Panorama

Blad 
 van 2380
Records 2001 tot 2005 van 11897
Nummer
1915, nr. 91, 11 nov. 1915
Blad
06
Tekst
PANORAMA 6 DE COLLECTE-FOKKENS In ons vorig nummer gaven wij reeds enkele foto’s ter gelegenheid van ’t feit, dat op 4 Nov. 1.1. de 52e collecte één dubbeltje of één cent was gehouden, waardoor ten bate van het Steuncomité in de residentie ruim honderdduizend gulden werd verzameld. De vorige week nu zijn de 400 collectanten, dames en heeren, in het Olympia-Theater bijeengekomen, om dit heuglijk feit eenigszins feestelijk te vieren. — Hierboven de vergaderden, wier belangelooze arbeid van groot voordeel voor het Steuncomité is. (foto „RembrandO Er was iets zonderlings in de dingen om haar heen; de dagen die aan dit feest waren voor afgegaan hadden een vreemde stemming gehad, anders dan van andere dagen. Een afzonderlijk, op zichzelf staand leven bewoog zich tusschen het spreken en doen van de menschen die haar omringden, een leven van fluisterstemmen en spotlachjes, waarin iets geheimzinnigs klonk, dat eigenlijk niemand weten mocht. Hoe beklemmend was dat; ’t maakte bijna angstig. Nu en dan sprak Elli plotseling iemand aan; ze had het op haar lippen te vragen : wat is er toch, wat verbergen jullie . . . .maar dan zei de aangesprokene met ’n heel gewonen stemklank iets over den vrooiijken avond of het mooie zomerweer, en het geheimzinnige was geweken. Tot opeens — daar waren ze weer, de fluisterstemmen,de spotlachjes ; en Elli voelde den pijnlijken druk van het ongewetene. Erik zag er moe uit en veel ernstiger dan vroeger ; hij had het bal met zijn bruid geopend, en was daarna stil naast haar gaan zitten. Elli had opgemerkt dat ze «bijna niet met elkaar spraken. Ze was naar hem toegegaan en; toen had Erik haar om een dans gevraagd, den eenigen dien hij met een ander meisje deed dien avond. Dat had de aandacht getrokken ; men had hen nagekeken terwijl ze samen dansten, en Elli had zich heel gelukkig gevoeld omdat zij alleen was uitverkoren. „Een aardig paar,” meende ze iemand te hooren zeggen, dien ze voorbij dansten. Wat beteekende dit toch alles ? Elli wilde het weten. Bij een bruiloftsfeest kon ze zich alleen stralende geluksoogen denken en hartelijk klinkende dankbaarheids-stemmen — trouwen was immers het mooiste uit een menschenleven 1 Maar door haar omgeving zweefden angst en pijn, als waren rouw en dood in de nabijheid. Nu dacht ze aan wat Erik vroeger eens gezegd had, tien jaar geleden: hoe een mensch zich eerst in het huwelijk geheel geven en ontplooien kan. Waarom keek hij dan zoo strak en zwijgend voor zich uit — was hij nu niet op het toppunt van zijn geluk ? Daar kwam hij op haar toe. Hij glimlachte, maar niet meer zooals vroeger, toen zijn heele wezen glansde en verhelderde ais hij lachte. „Wat zit je daar zoo alleen, Elli ?” vroeg hij. „Ben je moe, of filozofeer je een beetje?” Hoe vreemd en hoe heerlijk 1 Daar kwamen opeens alle oude herinneringen terug. Zijn stem klonk als vroeger, diep-welluidend, week en vertrouwelijk. De lichtende feestzaal was weg, de veel-kleurige menschen verdwenen ; ze waren alleen tusschen het groen, onder de zoele lentezon. ,,Ik denk er over hoe heerlijk het zijn moet van iemand te houden,” antwoordde Elli. d&t niet hebt .... geloof ik . . Het vizioen was weer weg. „Je leven is zoo leeg als je Erik was naast haar komen MEVROUW FOKKENS, van wie het denkbeeld der collecte éen dubbeltje of éen cent is uitgegaan (foto „RembrandV') zitten ; Elli zag zijn gezicht strak worden toen ze hem geantwoord had, en de boomen en het groen veranderden weer in een versierde zaal met gonzende menschen. „Geloof je ? All^pn zijn is toch ook wel een goed ding . . . .” Zijn stem klonk koud, onbekend. Elli zag even naar hem op. „Je bent veranderd, Erik ! Vroeger sprak je Keel anders !” „Dat is best mogelijk,” was zijn antwoord. „Ik ben ouder geworden. De tijd laat ons niet ongemoeid.” Hij streek met de hand over de oogen en zweeg. Een paar minuten zaten ze zonder spreken naast elkaar. /Elli droomde zich in oude tijden terug. Hoe was hij zoo moe, zoo cynisch, zoo oud geworden ? Was ’t toch waarlijk zoo, dat men zijn jeugd van zich wierp, verloochende, vergat — als men ouder werd ? O — zij hoopte nooit haar idealen te verliezen, al leefde ze een eeuw 1 „Maar Erik . . . .” schuw keek ze hem van terzij aan — „al is dat zoo — voel je je nu niet opnieuw jong worden, nü, in je bruidsdagen . . . 1” Als pijn ging het door haar heen, zijn hard, moe, glansloos oogenstaren ; en die pijn bewees haar hoe lief Erik haar in lang geleden, dagen geweest was, hoe lief hij haar nog was —- om de herinnering aan het goede en mooie dat hij, vroeger, in haar loven gebracht had, om het begrijpen en mee-voelen dat hij haar had gegeven, in een tijd toen haar kinderziel de aandacht van ouderen nog nauwelijks waardig werd geacht. En het leek haar, in de aanzweeming van dit tragisch contrast-gevoel — de tragiek der botsing tusschen nu en toen — dat ze al haar toewijding zou kunnen offeren aan de herwinning van zijn geluk, en daarin, zonder eigenbaat, zelf gelukkig zijn. Warm, weldadig-streelend, dooide het oud-vertrouwelijke, kinderlijk-teere geluid van Elli's stem langs de starre, sinds lang verijsde jeugd-herinneringen in Eriks hart — klokgebeier in stille, verlichte verte, over troosteloosleege vlakte, na vele uren van moeitevol zoeken. Een vreemde, ijle boog, den tijd overbruggend, was plotseling gespannen over een sombere periode van twijfelen, vallen, mislukken, en ten slotte nemen van het onbegeerde — uit onverschilligheid en onvoldaanheid deels, uit toekomstangst voor zichzelf ook, door dwang van nijpende omstandigheden. Vreemde ellips van levenslijnen, die, na lange en groote verwijdering, zich nu weer tot elkander bogen, éen oogenblik ! Hoe eenvoudig was dit. en hoe natuurlijk gekomen ; en hoe was het mogelijk dat tusschen die booglijnen ooit een droevig slagveld van vernietigden levens-bloei had gelegen ! „Je bent nog dezelfde idealistische Elli van vroeger,” zei Erik, met een glimlach, waarin ze éven het teere, innige van vroeger zag weerglansen. Maar die glans versomberde weer, en de starre trek van moeheid hoekte WANDELTOCHTEN ROND DEN HAAG Door de Haagsche Athletiek-Vereeniging zijn Zondag 7 November een drietal wandeltochten rond Den Haag qeorganiseerd, die schitterend zijn geslaagd. Een kleine 200 personen, uit alle deelen des lands, hadden zich voor deelname aangemeld. Start en finish waren bij „Overbosch”. Om 8 uur vertrok de eerste groep die het sterkst was bezet — tot het doen van een 50-kilometertocht; de tweede groep, die 35 kilometer moest afleggen, vertrok een uur later en om 10 uur startte de derde om een marsch van 25 K.M. te maken, die hoofdzakelijk was uitgeschreven voor ongetrainde en jeugdige personen. Om half vijf waren alle groepen weer in uitstekende conditie gearriveerd. Links: het bestuur der Haagsche Athletiek Vereeniging. Zittend v.l.n.r. H. J. v. Taanom; W. Korlvinke; J. M. Coeland; S. K. Heine en P. H. Wijmer. Staand, zelfde volgorde; Mèvr. Coeland-Vos; {. D. A. H. Hagen en H. A. van Bommel. Rechts: de deelnemers aan den 50-kilometertocht. (foto's Hipnans)
PDF
Nummer
1915, nr. 91, 11 nov. 1915
Blad
07
Tekst
PANORAMA DE DOCHTER VAN DEN TAM BO ER-M AJOO R. Het operettegezelschap van Nap de ia Mar voert thans met enorm succes in den CircusSchouwburgte Rotterdam de bekende operette van Offenbach: De dochter van den TamboerMajoor op. De muzikale leiding berust bij den knappen kapelmeester H. Davids. Nap de la Mar heeft van den Tamboer-Majoor een pracht-grime gemaakt; de regie berust bij hem. Alle medewerkenden maken van hun rollen dat, wat het zijn moet, zooaat het geheel een welgeslaagde opvoering is. Geen wonder dat iederen avond de schouwburg bijna is uitverkocht. De operette gaat vanaf 16 November in Scala in den Haag, waar 8 paarden en stukken geschut ten tooneele zullen komen.— Foto links: Beppie de Vries als Stella, de dochter van aen Tamboer-Majoor; midden: Groep der medewerkenden aan het slot der laatste acte; rechts: Nap de la Mar als Tamboer-Majoor Monthabor. {foto's Wolf.} divan in haar kamer, haar baljapon nog aan, haar waaier in de eene, slap afhangende hand, met de andere het hoofd steunend ; de tuindeuren stonden open, de nachtlucht deinde met bloemengeur naar binnen. In den tuin daarnaast hoorde ze stemmen-klank, daarboven opnieuw langs zijn mond, toen hij vervolgde : „maar voor mij is er veel veranderd . . . .” Ze zag hem aan met een korte beweging van schrik, maar dorst de woorden niet uiten die op haar lippen beefden. Beiden zwegen ze enkele oogenblikken ; Erik zag van ter zijde op haar neer, starend als in herinnering ; hij zag den vagen angst die snel haar wangen hooger kleurde. Een glimlach verteederde even den bitteren trek om zijn lippen. Eindelijk vroeg ze, en haar handen bewogen zich onrustig in haar schoot: „maar Erik .... nu heb je toch het hoogste bereikt .... Hoe kan je anders dan gelukkig zijn ?” Hij lachte kort en schamper. Maar dadelijk daarop nam zijn gezicht de zachte, trouwhartige uitdrukking aan die ze zoo goed kende, van jaren geleden .... Hij legde een seconde zijn hand op haar arm : „zeker... . waarom zou jij dat niet gelooven .... In onze droomen van tien jaar geleden trouwden we uit liefde 1 Maar de tijd spot daarmee, brengt overwegingen van stand en geld . . . .” Hij zweeg weer, als moe en onverschillig. Een afschuw schokte door haar heen. ze wilde spreken, hem zeggen dat dit niet mocht.... maar hij zag het kijken en fluisteren der menschen, en hij schudde, met een lichte rilling, de* weekheid van zich die hem een oogenblik, in herdenking van wat geweest was, doorvloeide . . . Hij stond op, en boog, en legde de hand op den arm van zijn bruid, die hem genaderd was, hem zoekend, verwonderd waar hij bleef.... En Elli zag hem in een snelle wals de zaal doorwervelen. Onbeweeglijk, met starren angst in de oogen, bleef ze zitten, onmachtig op te staan. Langzamerhand meer bewust wordende van de dingen om zich heen” voelde ze opnieuw het vreemde, afzonderlijke leven van snel-gewisselde glimlachjes, van half-gefluisterde spotwoorden, dat vreemd-geheimzinnig door de zwoele zaal zweefde. III. De meeste gasten waren heengegaan, de ouderen bijna allen; reeds vonkten de sterren zwakker, scheen in de verte dageraads-rood zich tegen ’t nacht-zwart te • strepen. In de danszaal brandden nog enkele lichten ; doodsch waren nu de. schaduw-hoeken, en waar het licht scheen leek alles nu verfomfaaid, versuft en flets ; het bruidspaar was heengegaan, eenige bedienden veegden serpentines op een hoop, ruimden half-leege glazen op. Vijf of zes paren, enkele groepjes jongelui wandelden door den tuin, nog niet kunnende scheiden, verkoeling zoekend in de nanacht-luwte; hier en daar, aan den achterkant der huizen, blaakten verlichte vensters, van gasten die ter ruste gingen. Elli lag op den DE SCHIPBRUG NABIJ ARNHEM INGEZAKT. Toen^erleden week een trein der Betuwsche Stoomtram, waarmede proefritten werden gedaan, over de Rijnbrug te Arnhem reed, bezweken eenige brugschepen onderden last. Goor den lagen waterstand lag de brug zeer diep en het tweede brugsiuk iets hooger dan het gedeelte aan den wal. Toen nu de trein bij den terugrit het tweede brugvak op zou rijden, kantelde het eerste schip van dit vak. waardoor de trein terugreed en de steunpunten van de vóór liggende drie schepen, die ten deele ook kantelden, bezweken. Het brugdek met de tram erop zonk daardoor naar beneden. Persoonlijke ongelukken zijn niet voorgekomen; het verkeer-naar de overzijde geschiedde met een veerpont terwijl de scheepvaart geen belemmering behoefde te ondervinden, daar een brugvak was uitgedreven. Direct na het ongeval is men begonnen de schipbrug weder in bruikbaren staat te brengen. VOOR HONDENLIEFHEBBERS. Van bevriende zijde zond men ons bijgaande foto’s van de Blenheim Spaniël, Barnburgs Ella met haar beide jongen. De vader is Bonny „Prince Joy”. Beide oüders zijn in Engeland geboren en werden steeds met le prijzen bekroond. De Blenheim Spaniël is een van de vier soorten der Toy Spaniëls, die zich slechts door een verschil in kleur van elkaar onderscheiden. Dit speciale ras, dat wit en oranje van kleur is, heeft zijn naam te danken aan het Blenheim-paleis, den zetel van den hertog van Marlborough. Vroeger werd de Blenheim Spaniël voor verschillende doeleinden gebruikt en was het een zeer gezocht jachthondje, doch tegenwoordig is het slechts een geliefkoosd dameshondje, daar het een van de trouwste en aanhankelijkste rassen is. — Op de bovenste foto ziet men Barnburgs Ella met haar beide jongen, op de onderste de laatste afzonderlijk in hun mandje. uit soms helderen lachjubel ; het troepje jongelui dat nog niet wilde scheiden, en nu waaierwuivend door den tuin wandelde, had haar eerst tegengehouden toen ze wilde weggaan, gezegd dat ze blijven moest — maar ze had geantwoord dat ze heel moe was, en slapen ging, en na een kort afscheid was ze door het oude poortje in den tusschenmuur gevlucht. Het was haar onmogelijk nu, na dezen avond, te praten en vroolijk te zijn. Nog bonsden zijn laatste woorden in haar ooren .... Dat was dus mogelijk, dat bestónd dus: voor eeuwig je leven aan een ander leven verbinden — zonder ideaal, zonder wijding, zonder liefde, om overwegingen die buiten je gevoel stonden 1 Uiterlijk,het hoogste bereiken, innerlijk een laagheid begaan, uit berekening 1 Ze had het wel vaag geweten : dat iemand trouwde uit eigenbelang, zich voor zijn leven verbond om overwegingen van materieelen aard, zonder liefde . . . Ze had wel gehoord van menschen die in het huwelijk, ais in een kansspel, hun eigenwaarde verdobbelden .... Maar was het mogelijk dat Erik dit deed1, Erik, de held van haar jonge-meisjesjaren — de man, dien ze zóo hoog had gesteld, dat zelfs de gedachte nooit in haar was opgekomen hem voor zichzelf te begeeren ? Wel moest dan het leven hem wreed geslagen hebben, wel moest veel teers en moois in hem gestorven zijn, dat dit gebeuren kon ! Maar dit was verschrikkelijk, dit mocht niet, dit mócht niet gebeuren ! Er moest iets gedaan, gezegd — er moest gehandeld worden 1 Wie dit zag, dit wist — en zweeg .... was een lafaard 1 Maar zag dan niemand het, wist niemand dat vreeselijke, had niemand den angst, de klemmende benauwing gevoeld, die door de zaal had gezweefd dien avond ? Zouden al die menschen deze misdaad onverhinderd laten gebeuren, zou niemand ook maar een poging doen om zich te verzetten ? Ze was opgestaan, stikkend in de benauwenis van dit afschuwelijke oogenblik .... Wie wist. . . . en zwéeg.... was een lafaard 1 Dat alleen voelde ze, dat alleen leefde in haar. Ze ging den tuin in, stootte het poortje open. Nog klonken lachende stemmen, schuifelde voetengestap. Door de gesloten gordijnen van Eriks kamer bfonk lamplicht. Zou ze er heen gaan . . .. ? De twijfel vervaagde, nauwelijks gerezen. Natuurlijk zou ze gaan — was ze niet, vroeger, honderdmaal die tuintrap opgeloopen, had ze niet honderdmaal die deuren opengestooten, hem met een vroolijk : „daar ben ik !” verrast,’en uren met hem op zijn kamer zitten babbelen ? Waarom ook nu niet — nu geen lust, nu plicht haar den weg wees 1 Ze tikte.........de deur week . . . Erik, den rug naar haar toe, stond over een koffer gebogen; kledingstukken, boeken, lagen rondom ver-
PDF
Nummer
1915, nr. 91, 11 nov. 1915
Blad
08
Tekst
PANORAMA 8 DE VERBOUWING AAN DE KWEEKSCHOOL. VOOR ZEEVAART TE LEIDEN. Eenige nummers terug reeds gaven wij een foto van het bezoek van den minister van Marine, ter gelegenheid van de restauratie en verbouwing van de Kweekschool voor Zeevaart te Leiden. Thans reproduceeren wij hier op deze pagina nog enkele opnamen, die een uitstekend idee geven van deze inrichting, die door de aangebrachte veranderingen geworden is tot een der beste inrichtingen van dien aard in geheel Europa. Foto links: De vóórzijde der gebouwen; rechts en links op de afbeelding het nieuw-bijgebouwde gedeelte. Foto rechts: klimoefeningen der adspirant-zeevaarders. spreid. Ja — hij pakte zijn koffers — hij ging immers morgen trouwen. „Erik .... !” Opschrikkend, wendde hij zich om. Zijn moe gezicht plooide zich in rimpels, boos, verbaasd. „Elli .... wat is er, wat wil je?” Ze stortte op hem toe, knakte voor hem neer, plettend den zijden zwier van haar baljapon ... greep zijn handen . . . „Erik — het kan niet, het mag niet. . . .” Hij zag haar aan, zwijgend, en begréep. Toen maakte hij zich los, drong haar zacht van zich. „Stil, stil.... ga heen 1 Wat wil je, wat doe je . . . Hier, door deze deur,*' ik zal je den weg wijzen, ga heen . . . .” Maar weer greep ze zijn handen, in vertwijfeling. „Erik . . . verkoop jezelf niet, gooi je niet weg ....!” Schril had haar stem gekreten door de nachtstilte, brekend ten laatste in een snik ... Ze vond geen woorden meer. . . zag zich toen plotseling staan in die vreemde omgeving van wreede, vijandige dingen , . . . . voelde zich machteloos, belachelijk, armzalig, zooals ze daar, in den zijden zwier van haar neergeplette japon, stond tegenover dien nu vreemden, vijandigen man, met z’n.moe, verschrikt gezicht... Boven: Janmaat poseert; links-onderaan: Een kijkje op de slaapzaal, waar de jeugdige matrozen, evenals op zee, in kooien slapen; rechts-onderaan: De ontspanningszaal waarin de jongens alles vinden om zich in hun vrije uren te amuseeren. (foto's V.F.B.) De tuindeuren, opengekierd door den *nachtwind, kletterden .... onder aan de trap stond ’t groepje, zooeven lachende en pratende, nablijvers — nu in zwijgende, bijna angstige verwondering .... En Elli snelde den tuin in, langs de zwijgende kijkers, die niet begrepen .... Door het poortje snelde ze, haar kamerdeur rukte ze open, en op haar bed viel ze neer, in een huivering van smart en onbegrepen schaamte, snikkend tot de dag door de schemering brak .... IV. Dien morgen trouwde Erik. Dien morgen lag Elli op de rustbank in haar kamer, moe, gebroken .... verder van het begrijpen, angstiger tegenover het leven dan ooit. Vele dagen lang sprak men, spottend, fluisterend, over het avontuur van dien nacht: Elli op de kamer van Erik, snikkend, hartstochtelijk .... En de groote daad werd gevonnist. 1900. © NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPPIJ, LEIDEN.
PDF
Nummer
1915, nr. 92, 15 nov. 1915
Blad
01
Tekst
No. 92 (20b) 15 November 1915 AFZONDERLIJKE NUMMERS Z*/2 CENT A.W. SIJTHOFF S UITGEVERS MAATSCHAPPIJ - LEIDEN ABONNEMENT PER KWARTAAL 26 NUMMERS f 1.50 T (Zie ook bijschrift op pag. 13) Evert Pieters, - Blaricumsch Binnenhuis, (Met toestemming van Goupil & Cie.J
PDF
Nummer
1915, nr. 92, 15 nov. 1915
Blad
02
Tekst
PANORAMA 10 Welk een vreemde sinjeurs uit de verstgelegen binnenlanden soms in het „Tehuis’ terechtkomen, toont ons deze kiek. et is een der belangwekkendste en meest sympathieke inrichtingen van Amsterdam, ja, ik zou wel willen zeggen van de hèèle wéreld .... Er wordt thans in de oude Studenten-Sociëteit op den Heiligenweg weer een liefdadigheidsbazar gehouden door deze Vereeniging, en dat leek ons een uitstekende aanleiding om op deze stichting de aandacht van de lezers van „Panorama” te vestigen. Zoo togen we dezer dagen naar het OudeBuitengasthuis, ook wel Pesthuis genaamd, aan de Constantijn-Huygensstraat; wij kregen vergunning, er eens rond te kijken, en wat wij daar zagen, overtrof al onze verwachtingen, en deze waren toch werkelijk reeds hooggespannen. . Het doet inderdaad goed, en in tijden van wreede verschrikkingen als thans meer dan ooit, menschen te ontmoeten, die léven voor de ellendige verschoppelingen, de zwervers, de zwakken en de anders ten verderve opgeschreven kinderen van dezen. Het is een ontroerend schouwspel, zooals in dit instituut de gebreken van het groote stadsleven als het ware verbeterd worden; zooals wie in het barre leven alleen geen stand houden kon en zonder hulp dat wel nooit zal kunnen, zedelijk en stoffelijk wordt bijgestaan door deze groep van liefdevolle, geduldige en zelf zedeJijk-sterke menschen — directeur en verpleegsters, leiders van het Tehuis. Het zal op 12 Maart 1916 twaalf en een half jaar geleden zijn, dat de inrichting, zij het ook niet dadelijk op zoo groote schaal als thans, gesticht werd door den wakkeren en menschlievenden heer T. Jonker. Bijgestaan door zijn echtgenoote en een staf van helpers wist hij meer en meer zijn inrichting uit te breiden. Er arbeidt nu dagelijks 130 man personeel. Behalve het groote Buitengasthuis zijn er nog kleinere Tehuizen hier en daar verspreid, welke mede helpen aan het zegenrijke schoone werk. Op de PrinsHendrikkade is ’n speciaal jongenshuis gevestigd; in de Vosmaerstraat is een Observatiehuis ingericht, waar kleine boefjes, te jong voor den strafrechter, geobserveerd en geleidworden, dikwijls met succes; te Houten, nabij Utrecht is een speciaal Tehuis voor meisjes, „Jeannette-oord” genaamd, terwijl ook het bekende geheelonthoudershotel „de Hoop” in de Warmoesstraat, aan de Vereeniging hoort. Ge kunt u wel voorstellen, dat daar wat te doen valt voor zoo’n gezinnetje. „Bij elkaar hebben we altijd zoowat 700 menschen in huis”, zei de heer Jonker mij. Het Tehuis heeft een vlottende en een vaste bevolking: de eerste bestaat uit de zwervers, die zich ’s avonds komen aanmelden om te slapen en te eten; de andere zijn de internen, dat zijn de menschen. die in het huis wonen en -daar of elders door werken hun brood verDrie kinderen vóór hun opname in het „Tehuis”. Dezelfde kinderen n& hun opname het „Tehuis”. dienen. Ieder wordt er opgenomen; slechts aan één voorwaarde moet hij voldoen, en dat is, dat hij een kaart van de politie bij zich heeft, ten bewijze, dat hij niet strafrechterlijk vervolgd wordt en zijn straf ontduikt. De zwervers, die vroeger bij de politie drie nachten achtereen sliepen, werden naar Veenhuizen gebracht, en honderden sliepen in de plantsoenen, in karren, in portieken en onder bruggen. Het Tehuis heeft veel, zéér veel veranderd in den nachtelijken aanblik van de wreede grootstad. Vooral in den winter is het ’s avonds een soort van wedloop wie Bij goed weer wordt de maaltijd door de kinderen op plaats genuttigd. de binnenhet eerst het Tehuis bereikt; een wèdlööp om een onderdak en eten en warmte en leed-vergeten; een wedloop, want om 10 uur is het huis bijna altijd vol. Om dien tijd ziet men dan ook in die buurt de zwervers en zwerfsters hard loopen als vluchtten zij na een misdrijf, maar de agenten weten wel waarheen ze verlangend ijlen met hun sombere, doffe gelaatstrekken, havelooze kleeren en schuwe gebaren. Het gaat naar „Jonker”, zooals zij het uitdrukken. Bij „Jonker” vallen ze binnen bij dozijnen, bij honderden, als de deerniswaardige wormstekige vruchten van den boom der samenleving. En wie den ganschen dag bijtende koude en pijnenden honger geleden heeft, hier in het vriendelijke warme huis wacht hem een maaltijd en een bed ; en de goede weldaad der properheid niet te vergeten, want wie binnenkomt, wordt gebaad, ieder zonder onderscheid. In die badkamers, voortreffelijk hygiënisch ingericht, hebben zich wat schrikkelijke tooneelen afgespeeld ; lieden, die zich jarenlang niet gewasschen hadden, werden daar als van een donkere huid van vuil ontdaan, schurftige hoofden werden gereinigd en verbonden ; de veelal deels verteerde kleeren worden verwisseld voor warme wollen nachthemden. Dan wachten, o zaligheid, de dampende koffie, de heerlijke boterhammen, het bord warme mondkost, en vermoeid van dit goede avondmaal en het bad wordt ’n nachtrust gemaakt als soms in jaren niet genoten werd. Zoo’n eerste nacht in het asyl van „onbehuisden” moet toch in het afschuwelijke, wreede, donkere leven van die vagebonden als een lichte, verrukkelijke droom zijn. Vier nachten mogen de menschen buiten verband daar blijven ; ze kunnen daarna in de werkinrichting van het Tehuis terecht, op de timmermans-, schilders-, schoenmakersen andere werkplaatsen, en wie geen vak verstaan, kunnen helpen aan het maken van bosjes hout, die ten bate van de inrichting langs de huizen verkocht worden; ook wordt papier opgehaald en gesorteerd ; ook verschaft men den menschen werk buitenshuis, of men koopt hun een kaartje naar de plaats, waar zij vandaan komen of waar ze werk krijgen kunnen. Ik heb op mijn rondwandeling door het groote huis héél wat gezien. DE KINDEREN KRIJGEN HUN BAD, DE ZUIGELINGENZAAL, Hulp voor Onbehuisden
PDF
Blad 
 van 2380
Records 2001 tot 2005 van 11897