|
PANORAMA 8
stroohoed gaven hem een zeer jeugdig voorkomen. Het
lange blonde haar in ’t midden gescheiden, die eigenaardige
hoofdbeweging als van een leeuw die zijn manen
schudt — het was alles nog zoo precies als zij hem al dien
tijd in haar herinneringen vóór zich had gezien.
Maar zij was ouder geworden, vond zelfs, dat zij, bij
hém vergeleken, er zéér oud uit moest zien. Het verdriet
der scheiding en de wroeging hadden haar niet in haar
voordeel kunnen veranderen, tenminste wat het uiterlijk
betrof.
Hém vond ze nog jong en frisch, lenig en knap, zichzélf
oud en saai, en ’t was of zij zich schaamde dat hij haar
nu zoo in ’t gezicht stond te zien en haar zoo veranderd
moest vinden. Ze dacht er geen oogenblik aan, dat hij om
haar zou zijn gekomen. Truus zou hem hebben meegetroond.
Natuurlijk! Truus was een aardig kind, dat hij stellig
graag een plezier had willen doen.
„Ga jij mee, Mien. ïk blijf liever hier.”
„Nee,” zei Mien, die haar vriendin juist de kans wou
laten. „Ik blijf, want ik moet wat op Bobbie letten. Je
weet wat ’n wildeman het is.” Nu keken alle oogen vragend
naar Martien. Ze werd angstig-verlegen.
„Ga gerust. Ik kijk wel naar je broertje!”
„Kun je begrijpen. Dat wil ik heusch niet. Dan zou ik
je gezelschap houden . . .
Veenendaal deed den mond open. Men zag dat hij wilde
vragen, of hij in dat geval óók blijven mocht. Maar Mien
J. E. CARRAS. C. L.. F. SARLET.
Onder enorme belangstelling vierde de hr. J. E. CARRAS, onder-stationschef
aan het Weesperpoortstation te Amsterdam, verleden week zijn 40-jarig
ambtsjubileum. — 17 November j.1. herdacht de heer C. L. F. SARLET te
Haarlem, redacteur der Oprechte Haarlemsche Courant en ambtenaar van
de firma Joh. Enschedé & Zn., den dag waarop hij vóór 25 jaar in dienst
kwam bij genoemde firma.
ging onverstoorbaar verder: „Maar je houdt toch zoo
van roeien Martien, en hier op den plas is het heerlijk.”
„Nou,” beaamde Truus kinderlijk, „je bent gek als je
*t afslaat.”
Ze lachten alle drie. „Ga jij ook mee ?” vroeg Martien
aarzelend aan Truus.
„Natuurlijk” — maar ze knipoogde tegen Veenendaal.
„U weet wel, dat u me een groot genoegen doet” zei hij —
zich half omwendende, als had zij al besloten.
Toen stond Martien werkelijk op. „Niet te lang dan,”
zei ze verlegen tot Veenendaal.
„Precies zooals u wilt.”
Truus ging aan Martiens rechterarm hangen en snapte
aldoor — hield alléén het gesprek aan den gang; hij liep
aan den anderen kant en heel gauw waren ze aan de boot.
„Is het niet te frisch zoo, op het water?” vroeg hij toen
zij zat.
„Wil ik even uw mantel halen ?”
„Zal ik doen !*’ riep Truus, en holde op haar vlugge,
jonge beenen weg. Een paar minuten later was zij terug
NIEUW SPEELGOED
A Is er één artikel is, dat in deez’ dagen vóór Sinterklaas de
aandacht trekt, actueel is, dan is dat zoo vast als een huis:
het speelgoed. Toen we dan ook vernamen van een speelgoedfenfoonsfelling,
wij als de kippen erbij, hè, dat begrijpt u.
Dat ging zóó met die tentoonstelling: Het meeste speelgoed
kwam vóór den oorlog uit Duifschland, later ook uit Engeland en
Frankrijk, maar het ontliep mekaar
niet veel; uit wélk land ook herkomstig,
hef was veelal revolutiewerk.
Ook het speelgoed maakt een
soort van verwordingsfijd mee, als
onze meubels, onze gebruiks- en
versieringsvoorwerpen. Er wordt
ook bij het maken van het speelgoed
al veel te veel op hef quasisierlijke
gelet.
En zoo kwam een partij verstandige
menschen er toe, eens te kijken of
daar nu niet wat op te vinden was.
Architecten, sierkunstenaars, uit
Amsterdam en elders, kunstzinnige
jonge-dames, sloegen, zooals dat
heef, de handen in elkaar; allen
zetten zich aan het speelgoed-onfwerpen,
gerugsteund door een naamtooze
vennootschap, „Olanda” genaamd.
En de werkstukken dezer artisfen
zijn nu in hef Museum voor Kunstnijverheid
te Haarlem te kijk.
Een blauw wiegje, een wit ledikantje
en een groene poppenwagen
overtuigen u, dat op eenvoudige
wijze voorwerpen te maken zijn,
geestig en goed van uiferlijk. De
vervaardigster van deze drie gezelligè
dingsigbeidjes is mcj. Phenia
RECORDS VERBETERD.
De bekende Noordelijke lange-baanlooper Huizenga (in shirt), heeft Zondag
14 November op het Noordersportterrein te Groningen onder officieele tijdopneming
een aanval gedaan op de verschillende Nederlandsche records,
waarbij nij er 3 gebroken heeft en 2 nieuwe records, zooals deze door de
K. A. T. worden goedgekeurd, op zijn naam plaatste.
en reikte hem het manteltje over. Hij hielp Martien het
aantrekken over de dunne neteldoeksche japon. Zij trilde
licht bij zijn aanraking en dacht smartelijk — „Wat lijkt
dat alles toch op vroeger”.
Ongemerkt had Truus terwijl het touw losgemaakt,
schopte nu de boot een flink eind weg, zonder er in te
springen en riep : „Dag hoor 1 Veel plezier samen 1” Even
nog bleef ze staan, zich verkneuterend van genoegen,
dan liep ze plotseling in een wilden vaart weg.
Angstig — hulpeloos keek Martien haar na, voelde zich
als verraden. Zij nu alleen met hèm. Dat zou hij niet bedoeld
hebben dacht ze, blozend van schaamte.
Maar hij nam het nogal luchtig op. „Zoo’n ondeugd” —
lachte hij.
Een kwartier lang gingen ze zwijgend verder; ook zij
sprak geen woord.
Toen — ze waren op een heel eenzaam gedeelte van den
plas, haalde hij de riemen in en zag haar aan, blééf haar
aanzien, tot ze er verlegen onder werd.
„’t Is lang geleden,” zei hij beteekenisvol.
• „Maar toch als de dag van gisteren,” antwoordde ze
aarzelend, zonder hem aan te zien.
i.Neen, daarvoor is er te veel gebeurd in dien tijd.”
„Ja,” zei ze moedeloos, „’n onherstelbare fout is begaan;”
ze dacht aan hun afscheid, aan haar voorafgaande
verklaring, die ze vond, dat hij nooit zou kunnen vergeven
of vergeten. Maar hij meende dat ze zz/w daad bedoelde,
de teruggave van zijn ring, zijn laatste woorden. Hij kende
haar trots, en hij dacht: het gaat niet ; als we erover blijven
praten, komen misschien de oude driften weer terug. Hij
EEN FRAAIE INZENDING.
Molkenboer. De architect Wijdeveld ontwierp een tweetal spelen, een
Ridder- en een Koningspel, houten popjes in houten omheining;
dezelfde kwam ook met een soliden kolos van een molen uit,
een eikenhouten gevaarte, tof in onderdeden solied afgewerkt, en
een niet minder kranig pakhuis met alles voor hef bedrijf erbij;
die twee stukken zijn om een jongen hef water in den mond te
doen komen.
Een sjees met paard van Frits Loeb, een kegelspel met een
leutig beschilderden koning van Wa. Polenaar, leuke legplaten van
OVERZICHT DER TENTOONSTELLING
NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPPIJ, LEIDEN.
herinnerde zich wat Truus gezegd had, toen hij daarstraks
met haar van de boot naar hun tafeltje ging: „Zeg nou
dat u d’r spijt van hebt, dan komt alles weer goed !” —
Neen, het ging niet zoo gemakkelijk als kleine romantisch
aangelegde meisjes dachten en hij voelde, dat hij
heel voorzichtig moest zijn. Hij stond op, ging naast
haar op ’t stuurbankje zitten.
„Er is veel veranderd,” begon hij, „maar toch ook weer
niet. Ik heb eindelijk geprobeerd je te gaan haten, toen ik
je niet vergeten kon — maar — het lukte niet. En jij, Tine ?”
„Ik heb ’t niet eens geprobéérd”, antwoordde ze met
klanklooze stem.
Hij vond haar antwoord dubbelzinnig, begreep het niet
en keek haar aan, maar haar strak-ernstig, bijna droevig
gezicht met de ondoorgrondelijke bruine oogen star-starend
over het water, zei hem niets. Wat had zij bedoeld met
onherstelbaar; meende ze dat ? Zacht legde hij zijn arm
om haar heen en met een plotselinge hevige kracht, kwam
zijn oude nooit vergeten liefde nu terug. Hij vergat dat
ze hem eigenlijk nog niet geantwoord had, vergat dat
hij voorzichtig had willen zijn, en drukte haar innig
tegen zich aan.
„Mijn liefde is gebleven, Tine. Door alle herinneringen
heen. Ééns was jij van mij. Ben je het nog?” —
„Ja.” zei ze zacht maar beslist. „Altijd gebleven.” . .
’t Was heel stil op het water. Maar eindelijk riep ’t geDr.
R. A. KOLLEWIJN. F. FLÉCHET. t
Binnenkort zal de heer Dr. R. A. KOLLEWIJN, directeur der H. B. S.
met 3-jarigen cursus te Amsterdam, zijn functie als zoodanig neerleggen.
— Te ’s~Gravenhage is in het Internationaal Pension aan de Laan v. Meerdervoort
in den ouderdom van 75 jaar overleden, de heer F. FLÉCHET, laatstelijk
burgemeester van Warsage, de Belgische gemeente die in het begin
van den oorlog zoo zeer geleden heeft, en waar de thans overledene geruimen
tijd als gijzelaar werd gevangen gehouden. Eenmaal in vrijheid
gesteld, zocht en vond hij in Nederland een veilig toevluchtsoord.
kabbel der kleine golfjes tegen de boot hen tot de werkelijkheid
terug. Hij nam de riemen en keerde.
„Het zijn moeilijke jaren geweest,” zei hij, „maar nu ze
voorbij zijn ben ik blij dat ik ze dóór gekomen ben tot
waar ik ben. Ik heb geleerd dat te leven een plicht is, niet
een pretje —.”
„En”, vroeg hij een oogenblik later ondeugend, „waag
ie .het nu, mag ik nu bij dat sobere vak blijven ?”
„Ik waag nu alles”, zei ze, „alleen géén scheiding meer,”
en met aldoor lachende oogen zag zij hem aan.
„Maar ’t één noch het ander hoeft. Als we getrouwd zijn,
gaan we buiten wonen, wordt het heusch tijd dat ik de zorg
voor ’t landgoed zelf op me neem. Tot dusver ging ik alleen
in de vacantie er eens heen, maar ik kon het er nooit lang
uithouden. De eenzaamheid werd me te machtig. Er waren
zooveel herinneringen aan de toekomstdroomen uit onzen
engagementstijd. ”
„Droomen, die nu verwezenlijkt zullenworden,” antwoordde
ze — en het klonk als een belofte.
Jan Rinke en een complete boerderij met dikke, platte, houten
koeien, varkens, boeren en boerinnen, boomen en perceelen, —
dit alles amuseert den toeschouwer, al is bij dan ook geen kind
meer. En er is zoo waar weer een leger bij ook; platte, houten
soldaten, pink op den naad van den broek, een twee, een twee,
daar marcheeren ze ... Dus dat houden we ook bij ’t niéuwe speelgoed
blijkbaar.
Veel van dit speelgoed deed ons plezierig aan; wel niet alles bewonderden
we, maar het een met het ander kunnen we met de hand
op bet hart getuigen, dat deze artisten
eer van hun werk hebben.
Geen revolutie- boerderijen, -spullen,
-pakhuizen, -legerscharen en
anderszins meer. Ook een kind is
een menseb, bij wijze van spreken;
paai hem niet met de dooie musch
van schijn-schoon : hij komt er vroeg
of laat toch achter, wat mooi en
wet leelijk is, en dan maar: hoe
vroeger hoe beter . . . Waarom, vroegen we ons af,
zijn er geen poppen op deze tentoonstelling
?
Raakt de pop uit de mode?
Neen, neen, dat is onmogelijk, verwant
als zij is aan de meest elementaire
begrippen en liefhebberijen
der menschheid. Op een volgende
artistieke speelgoed-expositie zetten
we geen voet als er geen poppen
bij zijn. Dat hebben we gezworen
uit respect voor onze moeders en
vrouwen, wier jeugd door de pop
tof een hemel werd gemaakt.
Resumeerend: deze expositie is
’n belangwekkende poging om mooi,
goed, waar speelgoed te laten zien;
er is dan ook werkelijk niets heel
leelijks bij.
(KFJ.) KYF-KYF.
|