Panorama

Blad 
 van 2380
Records 2006 tot 2010 van 11897
Nummer
1915, nr. 92, 15 nov. 1915
Blad
03
Tekst
11 PANORAMA geïllustreerd oorlogsnieuws VAN HET OOSTELIJK OORLOGSTOON EEL. Links: een groep Gallicische boerenvrouwen uit een dorpje in de omgeving der stad Stryj,poseeren in hun eigenaardige kleederdracht voor onzen oorlogscorrespondent. Midden: Een boerenfamilie uit Pinsk (West-Rusland) voor haar woning. Rechts: Gezicht op het plaatsje Zurawno (aan de Dnjestr), zooals de Duitschers het bij hun bezetting vonden. Uitstekende propere slaapzalen voor mannen en vrouwen, jongens en meisjes; eetzalen, waar op lange reine tafels de borden reeds te wachten stonden, door lepels geflankeerd ; keukens waar de geurige erwtensoep lekker zeurde in ketels, die vele hectoliters bevatten ; in een belendend vertrek stond iemand boterhammen te smeren; op mijn vraag hoeveel wel per dag, vertelde hij me, dat het er 4000 stuks waren I Zoo is alles naar verhouding, en wat men er ziet, stemt tot bewondering voor deze prachtig georganiseerde goedheid des harten. Maar het verrukkelijkst van al is de kinderafdeeling; er wonen kinderen van ongehuwde moeders, die uit het ziekenhuis na de bevalling hierheen worden gebracht; kinderen door den Voogdijraad bezorgd, vindt men eveneens; de kinderen laat men later naar de scholen gaan in de stad, en helpt hen aan betrekkingen; die van den voogdijraad, die de inrichting niet mogen verlaten, krijgen onderwijs in het Tehuis zelf, en al die kinderen hebben me een kostelijk leventje ; de zusters verstaan het zoo goed, met dat kleine grut om te gaan. En ook als ze ouder zijn, vermaken ze zich hier bovenstebest, er is een complete speelgoedwinkel tot hun beschikking, en ook de Kunst wordt er niet vergeten; de pierewieten studeeren met de zusters kinder-operetten ih en geven uitvoeringen, die klinken als een klok. Maar ik moet eindigen; er is te veel goeds van te verhalen. Onze foto’s vullen het ontbrekende aan: Kijk bijvoorbeeld die aardige zuigelingenzaal eens; het is een model-inrichting met de kraakheldere bedjes onder brandpropere gordijn-hemels, waar aan elk een leitje hangt, waarop naam, geboortedatum, enz. van het kind geschreven is. VAN HET ENGEÉSCHE LEGER. Een Engelsch anti-luchtschepen kanon, opgesteld in de gevechtslinie in N.-Frankrijk. Deze kanonnen zijn op lorries geplaatst, zoodat zij gemakkelijk van de eene plaats naar de andere kunnen worden gebracht. DE VERWOESTING IN POLEN. Het Raadhuis te Mirere (Polen) dat door het hevig artillerievuur is in brand geschoten. Bij Mirere lagen de Russen in zeer sterke stellingen, die door de Duitschers na 3 aanvallen werden genomen. DE UITWERKING VAN HET DUITSCHE ARTILLERIEVUUR. Gesneuvelde Russen aan een hollen weg op den Noordoost-oever van de Dnjestr. Op den achtergrond de rivier. Kijk me dat genoeglijke stel kleuters op de binnenplaats van het oude gebouw eens fijntjes zitten eten aan de symmetrische tafels en meetkundig gerangschikte borden. Kijk me dat stelletje kinderen eens op onze andere ;kiek, de zusters baden en wasschen en poedelen ze dat het een lust is. En wat de resultaten zijn van die behandeling, ge moet er onze twee kieken van de drie kinderen eens op aanzien ; op de eerste staan ze nog vuil en verwaarloosd, vóór ze liefderijk werden opgenomen; op de andere ziet men ze netjes opgeknapt in hun nieuwen levensstaat .... Ziezoo, en nu, vriendelijke lezeressen en lezers, ziehier het adres der Vereeniging: Overtoom 135, Amsterdam ; dit ten dienste van allen, die de Vereeniging „Hulp voor Onbehuisden” steunen willen. Moet ik nog een goed woordje voor haar doen bij U? Ik hoop, dat ik Uw belangstelling en sympathie met mijn artikeltje heb opgewekt. Dus. . . U denkt er wel aan. De winter nadert, en alles is welkom. J. WALKER. BERICHT. Abonnés die klachten hebben over de bezorging van ons blad, gelieven deze met opgaaf van den boekhandelaar, bij wien zij geabonneerd zijn, rechtstreeks te richten tot de Administratie va» PANORAMA, DOEZASTRAAT 1-3-5, LEIDEN. DE ENGELSCH-INDISCHE HULPTROEPEN. Een groot aantal der Engelsch-ïndische en Mohammedaansc'ne hulptroepen, die nog in Engeland vertoeven, waren verleden week vereenigd in de moskee te Woking (nabij Londen) om hun heilig feest van Bakrid te vieren. Onze foto toont hen gedurende hun gebed. DE CRISIS OP DEN BALKAN. Koning Constantijn van Griekenland (x) met eenige hoofdofficieren van zijn staf, gefotografeerd terwijl hij de manoeuvres van zijn troepen gadeslaat. 92 (20b)
PDF
Nummer
1915, nr. 92, 15 nov. 1915
Blad
04
Tekst
PANORAMA 12 1 ' ÖROOTE MILITAIRE WAPENSCHOUWING OP JAVA. Een paar interessante kiekjes van ons leger in Nederlandsch-lndie, genomen tijdens de in September gehouden groote militaire wapénschouwing op Java. Links: De inspectie der Cavalerie. In het rijtuig: Gouverneur-Generaa! van Idenburg en Generaal Michielse, opperbevelhebber van het Indische leger. Rechts: het defileeren van de Inlandsche Infanterie. (K.F.Ö.) OBSESSIE DOOR PIERRE LILS ij was altijd een stille en eenzaamschuwe jongen geweest ; bang voor het groote, duizelende Leven, dathij immer aangevoeld had als een groot en wreed monster, zijn klauwen grijp-bereid, om ze naar hem uit te slaan, teneinde hem te vernietigen; in ééns, of hem langzaam-wreed weg te martelen. Wat het was, die onbestemde angst, wist-ie
PDF
Nummer
1915, nr. 92, 15 nov. 1915
Blad
05
Tekst
13 PANORAMA doen met zijn leven, zijn eigen Leven, wat-ie wilde en dat-ie er niemand rekenschap van behoefde te geven. Dat was zijn eenige troost geworden: dat hij niet langer behoefde te lijden dan-ie zelf wilde. Dat had hem soms inééns zijn angst kunnen doen vergeten en onbevangenbrutaal tegen het Leven kunnen maken, omdat-ie wist, dat-ie den grootsten vijand van het Leven, den Dood, in zijn macht had en hij erover beschikken kon, wanneer hij wilde .... Totdat zijn engagement was gekomen, zoo plots-onverwacht en vreemd. Hij had haar al lang gekend, al van hun jeugd af. Als kinderen hadden zij in overmoedige buien dikwijls gestoeid; toen DE STRIJD IN RUSLAND. Oostenrijksche artillerie op weg naar het front, trekt door een verwoest dorp in West Rusland. Links aan den weg een Veldhospitaal, herkenbaar aan de witte vlag met Rood Kruis. VAN HET RUSSISCHE LEGER. Een Russische mitrailleur, in stelling gebracht bij de nadering van een Duitsche vliegmachine. hij nog jong was en nog niet zoo erg datgene van het Leven wist, wat hem later er zoo bang voor deed zijn. Toen was hij nog maar alleen de stille, in zich-zelf-gekeerde jongen geweest, die soms als hij haar helderen lach hoorde, of bewonderde haar jeugdigen overmoed, die uit haar oogen straalde, ook vroolijk worden kon, door haar. Dikwijls, als hij bij haar was, en hij peinzens-stil voor zich uitstaarde, onbewust nog, als een vaag en wee gevoel in zich voelde opkomen die nog-teruggehouden angst, had zij met haar vroolijkheid al zijn onbewust . verdriet weggeredeneerd. Zoo was die toestand geboren van elkaar goed .kennen, elkander aardig vinden en altijd-bij-elkaar zijn. Hij hield van haar om haar openhartigheid en levensdurf waar-ie bijna eerbied voor voelde, en zij van hem om zijn vreemde trekken, zijn staren en zijn droom-oogen. Zij vond hem interessant. Toen was het gebeurd, op een herfst-dag dat zij samen buiten waren, liepen te dwalen door het bosch, en zijn verdriet zóó groot was, dat ook zij geen invloed meer op hem had, het niet overwinnen kon. Als bij intuïtie voelde zij, dat er iets pijnde in hem, dat-ie niet zeggen kon, omdat-ie er zelf geen verklaring voor wist. Het maakte hem oneindig droef, het matte hem af. De kille, grijze nevel, die als een sluier uit den hemel hing, omfloerste zijn gezicht, zijn denken. Het was hem alsof de kale takken der boomen zich als grijp-armen naar hem uitstrekten om troost voor die verlaten-eenzaamheid in de natuur ; alsof het armen waren van moede, afgestreden menschen, die zich willoos overgaven aan het Lot. De natuur was zoo doodsch, alsof alle leven geweken was om nooit meer terug te keeren. Toen waren zij gaan zitten in het gras aan den rand van den weg en hij had zijn hoofd in haar schoot geborgen, snikkend, kramp-achtig schok-schouderend. Het had haar bijna bang gemaakt. Het was of zijn leed ook in haar ziel kwam. Ook zij voelde de troosteloosheid van dien dag. .. En hij had heel zijn leed uitgeschreid, zonder te kunnen zeggen waarom hij zoo droef was. Alleen voelde hij een oneindig verlangen naar liefde, naar medelijden, in zijn ziel geboren worden, een groote behoefte aan innigheid. Hij had haar gekust. Eerst schuchter, met betraande oogen, op haar voorhoofd, toen heftiger wordend op haar mond. Zij liet hem begaan. Voelde wat hem ontbrak, waar hij ÉÉN UIT VELEN. Een Oostenrijksche krijgsinvalide, die op kunstvoeten leert dansen. Op deze wijze tracht men den slachtoffers van den oorlog hun ellende te doen vergeten. behoefte aan had en had hem moederlijk-goedig, in medelijden, zijn verward haar gladgestreken, hem teruggezoend. . Toen waren zij, zwijgend, naar huis gegaan, met een ongekende gewaarwording in hun ziel, die grooter werd en hen in oneindige teederheid bevangen hield .... Dan was de reactie gekomen, ’s avonds op zijn stille kamer. Toen had hij spijt gevoeld over hetgeen dien middag gebeurd was. Hij begreep dat er nu iets tusschen hen was, dat hen voor altijd gebonden hield, dat het zoo blijven moest en niet anders kon. Dat deed zijn angst weer grooter worden. Hij hield veel van haar, zielsveel, te veel en te innig om haar ooit aan zich DE NIEUWE BURGEMEESTER VAN LONDEN. Verleden week had onder zeer bijzondere omstandigheden de plechtige installatie plaats van den nieuwen Lord-Mayor van Londen. Wij geven hierboven een foto van den nieuwen burgemeester, Sir Charles Wakefield (x). Links naast hem Sir Johnson, zijn voorganger. te kunnen verbinden. Dat kon-ie niet. Nooit. Dat gevoelde hij. De gedachte alleen, dat-ie zijn leven, dat voor hem zoo troosteloos-droef was, aan het hare moest verbinden, dat-ie ook voor haar de zorg op zich moest nemen, kon-ie niet verdragen. Het maakte hem gek. Daar was het Leven te onzeker voor, te wankel van altijd-durende wisselingen. .... Hij zou vergeten wat gebeurd was; haar een tijdlang mijden .... Maar den volgenden dag ging zijn verlangen weer naar haar. Zij was het eenige in het Leven, dat-ie mooi en lief vond, en dat hem soms zijn angst deed vergeten. BIJ DE VOORPLAAT. et schilderij, waarvan wij onzen lezers een afbeelding aanbieden op de eerste bladzijde van dit nummer, behoort tot het genre binnenhuizen in het Gooi, waarmee de Blaricumsche schilder Evert Pieters zijn naam bij de Engelsche en Amerikaansche verzamelaars reeds gevestigd had, eer ook de Nederlandsche kunstliefhebbers naar zijn werk begonnen te vragen. Pieters sluit zich met deze interieur-schilderijen waardig aan bij de Larensche en Haagsche tradities, zonder daarbij zijn persoonlijke opvatting te kort te doen. Zijn eigenlijke artistieke liefde heeft hij echter verpand aan geheel ander, zonnig en kleurig werk, in het voile buitenlicht geschilderd. In de laatste maanden heeft hij een geheele reeks van zulke werken voltooid, die voor ons publiek een verrassing zullen zijn, en welke hij, te beginnen 25 November a.s., bij Goupil in Den Haag tentoonstelt De opbrengst van deze tentoonstelling komt ten bate van het Koninklijk Nationaal Steuncomité, evenals het bedrag eener loterij, waarvoor Pieters een fraai schilderij ten geschenke heeft gegeven. ONTPLOFFING IN EEN MUN ITIE-FABRI EK TÊ PARIJS. Voor eenige weken heeft te Parijs een hevige ontploffing plaats gehad in een munitiefabriek aan ,de Ruè de Tolbiac. De foto’s, die wij hierboven reproduceeren en die een dag na de ramp zijn genomen, bereikten ons eerst heden, daar de Franscne censor ze geruimen tijd heeft opgehouden. — Links: De brandweer temidden van de brandende gebouwen bezig met het blussingswerk; rechts: het opruimen van de puinhoopen.
PDF
Nummer
1915, nr. 92, 15 nov. 1915
Blad
06
Tekst
PANORAMA BEVORDERING VAN NATUUR-, GENEES- EN HEELKUNDE. In de met planten en bloemen versierde aula van het Universiteitsgebouw te Amsterdam werd Woensdagmiddag in tegenwoordigheid van een groot aantal autoriteiten en verdere genoodigden het 125-jarig bestaan van het Genootschap ter bevordering van natuur-, genees- en heelkunde herdacht. De samenkomst, die onder leiding van professor G. van Rijnberk stond, werd o.a. bijgewoond door den Burgemeester, den Stellingcommandant en eenige leden van het College der Hoogeschool. (V.F.B.) Zoo was-ie gegaan als willoos en toen hij bij haar was, toen was het gekomen. Zij had hem gevraagd hoe het nu voortaan tusschen hen moest zijn. Hij had eerst als niet begrepen wat zij bedoelde. Maar zij had gehuild en gevraagd of-ie het dan gisteren nietgemeend had, of hij dan niet van haar hield. Tot hij plots, bijna schreeuwend zei, datie van haar hield, zielsveel en dat hij niet valsch was en alles gemeend had gisteren . . . Zoo was hun beider leven van nu af één geworden. Omdat hij door haar niet voor oneerlijk wilde aangezien worden en hij haar niet zeggen kon, waarom hij zich niet aan haar verbinden durfde. Zij, met haar levensdurf, had het toch niet kunnen begrijpen . . . Op deze wijze was-ie geëngageerd geraakt. In ’t eerst had zijn denken het niet kunnen omvatten. Hij leefde als in een roes. Hij was gefeliciteerd en gefêteerd en het was niet tot hem kunnen doordringen, waarom men hem gelukwenschte en er waren, die hem zeiden dat zij hem benijdden om zoo’n lief meisje. Was zij maar niet zoo lief, hield hij maar niet zóó veel van haar. Dan kon het gebeurde hem misschien minder schelen. Hij was nu nog angstiger geworden, omdat-ie nu niet meer alleen was maar ook de verantwoording droeg voor haar, die het liefste hem was. Nu kón, mocht hij geen eind meer aan zijn leven maken. Hij was nu niet meer alléén, die er over te beschikken had. Zij, ook zij, had er nu recht op. Nu moest hij blijven leven voor haar, die hij zijn woord had gegeven van eeuwige trouw. En later, als zij getrouwd waren en hij niet alleen meer door zijn eèr, zijn woord, maar ook door de wet aan haar verbonden was, dan moest hij vechten voor twee tegen het leven. En dan, als dan het onvermijdelijke, het vreèselijke, dathij voelde, dat komen moést, gebeurde. . . . Soms dorst hij haar niet eens aanzien als hij bij haar was. ’t Was hem dan alsof zij het aan hem zien kon, of zij het lezen kon op zijn gelaat, dat-ie onridderlijk tegenover haar geweest was, dat-hij zich niet had mogen geven aan haar. Omdat-ie geen zeggenschap had over zijn eigen leven, niet leven kón. Die gedachte martelde hem voortdurend totdat-ie op een avond voelde dat het leed hem te zwaar werd. ’t Was of alles op zijn kamer voor hem ópstond ; de stoelen, tafel, zijn boekenkast — het werd alles huizen-, toren-hoog. Hij voelde zich wegzinken er midden-in. De muren kwamen naar hem toe en schenen zich rond hem te buigen om hem te verpletteren. De stilte hoorde-ie suizen ; zijn bloed knetterde in zijn ooren ; ’t was alsof het tegen zijn slapen aanstuwde, of het eruit wilde stroomen. Het schemerde voor zijn oogen; het woelde in zijn hersens, dat-ie een besluit nemen moest, nü, voor het te laat was. Hij wist niet waar hij zich bergen moest voor haar, hier op zijn eigen kamer. Hij zag haar groote blauwe oogen smeekend op hem gericht, ’t was of hij er verwijt en haat in zag, om wat hij gedaan had. Zijn hoofd begroef hij in zijn handen en hij brak in zenuwhuilen uit. Hij snikte, kón het niet uithouden, ’t Was of z’n keel werd dichtgeknepen door onzichtbre vingren. ’t Werd hem te benauwd.— die kamer-warmte, die suizelende stilte, dat gezicht van haar, dat hem maar aanstaarde . . . Hij sprong overeind en vluchtte, snikkend nog, zijn kamer af, naar buiten, waar een onzichtbre macht hem voortdreef naar ’t water, dat hem als aantrok ..... Zoo was het gekomen : het Onvermijdelijke. UITGEREIKTE ONDERSCHEIDINGEN. Links: De Tilanus-medaille, uitgereikt tijdens de bijeenkomst in de aula der Univ. te A’dam ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan van het Genootschap ter bevordering van Natuur-, Genees- en Heelkunde, aan dr. C. U. Ariëns Kappers, op grond van verdienstelijke onderzoekingen gedurende een reeks van jaren verricht op het gebied der morphologie van het centraal zenuwgestel. Rechts: Gouden medaille uitgereikt aan Prof. P. K. Pel, wegens 25-jarige vervulling van het voorzitterschap der 2e sectie van het Genootschap ter bevordering van natuur,- genees- en heelkunde. NoodeDooze Zeflfopofferioi de ^oen Harold Granville een belangrijke post werd aangeboden in de expeditie naar Guluwyo, kon hij dien moeilijk weigeren. De expeditie had in hoofdzaak een commercieel doel, de rijke hulpbronnen van het land moesten zooveel mogelijk productief gemaakt worden ; en directeuren der maatschappij, door wie de expeditie directeuren bleven evenwel veilig thuis, in stille afwachting van de fortuin, die hun in den schoot zou worden geworpen terwijl ’t werk zou worden gedaan door Granville en eenige weinigemannen, even dapper en ondernemend als hij. Het was voor hem een groote verandering en als hij zijn kaarten goed speelde, was er geen enkele reden, waarom ook hij geen fortuin zou maken. Niet dat hij voor zichzëlven aan fortuin-maken dacht, maar hij had een vrouw en een kind, die hij ’n onbezorgde toekomst verschaffen wilde. Hij nam dus de betrekking aan, hoewel met een bezwaard hart, omdat hij van vrouw en kind voor langen tijd zou moeten scheiden. Marion, zijn vrouw, sterkte hem in zijn besluit, niettegenstaande ook voor haar de scheiding smartelijk was, omdat de doktoren verklaarden, dat geen Europeaan langer dan vijf jaar tegen het klimaat bestand was. Voor de beide jongelieden scheen deze vijf jaren echter een periode, waarvan het einde niet te zien was. Nochtans hielden beiden zich tegenover elkander kalm en opgewekt. De dagen na zijn aanstelling gingen snel voorbij. O, zoo snel! Het scheen slechts een moment, vanaf het oogenblik dat het contract geteekend werd tot zijn afreis. Den eersten tijd na zijn vertrek leefde zijn vrouw in een toestand van groot verdriet. Zijn bemoedigende brieven gaven haar geen troost. Zij was zich slechts bewust van de vele gevaren, die hem omringden. Daarom misschien was zij maar half verrast, toen haar de tijding van zijn dood bereikte. Het scheen haar zoo onvermijdelijk, dat zij er zich reeds vertrouwd mee gemaakt had. ,,lk wist het,” fluisterde zij, over de wieg van haar kind gebogen. ,,Ik wist het allang. En ik was niet bij hem .... Zes verloren maanden .... en het laatste oogenblik niet bij hem .... toen hij mij het meest noodig had !” Toen kwam het zelfverwijt: hij had nu nog bij haar kunnen zijn, levend en wel! Kort daarna kwam Charlie Bicknell haar bezoeken. Hij haa met Harold gestudeerd en was zijn vertrouwdste vriend geweest. Haar onnatuurlijke kalmte deed hem schrikken. Behalve de diepe smart die uit haar oogen sprak, was haar gelaat als een masker en alleen toen hij haar vertelde, datgene, waarvoor hij haar was komen bezoeken, toonde zij eenige belangstelling. ,,lk ga naar Afrika,” zei hij. ,,Ik wil inlichtingen over hem inwinnen, als ik kan. Ik dacht, je zoudt misschien willen . . . .” Marion legde haar hand op zijn arm. ,,Tracht uit te vinden waar hij ligt, Charlie,” zei ze, „en breng mij een gedachtenis van hem mee 1” Bicknell beloofde het en vertrok. Hij landde te Loango en bleef daar eenige weken om gidsen en bedienden te vinden. Dit was een moeilijke taak, want alle beschikbare mannen waren uitgetrokken met de Guluwyo-expeditie en de dorpen die op zijn route lagen werd uitgezonden, beloofden zichzelven gouden bergen. De waren vijandig gezind. UIT ONS SCHOONE INSULINDE. — Een tweetal fraaie kiekjes uit Bandoeng. Links: de nieuwe passar (marktplaats) waar de inlanders hun waren te koop komen aanbieden; rechts: het onlangs voltooide nieuwe gebouw van het Ministerie van Oorlog. — Bandoeng is de hoofdplaats van de adsistent-residentie Bandoeng welke behoort tot de Preanger regentschappen op Java. De stad, op een aanzienlijke hoogte boven de zee op een afstand van 117 palen van Batavia in een ongemeen bevallige omgeving gelegen, heeft voor den Europeaan zeer veel aantrekkelijks en uitstekend ingerichte woningen van de hoofdambtenaren. ( V.F.B.)
PDF
Nummer
1915, nr. 92, 15 nov. 1915
Blad
07
Tekst
15 PANORAMA „DE ZWEVENDE MAAGD”. In den grooten Schouwburg te Rotterdam wordt voor volle zalen door het Rotterdamsch Tooneelgezelschap opgevoerd de nieuwe klucht in 3 bedrijven van de schrijvers van De Spaansche Vlieg: „De zwevende maagd’’. Onze foto geeft een tooneeltje uit dit zeldzaam vermakelijke stuk. Van links naar rechts: Chrispijn Jr.; Hunsche; Poolman en Engelen. {foto Berssenbrugge) * ,,Z’N EXCELLENTIE”. Door de N. V. „Het Tooneel” wordt in het Paleis voor Volksvlijt te Amsterdam ten tooneele gebracht de comedi. in 3 bedrijven van A. Nagy: „Z’n Excellentie.’’ De vertaling — die uitstekend is bewerkt is van den het’ Adolphe Engers. Het eerste bedrijf brengen wij hierboven in beeld. V. 1. n. r.: August Meyers - Dr. Arped Hy rnyadi; Van der Werf - Nieuwsgierige; Karei Baars - Lanyr (Insp. v. Pol.); Henri Brondgeest - Daniël Benke Louis Saalborn - Graaf Desider Barozy (minister); Julia de Gruyter - Marie; Louis van Westerhoven - Conciërge Gerard Robbers - Journalist; Marie Holtrop - Mevrouw Benke. (/ofo Cotwée) Eindelijk waren alle toebereidselen gereed ; gelukkig, want de werkeloosheid in het vreeselijke klimaat van Centraal-Afrika was hem ondraaglijk. Na den avond voor zijn vertrek alles geïnspecteerd te hebben, keerde hij voor het laatst in het kleine hotel terug om Marion een brief te schrijven met het bericht dat hij naar het binnenland vertrokken was. Zijn kamer was in ’t duister, toen hij binnenkwamen hij mompelde een verwensching over de zorgeloosheid van zijn bediende, toen hij plotseling verschrikt bleef stilstaan. Er was iets — iemand — in het vertrek en de angst over iets onbekends, over een geheimzinnig wezen, welks tegenwoordigheid hij voelde, maar niet zien kon, beklemde hem den adem. „Wie is daar ?” vroeg hij scherp. Hij verwachtte nauwelijks antwoord, want hij had het gevoel, dat hetgeen tegenwoordig was, niets menschelijks had. Toch kwam er een antwoord en de stem die sprak was die van zijn dooden vriend. Die schok was te sterk ! Was hij gek? Hij deinsde achteruit, wreef zich met de hand over het voorhoofd. Toen al zijn geestkracht bijeenverzamelende stapte hij toe op de plek, vanwaar hij de stem gehoord had. Daar voelde hij een uitgestoken hand, een hand van vleesch en bloed en klonken hem woorden in de ooren van blijde begroeting. En toch — toch kon hij een gevoel van vrees, van onwerkelijkheid der dingen niet van zich schudden. Hij probeerde een lucifer aan te steken. Hij zou beter begrijpen als hij zien kon. „Laat dat,” klonk de stem van Haroid. „Laat mij in het donker!” Charlie gehoorzaamde en de dikke duisternis rondom hem bestendigde zijn gévoel van vrees en onwerkelijkheid. En in deze gemoedsstemming hoorde hij een vreeselijk verhaal : hoe de expeditie op een nacht door een bloeddorstige horde van inboorlingen was overvallen ; hoe in de algemeene vlucht die volgde allen ontsnapt waren, behalve Granville en hoe hij door de wilden gevangen genomen en op de gruwelijkste wijze gepijnigd was. Van zijn ontsnapping had hij geen goed begrip; de vreeselijke mishandelingen, de onduldbare pijnen hadden hem eindelijk het bewustzijn doen verliezen en toen hij weer bij kennis kwam, bevond hij zich te Loango. Hier werd hij verpleegd in een hospitaal onder een aangenomen naam, hier kreeg hij het leven terug, dat hij bijna verloren had en hier hoorde hij van Bicknell’s expeditie, en had hij zich gehaast zijn vriend op te zoeken om hem van die gevaarvolle onderneming te doen afzien. Er was iets onuitsprekelijk huiveringwekkends in de INSPECTIE VAN HET MAASSTATION TE ROTTERDAM, Woensdag 10 November beeft Generaal-majoor A. L. Klerk, de Reus een inspectie gehouden over het Maasstation te Rotterdam, Hierboven Z.Exc. terugkeerend naar zijn auto. situatie: zittende in ondoordringbare duisternis, luisterende naar de vreeselijke geschiedenis van een man die als ’t ware uit den dood verrezen was. Het afgrijselijke wat Granville ondervonden had greep zijn vriend diep TEWATERLATING „OMBIL1N”. Woensdagmiddag werd met gunstig gevolg van een der hellingen der Nederlandsche Scheepsbouw-maatschappij te Amsterdam te water gelaten het stoomschip „Ombilin”. in aanbouw voor de Koninklijke PaketvaartMaatschappij aldaar. Het schip is geheel van staal en is het grootste kolenschip in de vloot der Paketvaart-Mij. Tevens is het ’t eerste schip voorzien van topzij-tanks, dat in Nederland gebouwd is. (V.F.B.) in de ziel. Hoe zou Marion hieronder zijn ? Deze gedachte trof hem als een kaakslag. „Je hebt Marion natuurlijk geschreven ?” vroeg hij. Er was een oogenblik een beklemmende stilte, toen klonk Granville’s stem kort en hard : „Neen !” Bicknell zweeg. Het was even duister in zijn brein als rondom hem. Eindelijk sprak Granville weer. „Voor Marion, voor de geheele wereld behalve voor jou, maar vooral voor Marion, ben ik dood !” Het bewustzijn van iets vreeselijks snoerde Bicknell de keel toe. „Waarom ?” bracht hij er met moeite uit. „Maak licht — dan zul je het zien !” Er was onmiskenbaar angst in Granville’s stem. Bicknell gehoorzaamde als in een droom; hij scheen de macht over zichzelven verloren te hebben en w.erd geheel beheerscht door een intensen angst. Eindelijk brandde het licht en keerde hij zich om als gesuggereerd. Wat. ' ! Groote zweetdruppels parelden op zijn voorhoofd en hij beefde van het hoofd tot de voeten. — Daar voor hem in een lagen stoel zat een man, kreupel, verminkt, verschrompeld, het afgewende gelaat in de handen verborgen. „Je gelaat!” hijgde Bicknell. „Laat me je aangezicht zien!” Langzaam nam Haroid Granville de handen weg en keek op. De eene helft van het gelaat had nog de jeugdige, knappe trekken, die Charlie zoo goed kende. De rest . . . . Groote Hemel! Wat was dat ? Was ’t een hallucinatie ? Kon een mensch zich zoo iets afschuwelijk weerzinwekkends denken ? Was ’t mogelijk dat dit ooit een menschelijk gelaat geweest was? Hij kon dit niet langer aanzien en met een snelle beweging draaide hij het licht uit, zoodat de weldadige duisternis hen weer omsloot. Het was langen tijd stil in de kamer. „Wat was ’t ?” vroeg Bicknell eindelijk. „Vuur!.., Ze wilden mij verbranden... Ik weet niet hoe ik ontkwam.” De stem was een verademing, ’t was Harolds stem; het wezen daar in het licht had nauwelijks iets menschelijks meer. „Marion breekt haar hart voor jou,” zei Charlie, bijna werktuiglijk. „Beter dan voor haar leven verbonden te zijn aan .... dit I” „Zij bemint je! Zij zal het dapper onder de oogen zien!” „Zij moet het nimmer weten ; ze zal het nimmer zien !” Het onwerkelijke gevoel van een nachtmerrie kwam terug. Het duurde voort den geheelen, stillen Afrikaanschen nacht, terwijl zij daar zaten en plannen bespraken. En al dien tijd vreesde Bicknell, meer dan hij ooit eenig ding gevreesd had, dat de nieuwe dag het gordijn der duisternis zou opheffen en hij dien man weer zou moeten zien. Goed beschouwd was het toch maar beter de dingen te laten, zooals zij waren. Het pensioen dat Marion van de Maatschappij genoot, was ruim voldoende voor haar behoeften. De grootste smart was voorbij en de weldadige Tijd zou de wond heelen. Zij zou gespaard blijven voor het afgrijslijke dat hij verduurde. Neen, geen enkele vrouw die liefhad kon haar beminden man in zoo’n ellendigen toestand zien en haar verstand behouden. Zoo stoomde Bicknell dus met een volgende boot alleen naar Engeland terug, met zich nemende eenige bloemen, die groeiden langs de veranda van Granville’s huis te Loango. Haroid had ze geplukt en er was gemakkelijk hierover een eenigszins geloofwaardig verhaal te bedenken. Nochtans schrok Bicknell terug voor een ontmoeting met Marion en voor een beantwoording van haar vragen. Hij behoefde echter niet bevreesd te zijn. Marion was kalm en vroeg hem weinig, haar wonde was nog te rauw INSPECTIE VAN HET MAASSTATION TE ROTTERDAM. Kolonel L. W. v. Hoek (territoriaal bevelhebber van Z.-Holland) en de reserve-luitenant-kolonel v. d. Generalen Staf C. F. H. Tückermann, keeren, in't gevolg van Generaal Klerk de Reus, terug van de Inspectie. (foto's v. d. Ende)
PDF
Blad 
 van 2380
Records 2006 tot 2010 van 11897