|
PANORAMA BEVORDERING VAN NATUUR-, GENEES- EN HEELKUNDE.
In de met planten en bloemen versierde aula van het Universiteitsgebouw te Amsterdam werd Woensdagmiddag in tegenwoordigheid van een groot aantal autoriteiten en
verdere genoodigden het 125-jarig bestaan van het Genootschap ter bevordering van natuur-, genees- en heelkunde herdacht. De samenkomst, die onder leiding van professor
G. van Rijnberk stond, werd o.a. bijgewoond door den Burgemeester, den Stellingcommandant en eenige leden van het College der Hoogeschool. (V.F.B.)
Zoo was-ie gegaan
als willoos en toen
hij bij haar was, toen
was het gekomen.
Zij had hem gevraagd
hoe het nu
voortaan tusschen
hen moest zijn.
Hij had eerst als
niet begrepen wat zij
bedoelde. Maar zij
had gehuild en gevraagd
of-ie het dan
gisteren nietgemeend
had, of hij dan
niet van haar hield.
Tot hij plots, bijna
schreeuwend zei, datie
van haar hield,
zielsveel en dat hij
niet valsch was en
alles gemeend had
gisteren . . .
Zoo was hun beider
leven van nu af één
geworden. Omdat hij
door haar niet voor
oneerlijk wilde aangezien
worden en hij
haar niet zeggen kon,
waarom hij zich niet
aan haar verbinden
durfde. Zij, met haar
levensdurf, had het
toch niet kunnen begrijpen . . .
Op deze wijze was-ie geëngageerd geraakt.
In ’t eerst had zijn denken het niet kunnen omvatten.
Hij leefde als in een roes. Hij was gefeliciteerd en gefêteerd
en het was niet tot hem kunnen doordringen, waarom men
hem gelukwenschte en er waren, die hem zeiden dat zij hem
benijdden om zoo’n lief meisje. Was zij maar niet zoo
lief, hield hij maar niet zóó veel van haar. Dan kon het
gebeurde hem misschien minder schelen.
Hij was nu nog angstiger geworden, omdat-ie nu niet
meer alleen was maar ook de verantwoording droeg voor
haar, die het liefste hem was. Nu kón, mocht hij geen eind
meer aan zijn leven maken. Hij was nu niet meer alléén,
die er over te beschikken had. Zij, ook zij, had er nu recht
op. Nu moest hij blijven leven voor haar, die hij zijn woord
had gegeven van eeuwige trouw. En later, als zij getrouwd
waren en hij niet alleen meer door zijn eèr, zijn woord, maar
ook door de wet aan haar verbonden was, dan moest hij
vechten voor twee tegen het leven.
En dan, als dan het onvermijdelijke, het vreèselijke, dathij
voelde, dat komen moést, gebeurde. . . .
Soms dorst hij haar niet eens aanzien als hij bij haar was.
’t Was hem dan alsof zij het aan hem zien kon, of zij het
lezen kon op zijn gelaat, dat-ie onridderlijk tegenover haar
geweest was, dat-hij zich niet had mogen geven aan haar.
Omdat-ie geen zeggenschap had over zijn eigen leven, niet
leven kón.
Die gedachte martelde hem voortdurend totdat-ie op een
avond voelde dat het leed hem te zwaar werd. ’t Was of
alles op zijn kamer voor hem ópstond ; de stoelen, tafel,
zijn boekenkast — het werd alles huizen-, toren-hoog. Hij
voelde zich wegzinken er midden-in. De muren kwamen naar
hem toe en schenen zich rond hem te buigen om hem te verpletteren.
De stilte hoorde-ie suizen ; zijn bloed knetterde
in zijn ooren ; ’t was alsof het tegen zijn slapen aanstuwde,
of het eruit wilde stroomen. Het schemerde voor zijn oogen;
het woelde in zijn hersens, dat-ie een besluit nemen moest,
nü, voor het te laat was.
Hij wist niet waar hij zich bergen moest voor haar, hier
op zijn eigen kamer. Hij zag haar groote blauwe oogen smeekend
op hem gericht, ’t was of hij er verwijt en haat in zag,
om wat hij gedaan had.
Zijn hoofd begroef hij in zijn handen en hij brak in zenuwhuilen
uit.
Hij snikte, kón het niet uithouden, ’t Was of z’n keel werd
dichtgeknepen door onzichtbre vingren. ’t Werd hem te
benauwd.— die kamer-warmte, die suizelende stilte, dat
gezicht van haar, dat hem maar aanstaarde . . .
Hij sprong overeind en vluchtte, snikkend nog, zijn kamer
af, naar buiten, waar een onzichtbre macht hem voortdreef
naar ’t water, dat hem als aantrok .....
Zoo was het gekomen : het Onvermijdelijke.
UITGEREIKTE ONDERSCHEIDINGEN.
Links: De Tilanus-medaille, uitgereikt tijdens de bijeenkomst in de aula der
Univ. te A’dam ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan van het Genootschap
ter bevordering van Natuur-, Genees- en Heelkunde, aan dr. C. U.
Ariëns Kappers, op grond van verdienstelijke onderzoekingen gedurende
een reeks van jaren verricht op het gebied der morphologie van het centraal
zenuwgestel. Rechts: Gouden medaille uitgereikt aan Prof. P. K. Pel, wegens
25-jarige vervulling van het voorzitterschap der 2e sectie van het Genootschap
ter bevordering van natuur,- genees- en heelkunde.
NoodeDooze Zeflfopofferioi
de
^oen Harold Granville een belangrijke post werd
aangeboden in de expeditie naar Guluwyo,
kon hij dien moeilijk weigeren. De expeditie
had in hoofdzaak een commercieel doel, de
rijke hulpbronnen van het land moesten zooveel
mogelijk productief gemaakt worden ; en
directeuren der maatschappij, door wie de expeditie
directeuren bleven
evenwel veilig thuis,
in stille afwachting
van de fortuin, die
hun in den schoot zou
worden geworpen terwijl
’t werk zou worden
gedaan door
Granville en eenige
weinigemannen, even
dapper en ondernemend
als hij. Het
was voor hem een
groote verandering
en als hij zijn kaarten
goed speelde, was
er geen enkele reden,
waarom ook hij geen
fortuin zou maken.
Niet dat hij voor
zichzëlven aan fortuin-maken
dacht,
maar hij had een
vrouw en een kind,
die hij ’n onbezorgde
toekomst verschaffen
wilde.
Hij nam dus de betrekking
aan, hoewel
met een bezwaard
hart, omdat hij van
vrouw en kind voor
langen tijd zou moeten
scheiden.
Marion, zijn vrouw, sterkte hem in zijn besluit, niettegenstaande
ook voor haar de scheiding smartelijk was,
omdat de doktoren verklaarden, dat geen Europeaan langer
dan vijf jaar tegen het klimaat bestand was.
Voor de beide jongelieden scheen deze vijf jaren echter
een periode, waarvan het einde niet te zien was. Nochtans
hielden beiden zich tegenover elkander kalm en opgewekt.
De dagen na zijn aanstelling gingen snel voorbij. O,
zoo snel! Het scheen slechts een moment, vanaf het oogenblik
dat het contract geteekend werd tot zijn afreis.
Den eersten tijd na zijn vertrek leefde zijn vrouw in een toestand
van groot verdriet. Zijn bemoedigende brieven gaven
haar geen troost. Zij was zich slechts bewust van de vele
gevaren, die hem omringden. Daarom misschien was zij
maar half verrast, toen haar de tijding van zijn dood bereikte.
Het scheen haar zoo onvermijdelijk, dat zij er zich
reeds vertrouwd mee gemaakt had.
,,lk wist het,” fluisterde zij, over de wieg van haar kind
gebogen. ,,Ik wist het allang. En ik was niet bij hem ....
Zes verloren maanden .... en het laatste oogenblik niet
bij hem .... toen hij mij het meest noodig had !”
Toen kwam het zelfverwijt: hij had nu nog bij haar
kunnen zijn, levend en wel!
Kort daarna kwam Charlie Bicknell haar bezoeken.
Hij haa met Harold gestudeerd en was zijn vertrouwdste
vriend geweest. Haar onnatuurlijke kalmte deed hem
schrikken. Behalve de diepe smart die uit haar oogen
sprak, was haar gelaat als een masker en alleen toen hij
haar vertelde, datgene, waarvoor hij haar was komen
bezoeken, toonde zij eenige belangstelling.
,,lk ga naar Afrika,” zei hij. ,,Ik wil inlichtingen over
hem inwinnen, als ik kan. Ik dacht, je zoudt misschien
willen . . . .”
Marion legde haar hand op zijn arm.
,,Tracht uit te vinden waar hij ligt, Charlie,” zei ze,
„en breng mij een gedachtenis van hem mee 1”
Bicknell beloofde het en vertrok.
Hij landde te Loango en bleef daar eenige weken om gidsen
en bedienden te vinden. Dit was een moeilijke taak,
want alle beschikbare mannen waren uitgetrokken met
de Guluwyo-expeditie en de dorpen die op zijn route lagen
werd uitgezonden, beloofden zichzelven gouden bergen. De waren vijandig gezind.
UIT ONS SCHOONE INSULINDE. —
Een tweetal fraaie kiekjes uit Bandoeng. Links: de nieuwe passar (marktplaats) waar de inlanders
hun waren te koop komen aanbieden; rechts: het onlangs voltooide nieuwe gebouw van het
Ministerie van Oorlog. — Bandoeng is de hoofdplaats van de adsistent-residentie Bandoeng welke
behoort tot de Preanger regentschappen op Java. De stad, op een aanzienlijke hoogte boven
de zee op een afstand van 117 palen van Batavia in een ongemeen bevallige omgeving gelegen,
heeft voor den Europeaan zeer veel aantrekkelijks en uitstekend ingerichte woningen van de
hoofdambtenaren. ( V.F.B.)
|