Panorama

Blad 
 van 2380
Records 2011 tot 2015 van 11897
Nummer
1915, nr. 92, 15 nov. 1915
Blad
08
Tekst
PANORAMA 16 en te weinig geheeld om er vrijuit over te kunnen spreken. „Ik heb zijn graf niet kunnen vinden,” zei hij. „Harold is in handen van een vijandige bende gevallen .... Deze bloemen groeiden in zijn woning te Loango, waar hij zich het laatst bevond.” „Is dat alles?” De roodgeschreide oogen schenen in zijn ziel te willen lezen. „Dat is alles 1” antwoordde hij. Hij zag dat zij hem niet geloofde, dat zij gevoelde dat hij iets achterhield. Zij scheen echter te begrijpen, dat dit slechts iets was wat haar meer pijn zou gedaan hebben, en daarom aanvaardde zij zijn medelijden stilzwijgend. Behalve een enkelen brief aan Charlie gaf Harold geen enkel teeken van leven. Vrijwillig gaf hij alles op, terwille van de vrouw die hij liefhad. Geen sterveling wist wat hem dit offer kostte. Somtijds bleek Charlie uit een enkel woord in die brieven iets van dat onduldbaar lijden. Zoo leefde Granville jaren in Afrika. Hij durfde zich niet dichter naar huis te begeven en troostte zich met het schrijven van wetenschappelijke werken. Maar met de jaren werd het verlangen naar zijn geboortegrond den vrijwillig verbannene te sterk. Hij kon zichzelf nu ook beter vertrouwen ; niet dat zijn verlangen naar Marion verminderd was, dat kon nimmer, maar de jaren van strijd hadden hem zijn zelfvertrouwen en meesterschap „Dorpsdansje” uit: „Kindervreugde”. Ie bundel. over zijn wil teruggegeven. En zoo reisde hij door Italië Oostenrijk en Frankrijk en steeds meer naderde hij zijn geboortegrond, tot hij eindelijk in Engeland aankwam. Hij wilde zich verborgen houden in Londen wat hem in die metropool niet moeilijk vallen zou, meende hij. Zoodra hij aankwam, ging hij op weg naar zijn vriend. De beide mannen hadden elkaar sedert hun afscheid in Loango, tien jaar geleden, niet gezien, en Harold hunkerde naar den greep van een vriendenhand. De kans om Bicknell thuis te treffen was niet groot, want hij was meestentijds Leida de Jongh, Thommy, een meisjesleven. Met platen. Rotterdam, D. Bolle. ï eida de «Jongh is een naam dien we voor onze kinderen onthouden moeten. Ze weet natuurlijk en onderhoudend te vertellen en schrijft een zoo makkelijken stijl, dat het onder ’t lezen wel lijkt of we haar stem hooren. Ze geeft ons de eenvoudige geschiedenis van Thomasine Vermeer, die gelukkig bij den veel „leukeren’ naam Thommy genoemd wordt, en deze geschiedenis boeit van het begin tot het eind, ofschoon er geen romantische gebeurtenissen of schokkende avonturen in voorkomen. Dit dunkt ons juist de groote verdienste van dit mooie boek, en de lezer van Onze Boekentafel zal al gemerkt hebben, dat we bij voorkeur boeken aanbevelen die in het gewone leven van alledag spelen; aan roovers- en indianenverhalen moet onze jeugd nu maar eens ontgroeien. Thommy is een meisje van vleesch en bloed, geen bovenmenschelijke heldin, en de goede invloed dien ze op haar kameraadjes heeft, zal niet nalaten ook gunstig te werken op de vele jonge lezers en lezeressen die we dit boek met St. Nicolaas toewenschen. Dit „meisjesleven” is vol fijne en fijngevoelde fooneelfjes, waaruit onze kinderen niet anders dan goeds kunnen leeren. De uitgave is uitmuntend verzorgd; aan een modern kinderboek worden hooge eischen gesteld wat de uitvoering betreft, en — het moet ook dik zijn! Nu, de heer Bolle heeft eer van zijn werk, dat van binnen en buiten de kritiek kan weerstaan. Illustraties uit: „Thommy”. PLECHTIGE UITVAART VOOR Z Exc. Mr. L.. H. W. REGOUT. In tegenwoordigheid van talrijke autoriteiten en de familie is verleden week in de Kerk van O. L. Vrouwe van Goeden Raad aan het Bezuidenhout te ’s-Gravenhage een plechtige H. Mis van Requiem opgedragen voor Z.Exc. Mr. L. H. W. Regout, in leven buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister van H. M. de Koninqin in bijzondere zendinq bij den H. Stoel. (foto v. Tol.) op reis. Aan zijn woning gekomen vernam Granville nochtans tot zijn blijdschap dat Charlie in Londen, hoewel momenteel niet thuis was. Thommy EEN MEISJESLEVEN ROTTERDAM.- D. BOLLE. Voorzijde band „Thommy, een meisjesleven”. Nannie van Wehl, Het moeilijke begin. Met illustraties van Willy Sluiter. Amsterdam, L. J. Veen. \ 7an dik gesproken! Hoe ziet de uitgever Veen er kans toe, v zulk een lijvig deel, op zulk mooi papier, in deze dure tijden voor zoo lagen prijs aan te bieden ? Onwillekeurig weegt men het boek eens op de hand, over dit record nadenkend, alvorens de lezing te beginnen. Hoe hef zij, eenmaal aan ’t lezen, komt men tot de overtuiging dat de tweede druk van dit boek volkomen gerechtvaardigd is: aan zulk overdacht ernstig werk is behoefte. Want ernstig is Hef moeilijke Begin; hef heeft dien mineuronderfoon die alle boeken van mevrouw Van Wehl kenmerkt. Maar laten we dadelijk zeggen dat de oudere meisjes, voor wie hef bestemd is, en die we zoo graag toewenschen dat ze lang jong mogen blijven, er ook genoeg in vinden zullen waarom ze harfelijk en gezond lachen kunnen. Alleen — de schrijfster wil ze er toch even op voorbereiden dat het leven nu eenmaal niet louter zang en dans is. Wanneer ze het uitgelezen hebben, zullen ze hef niet bij haar kinderboeken zetten, maar ’t een plaatsje geven op de groofe-menschenplank. En menigeen zal vragen: „toe, moeder, leest u dit ook eens?’ Want Het moeilijke Begin is bijna een roman. Ook de anderen mogen en kunnen bef lezen. Hef zal hun leeren wat er in onze opgroeiende, mensch-wordende kinderen omgaat, en hoe ook zij hun strijd en hun verdriet hebben, zwaarder dikwijls dan de onze, omdat het leven hen nog niet hard en op alles voorbereid heeft gemaakt. Het is een goed ding, dat er hoe langer hoe meer voor de jeugd geschreven wordt door menschen, die niet alleen de techniek van hef schrijven verstaan, maar die zich ook ernstig rekenschap geven van de oude, niet altijd nagevolgde uitspraak dat het beste voor onze kinderen nauwelijks goed genoeg is. Nannie van Wehl vat haar taak aldus op en helpt zoodoende die der ouders NEDERL. R0T0GRAVURE-MAATSCHAPP1J, LEIDEN. Granville trad binnen, hij zou op zijn vriend wachten en amuseerde zich onderwijl met het inspecteeren van de verschillende kamers met de vele bekende dingen, die hij zich nog uit vroeger jaren herinnerde. Hij nam een sigaar uit een kistje op den schoorsteenmantel en zette zich neder in een gemakkelijken stoel bij den haard. De reeks van lijdensjaren, die verloopen waren, sinds hij het laatst op deze plaats gezeten had, was opeens verdwenen. Hij droomde van een gelukkigen tijd die ver achter hem lag. Daar klonken voetstappen op de gang ; de knop van de kamerdeur werd haastig omgedraaid en ’n vrouwenstem riep: „Charlie wil je eens spoedig komen zien, de kleine Harold is niet wel ! Heb je mijn brief niet ontvan ....?” Zij hield plotseling op, toen ze niet Charlie maar iemand anders, weggedoken in den gemakkelijken stoel gewaarwerd. Harold durfde zich niet bewegen. Hij kende de stem maar al te goed en bad in stilte dat zijn vriend mocht binnenkomen en haar meenemen voor zij zijn gelaat gezien had. Maar neen, de stilte die volgde, werd’ verbroken door een geritsel van naderende vrouwenkleeren, dichter, steeds dichter. Niet dan nadat zij vlak voor hem stond, durfde hij het hoofd opheffen. Toen zag hij de verwondering en ’t ongeloof in haar oogen plaats maken voor herkenning, blijde herkenning — geen schrik, geen afkeer ; niets daarvan! Niets dan innige liefde straalde hem tegen. Deze vreeselijk verminkte man, die zijn vriend schrik en afschuw had ingeboezemd, kon slechts liefde en diep medelijden wekken in het hart van de vrouw. Met een zachten kreet zonk ze voor hem op de knieën neer, den verlamden arm aan haar borst drukkende ; en het was op het door de vlammen verminkte deel van zijn gelaat dat zij hem de teederste kussen gaf. Zoo wist Harold dat zijn opoffering te vergeefs was geweest. verlichten. Wanneer we nu nog zeggen dat Willy Sluiter voor bandversiering en plaatjes zorgde, dan is, waf dit betreft, lof overbodig. Kindervreugde, tweestemmige Iiedjes met pianobegeleiding; woorden en muziek van H. J. van der Kraan, geteekend door B. en J. Midderigh-Bokhorst. Ie en 2e bundel. Uitgave van G. B. van Goor Zonen, Gouda. r\eze Kindervreugde is ook een recensentenvreugde. Want het is een genot een boek in banden te krijgen waarvan ’t rondom bekijken al zoo de moeite waard ’is, dat je er geheel voor gewonnen bent eer je nog van den inhoud hebt kennis genomen. Zie toch eens aan hoe elk onderdeel van deze twee smaakvolle bundeltjes overdacht en verzorgd is ! Het kan niet anders of de uitgever, de dichfer-componisf en de feekenaars moeten bijeengekomen zijn met den lust en den wil om nu eens een harmonieus en vlekkeloos geheel te maken, waarvan in de eerste plaats het artistieke uiterlijk hun voldoening zou geven. En de uitgever heeft gezegd: „gaan jullie je gang maar - als ’t mooi is, wordt ’t wel verkocht ook!” Hoe het nu mogelijk is dat zoon bundeltje maar cent kost — ja, dat is zijn geheim. Sla nu eens op goed geluk een bladzij op: hef notenschriff.de letter (die misschien waf rustiger had kunnen zijn) de ragfijne, allerliefste teekeningen, de randversiering, die telkens met het onderwerp in verband is gebracht — waar ge ook kijkt zijn eenheid en sierlijkheid te waardeeren. En merkt ge wel, dat we nu op weg zijn den inhoud om den vorm te vergeten? Aan de piano dus! De melodieuze inleiding pakt al dadelijk, de zangwijzen zijn niet zoo heel gemakkelijk. maar liggen toch in ’t gehoor, en ’t duurt niet lang of de kinderen hebben ze in ’t geheugen ook. Is het geen goed ding in deze tijden van zorg onze kinderen aan ’t zingen te zetten, opdat zij — en wij door hen — een oogenblik vergeten hoe moeilijk en vol angstige verwachtingen ’t leven is ? Wij moeten het Goudsche uitgevershuis, dat zijn oude traditie zoo hoog weet te houden, voor deze waarlijk superieure uitgave dankbaar zijn. BOEKENIER. „Illustraties uit: „Het moeilijke begin”.
PDF
Nummer
1915, nr. 93, 18 nov. 1915
Blad
01
Tekst
No. 93 (21a) 18 NOV 1915 AFZONDERLIJKE NUMMERS 7*/2 CENT A.W. SIJTHOFP'S UITGEVERS M AATSCH APPIJ - LEI DEN ABONNEMENT PER KWARTAAL 26 NUMMERS f 1.30 De Koning van Griekenland op een belangrijk strategisch punt Gezicht op de groote spoorwegbrug aan de Grieksch-Servische grens, de belangrijkste verbinding vokmend tusschen Saloniki en Nish. Deze brug hadden de Geallieerden noodig, om hun troepen naar Servië te kunnen zenden. Om de belangrijke strategische waarde van deze brug te doen inzien, behoeven wij er slechts aan te herinneren, dat ook in den vorigen Balkanoorlog een gedeelte ervan werd opgeblazen.
PDF
Nummer
1915, nr. 93, 18 nov. 1915
Blad
02
Tekst
PANORAMA 2 (Vervolg) gij greep naar het glas dat vóór hem stond om het den luitenant naar het hoofd te gooien. Ik moet mij inhouden, dacht hij H met bovenmenschelijke zelfbeheersching, * en drukte het glas tusschen zijn bevende vingers stuk. Alle hoeren, die nog aan tafel zaten, sprongen op. Alleen Vidakovitch en Heinersdorff bleven zitten. Eindelijk stond ook. laatstgenoemde op en zeide rustig en ijskoud : „Het is een schande dat je nog ’s Keizers uniform dragen moogt.” Vidakovitch lachte hoonend. Dan stond hij op, wierp een geldstuk op zijn bord, maakte een korte buiging en ging, een weinig zwaaiend, de deur uit. De overblijvenden zagen elkaar verbaasd en radeloos aan. Zij vatten niet wat deze onbegrijpelijke uitdaging beteekenen moest. „De kerel was dronken/’ zeide majoor Malinowski. „Ik geloof dat hij nuchter genoeg w as om te weten wat hij zeide/' meende ritmeester Von Faludi. „Ik moet zeggen dat ik uw zelfbeheersching bewonder, kapitein/’ riep de schilder. „Ik zou den kerel hebben doodgeslagen.” „U stond er ook gemakkelijker voor/’ antwoordde Heinersdorff met een vagen glimlach. „Het eenige goede van het heele geval is/’ verklaarde Malinowski, „dat wij nu niet van lokaal behoeven te veranderen. Die vent zal hier niet meer komen.” „Toch is het een pijnlijke zaak,” zeide kapitein Cimonega. „Je weet hoe ongaarne men bij ons een duel ziet.” „Ja, dat is waar,” antwoordde Fankhauser niet zonder bitterheid, „maar als men niet duelleeren wil, dan wordt men eenvoudig uitgestooten.” Kapitein Woldrich nam het woord: „Windt u niet op, heeren; Vidakovitch droomt er niet van Heinersdorff uit te dagen. Wanneer hij zijn roes heeft uitgeslapen, herinnert hij er zich niets meer van. En Heinersdorff heeft geen aanleiding een eerezaak van ’t geval te maken. Hij heeft hem zijn meening gezegd en daarmee basta!” „En we kunnen dus kalm naar huis gaan,” zeide majoor Malinowski en deed zijn mantel om. Toen Heinersdorff alleen met majoor Homann door de nachtstille straatjes van het oude stadsgedeelte huiswaarts wandelde, vroeg de majoor: „Kan jij me die historie ophelderen ?” „Wat valt er aan op te helderen ?” „Ik kan het niet helpen,” ging de majoor voort, „de heele zaak maakte op mij den indruk of ze in elkaar gezet was.” „Dat kan wel mogelijk zijn.” „Wie heeft er belang bij jou in een eerezaak te verwikkelen ?” „Ik weet ’t niet,” antwoordde Heinersdorff weifelend. „Misschien een vrouw- ? uit jaloezie ?” „Ik heb nog geen goed inzicht er in. Laten wij wachten tot het dag wordt.” „Zooals je wilt.” Zij gingen zwijgend verder. vin. Heinersdorff liep gedurende dien nacht vele kilometers in zijn kamer af. Des te langer hij nadacht over de uitdaging van den luitenant des te meer werd het hem duidelijk dat Vidakovitch slechts het werktuig was, dat door Golubjew bestuurd werd. Het plan was op een duivelachtige manier aangelegd. Zij wilde hem daar treffen waar hij het meest kwetsbaar was. Met zijn dood hield zij waarschijnlijk geen rekening, want een duel is immers altijd een onzeker ding, doch zij wilde hem blijkbaar dwangen om aan zijn verloofde te zeggen wat er dien nacht geschied was. Wanneer hij ging duelleeren, moest hij Hedwig de reden daarvan meedeelen. Hij zou moeten zeggen dat hij om een vrouw' zijn leven op het spel ging zetten. Ook wanneer hij goed en wel uit het duel terugkwam, zou hij de waarheid moeten zeggen, en het hart van zijn verloofde vergiftigen. Hij moest dat, hoe hij de zaak ook keerde en wendde, omdat Golubjew het zoo wilde. Hij trilde van machtelooze, hulpelooze woede. Hij zag geen uitweg. De eenige mogelijkheid tot redding was dat Vidakovitch hem niet uitdaagde. Misschien was deze inderdaad zóó beneveld geweest, dat hij bij het ontwaken zich niets meer zou herinneren, van wat er ’s nachts gebeurd was. Heinersdorff voelde dat dit een bedrieglijke hoop was. De beleediging w-as slechts uitgelokt om een duel ten gevolge te hebben. Maar ten slotte was het een eenvoudig vermoeden dat Golubjew achter de schermen stond, een vermoeden dat op niets gegrond was. Wanneer echter de luitenant werkelijk in opdracht van haar handelde, zoo peinsde hij verder, dan moest Vidakovitch in een bijzonder afhankelijke positie tegenover die Russin staan en — dat gaf reden tot nadenken. Ik ben gek, zeide hij tot zich zelf, ik bouw een huis op zonder fondament. Ik heb niet ’t minste bewijs voor mijn belachelijke gevolgtrekkingen. Ik weet zelfs niet of Vidakovitch een flauw idee heeft van het bestaan van Golubjew'. Wie zou kunnen zeggen wat hem bew-ogen heeft mij zoo aan te vallen ? Misschien beviel hem EEN STANDBEELD VOOR KAPITEIN SCOTT. Door de officieren van de Engelsche vloot is verleden week op het Waterlooplein te Londen een standbeeld opgericht voor de nagedachtenis van den bekenden Noordpoolreiziger, kapitein Robert Falcon Scott. Het standbeeld geeft den beroemden ontdekker weer zooals hij was gekleed op zijn tochten in de barre ijsvelden. mijn neus niet. Misschien heb ik hem eens op de een of andere manier gekwetst, zonder het te weten of te willen. Wie weet ! Maar ’t is in elk geval bitter voor me, als ik met den luitenant Vidakovitch moet vechten. Wat is ’t voor een man ? Een desperado. Wat heeft hij te verliezen ? Niets. Wat heb ik te verliezen ? Alles ! Hij stond stil voor zijn boekenkast en haalde Gracian’s „Handorakel” van de plank. Hij herinnerde zich flauw daarin w?el eens iets gelezen te hebben dat op zijn toestand paste. Hij vond spoedig wat hij zocht: „Men moet zich niet inlaten met hem die niets te verliezen heeft, want daardoor gaat men een ongelijken strijd aan. De ander gaat zorgeloos te werk want hij heeft zelfs de schaamte verloren, heeft met alles afgerekend en verder niets meer te verliezen. Daardoor is hij tot elke onbeschaamdheid instaat. Aan zulk een groot gevaar mag men zijn eigen onbesproken naam niet blootstellen, waarvan het verkrijgen zoovele jaren heeft gekost en dat nu in een oogenblik verloren kan gaan.” Heinersdorff liet het boek zinken. Je bent een knappe, wereldwijze man geweest, zeide hij, mijn beste Balthasar Gracian ! Je hebt in vele dingen gelijk, maar je Jezuïeten-wijsheid kan mij toch niet helpen. Je spreekt halve waarheden, oude! Men moet zich niet inlaten met hem die niets te verliezen heeft. Mooi. Goed. Geheel mijn meening. Maar wat doe je als zoo’n nietverliezer zich met jou inlaat ? Spreek, jij slimmert! Balthasar Gracian gaf geen antwoord. Heinersdorff zette met een zucht het „Handorakel” wreg en opende het raam. De voorjaarslucht was krachtig en vochtig. Aan den bleeken hemel stonden mat en glansloos de sterren. De oude Prater-boomen ritselden in den Maartwind. Heinersdorff had een bitter gevoel van eenzaamheid. Toen hij uit een korten slaap wrakker werd, viel door het venster wzarme lentezonneschijn in de kamer. Bij dag was alles niet zoo erg als het hem in de zwarte uren van den nacht toegeschenen had. Heinersdorff begreep nu niet waarom hij zich zoo ernstig bezorgd had gemaakt. Hij opende het venster. De lucht was mild en teer, rook naar jonge, vochtige aarde en naar weilanden die nog niet bloeiden. De hemel was blank en hoog en met kleine, witte schapenwolkjes omrand. Heinersdorff had de oplossing gevonden ; de eenig mogelijke, de eenig juiste. Hij moest Hedwig alles zeggen. Zij zou hem begrijpen, ze moest hem begrijpen, want een vrouw die liefheeft, vergeeft alles. En wanneer Hedwig maar alles van zijn zorg wist, dan kon hij medelijdend lachen over die Mevrouw' Golubjew en over dien dommen luitenant Vidakovitch. Hij was zóó gelukkig met zijn besluit dat hij den middag niet kon afwachten om naar Hedwig te gaan. Maar toen hij eindelijk langzaam en in gedachten de steile Maxingstraat opging, gevoelde hij zich als waren zijn voeten met lood bezwaard. De moed van den ochtend was verdwenen. Zijn hart klopte, en zijn bloed suisde aan zijn slapen. Het wras een moeilijke gang. Als een arme hond die slaag verwachtte, sloop hij langs de gele muren van het Schönbrunnerpark. Hedwig Buschgart zat aan het geopende raam en borduurde. Steeds, als hij kwam, verhelderde haar ernstig gelaat zich. „Wat ben je vandaag vroeg!” riep zij, van geluk stralend. „Wil ik weer weggaan en later terugkomen ?” poogde hij te schertsen. „Och, jij,” zeide ze teeder en greep . zijn hand alsof zij hem walde tegenhouden. Hoe zal ik het haar vertellen, dacht hij, vertwijfelend. „Ik verwonder me er over dat je zooveel plezier in borduren hebt, Hedwig.” „Vind je het vervelend als ik ’t doe ?” Zij wilde haar wzerk terzijde leggen, Hij weerhield haar. „Neen, dat niet. Ga maar door ermede. Ik zeide ’t maar zoo.” „Ja, ik borduur graag. Ik kan daarbij zoo goed nadenken. ’’ „Heb je zooveel na te denken ?” „Verbazend veel.” „Wat dan al ?” Zij aarzelde even, antwoordde dan ‘met een schuw lachje: „Ik denk altijd aan jou.” Zij boog haar hoofd over haar borduurraam. Hij dacht: hoe kan ik haar nu over Sofia Golubjew spreken! Hoe kan ik haar die heele onverkwikkelijke geschiedenis duidelijk maken ? zal zij mij begrijpen ? Dat is immers waanzin. Ik zou geen woord over mijn lippen kunnen krijgen. Ik kan haar vertrouwen niet breken. Ik kan dit reine hart niet vergiftigen. Ik kan het niet verdragen dat dit lieve schepsel haar achting voor mij verliest. Ik kan niet, ik kan niet, liever sterf ik. Angstig staarde hij naar haar rustig gelaat, dat hij beter kende dan alle andere menschengezichten. Zij hief het hoofd op en vroeg: „Waarom frons je zoo je voorhoofd ?” „Ik wreet ’t heusch niet,” antwoordde hij verlegen. „Je ziet er trouwens vandaag heelemaal niet goed uit,” zeide zij bezorgd. „Je hebt iets in je oogen, of je wzat hindert.” Het is op mijn gezicht te lezen, dacht hij verschrikt. „Heb je je aan iets geërgerd ?” „Neen, volstrekt niet, ik ben alleen laat gaan slapen. Wij zaten lang in het café.” „Wie waren daar ?” „Het gewone gezelschap: Homann, Woldrich, Cimonega, Malinowski, Fankhauser, Schrottwinkel, Dr. Franke, en later kwram ook nog Vidakovitch.” Een inwendige stem riep hem toe: zeg ’t nu, zeg ’t nu. „Wie is Vidakovitch ?” Het deed hem pijn dat zij dezen naam in den DE OORLOG IN HET DUISTER ROMAN VAN LUDWIG WOLFF
PDF
Nummer
1915, nr. 93, 18 nov. 1915
Blad
03
Tekst
mond nam. — „Een eerste-luitenant. Hij komt soms ook aan onze tafel/’ „Töschtük-Bey was er niet ?” „Neen.” „Hoe gaat ’t met hem ?” „Dat weet nooit iemand. Hij is altijd dezelfde.” Zij zeide nadenkend: „Ik mag hem heel graag. Ik heb zoo’n vertrouwen in hem.” Hij dacht bliksemsnel ; Ik moet Tösch tük om raad vra - gen. Hij zal mij helpen. Hij alleen kan mij helpen. „Je moet hem weer eens bij ons vragen, wil je ?” „Ja, graag, Hedwig. Hij moet eens komen.” Hij stond op. , ,Ga j e alweerweg ? ” „Ja, ik heb een belangrijke afspraak. Daarom ben ik juist vandaag wat vroeger gekomen. Ik moet gaan.” „Nu ga dan, lieveling,” zeide zij teeder en reikte hem haar hand. „Tot ziens, tot morgen.” Hij reednaarTöschtük-Bey. Hoe had hij hem kunnen vergeten ? De Turk was niet thuis. Heinersdorff liet ’n paar regels achter, waarin hij zijn vriend verzocht hem in den loop van den avond bepaald te komen ^pzoeken. Toen de kapitein thuis kwam meldde zijn knecht hem, dat twee officieren op hem wachtten. Hij wist wat rij brachten. Hij was liet in het minste /errast. In zijn binlenste had hij ook jeen seconde lang ernstig geloofd dat ridakovitch slechts n een roes gesproken lad zonder de gezolgen te willen. Goubjew’s schot trof :eker, al had men laar ook de patronen ïit haar browning jenomen. De beide heeren telden zich voor. De ;en was kapitein Enjelbrecht, de andere uitenant Myskieviecz. Ze waren regimentskameraden • 7an luitenant Vida- :ovitch. „Wij komen in opIracht van den eerte-luitenant Vidakoritch, om van u, :apitein, voldoening e vragen voor uw litlatingen.” Heinersdorff antwoordde zakelijk : „Mijn vertegenwoorligers zijn majoor lomann en kapitein 'imonega, beiden van ten generalen staf.” De officieren bogen. „Ik mag u zeker wel verzoeken, mijneteeren, u eerst in den lop van morgen met lijn secondanten in erbinding te stellen, laar ik die heeren og moet inlichten.” De officieren groetten en verlieten het huis. Heinersdorff ging naar de telefoon en noodigde lomann en Cimonega voor dien avond tot een nderhoud uit. IX. Om zes uur bracht de post een brief. Heinersdorff ekeek den brief, het was grof, goedkoop papier, UIT HET SERVENLAND. Een Servisch officier geeft aan eenige behoeftige kinderen, die zijn medelijden opwekken, geld om brood te koopen. VAN HET MONTÊNEGRiJNSCHE LEGER. Een Montenegrijnsche voorpoot rond een kampvuur in de Bergen. — De Montenegrijnen zijn evenals de Serviërs, uitstekende bergsoldaten, hetgeen zij niet alleen in dezen strijd, maar ook in den vorigen Balkanoorlog getoond hebben. Zij vormen een krachtig, oorlogzuchtig en ruw volk, dat bovenal zijn onafhankelijkheid liefheeft, en deswege sedert eeuwen reeds een bloedigen strijd voert tegen de Turken. Zelfs de vrouwen hebben vroeger meermalen naar de wapens gegrepen, om zich in hun steenen huizen, bij afwezigheid der mannen, tegen de Turken te verdedigen. t en bestudeerde het schrift, dat hij niet kende. Hij opende de enveloppe en las: „Het is niet goed mij tot vijandin te hebben.” Anders niets. Hij verkreukelde den brief in machtelooze woede. Golubjew7 kon zich niet eens deze kleine zielige voldoening ontzeggen. Zij wilde geen twijfel overlaten, dat zij het was die aan de touwtjes trok. Zij liet elke voorzichtigheid in den steek waar het gold hem te vernederen. Overigens verried deze brief niets. Daarmee lieten zich geen bewijzen construeeren. De hoon die uit die regels sprak, was alleen voor Heinersdorff verstaanbaar. Maar deze korte, tartende brief oefende een andere werking uit dan de afzendster zich misschien had voorgesteld. Hij deed bij Heinersdorff een besluit PANORAMA rijpen, dat van minuut tot minuut vaster en onwrikbaarder werd. „Ik laat mij niet dwingen,” zeide hij, terwijl hij in zijn kamer heen en weer liep. „Je hebt de partij nog niet gewonnen, mevrouw Golubjew7.” Dwaas, arme dwaas, sprak zijn verstand tot hem. Wat wilt ge dan doen ? Zijt ge niet aan handen en voeten gebonden ? Kunt ge ijzeren wetten omwerpen ? Hij hoorde niet naar het verstand en streed om zijn vrijheid, om zijn geluk, om zijn leven. In dit moei- . lijke, eenzame uur, dat over alles besliste, zag Heinersdorff scherp en zonder vrees in de ijskoude, onbarmhartige oogen van het noodlot; hij zag onbekommerd en zelfbewust in de grauwe vertedertoekomst, en sloeg de oogen niet neder. Hij streed met het goede en het kwade en bleef overwinnaar omdat hij zijn trots overwon. Zijn besluit was genomen, sterker dan ijzer, vaster dan de rots. Ik duelleer niet! Toen werd hij opeens rustig, heel rustig. Er kon nu gebeuren wat wilde. Hij zag den weg dien hij te gaan had, waarvan hij geen voetbreed meer zou afwijken, dien hij tot ’t einde volgen moest, al voerde die hem ook naar Golgotha. Töschtük-Bey kwam. Hij kwam tot een man die met zichzelf in het reine was. Heinersdorff reikte den Turk de hand en zeide: „’t Doet me plezier dat je hier bent.” „Je hebt me ge- ‘ roepen.” Hij had hem geroepen, maar hij had hem eigenlijk niets meer te zeggen. Hij had geen raad noodig. „Je moet de groeten hebben van mijn meisje, Bey.” „Dank je.” „Je moest ons weer eens komen opzoeken in Hietzing. Zij inviteert je.” „Ik zal komen.” Daar Heinersdorff zweeg, vroeg de Turk na een poos: „Heb je mij daarvoor geroepen ?” De kapitein antwoordde weifelend : „Ja en neen.” En zweeg weder. Töschtük-Bey vroeg kiesch en behoedzaam : „Wilde je mij niet om raad vragen in zake mevrouw Golubjew ?” Heinersdorff keek hem besluiteloos aan. „Kan je gedachten lezen, Bey ?” „Dat kan ik zeker niet,” antwoordde de Turk glimlachend. „Hoe kom je tot je vraag ?” „Een ontmoeting met Golubjew pleegt sporen na te laten.’ Heinersdorff zeide nadenkend : „Je spreekt de waarheid.” Hij verzonk weer in zwijgen. De Turk stak een sigaret aan en keek de rookwolken na. Plotseling sprong Heinersdorff op. (Wordt vervolgd). 93 (21a)
PDF
Nummer
1915, nr. 93, 18 nov. 1915
Blad
04
Tekst
PANORAMA 4 REUSAC.HTIGE BRAND TE PARAMARIBO. In den nacht van 13 op 14 October heeft te 'Paramaribo — de hoofdstad van onze bezittingen in West-Indië — een reusachtige brand gewoed. Een geheel blok woningen, bestaande uit 8 groote en 10 kleinere huizen, werd in de asch gelegd. Op de toto, die wij hierboven reproduceeren, is de aangebrachte verwoesting duidelijk te zien. ZE MOESTEN ELKAAR KRIJGEN, VOND ZIJ. ========. DOOR M. MURIELS. - • — B ïu, ik vind, dat zij hem j wei wat heeft aangemoe- } „Och Ma, hoe kunt u 1 ’t zéggen. Ze had er absoluut geen idee op. Ik zelfs niet. U neemt het natuurlijk voor uw jongen op, maar het was toch eigenlijk wel ’n beetje dwaas van Théo. Hij heeft het wel altijd héél gauw te pakken, maar is er gelukkig ook gauw genoeg overheen. Martien had genoeg ’t land aan de geschiedenis, geloof dat maar.” „Was het nog altijd om die oude kwestie?” „Ja, ze schijnt er nooit overheen te komen.” „Hoe is die kwestie eigenlijk, Mien ?” „Hé Ma, heb ik u dat nooit verteld? Nee? Wel, ’t is gebeurd lang voordat ik haar verleden jaar leerde kennen ; ’n jaar of zeven geleden, als ik me niet vergis. Ze was toen een paar maanden geëngageerd met een rijken jongen man. Nu had een vriend van hem haar wel eens gezegd, dat hij zoo vreemd met zijn geld omsprong, onverstandig speculeerde en zoo, en dat-ie op die manier alles nog eens zou verliezen, wat zij natuurlijk erg jammer vond — u kent haar practischen aard. Daarom sprak ze er haar verloofde wel eens over, noemde het roekeloos, maar hij antwoordde steeds gekscherend en plagend, zei dat lieve meisjes zich daar nooit mee moesten bemoeien, en hij veel te zeker was van zijn zaak. DE PIONIERDAGTE UTAH. ZAp 24 Juli is te Utah — een territorium der Vereenigde Staten van N.-Amerika de gewone jaarlijksche groote feestdag, de z.g. Pionierdag gehouden. Verschillenden buitenlanders was verzocht mede te doen aan de afdeeling „The coming of the Naöons”. Dit jaar deed ook de Hollandsche kolonie voor ’t eerst mede. Vroeger jaren geschiedde dit niet, omdat het gevoelen was, liever niets te doen, dan half gereed voor den dag te komen. De uitnoodiging kwam gewoonlijk te laat om behoorlijk een en ander te kunnen voorbereiden. De Hollandsche afdeeling in den optocht bestond uit 4 groepen of tafereelen. Onze foto's stellen voor, boven: elf jonge dames, voorstellende de elf provinciën van Nederland. Links: Hollandsche molen. Rechts: De „Halve Maen” met kapitein Hendrik Hudson. „Holland” werd langs heel den weg geestdriftig toegejuicht en kreeg van de 10 uitgeloofde prijzen, den vijfden, een onderscheiding, die — gezien het kleine zielenaantal in verhouding tot de meeste andere naties,-- de deelnemers zeer tevreden deed zijn. — Dat wij de foto’s eerst heden konden publiceeren. is te wijten aan den brand aan boord van het s.s. „Rotterdam” waarmede onze correspondent ons de foto’s had toegeïonden. Het feit, dat de Nederlandsche afdeeling dit jaar voor ’t eerst mededeed, leek ons echter te belangrijk, om het niet in de geïllustreerde pers van ons land te vereeuwigen. Wij hebben daarom onzen correspondent een tweede stel foto’s aangevraagd, en bieden deze onzen ‘lezers hierboven aan. ONTVLUCHTE KRIJGSGEVANGENEN. Na een avontuurlijke rondzwerving door Duitschland, waarbij geleefd werd op wat veldvruchten, kwam voor eenige dagen een viertal Fransche soldaten, die uit hun krijgsgevangenschap in Duitschland wisten te ontvluchten bij Losser over de Nederlandsche grens. Op de foto ziet men het viertal temidden van de Nederlandsche grenswacht, poseeren voor onzen fotograaf. Maar dat laatste begreep ze niet en ze werd dan wel eens boos om zijn luchthartigheid. Tot hij eindelijk op een avond met ’n onverschillig gezicht kwam vertellen, dat hij zoo goed als alles- kwijt was — verloren met speculeeren. ... „,,Je schijnt er niet veel om te geven,”” zei ze. ,Och nee,’ antwoordde hij, ,wat beteekent geld? ’k Heb er nooit zooveel prijs op gesteld. Dat zij altijd in betrekkeiijke weelde had geleefd, daar scheen hij niet aan te denken. Zijn kalmte irriteerde haar, en heftig vroeg zij, wat hij nu wel zou beginnen. Hij was 19 jaar, niet wat men noemt lui, maar had toch na zijn eindexamen H. B. S. niets bepaalds uitgevoerd, alleen veel' gereisd. Zijn oom en voogd gaf hem onbeperkte vrijheid, behandelde hem feitelijk als meerderjarige. Toch had zooiets als hij zijn meisje nu wijsmaakte, niet kunnen voorkomen, dat begrijpt u, maar Martien dacht daar toen niet aan. .Wat ik nu ga doen,’ zei hij, als nadenkend, onderwijzer worden denk ik. Dat is het gemakkelijkste baantje, en dan ben jk het gauwst klaar. Kantoor is toch niets voor mij, handelsreizen ook niet, in studie heb ’k niet veel zin, maar zoo’n beetje leeren, om onderwijzer of leeraar te worden, zal ik wel doen.’ Nou was onderwijzer het verschrikkelijkste vak dat zij zich denken kon en hij wist dat. Ze vroeg zich af, of hij dan in ’t geheel niet aan haar dacht, zag zich al arm onderwijzersvrouwtje, tobbend om rond te komen van ’n schraal traktementje. Bij haar thuis leefden ze van een ruim inkomen,
PDF
Blad 
 van 2380
Records 2011 tot 2015 van 11897