dat hij om haar zou zijn gekomen. Truus zou hem hebben meegetroond. Natuurlijk! Truus was een aardig kind, dat hij stellig graag een plezier had willen doen. „Ga jij mee, Mien. ïk blijf liever hier.” „Nee,” zei Mien, die haar vriendin juist de kans wou laten. „Ik blijf, want ik moet wat op Bobbie letten. Je weet wat ’n wildeman het is.” Nu keken alle oogen vragend naar Martien. Ze werd angstig-verlegen. „Ga gerust. Ik kijk wel naar je broertje!” „Kun je begrijpen. Dat wil ik heusch niet. Dan zou ik je gezelschap houden . . . Veenendaal deed den mond open. Men zag dat hij wilde vragen, of hij in dat geval óók blijven mocht. Maar Mien J. E. CARRAS. C. L.. F. SARLET. Onder enorme belangstelling vierde de hr. J. E. CARRAS, onder-stationschef aan het Weesperpoortstation te Amsterdam, verleden week zijn 40-jarig ambtsjubileum. — 17 November j.1. herdacht de heer C. L. F. SARLET te Haarlem, redacteur der Oprechte Haarlemsche Courant en ambtenaar van de firma Joh. Enschedé & Zn., den dag waarop hij vóór 25 jaar in dienst kwam bij genoemde firma. ging onverstoorbaar verder: „Maar je houdt toch zoo van roeien Martien, en hier op den plas is het heerlijk.” „Nou,” beaamde Truus kinderlijk, „je bent gek als je *t afslaat.” Ze lachten alle drie. „Ga jij ook mee ?” vroeg Martien aarzelend aan Truus. „Natuurlijk” — maar ze knipoogde tegen Veenendaal. „U weet wel, dat u me een groot genoegen doet” zei hij — zich half omwendende, als had zij al besloten. Toen stond Martien werkelijk op. „Niet te lang dan,” zei ze verlegen tot Veenendaal. „Precies zooals u wilt.” Truus ging aan Martiens rechterarm hangen en snapte aldoor — hield alléén het gesprek aan den gang; hij liep aan den anderen kant en heel gauw waren ze aan de boot. „Is het niet te frisch zoo, op het water?” vroeg hij toen zij zat. „Wil ik even uw mantel halen ?” „Zal ik doen !*’ riep Truus, en holde op haar vlugge, jonge beenen weg. Een paar minuten later was zij terug NIEUW SPEELGOED A Is er één artikel is, dat in deez’ dagen vóór Sinterklaas de aandacht trekt, actueel is, dan is dat zoo vast als een huis: het speelgoed. Toen we dan ook vernamen van een speelgoedfenfoonsfelling, wij als de kippen erbij, hè, dat begrijpt u. Dat ging zóó met die tentoonstelling: Het meeste speelgoed kwam vóór den oorlog uit Duifschland, later ook uit Engeland en Frankrijk, maar het ontliep mekaar niet veel; uit wélk land ook herkomstig, hef was veelal revolutiewerk. Ook het speelgoed maakt een soort van verwordingsfijd mee, als onze meubels, onze gebruiks- en versieringsvoorwerpen. Er wordt ook bij het maken van het speelgoed al veel te veel op hef quasisierlijke gelet. En zoo kwam een partij verstandige menschen er toe, eens te kijken of daar nu niet wat op te vinden was. Architecten, sierkunstenaars, uit Amsterdam en elders, kunstzinnige jonge-dames, sloegen, zooals dat heef, de handen in elkaar; allen zetten zich aan het speelgoed-onfwerpen, gerugsteund door een naamtooze vennootschap, „Olanda” genaamd. En de werkstukken dezer artisfen zijn nu in hef Museum voor Kunstnijverheid te Haarlem te kijk. Een blauw wiegje, een wit ledikantje en een groene poppenwagen overtuigen u, dat op eenvoudige wijze voorwerpen te maken zijn, geestig en goed van uiferlijk. De vervaardigster van deze drie gezelligè dingsigbeidjes is mcj. Phenia RECORDS VERBETERD. De bekende Noordelijke lange-baanlooper Huizenga (in shirt), heeft Zondag 14 November op het Noordersportterrein te Groningen onder officieele tijdopneming een aanval gedaan op de verschillende Nederlandsche records, waarbij nij er 3 gebroken heeft en 2 nieuwe records, zooals deze door de K. A. T. worden goedgekeurd, op zijn naam plaatste. en reikte hem het manteltje over. Hij hielp Martien het aantrekken over de dunne neteldoeksche japon. Zij trilde licht bij zijn aanraking en dacht smartelijk — „Wat lijkt dat alles toch op vroeger”. Ongemerkt had Truus terwijl het touw losgemaakt, schopte nu de boot een flink eind weg, zonder er in te springen en riep : „Dag hoor 1 Veel plezier samen 1” Even nog bleef ze staan, zich verkneuterend van genoegen, dan liep ze plotseling in een wilden vaart weg. Angstig — hulpeloos keek Martien haar na, voelde zich als verraden. Zij nu alleen met hèm. Dat zou hij niet bedoeld hebben dacht ze, blozend van schaamte. Maar hij nam het nogal luchtig op. „Zoo’n ondeugd” — lachte hij. Een kwartier lang gingen ze zwijgend verder; ook zij sprak geen woord. Toen — ze waren op een heel eenzaam gedeelte van den plas, haalde hij de riemen in en zag haar aan, blééf haar aanzien, tot ze er verlegen onder werd. „’t Is lang geleden,” zei hij beteekenisvol. • „Maar toch als de dag van gisteren,” antwoordde ze aarzelend, zonder hem aan te zien. i.Neen, daarvoor is er te veel gebeurd in dien tijd.” „Ja,” zei ze moedeloos, „’n onherstelbare fout is begaan;” ze dacht aan hun afscheid, aan haar voorafgaande verklaring, die ze vond, dat hij nooit zou kunnen vergeven of vergeten. Maar hij meende dat ze zz/w daad bedoelde, de teruggave van zijn ring, zijn laatste woorden. Hij kende haar trots, en hij dacht: het gaat niet ; als we erover blijven praten, komen misschien de oude driften weer terug. Hij EEN FRAAIE INZENDING. Molkenboer. De architect Wijdeveld ontwierp een tweetal spelen, een Ridder- en een Koningspel, houten popjes in houten omheining; dezelfde kwam ook met een soliden kolos van een molen uit, een eikenhouten gevaarte, tof in onderdeden solied afgewerkt, en een niet minder kranig pakhuis met alles voor hef bedrijf erbij; die twee stukken zijn om een jongen hef water in den mond te doen komen. Een sjees met paard van Frits Loeb, een kegelspel met een leutig beschilderden koning van Wa. Polenaar, leuke legplaten van OVERZICHT DER TENTOONSTELLING NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPPIJ, LEIDEN. herinnerde zich wat Truus gezegd had, toen hij daarstraks met haar van de boot naar hun tafeltje ging: „Zeg nou dat u d’r spijt van hebt, dan komt alles weer goed !” — Neen, het ging niet zoo gemakkelijk als kleine romantisch aangelegde meisjes dachten en hij voelde, dat hij heel voorzichtig moest zijn. Hij stond op, ging naast haar op ’t stuurbankje zitten. „Er is veel veranderd,” begon hij, „maar toch ook weer niet. Ik heb eindelijk geprobeerd je te gaan haten, toen ik je niet vergeten kon — maar — het lukte niet. En jij, Tine ?” „Ik heb ’t niet eens geprobéérd”, antwoordde ze met klanklooze stem. Hij vond haar antwoord dubbelzinnig, begreep het niet en keek haar aan, maar haar strak-ernstig, bijna droevig gezicht met de ondoorgrondelijke bruine oogen star-starend over het water, zei hem niets. Wat had zij bedoeld met onherstelbaar; meende ze dat ? Zacht legde hij zijn arm om haar heen en met een plotselinge hevige kracht, kwam zijn oude nooit vergeten liefde nu terug. Hij vergat dat ze hem eigenlijk nog niet geantwoord had, vergat dat hij voorzichtig had willen zijn, en drukte haar innig tegen zich aan. „Mijn liefde is gebleven, Tine. Door alle herinneringen heen. Ééns was jij van mij. Ben je het nog?” — „Ja.” zei ze zacht maar beslist. „Altijd gebleven.” . . ’t Was heel stil op het water. Maar eindelijk riep ’t geDr. R. A. KOLLEWIJN. F. FLÉCHET. t Binnenkort zal de heer Dr. R. A. KOLLEWIJN, directeur der H. B. S. met 3-jarigen cursus te Amsterdam, zijn functie als zoodanig neerleggen. — Te ’s~Gravenhage is in het Internationaal Pension aan de Laan v. Meerdervoort in den ouderdom van 75 jaar overleden, de heer F. FLÉCHET, laatstelijk burgemeester van Warsage, de Belgische gemeente die in het begin van den oorlog zoo zeer geleden heeft, en waar de thans overledene geruimen tijd als gijzelaar werd gevangen gehouden. Eenmaal in vrijheid gesteld, zocht en vond hij in Nederland een veilig toevluchtsoord. kabbel der kleine golfjes tegen de boot hen tot de werkelijkheid terug. Hij nam de riemen en keerde. „Het zijn moeilijke jaren geweest,” zei hij, „maar nu ze voorbij zijn ben ik blij dat ik ze dóór gekomen ben tot waar ik ben. Ik heb geleerd dat te leven een plicht is, niet een pretje —.” „En”, vroeg hij een oogenblik later ondeugend, „waag ie .het nu, mag ik nu bij dat sobere vak blijven ?” „Ik waag nu alles”, zei ze, „alleen géén scheiding meer,” en met aldoor lachende oogen zag zij hem aan. „Maar ’t één noch het ander hoeft. Als we getrouwd zijn, gaan we buiten wonen, wordt het heusch tijd dat ik de zorg voor ’t landgoed zelf op me neem. Tot dusver ging ik alleen in de vacantie er eens heen, maar ik kon het er nooit lang uithouden. De eenzaamheid werd me te machtig. Er waren zooveel herinneringen aan de toekomstdroomen uit onzen engagementstijd. ” „Droomen, die nu verwezenlijkt zullenworden,” antwoordde ze — en het klonk als een belofte. Jan Rinke en een complete boerderij met dikke, platte, houten koeien, varkens, boeren en boerinnen, boomen en perceelen, — dit alles amuseert den toeschouwer, al is bij dan ook geen kind meer. En er is zoo waar weer een leger bij ook; platte, houten soldaten, pink op den naad van den broek, een twee, een twee, daar marcheeren ze ... Dus dat houden we ook bij ’t niéuwe speelgoed blijkbaar. Veel van dit speelgoed deed ons plezierig aan; wel niet alles bewonderden we, maar het een met het ander kunnen we met de hand op bet hart getuigen, dat deze artisten eer van hun werk hebben. Geen revolutie- boerderijen, -spullen, -pakhuizen, -legerscharen en anderszins meer. Ook een kind is een menseb, bij wijze van spreken; paai hem niet met de dooie musch van schijn-schoon : hij komt er vroeg of laat toch achter, wat mooi en wet leelijk is, en dan maar: hoe vroeger hoe beter . . . Waarom, vroegen we ons af, zijn er geen poppen op deze tentoonstelling ? Raakt de pop uit de mode? Neen, neen, dat is onmogelijk, verwant als zij is aan de meest elementaire begrippen en liefhebberijen der menschheid. Op een volgende artistieke speelgoed-expositie zetten we geen voet als er geen poppen bij zijn. Dat hebben we gezworen uit respect voor onze moeders en vrouwen, wier jeugd door de pop tof een hemel werd gemaakt. Resumeerend: deze expositie is ’n belangwekkende poging om mooi, goed, waar speelgoed te laten zien; er is dan ook werkelijk niets heel leelijks bij. (KFJ.) KYF-KYF.
PDF
Nummer
1915, nr. 94, 22 nov. 1915
Blad
01
Tekst
Lees in dit nummer het interessante, schitterend geïllustreerde artikel over: „Kustverlichting in Oorlogstijd” No. 94 (21b) 22 November 1915 AFZONDERLIJKE NUMMERS 7*/2 CENT ABONNEMENT PER KWARTAAL 26 NUMMERS f 1.30 A.W. SIJTHOFF'S UITGEVERS M AATSCH APPIJ ~ LE I DEN DE PROEFVAART VAN HET s.s. „COLOMBIA”. Verleden week heeft het s.s. „Colombia”, gebouwd voor rekening van de Westindische Mail door de Nederlandsche Scheepsbouw Mij. te Amsterdam, zijn eersten proeftocht gehouden die uitnemend is geslaagd en waarbij zich een eigenaardig incident voordeed. In volle zee werd het schip n.1. aangehouden door een Engelschen torpedojager, die een dreigende houding aannam, (zie foto rechtsbovenaan), vooral toen onze fotograaf zijn opname maakte. Toen de commandant van het Engelsche vaartuig echter overtuigd was van de vreedzame bedoelingen van de „Colombia”, ging men onder het wisselen der gebruikelijke vriendschappelijke groeten verder. De afbeelding linksboven geeft de groep der genoodigden, die de reis medemaakten. De foto onderaan vertoont de „Colombia”, liggende in de sluizen te Ymuiden, (foto's V.F.B.).
PDF
Blad 
 van 2380
Records 2016 tot 2020 van 11897